29 865
Regeling van de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester (Wet verkiezing burgemeester)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling vast te stellen voor de wijze waarop de burgemeester rechtstreeks wordt gekozen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ingezetene: degene die in de gemeente werkelijke woonplaats heeft.

2. Zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.

Artikel 1.2

De burgemeester wordt gelijktijdig met de verkiezing van de leden van de gemeenteraad voor vier jaren bij geheime stemming rechtstreeks door de kiesgerechtigde ingezetenen van de gemeente gekozen.

HOOFDSTUK 2 KIESGERECHTIGDHEID

Paragraaf 1 Vereisten voor kiesgerechtigdheid

Artikel 2.1

1. De burgemeester wordt gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de eerste ronde van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat:

a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een overeenkomst tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en

b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Niet kiesgerechtigd zijn zij die geen Nederlander zijn en, als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Artikel 2.2

1. Van het kiesrecht zijn uitgesloten:

a. zij die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht zijn ontzet;

b. zij die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten.

De uitsluiting wordt beoordeeld naar de toestand op de dag van de kandidaatstelling.

2. Onze Minister van Justitie draagt zorg, dat van elke onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk mededeling wordt gedaan aan de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven of, als het een persoon betreft die niet in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, aan de burgemeester van de gemeente 's-Gravenhage, met vermelding van naam, voorletters of voornamen, adres en geboortedatum alsmede van de duur van de uitsluiting.

3. De burgemeester stelt na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde mededeling betrokkene in kennis van zijn uitsluiting en de duur daarvan.

Artikel 2.3

1. Kiesgerechtigde personen aan wie op de dag van de stemming rechtmatig hun vrijheid is ontnomen, oefenen hun kiesrecht uit door bij volmacht te stemmen.

2. Deze beperking geldt niet:

a. voor hen die op de dag van de stemming een zodanige feitelijke bewegingsvrijheid genieten dat zij in persoon aan de stemming kunnen deelnemen;

b. voor hen die op grond van het regime van de inrichting waarin zij verblijven aanspraak hebben op periodiek verlof.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het stemmen bij volmacht door de in het eerste lid bedoelde personen.

Paragraaf 2 Registratie van kiesgerechtigdheid

Artikel 2.4

De registratie van de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente in de gemeentelijke administratie voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad geldt tevens als registratie van de kiesgerechtigheid voor de verkiezing van de burgemeester.

HOOFDSTUK 3 VERKIEZINGSORGANEN

Artikel 3.1

De verdeling van de gemeente in stemdistricten voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad geldt tevens als verdeling van de gemeente in stemdistricten voor de verkiezing van de burgemeester.

Artikel 3.2

De stembureaus voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad treden tevens op als stembureaus voor de verkiezing van de burgemeester.

Artikel 3.3

1. Het hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad treedt tevens op als hoofdstembureau voor de verkiezing van de burgemeester.

2. Het hoofdstembureau treedt tevens op als centraal stembureau.

HOOFDSTUK 4 KANDIDAATSTELLING

Paragraaf 1 Inlevering van aanmeldingen als kandidaat

Artikel 4.1

De kandidaatstelling voor de verkiezing van de burgemeester vindt plaats op de dag waarop de kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad plaatsvindt.

Artikel 4.2

1. Op de dag van de kandidaatstelling kunnen bij de voorzitter van het hoofdstembureau of bij het door deze aan te wijzen lid van dat bureau, op de secretarie van de gemeente, van negen tot vijftien uur, aanmeldingen als kandidaat worden ingeleverd. Ten minste drie weken voor de kandidaatstelling brengt de burgemeester dit ter openbare kennis.

2. Op de aanmelding als kandidaat verklaart de kandidaat:

a. dat hij kandidaat wenst te zijn voor de verkiezing van de burgemeester;

b. dat hij niet gelijktijdig in een andere gemeente kandidaat voor het ambt van burgemeester is.

3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld waar en wanneer de formulieren voor de aanmeldingen als kandidaat, kosteloos, verkrijgbaar zijn. Bij ministeriële regeling wordt voor het formulier een model vastgesteld.

Artikel 4.3

1. De inlevering van een aanmelding als kandidaat geschiedt persoonlijk door de kandidaat of door een kiezer, bevoegd tot deelneming aan de verkiezing. De voorzitter van het hoofdstembureau of het door deze aangewezen lid van dat bureau kan verlangen dat de inleveraar van zijn identiteit doet blijken.

2. Aan degene die de aanmelding als kandidaat inlevert, kan door de gemachtigde, bedoeld in het derde lid van de artikelen G 1, G 2, of G 3 van de Kieswet, de bevoegdheid worden verleend bij de naam van de kandidaat de aanduiding van de desbetreffende groepering te plaatsen, zoals deze voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad is geregistreerd. Een verklaring van de gemachtigde waaruit deze bevoegdheid blijkt, wordt bij de aanmelding als kandidaat overgelegd.

3. Degene die de aanmelding als kandidaat inlevert, is bevoegd bij de naam van de kandidaat een aanduiding te plaatsen, gevormd door samenvoeging van voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan, indien hem daartoe de bevoegdheid is verleend door de gemachtigden van de onderscheidene groeperingen. Verklaringen van de gemachtigden waaruit deze bevoegdheid blijkt, worden bij de aanmelding als kandidaat overgelegd. Een aldus gevormde aanduiding mag niet meer dan 35 letters of andere tekens bevatten.

4. Degene die de aanmelding als kandidaat heeft ingeleverd, ontvangt van de voorzitter van het hoofdstembureau of van het door deze aangewezen lid van dat bureau een bewijs daarvan.

5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld waar en wanneer de formulieren voor de verklaringen met betrekking tot het plaatsen van aanduidingen van politieke groeperingen bij de namen van kandidaten, kosteloos, verkrijgbaar zijn. Bij ministeriële regeling wordt voor de formulieren een model vastgesteld.

Artikel 4.4

1. Bij de aanmelding als kandidaat worden overgelegd schriftelijke verklaringen van kiezers dat zij de kandidatuur ondersteunen. Op deze verklaringen wordt de kandidaat op dezelfde wijze vermeld als op de aanmelding als kandidaat.

2. Het aantal over te leggen verklaringen van ondersteuning bedraagt ten minste:

in gemeenten met minder dan 5 001 inwoners: 25;

in gemeenten met 5 001–20 000 inwoners: 50;

in gemeenten met 20 001–100 000 inwoners: 100;

in gemeenten met 100 001–200 000 inwoners: 150;

in gemeenten met meer dan 200 000 inwoners: 200.

3. Verklaringen van ondersteuning kunnen slechts worden afgelegd door personen die in de gemeente als kiezer zijn geregistreerd.

4. De kiezer die een verklaring van ondersteuning wenst af te leggen, ondertekent binnen een termijn van zeven dagen voorafgaand aan of op de dag van de kandidaatstelling deze verklaring ter secretarie van de gemeente, in aanwezigheid van een door de burgemeester daartoe aangewezen ambtenaar. De kiezer geeft daarbij aan de ambtenaar blijk van zijn identiteit.

5. De ambtenaar gaat onverwijld na of de ondertekenaar als kiezer in de gemeente is geregistreerd. Indien hem blijkt dat dit het geval is, tekent hij dit op de verklaring aan.

6. Een kiezer mag niet meer dan één verklaring van ondersteuning ondertekenen.

7. Een overgelegde verklaring van ondersteuning kan niet worden ingetrokken.

8. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld waar en wanneer de formulieren voor de verklaringen van ondersteuning, kosteloos, voor de kiezers verkrijgbaar zijn. Bij ministeriële regeling wordt voor het formulier een model vastgesteld.

9. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor de kandidaat die het ambt van burgemeester in de gemeente bekleedt.

Artikel 4.5

Op de aanmelding als kandidaat worden een of meer personen vermeld die bij verhindering van de inleveraar bevoegd zijn tot het herstel van verzuimen als bedoeld in artikel 4.10.

Artikel 4.6

De wijze waarop een kandidaat op de aanmelding als kandidaat wordt vermeld, wordt geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 4.7

1. Bij de aanmelding als kandidaat worden de volgende documenten overgelegd:

a. een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente waar de kandidaatals ingezetene is ingeschreven, waaruit zijn woonplaats, datum en plaats van de geboorte, alsmede zijn nationaliteit blijken en waarin tevens is vermeld of hij is uitgesloten van het kiesrecht;

b. een verklaring omtrent het gedrag van de kandidaat, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

c. een door de kandidaat ondertekende verklaring betreffende zijn integriteit;

d. een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de kandidaat.

2. De kandidaat die buiten Nederland woonplaats heeft, legt in plaats van het afschrift, bedoeld in het eerste lid, onder a, een uittreksel uit de geboorteregisters over, waaruit datum en plaats van zijn geboorte blijken, alsmede een bewijs van zijn nationaliteit.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de justitiële gegevens die bij het onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring bedoeld in het eerste lid, onder b, worden betrokken;

b. de verklaring bedoeld in het eerste lid, onder c.

4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens geregeld waar en wanneer de formulieren voor de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder c, kosteloos voor de kiezers verkrijgbaar zijn. Bij ministeriële regeling wordt voor deze verklaring een model vastgesteld.

Artikel 4.8

1. Voor een kandidaatstelling wordt een waarborgsom van € 225 betaald aan de gemeente.

2. De in het eerste lid bedoelde verplichting tot betaling geldt niet voor de kandidaat die het ambt van burgemeester in de gemeente bekleedt.

3. Degene die de in het eerste lid bedoelde betaling heeft verricht, ontvangt een bewijs daarvan. Dit bewijs moet bij de aanmelding als kandidaat worden overgelegd.

4. Na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing door het centraal stembureau wordt de waarborgsom teruggegeven aan degene die de betaling heeft verricht, tenzij de kandidaat zowel in de eerste als in een eventuele tweede ronde van de stemming minder dan 25 procent van het aantal uitgebrachte stemmen heeft behaald. In dat geval vervalt de waarborgsom aan de gemeente.

5. Indien geen aanmelding als kandidaat wordt ingeleverd, wordt na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing de waarborgsom teruggegeven aan degene die de betaling heeft verricht.

6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende het betalen van waarborgsommen ten behoeve van de aanmeldingen als kandidaat. Bij ministeriële regeling wordt voor het bewijs van betaling van de waarborgsom een model vastgesteld.

Paragraaf 2 Onderzoek en openbaarmaking van de aanmeldingen als kandidaat

Artikel 4.9

Op de dag van de kandidaatstelling, in aansluiting op de zitting tot het onderzoek van de kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad, houdt het hoofdstembureau een zitting tot het onderzoeken van de aanmeldingen als kandidaat.

Artikel 4.10

1. Indien bij het onderzoek blijkt van een of meer van de volgende verzuimen, geeft het hoofdstembureau onverwijld bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs kennis aan degene die de aanmelding als kandidaat heeft ingeleverd:

a. dat de kandidaat op de aanmelding als kandidaat de verklaringen, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, niet heeft afgelegd;

b. dat, indien bij de aanmelding als kandidaat verklaringen van ondersteuning moeten worden overgelegd, niet ten minste het aantal verklaringen, genoemd in artikel 4.4, tweede lid, is overgelegd, waarbij niet meetellen de verklaringen die niet aanartikel 4.4, eerste lid, tweede volzin, en derde lid, voldoen, de verklaringen waarop niet een aantekening als bedoeld in artikel 4.4, vijfde lid, voorkomt en de verklaringen van een kiezer die meer dan één verklaring heeft ondertekend;

c. dat een kandidaat niet is vermeld overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 4.6;

d. dat, indien ten behoeve van de aanmelding als kandidaat een waarborgsom moet worden betaald, het bewijs dat de betaling is verricht, ontbreekt;

e. dat een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder a, ontbreekt, dan wel, indien de kandidaat buiten Nederland woonplaats heeft, de in artikel 4.7, tweede lid, bedoelde documenten ontbreken;

f. dat een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder b, ontbreekt;

g. dat een verklaring van de kandidaat betreffende zijn integriteit als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder c, ontbreekt;

h. dat een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de kandidaat ontbreekt;

i. dat de aanmelding als kandidaat niet persoonlijk is ingeleverd door de kandidaat of een kiezer, bevoegd tot deelneming aan de verkiezing;

j. dat, indien op de aanmelding als kandidaat bij de naam van de kandidaat een aanduiding van een politieke groepering of een samenvoeging van aanduidingen is geplaatst, een verklaring als bedoeld in het tweede of derde lid van artikel 4.3 ontbreekt.

2. Uiterlijk op de derde dag na de kandidaatstelling kan degene die de aanmelding als kandidaat heeft ingeleverd, het verzuim of de verzuimen, in de kennisgeving aangeduid, herstellen ter secretarie van de gemeente, op de eerste en tweede dag van negen tot zeventien uur en op de derde dag van negen tot vijftien uur.

3. In het geval, bedoeld in het eerste lid onder i, kan de kandidaat of een kiezer die tot het inleveren van de aanmelding als kandidaat bevoegd zou zijn geweest, door persoonlijke verschijning ter secretarie zich alsnog in de plaats van de onbevoegde inleveraar stellen; hij wordt dan geacht de verklaring persoonlijk te hebben ingeleverd.

4. Bij verhindering of ontstentenis van degene die de aanmelding als kandidaat heeft ingeleverd, treedt in diens plaats een ingevolge artikel 4.5 op de aanmelding vermelde vervanger.

Artikel 4.11

Onmiddellijk nadat de aanmeldingen als kandidaat door het hoofdstembureau zijn onderzocht, worden deze en, indien vereist, de verklaringen van ondersteuning, door de voorzitter ter secretarie van de gemeente voor een ieder ter inzage gelegd.

Artikel 4.12

Op de derde dag na de kandidaatstelling beslist het hoofdstembureau in een openbare zitting, die aansluitend aan de openbare zitting over de geldigheid van de kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad wordt gehouden, over de geldigheid van de aanmeldingen als kandidaat en over het handhaven van de bij de namen van kandidaten geplaatste aanduidingen van een politieke groepering.

Artikel 4.13

1. Ongeldig is de aanmelding als kandidaat:

a. die niet op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en vijftien uur bij de voorzitter van het hoofdstembureau of het door deze aangewezen lid is ingeleverd;

b. waarop de kandidaat de verklaringen, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, niet heeft afgelegd;

c. waarbij, indien ten behoeve van de aanmelding als kandidaat een waarborgsom moet worden betaald, niet gevoegd is het bewijs dat deze betaling is verricht;

d. waarbij, indien bij de aanmelding als kandidaat verklaringen van ondersteuning moeten worden overgelegd, niet ten minste het aantal geldige verklaringen, genoemd in artikel 4.4, tweede lid, is overgelegd;

e. die niet voldoet aan het bij ministeriële regeling vastgestelde model;

f. die niet persoonlijk is ingeleverd door de kandidaat of een kiezer, bevoegd tot deelneming aan de verkiezing;

g. waarop de kandidaat niet is vermeld overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 4.6;

h. waarbij niet een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder a, is overgelegd, dan wel waarbij niet de in artikel 4.7, tweede lid, bedoelde documenten zijn overgelegd;

i. indien de kandidaat blijkens het onder g bedoelde afschrift of de daar bedoelde documenten niet op de dag van de kandidaatstelling de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

j. indien de kandidaat blijkens het onder h bedoelde afschrift of de daar bedoelde documenten niet de Nederlandse nationaliteit heeft;

k. indien de kandidaat blijkens het onder h bedoelde afschrift is uitgesloten van het kiesrecht;

l. waarbij niet een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder b, is overgelegd;

m. waarbij niet een verklaring van de kandidaat betreffende zijn integriteit als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, onder c, is overgelegd;

n. indien het hoofdstembureau gebleken is dat de kandidaat tevens in een andere gemeente kandidaat voor het ambt van burgemeester is;

o. waarbij niet een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de kandidaat is overgelegd;

p. indien ten aanzien van de kandidaat een uittreksel uit het register van overlijden dan wel een afschrift van de akte van overlijden is overgelegd.

2. Het hoofdstembureau schrapt de aanduiding van een politieke groepering, indien een daarop betrekking hebbende verklaring als bedoeld in het tweede of derde lid van artikel 4.3 ontbreekt.

3. Indien de aanduiding van een politieke groepering niet in overeenstemming is met die waaronder zij is geregistreerd, brengt het hoofdstembureau deze ambtshalve daarmee in overeenstemming.

Artikel 4.14

1. In de openbare zitting, bedoeld in artikel 4.12, stelt het hoofdstembureau voorts de volgorde vast, waarin de kandidaten bij de openbaarmaking van de namen van de kandidaten, bij de informatie voor de kiezers over de kandidaten en op de stembiljetten zullen worden vermeld.

2. De volgorde van de kandidaten wordt bij loting vastgesteld. De loting heeft mede betrekking op de kandidaten, vermeld op door het hoofdstembureau ongeldig verklaarde aanmeldingen als kandidaat.

Artikel 4.15

1. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 4.12 kan een belanghebbende en iedere kiezer beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier dagen.

2. Artikel D 9, tweede tot en met vierde lid, van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.

3. De Afdeling doet uitspraak uiterlijk op de zesde dag nadat het beroepschrift is ontvangen.

4. Indien de uitspraak van de Afdeling strekt tot gegrondverklaring van het beroep, bepaalt zij dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. De voorzitter van de Afdeling stelt partijen en de voorzitter van het hoofdstembureau onverwijld in kennis van de uitspraak.

Artikel 4.16

1. Indien beroep is ingesteld tegen een besluit waarbij het hoofdstembureau een aanmelding als kandidaat ongeldig heeft verklaard of de aanduiding van een politieke groepering heeft geschrapt op grond van een of meer van de verzuimen,bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, zonder dat het hoofdstembureau tevoren overeenkomstig dat artikelkennis heeft gegeven van het bestaan daarvan aan degene die de aanmelding als kandidaat heeft ingeleverd, kan deze het verzuim of de verzuimen alsnog herstellen ter secretarie van de Raad van State. Artikel 4.10, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Indien een verzuim overeenkomstig het eerste lid is hersteld, houdt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij haar uitspraak daarmee rekening.

Artikel 4.17

1. De voorzitter van het centraal stembureau maakt de namen van de kandidaten zo spoedig mogelijk openbaar.

2. De openbaarmaking geschiedt door ter secretarie van de gemeente een overzicht ter inzage te leggen, waarin de kandidaten op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze worden vermeld.

Artikel 4.18

1. Een kandidaat kan zijn kandidatuur uiterlijk op de vijfde dag voor de dag van stemming, om 16.00 uur, intrekken.

2. Intrekking van een kandidatuur geschiedt door een daartoe strekkende ondertekende mededeling aan de voorzitter van het centraal stembureau, die op het in het eerste lid genoemde tijdstip door deze moet zijn ontvangen. De voorzitter brengt de intrekking ter openbare kennis op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze. Bij ministeriële regeling wordt voor de kennisgeving een model vastgesteld.

Artikel 4.19

1. Van de in de artikelen 4.9 en 4.12 bedoelde zittingen wordt proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt voor een ieder ter inzage gelegd.

2. De bij de in artikel 4.12 bedoelde zitting aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren inbrengen. Van deze bezwaren wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld:

a. de plaats waar de processen-verbaal ter inzage worden gelegd;

b. de bekendmaking van het tijdstip en de plaats van de zitting, bedoeld in artikel 4.12.

4. Bij ministeriële regeling worden voor de processen-verbaal modellen vastgesteld.

HOOFDSTUK 5 STEMMING

Artikel 5.1

1. De stemming over de kandidaten van wie de aanmelding als kandidaat geldig is verklaard, vindt plaats in één of, indien artikel 7.8 daartoe noodzaakt, twee ronden.

2. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de stemming in beide ronden, tenzij anders is aangegeven.

Artikel 5.2

1. De eerste ronde van de stemming vindt plaats gelijktijdig en gecombineerd met de stemming voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad.

2. Een eventuele tweede ronde van de stemming vindt plaats op de zevenenvijftigste dag na de dag van kandidaatstelling.

3. Bij koninklijk besluit kan, indien zwaarwichtige redenen verband houdend met de in het tweede lid bedoelde dag van stemming daartoe nopen, worden bepaald dat de tweede ronde plaatsvindt op de donderdag, vrijdag of dinsdag na de in het tweede lid genoemde dag. Het koninklijk besluit wordt bekend gemaakt uiterlijk zes maanden vóór de in het tweede lid genoemde dag.

4. De stemming vangt aan om zeven uur dertig en duurt tot eenen-twintig uur.

Artikel 5.3

De kiezer neemt aan de stemming deel in de gemeente waar hij op de dag van de kandidaatstelling als kiezer is geregistreerd.

Artikel 5.4

1. Burgemeester en wethouders wijzen voor elk stemdistrict een geschikt stemlokaal aan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.

2. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat zoveel mogelijk stemlokalen zodanig zijn gelegen en ingericht, dat zij geschikt zijn voor kiezers met lichamelijke gebreken. De burgemeester brengt de adressen van deze stemlokalen ter openbare kennis onder vermelding van de mogelijkheid aldaar met toepassing vanartikel 5.26 de stem uit te brengen.

3. Op verzoek van burgemeester en wethouders stellen de besturen van bijzondere scholen de daarvoor in aanmerking komende lokalen en het zich daarin bevindende materiaal voor de inrichting en het gebruik als stemlokaal beschikbaar, desgewenst tegen vergoeding van de daaruit voortvloeiende onkosten.

4. De burgemeester draagt zorg voor de inrichting van het stemlokaal en wijst zo nodig personen aan die het stembureau ten dienste worden gesteld.

Artikel 5.5

De kiezer stemt in het stemlokaal van het voor hem aangewezen stemdistrict.

Artikel 5.6

1. Ten minste veertien dagen voor de eerste ronde van de stemming ontvangt elke kiezer die bevoegd is aan de stemming deel te nemen, van de burgemeester afzonderlijke oproepingskaarten voor de eerste en voor een eventuele tweede ronde van de stemming. Bij ministeriële regeling worden voor de oproepingskaart modellen vastgesteld.

2. De oproepingskaart voor de eerste ronde van de stemming wordt gecombineerd met de oproepingskaart voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad.

3. Na de vaststelling van de uitslag van de eerste ronde van de stemming brengt de burgemeester zo spoedig mogelijk op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze ter openbare kennis of een tweede ronde van stemming wordt gehouden. Indien een tweede ronde van stemming wordt gehouden, brengt hij tevens de namen van de kandidaten waarover deze stemming zal plaatsvinden ter openbare kennis. Bij ministeriële regeling worden voor deze kennisgevingen modellen vastgesteld.

Artikel 5.7

Aan de tot deelneming aan de stemming bevoegde kiezer wiens oproepingskaart in het ongerede is geraakt of die geen kaart heeft ontvangen, wordt op zijn aanvraag door of vanwege de burgemeester een nieuwe oproepingskaart uitgereikt, mits hij voldoende van zijn identiteit doet blijken. Ook het stembureau is tot die uitreiking bevoegd.

Artikel 5.8

De burgemeester brengt de namen van de kandidaten ter kennis van de kiezers op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze.

Artikel 5.9

Iedere werkgever is verplicht te zorgen dat iedere kiezer die bij hem in dienstbetrekking is, de gelegenheid krijgt zijn stem uit te brengen voor zover dit niet kan geschieden buiten de vastgestelde arbeidstijd en mits de kiezer daardoor niet meer dan twee uur verhinderd is zijn arbeid te verrichten.

Artikel 5.10

1. Op het bij de verkiezing te bezigen stembiljet zijn aan de ene zijde gedrukt de namen van de kandidaten over wie de stemming moet geschieden, zoals deze ingevolge artikel 4.17, tweede lid, openbaar zijn gemaakt, en aan de andere zijde de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau.

2. Bij de tweede ronde van de stemming worden de kandidaten vermeld in de ingevolge artikel 7.8, derde lid, door het centraal stembureau vastgestelde volgorde.

3. Is op het stembiljet slechts de naam van één kandidaat vermeld, dan wordt daarbij aan de kiezer de keuze geboden JA of NEE te stemmen.

4. Bij ministeriële regeling wordt voor het stembiljet een model vastgesteld.

5. Bij de eerste ronde heeft het stembiljet een zodanige kleur, dat het voldoende kan worden onderscheiden van het stembiljet voor de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad.

Artikel 5.11

1. De naam van een kandidaat wiens kandidatuur is ingetrokken, wordt niet op het stembiljet vermeld.

2. Indien de kandidatuur van een kandidaat is ingetrokkenstelt de voorzitter van het centraal stembureau de kiezers in het stemlokaal op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze van het vervallen van de kandidatuur in kennis. Bij ministeriële regeling wordt voor de kennisgeving een model vastgesteld.

Artikel 5.12

1. De burgemeester draagt zorg dat voor de aanvang van de stemming bij elk stembureau de benodigde stembiljetten en formulieren voor de processen-verbaal aanwezig zijn.

2. De stembiljetten worden aan het stembureau ter beschikking gesteld in één of meer verzegelde pakken, op elk waarvan het aantal zich daarin bevindende stembiljetten is vermeld.

Artikel 5.13

Het stembureau opent tijdig voor de aanvang van de stemming de pakken met stembiljetten en stelt het aantal biljetten vast.

Artikel 5.14

1. Tot de stemming wordt slechts toegelaten degene die bevoegd is aan de verkiezing deel te nemen, voor zover hij in het bezit is van de hem toegezonden of ingevolge artikel 5.7 uitgereikte oproepingskaart, dan wel een kiezerspas of een volmachtbewijs.

2. De voorzitter van het stembureau kan, alvorens iemand tot de stemming toe te laten, verlangen dat hij van zijn identiteit doet blijken.

Artikel 5.15

1. De kiezer overhandigt aan de voorzitter van het stembureau de oproepingskaart.

2. De voorzitter noemt duidelijk verstaanbaar het nummer waaronder de kiezer volgens de oproepingskaart in het afschrift van gegevens uit de gemeentelijke administratie voorkomt.

3. Het tweede lid van het stembureau noemt de naam die in het afschrift van gegevens uit de gemeentelijke administratie bij het door de voorzitter genoemde nummer is vermeld. De voorzitter controleert de naam aan de hand van de oproepingskaart.

4. Bij de eerste ronde deelt de kiezer de voorzitter desgevraagd mee of hij voor beide stemmingen wenst te stemmen, dan wel uitsluitend voor de stemming voor de verkiezing van de burgemeester of de verkiezing van de gemeenteraad.

5. Het tweede lid van het stembureau houdt, door in het afschrift van gegevens uit de gemeentelijke administratie naast de naam van de kiezer zijn paraaf te plaatsen, aantekening dat deze zich heeft aangemeld.

6. Vervolgens overhandigt de voorzitter aan de kiezer een stembiljet.

7. De voorzitter houdt aantekening van het aantal uitgereikte stembiljetten.

8. Bij een combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, vinden de in het vijfde tot en met zevende lid beschreven handelingen per stemming plaats.

Artikel 5.16

1. De kiezer gaat na ontvangst van het stembiljet naar een stemhokje en stemt aldaar door een wit stipje, geplaatst in het stemvak vóór de naam van de kandidaat van zijn keuze, rood te maken.

2. Is op het stembiljet slechts de naam van één kandidaat vermeld, dan stemt de kiezer door een wit stipje, geplaatst in het stemvak vóór zijn keuze inzake de kandidaat, rood te maken.

3. Hij vouwt vervolgens het stembiljet dicht en gaat daarmee naar het stembureau.

4. Het derde lid van het stembureau ziet erop toe, dat de kiezer het stembiljet in de stembus steekt.

Artikel 5.17

1. Indien een kiezer zich bij de invulling van zijn stembiljet vergist, geeft hij dit aan de voorzitter terug. Deze verstrekt hem op zijn verzoek eenmaal een nieuw biljet.

2. De teruggegeven stembiljetten worden door de voorzitter onmiddellijk onbruikbaar gemaakt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze.

Artikel 5.18

Wanneer aan het stembureau blijkt dat een kiezer wegens zijn lichamelijke gesteldheid hulp behoeft, staat het toe dat deze zich laat bijstaan.

Artikel 5.19

Indien een kiezer weigert het stembiljet in de bus te steken, houdt de voorzitter daarvan aantekening. Indien een stembiljet wordt teruggegeven, wordt dit door de voorzitter onmiddellijk onbruikbaar gemaakt op bij algemene maatregel van bestuur te regelen wijze.

Artikel 5.20

Zodra de voor de stemming bepaalde tijd verstreken is, wordt dit door de voorzitter aangekondigd en worden alleen de op dat ogenblik in het stemlokaal of bij de ingang daarvan aanwezige kiezers nog tot de stemming toegelaten.

Artikel 5.21

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de gang van zaken bij de stemming.

Artikel 5.22

Bij de daartoe door de raad of krachtens diens machtiging door burgemeester en wethouders aangewezen stembureaus kan op andere wijze dan door middel van stembiljetten worden gestemd. De bepalingen van deze wet die betrekking hebben op het gebruik van stembiljetten, blijven dan buiten toepassing.

Artikel 5.23

Het stemmen anders dan door middel van stembiljetten vindt alleen plaats, indien daarbij een op grond van artikel J 33 van de Kieswet goedgekeurde techniekwordt gebezigd en de techniek in overeenstemming met bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels is goedgekeurd voor gebruik bij een verkiezing van de burgemeester.

Artikel 5.24

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende het stemmen anders dan door middel van stembiljetten. Deze regels worden zoveel mogelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze wet betreffende het stemmen door middel van stembiljetten.

Artikel 5.25

1. Ten aanzien van de stemming zijn de volgende artikelen van de Kieswet van toepassing:

a. de artikelen J 11 tot en met J 14 inzake het stembureau;

b. de artikelen J 15 tot en met J 19 inzake de inrichting van het stemlokaal, met dien verstande dat in artikel J 18 in plaats van «artikel J 26, derde lid,» wordt gelezen: artikel 5.16, vierde lid;

c. de artikelen J 35 tot en met J 38 inzake de orde in het stemlokaal;

d. artikel J 39 inzake de toelating van waarnemers.

2. Bij een combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, kan de burgemeester besluiten dat een stembus voor beide stemmingen wordt gebruikt en het afschrift van gegevens, bedoeld in artikel J 17, eerste lid, van de Kieswet, voor beide stemmingen geldt.

Artikel 5.26

Met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk K van de Kieswet kan aan de kiezer op zijn verzoek worden toegestaan aan de stemming deel te nemen in een stembureau van zijn keuze binnen de gemeente. Bij die toepassing wordt het volgende in acht genomen:

a. een verzoek om in een stembureau naar keuze te stemmen kan betrekking hebben op de eerste of de tweede ronde van de stemming dan wel op beide ronden;

b. bij een combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, kan alleen een gecombineerd verzoek worden gedaan om voor beide stemmingen in een stembureau naar keuze te stemmen;

c. voor de eerste ronde of voor beide ronden kan een schriftelijk verzoek worden gedaan uiterlijk op de veertiende dag en een mondeling verzoek na ontvangst van de oproepingskaart uiterlijk op de vijfde dag voor de eerste ronde van de stemming;

d. voor de tweede ronde kan een schriftelijk verzoek worden gedaan uiterlijk op de veertiende dag, een mondeling verzoek na ontvangst van de oproepingskaart uiterlijk op de vijfde dag voor de tweede ronde van de stemming;

e. de kiezer ontvangt afzonderlijke kiezerspassen voor de eerste en voor een eventuele tweede ronde van de stemming;.

f. de kiezerspas voor de eerste ronde van de stemming wordt gecombineerd met de kiezerspas voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad.

Artikel 5.27

Met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk L van de Kieswet kan de kiezer die verwacht niet in staat te zullen zijn in persoon aan de stemming deel te nemen, bij volmacht stemmen. Bij die toepassing wordt het volgende in acht genomen:

a. volmachtverlening kan betrekking hebben op de eerste of de tweede ronde van de stemming dan wel op beide ronden;

b. bij een combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, kan alleen een gecombineerde schriftelijke aanvraag worden gedaan om voor beide stemmingen bij volmacht te stemmen;

c. voor de eerste ronde of voor beide ronden kan een schriftelijke aanvraag worden gedaan uiterlijk op de veertiende dag voor de eerste ronde van de stemming;

d. voor de tweede ronde kan een schriftelijke aanvraag worden gedaan uiterlijk op de veertiende dag voor de tweede ronde van de stemming;

e. de kiezer ontvangt afzonderlijke op schriftelijke aanvraag verstrekte volmachtbewijzen voor de eerste en voor een eventuele tweede ronde van de stemming;

f. het op schriftelijke aanvraag verstrekte volmachtbewijs voor de eerste ronde van de stemming wordt gecombineerd met het volmachtbewijs voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad.

HOOFDSTUK 6 STEMOPNEMING

Artikel 6.1

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de stemopneming in beide ronden, tenzij anders is aangegeven

Artikel 6.2

1. Onmiddellijk nadat de stemming, dan wel, bij combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, de stemopneming voor die verkiezing, is geëindigd, stelt het stembureau vast:

a. het aantal kiezers dat zich heeft aangemeld;

b. het aantal uitgereikte stembiljetten;

c. het aantal kiezers dat geweigerd heeft het stembiljet in de stembus te steken;

d. het aantal teruggegeven en onbruikbaar gemaakte stembiljetten;

e. het aantal niet gebruikte stembiljetten.

2. De aantallen, bedoeld in het eerste lid, worden door de voorzitter aan de aanwezige kiezers bekend gemaakt.

Artikel 6.3

1. Door het stembureau wordt vervolgens op het afschrift van gegevens uit de gemeentelijke administratie of op een daarbij gevoegde verklaring het aantal daarop geplaatste parafen vermeld en gewaarmerkt. Deze stukken worden in een pak gedaan, dat vervolgens wordt verzegeld.

2. Daarna worden de ingeleverde kiezerspassen en volmachtbewijzen, tezamen met een gewaarmerkte verklaring van het stembureau betreffende het aantal geplaatste parafen, in een pak gedaan, dat eveneens wordt verzegeld.

3. Tenslotte worden op overeenkomstige wijze ingepakt:

a. de niet gebruikte stembiljetten;

b. de teruggegeven en onbruikbaar gemaakte stembiljetten;

c. de ingeleverde oproepingskaarten.

Artikel 6.4

Onmiddellijk na de in artikel 6.3 voorgeschreven verzegelingen wordt de stembus geopend.

Artikel 6.5

De stembiljetten worden geteld en hun aantal wordt vergeleken met het aantal kiezers dat aan de stemming heeft deelgenomen.

Artikel 6.6

De leden van het stembureau openen de stembiljetten en voegen deze naar de daarop vermelde keuze bijeen. Zij kunnen zich bij deze werkzaamheden doen bijstaan door plaatsvervangende leden en door ambtenaren van de gemeente, daartoe door burgemeester en wethouders aan te wijzen.

Artikel 6.7

Het stembureau stelt het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte of, indien er één kandidaat is, de aantallen voor en tegen de kandidaat uitgebrachte stemmen vast.

Artikel 6.8

1. Ongeldig zijn andere stembiljetten dan die welke volgens het bepaalde bij of krachtens deze wet mogen worden gebruikt.

2. Voorts zijn ongeldig de stembiljetten waarop de kiezer niet, door het geheel of gedeeltelijk rood maken van het witte stipje in een stemvak, op ondubbelzinnige wijze heeft kenbaar gemaakt welke keuze hij doet of waarop bijvoegingen zijn geplaatst waardoor de kiezer kan worden geïdentificeerd.

Artikel 6.9

1. Het stembureau beslist met inachtneming van artikel 6.8 over de geldigheid van het stembiljet.

2. De voorzitter maakt de reden van ongeldigverklaring en van twijfel over de geldigheid, alsmede de beslissing daaromtrent onmiddellijk bekend.

3. Indien een van de aanwezige kiezers dit verlangt, moet het biljet worden getoond. De kiezers kunnen mondeling bezwaren tegen de genomen beslissing inbrengen.

Artikel 6.10

1. Terstond nadat de stemmen zijn opgenomen, maakt de voorzitter het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte of, indien er één kandidaat is, de aantallen voor en tegen de kandidaat uitgebrachte stemmen bekend. Door de aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren worden ingebracht.

2. Vervolgens worden de ongeldig verklaarde stembiljetten in een pak gedaan, dat wordt verzegeld. Op dit pak worden vermeld:

a. de naam van de gemeente en het nummer van het stemdistrict;

b. het aantal stembiljetten dat het pak bevat.

3. Daarop worden de geldige stembiljetten, naar de daarop vermelde keuze gesorteerd, in een of meer pakken gedaan, die worden verzegeld.

4. Op ieder pak, in het derde lid bedoeld, worden vermeld:

a. de naam van de gemeente en het nummer van het stemdistrict;

b. het aantal stembiljetten dat het pak bevat, alsmede, indien de biljetten in meer dan één pak worden gedaan, de namen van de kandidaten op wie de ingesloten biljetten betrekking hebben.

Artikel 6.11

1. Nadat alle werkzaamheden, in artikel 6.10 vermeld, zijn beëindigd, wordt onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van de stemming en van de stemopneming. Alle ingebrachte bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld.

2. Het proces-verbaal wordt door alle aanwezige leden van het stembureau getekend.

3. Bij ministeriële regeling wordt voor het proces-verbaal een model vastgesteld.

Artikel 6.12

Het proces-verbaal wordt met de verzegelde pakken, bedoeld in artikel 6.3, alsmede met die, bedoeld in artikel 6.10, door de voorzitter of een door hem aan te wijzen ander lid van het stembureau naar de burgemeester of een door deze aan te wijzen ambtenaar overgebracht.

Artikel 6.13

1. De burgemeester draagt er zorg voor dat de processen-verbaal onverwijld naar de voorzitter van het hoofdstembureau worden overgebracht.

2. De burgemeester draagt er zorg voor dat de in artikel 6.10 bedoelde verzegelde pakken met stembiljetten op verzoek van de voorzitter van het centraal stembureau onmiddellijk naar het centraal stembureau worden overgebracht en dat de niet naar het centraal stembureau overgebrachte verzegelde pakken worden vernietigd, nadat het centraal stembureau de uitslag van de verkiezing heeft vastgesteld en over de toelating van de gekozene is beslist.

3. Indien de officier van justitie of de rechter-commissaris in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een verzoek heeft gedaan tot overdracht van de in artikel 6.3 bedoelde pakken, worden deze pakken niet vernietigd voordat dit onderzoek is afgerond, of, indien strafvervolging is ingesteld wegens op grond van deze wet of op grond van de artikelen 125 tot en met 129 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedragingen, voordat er een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is.

4. Van de vernietiging van de verzegelde pakken wordt proces-verbaal opgemaakt.

Artikel 6.14

De voorzitter van het centraal stembureau is bevoegd de verzegelde pakken met de in artikel 6.3 bedoelde bescheiden te openen en, nadat is beslist over de toelating van de gekozene, deze pakken ten dienste van een onderzoek naar enig strafbaar feit aan de officier van justitie over te dragen.

Artikel 6.15

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de stemopneming in stembureaus waarin op andere wijze dan door middel van stembiljetten wordt gestemd. Deze regels worden zoveel mogelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK 7 VASTSTELLING VAN DE UITSLAG

Artikel 7.1

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de vaststelling van de uitslag van de stemming in beide ronden, tenzij anders is aangegeven.

Artikel 7.2

1. Het hoofdstembureau houdt op de tweede dag na de stemming een openbare zitting. De zitting wordt om tien uur gehouden, dan wel, bij combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad, aansluitend aan de openbare zitting van het centraal stembureau tot het vaststellen van de uitslag van de verkiezing van de leden van de gemeenteraad.

2. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde tijdens de zitting.

Artikel 7.3

1. Het hoofdstembureau stelt het aantal op iedere kandidaat uitgebrachte of, indien er één kandidaat is, de aantallen voor en tegen de kandidaat uitgebrachte stemmen vast.

2. De voorzitter maakt de aldus verkregen uitkomsten bekend.

3. Door de aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren worden ingebracht.

4. Van de werkzaamheden van het hoofdstembureau wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van het proces-verbaal, bedoeld in artikel 7.14.

Artikel 7.4

De voorzitter doet de processen-verbaal van de stembureaus terstond overbrengen naar de commissaris van de Koning.

Artikel 7.5

1. De commissaris van de Koning kan de processen-verbaal van de stembureaus vernietigen, nadat het centraal stembureau de uitslag van de verkiezing heeft vastgesteld en over de toelating van de gekozene is beslist.

2. Van een vernietiging als bedoeld in dit artikel wordt proces-verbaal opgemaakt.

Artikel 7.6

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de taak van het hoofdstembureau inzake de vaststelling van de verkiezingsuitslag.

Artikel 7.7

Onmiddellijk nadat de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 7.2 en 7.3, zijn beëindigd, gaat het centraal stembureau over tot het bepalen van de uitslag van de stemming en, in voorkomend geval, van de verkiezing.

Artikel 7.8

1. Na de eerste ronde van de stemming wordt vastgesteld of een van de kandidaten de volstrekte meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen heeft verkregen. Is dat het geval, dan verklaart het centraal stembureau die kandidaat als gekozen.

2. Heeft geen van de kandidaten de volstrekte meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen verkregen, dan verklaart het centraal stembureau dat een tweede ronde van de stemming zal worden gehouden over de twee kandidaten die de hoogste aantallen stemmen hebben behaald. Bij gelijke aantallen stemmen beslist, zo nodig, het lot.

3. Het centraal stembureau stelt de volgorde vast waarin de kandidaten op het stembiljet voor de tweede ronde zullen worden vermeld. De kandidaat die de meeste stemmen behaalde, wordt als eerste vermeld. Bij gelijke aantallen stemmen beslist het lot.

Artikel 7.9

Na de tweede ronde van de stemming wordt vastgesteld welke van de kandidaten de meerderheid van het aantal in die ronde uitgebrachte stemmen heeft verkregen. Het centraal stembureau verklaart die kandidaat als gekozen. Bij gelijke aantallen stemmen beslist het lot.

Artikel 7.10

1. Indien er slechts één kandidaat was, verklaart het centraal stembureau die kandidaat als gekozen, indien de meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen de keuze JA inhoudt.

2. Heeft zich geen meerderheid voor de kandidaat uitgesproken, dan verklaart het centraal stembureau dat geen kandidaat is gekozen.

Artikel 7.11

Indien een loting noodzakelijk is, vindt deze plaats in de in artikel 7.12 bedoelde zitting van het centraal stembureau.

Artikel 7.12

1. De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van de stemming en, in voorkomend geval, van de verkiezing zo spoedig mogelijk bekend. De bekendmaking geschiedt in een openbare zitting van het centraal stembureau, die aansluit op de openbare zitting van het hoofdstembureau, bedoeld in artikel 7.2.

2. Dag en uur van de zitting worden door de voorzitter tijdig bekend gemaakt. De wijze van bekendmaking wordt geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

3. De aanwezige kiezers kunnen mondeling bezwaren inbrengen.

4. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde tijdens de zitting.

Artikel 7.13

1. Het centraal stembureau kan op de in artikel 7.12 bedoelde zitting, voordat de uitslag van de stemming bekend wordt gemaakt, hetzij ambtshalve, hetzij naar aanleiding van een met opgave van redenen gedaan verzoek van een of meer kiezers, tot een nieuwe opneming van stembiljetten, zowel uit alle als uit een of meer stemdistricten, besluiten, indien een ernstig vermoeden bestaat dat door een of meer stembureaus bij de stemopneming zodanige fouten zijn gemaakt dat zij van invloed op de uitslag van de stemming kunnen zijn. De burgemeester doet de desbetreffende stembiljetten op verzoek van het centraal stembureau onverwijld naar het centraal stembureau overbrengen.

2. Na ontvangst van de stembiljetten gaat het centraal stembureau onmiddellijk tot de opneming over. Het is bevoegd daartoe de verzegelde pakken te openen en de inhoud te vergelijken met de processen-verbaal van de stembureaus.

3. Bij deze opneming zijn de artikelen 6.6,6.9 en 6.10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.14

1. Nadat alle werkzaamheden zijn beëindigd, wordt daarvan aanstonds proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal worden de uitslag van de stemming en, in voorkomend geval, van de verkiezing, alsmede alle ingebrachte bezwaren vermeld.

2. Het proces-verbaal wordt door alle aanwezige leden van het centraal stembureau getekend.

3. Bij ministeriële regeling wordt voor het proces-verbaal een model vastgesteld.

Artikel 7.15

De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van de stemming en, in voorkomend geval, van de verkiezing zo spoedig mogelijk openbaar door een afschrift van het proces-verbaal voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. Van de terinzagelegging wordt tegelijk openbare kennisgeving gedaan door de burgemeester. De terinzagelegging wordt beëindigd, zodra over de toelating van de gekozene is beslist.

Artikel 7.16

De voorzitter van het centraal stembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan de commissaris van de Koning.

Artikel 7.17

De voorzitter van het centraal stembureau draagt zorg voor de bewaring van de verzegelde pakken met stembiljetten die op grond van het eerste lid van artikel 7.13 naar het centraal stembureau zijn overgebracht. Hij vernietigt deze pakken, nadat over de toelating van de gekozene is beslist. Van deze vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

HOOFDSTUK 8 AANNEMING VAN DE VERKIEZING EN TOELATING TOT HET AMBT

Artikel 8.1

1. De voorzitter van het centraal stembureau geeft de gekozene schriftelijk kennis van zijn verkiezing. De brief, houdende deze kennisgeving, wordt uiterlijk de dag na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing uitgereikt.

2. De voorzitter geeft tegelijkertijd schriftelijk kennis van de verkiezing aan de commissaris van de Koning. Deze kennisgeving strekt de gekozene tot geloofsbrief.

Artikel 8.2

1. De gekozene draagt er zorg voor dat uiterlijk op de tiende dag na de dagtekening van de kennisgeving van verkiezing de commissaris van de Koning van hem bij brief of per telefax mededeling ontvangt dat hij de verkiezing aanneemt.

2. Is binnen die tijd de mededeling niet ontvangen, dan wordt hij geacht de verkiezing niet aan te nemen.

3. Indien de gekozene de verkiezing niet aanneemt, doet hij daarvan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bij brief of per telefax mededeling aan de commissaris van de Koning.

4. Zolang nog niet tot toelating van de gekozene is besloten, kan deze bij brief of per telefax aan de commissaris van de Koning mededelen dat hij op de aanneming van de verkiezing terugkomt. Hij wordt dan geacht de verkiezing niet te hebben aangenomen.

Artikel 8.3

Tegelijk met de mededeling dat hij zijn verkiezing aanneemt, legt de gekozene aan de commissaris van de Koning een door hem ondertekende verklaring over, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt.

Artikel 8.4

1. De commissaris van de Koning onderzoekt de geloofsbrief en beslist of de gekozene tot het ambt van burgemeester wordt toegelaten.Indien na de kandidaatstelling gerezen vragen daartoe aanleiding geven, gaat de commissaris daarbij na of de gekozene aan de vereisten voor het ambt van burgemeester voldoet. Voorts gaat hij na of de gekozene geen met het ambt van burgemeester onverenigbare betrekking vervult en beslist hij de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen.

2. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de besluiten van het hoofstembureau inzake de geldigheid van de aanmeldingen als kandidaat.

3. Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de commissaris van de Koning tot een nieuwe opneming van stembiljetten, zowel uit alle als uit een of meer stemdistricten, besluiten. De burgemeester doet de desbetreffende stembiljetten op verzoek van de commissaris onverwijld naar de commissaris overbrengen. Na ontvangst van de stembiljetten gaat de commissaris onmiddellijk tot de opneming over. De commissaris is bevoegd daartoe de verzegelde pakken te openen en de inhoud te vergelijken met de processen-verbaal van de stembureaus. Bij deze opneming zijn de artikelen 6.6, 6.9 en 6.10 van overeenkomstige toepassing.

4. Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, is de commissaris van de Koning tevens bevoegd de verzegelde pakken, bedoeld in artikel 6.3, te openen. De burgemeesterdoet deze op verzoek van de commissaris onverwijld naar de commissaris overbrengen. Na beëindiging van het onderzoek worden de bescheiden uit de geopende pakken opnieuw ingepakt en verzegeld op de in artikel 6.3 voorgeschreven wijze.

Artikel 8.5

1. Indien de commissaris van de Koning besluit tot niet-toelating van de gekozene wegens de ongeldigheid van de stemming in één of meer stemdistricten in de eerste of de tweede ronde, geeft de hij daarvan onverwijld kennis aan burgemeester en wethouders.

2. Uiterlijk op de dertigste dag nadat deze kennisgeving is ontvangen, vindt in de in het eerste lid bedoelde stemdistricten een nieuwe eerste dan wel tweede ronde van de stemming plaats. De dag van de stemming wordt vastgesteld door burgemeester en wethouders.

3. Op de herstemming is artikel V 7 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing.

4. Indien bij ongeldigheid van de eerste ronde van de stemming de herstemming ertoe leidt dat bij de eerste ronde geen van de kandidaten de volstrekte meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen heeft verkregen en de twee kandidaten met de hoogste aantallen stemmen niet dezelfde zijn als bij de ongeldig verklaarde stemming, verklaart het centraal stembureau de tweede ronde van de stemming in alle stemdistricten ongeldig en wordt veertien dagen na de eerste ronde in alle stemdistricten een nieuwe tweede ronde gehouden.

5. Het centraal stembureau stelt vervolgens de uitslag van de verkiezing opnieuw vast.

Artikel 8.6

Indien de commissaris van de Koning heeft besloten om de gekozene wegens de onjuistheid van de vaststelling van de uitslag van de verkiezing niet toe te laten, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan het centraal stembureau.

Artikel 8.7

1. Uiterlijk op de veertiende dag nadat de kennisgeving, bedoeld in artikel 8.6, is ontvangen, houdt het centraal stembureau een openbare zitting en stelt het met inachtneming van de in artikel 8.6 bedoelde beslissing de uitslag van de verkiezing voor zover nodig opnieuw vast.

2. De artikelen 7.12 en 7.14 tot en met 7.16 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Het onderzoek van de geloofsbrief van de aldus nieuw gekozen verklaarde strekt zich niet uit tot punten, die het verloop van de verkiezing raken.

Artikel 8.8

Indien de commissaris van de Koning heeft besloten de gekozene niet toe te laten op de grond dat hij niet voldoet aan de vereisten voorhet ambt van burgemeester of dat hij een met het ambt van burgemeester onverenigbare betrekking vervult, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan burgemeester en wethouders.

Artikel 8.9

1. De beslissing betreffende de toelating van de gekozene wordt door de commissaris van de Koningterstond aan hem bekendgemaakt.

2. Wordt de gekozene niet toegelaten, dan worden hem de redenen van de beslissing meegedeeld.

HOOFDSTUK 9 BIJZONDERE GEVALLEN VAN VERKIEZING VAN DE BURGEMEESTER

Artikel 9.1

1. In de volgende gevallen wordt de verkiezing afgebroken en vindt opnieuw kandidaatstelling plaats voor een verkiezing op een later tijdstip dan in deze wetvoorzien:

a. indien geen aanmeldingen als kandidaat zijn ingeleverd;

b. indien geen aanmeldingen als kandidaat onherroepelijk geldig zijn verklaard;

c. indien een kandidaat vóór de eerste ronde van de stemming overlijdt;

d. indien een kandidaat tussen de eerste en de tweede ronde van de verkiezing overlijdt;

e. indien er door intrekking van aanmeldingen als kandidaat geen kandidaten meer zijn.

2. Indien een geval als bedoeld in het eerste lid zich voordoet, doet de voorzitter van het centraal stembureau hiervan mededeling aan burgemeester en wethouders. Hij brengt het afbreken van de verkiezing tevens ter openbare kennis op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze. Bij ministeriële wijze wordt voor deze kennisgeving een model vastgesteld.

Artikel 9.2

1. In de volgende gevallen wordt na een verkiezing die niet heeft geresulteerd in de verkiezing van een kandidaat of de toelating van de gekozene, een nieuwe verkiezing gehouden:

a. indien er één kandidaat is en deze geen volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen behaalt;

b. indien de gekozene zijn verkiezing niet aanneemt;

c. indien de gekozene overlijdt, voordat over zijn toelating is beslist;

d. indien de gekozene niet is toegelaten.

2. Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a,zich voordoet, doet de voorzitter van het centraal stembureau hiervan mededeling aan burgemeester en wethouders.

Artikel 9.3

In de gevallen, bedoeld in artikel 61a, tweede lid, van de Gemeentewet, wordt een tussentijdse verkiezing gehouden.

Artikel 9.4

De artikelen 9.5 tot en met 9.11 zijn van toepassing op een ingevolge de artikelen 9.1, 9.2. of 9.3 te houden verkiezing van de burgemeester.

Artikel 9.5

1. Burgemeester en wethouder stellen de dag van kandidaatstelling vast binnen een week nadat het feit dat ingevolge artikel 9.1, 9.2 of 9.3 tot een nieuwe verkiezing moet leiden, hun ter kennis is gekomen.

2. De kandidaatstellingvindt plaats binnen een termijn die aanvangt op de achtentwintigste dag en eindigt op de tweeënveertigste dag na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid. Voor de berekening van de termijn van tweeënveertig dagen wordt de periode van 1 mei tot 15 augustus niet meegeteld.

3. Burgemeester en wethouders brengen de dag van kandidaatstelling en de dagen van stemming onverwijld ter openbare kennis op bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze. Zij brengen de dag van kandidaatstelling tevens onverwijld ter kennis van de voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer en de voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van provinciale staten.

4. Indien een op grond van artikel 9.1 of 9.2 gehouden verkiezing ertoe leidt dat opnieuw een verkiezing als in die artikelen bedoeld moet worden gehouden, kan bij koninklijk besluit bepaald worden dat in afwijking van het eerste lid de kandidaatstelling voor een nieuwe verkiezing wordt uitgesteld tot een bij dat besluit of nader te bepalen tijdstip, doch uiterlijk tot het tijdstip van de kandidaatstelling voor de volgende periodieke verkiezing.

Artikel 9.6

De hoofdstukken 2 tot en met 8 zijn van toepassing, met dien verstande dat:

a. burgemeester en wethouders tijdig voor elke verkiezing de leden van elk stembureau en een voldoend aantal plaatsvervangende leden benoemen;

b. artikel 4.2, eerste lid, tweede volzin, buiten toepassing blijft;

c. de in artikel 4.9 bedoelde zitting tot het onderzoeken van de aanmeldingen als kandidaat en de in artikel 4.12 bedoelde zitting over de geldigheid van de aanmeldingen als kandidaat om zestien uur worden gehouden;

d. de eerste ronde van de stemming wordt gehouden op de drieënveertigste dag na de dag van kandidaatstelling;

e. de bepalingen inzake combinatie van de stemming met de stemming voor de verkiezing van de gemeenteraad buiten toepassing blijven.

Artikel 9.7

1. Op de éénentwintigste dag voor de kandidaatstelling brengen het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer en het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van provinciale staten de door hen geregistreerde aanduidingen van politieke groeperingen, voor zover de registratie daarvan onherroepelijk is, alsmede de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers, ter openbare kennis in de Staatscourant.

2. Onverminderd het derde lid, geldt een geregistreerde aanduiding die overeenkomstig het eerste lid ter openbare kennis is gebracht, tevens voor een verkiezing van de burgemeester.

3. Het centraal stembureau bepaalt dat de in het tweede lid bedoelde doorwerking van de registratie niet plaatsvindt, indien de geregistreerde aanduiding overeenstemt met een op de voet van de artikel G 3 van de Kieswet voor de verkiezing van de gemeenteraad geregistreerde aanduiding van een andere politieke groepering, en daardoor verwarring te duchten is.

4. Een besluit, als bedoeld in het derde lid, wordt genomen uiterlijk op de vierde dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin de openbare kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, is genomen.

Artikel 9.8

1. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 9.6, derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes dagen.

2. Artikel D 9, tweede tot en met vierde lid, van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.

3. De Afdeling doet uitspraak uiterlijk op de zesde dag nadat het beroepschrift is ontvangen.

Artikel 9.9

Indien een kandidaat vóór de eerste ronde van de stemming of tussen de eerste en de tweede ronde overlijdt, blijven de voor de afgebroken verkiezing geldig verklaarde aanmeldingen als kandidaat geldig voor de nieuwe verkiezing.

Artikel 9.10

Bij een verkiezing als bedoeld in artikel 9.3 is een aanmelding als kandidaat behalve op de in artikel 4.13 vermelde gronden tevens ongeldig, indien de kandidaat na de vorige verkiezing anders dan op grond van artikel 63, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet als burgemeester van de gemeente ontslag is verleend.

Artikel 9.11

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels worden gesteld.

HOOFDSTUK 10 CAMPAGNEFINANCIERING

Artikel 10.1

1. De raad stelt een toezichtscommissie in. Hij benoemt en ontslaat de leden en de voorzitter van de toezichtscommissie.

2. De artikelen 81b, 81f, 81g, 81i, 81j, eerste lid, en 81k van de Gemeentewet zijn van toepassing, met dien verstande dat voor rekenkamer wordt gelezen toezichtscommissie.

3. De leden van de toezichtscommissie zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. Zij beschikken niet over de bevoegdheden genoemd in artikel 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 10.2

1. Een kandidaat voert een openbare financiële administratie die een volledig overzicht geeft van de bijdragen die hij heeft ontvangen of uit eigen middelen heeft ingebracht met het oog op de verkiezingscampagne en van de uitgaven die hij in dat kader heeft gedaan. De kandidaat heeft een afzonderlijke betaalrekening voor deze bijdragen en uitgaven.

2. Bijdragen worden onderscheiden in geldelijke bijdragen en bijdragen in natura, gericht op de bekostiging van activiteiten in het kader van de verkiezingscampagne. Onder bijdragen in natura wordt verstaan geleverde goederen of diensten, waar geen of een onevenredige tegenprestatie tegenover staat.

3. Als waarde van een bijdrage in natura waar geen tegenprestatie tegenover staat, geldt de in het economische verkeer gebruikelijke prijs. Bij een onevenredige tegenprestatie geldt als waarde van een bijdrage het verschil tussen de in het economisch verkeer gebruikelijke prijs van het geleverde en de feitelijk betaalde prijs.

4. Onder uitgaven voor de verkiezingscampagne wordt verstaan de de bekostiging van activiteiten die erop zijn gericht de uitslag van de verkiezing voor de kandidaat gunstig te beïnvloeden. Uitgaven in verband met personele kosten, kosten voor kantoor en kantoorbenodigdheden en andere met de verkiezing samenhangende uitgaven worden beschouwd als uitgaven in het kader van de verkiezingscampagne voor zover zij daaraan rechtstreeks kunnen worden toegerekend volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

5. De kandidaat neemt uitgaven, gedaan door derden ten behoeve van zijn verkiezingscampagne, in zijn administratie op als bijdragen in natura.

6. Door de gemeente verleende bijdragen in natura worden niet opgenomen in de administratie.

Artikel 10.3

1. Bij een bijdrage aan een kandidaat van € 50 of meer alsmede bij afzonderlijke bijdragen van een gever die gezamenlijk € 50 of meer bedragen, vermeldt de kandidaat in zijn financiële administratie:

a. de naam en het adres van de gever;

b. het bedrag of de waarde van de bijdrage;

c. de datum van de bijdrage.

2. De openbaarmaking van de bijdrage geschiedt naast vermelding in de financiële administratie tevens op door de toezichtscommissie te bepalen wijze. De toezichtscommissie draagt zorg voor deze openbaarmaking.

Artikel 10.4

1. De bijdragen van een gever aan dezelfde kandidaat bedragen gezamenlijk ten hoogste:

a. € 2 000, in gemeenten met minder dan 5 000 inwoners;

b. € 4 000, in gemeenten met meer dan 5 000, maar minder dan 20 000 inwoners;

c. € 6 000, in gemeenten met meer dan 20 000, maar minder dan 100 000 inwoners;

d. € 8 000, in gemeenten met meer dan 100 000, maar minder dan 200 000 inwoners;

e. € 10 000, in gemeenten met meer dan 200 000 inwoners.

2. Bijdragen die het in het eerste lid gestelde maximum te boven gaan, worden niet aanvaard dan wel aan de gever geretourneerd.

3. Anonieme bijdragen en in het tweede lid bedoelde bijdragen die niet kunnen worden geretourneerd, draagt de kandidaat aan de gemeente over.

4. Dit artikel is niet van toepassing op subsidies en bijdragen in natura die door de gemeente zijn verleend.

Artikel 10.5

1. De raad bepaalt bij verordening welke ondersteuning kandidaten van de gemeente kunnen verkrijgen en onder welke voorwaarden dit geschiedt. Ondersteuning kan geschieden door middel van bijdragen in natura en in de vorm van subsidie.

2. Iedere kandidaat heeft op gelijke voet en onder dezelfde voorwaarden aanspraak op ondersteuning door de gemeente.

Artikel 10.6

1. Uiterlijk zes weken na de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, dragen de kandidaten de financiële administratie over aan de toezichtscommissie.

2. De financiële administratie ligt gedurende zes maanden voor een ieder kosteloos ter inzage.

Artikel 10.7

1. Binnen drie maanden na de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, legt de toezichtscommissie in een openbaar rapport haar bevindingen vast over de wijze waarop in de verkiezingscampagne door de kandidaten uitvoering is gegeven aan de verplichtingen van dit hoofdstuk.

2. Bij aanwijzingen over mogelijk ernstige gevallen van niet-naleving van de artikelen in dit hoofdstuk kan de toezichtscommissie ook tijdens de verkiezingscampagne rapport uitbrengen.

3. De toezichtscommissie kan een op grond van artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet door de raad aangewezen accountants belasten met:

a. de controle van de financiële administratie van kandidaten en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen;

b. het verlenen van bijstand bij de uitoefening van de taken van de toezichtscommissie..

4. De toezichtscommissie kan ook rapport uitbrengen over de wijze waarop door de gemeente toepassing is gegeven aan artikel 10.5.

Artikel 10.8

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

a. de werkwijze van en de uitoefening van de taken door de toezichtscommissie;

b. de inrichting en de openbaarmaking van de financiële administratie, bedoeld in artikel 10.2;

c. de openbaarmaking van bijdragen, bedoeld in artikel 10.3.

HOOFDSTUK 11 STRAFBEPALINGEN

Artikel 11.1

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester stembiljetten, kiezerspassen of volmachtbewijzen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 11.2

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken stembiljetten, kiezerspassen of volmachtbewijzen, die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 11.3

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester stembiljetten, kiezerspassen of volmachtbewijzen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 11.4

1. Degene die bij een verkiezing van de burgemeester door gift of belofte een kiezer omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Degene die bij een verkiezing van de burgemeester door gift of belofte een kiezer omkoopt dan wel anderszins daartoe dwingt om een verklaring als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, af te leggen ter ondersteuning van een kandidatuur, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

3. Met dezelfde straf wordt gestraft de kiezer die zich door gift of belofte tot het bij volmacht stemmen of het afleggen van een ondersteuningsverklaring laat omkopen.

Artikel 11.5

1. Bij veroordeling wegens een van de in de artikelen 11.1 tot en met 11.4 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten worden uitgesproken.

2. Bij veroordeling tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar wegens een van de in de artikelen 11.1 tot en met 11.3 omschreven misdrijven, kan ontzetting van het in artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde recht worden uitgesproken.

Artikel 11.6

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze overleden is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 11.7

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester een ander heeft gemachtigd voor hem te stemmen en niettemin in persoon aan de stemming deelneemt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 11.8

Degene die bij een verkiezing van de burgemeester stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

Artikel 11.9

De werkgever die bij een verkiezing van de burgemeester de hem bij artikel 5.9 opgelegde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 11.10

De voorzitter, de leden en de opgeroepen plaatsvervangende leden van het stembureau die gedurende de zitting buiten noodzaak afwezig zijn zonder dat in vervanging is voorzien, worden gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Artikel 11.11

1. Degene die nalaat bijdragen als bedoeld in artikel 10.3 openbaar te maken op de in dat artikel bedoelde wijze, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

2. Degene die in strijd met artikel 10.4 handelt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

Artikel 11.12

De in de artikelen 11.1 tot en met 11.4 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven beschouwd en de in de artikelen 11.6 tot en met 11. 11 bedoelde strafbare feiten als overtredingen.

HOOFDSTUK 12 SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 12.1

1. Wanneer bij of krachtens deze wet voorgeschreven verrichtingen op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zouden vallen, treedt de eerstvolgende dag, geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijnde, daarvoor in de plaats. Deze bepaling is mede van toepassing op het tijdstip van periodiek aftreden van de burgemeester.

2. Voor zover de bepaling van de tijd voor die verrichtingen aan het openbaar gezag is opgedragen, worden daarvoor geen zaterdagen, zondagen of algemeen erkende feestdagen aangewezen.

3. Onder algemeen erkende feestdagen worden verstaan de in artikel 3 van de Algemene termijnenwetals zodanig genoemde en de bij of krachtens dat artikel daarmee gelijkgestelde dagen.

Artikel 12.2

De Kieswet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel C 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, wordt «Zij treden af» vervangen door: De leden van provinciale staten treden af.

2. Toegevoegd wordt een derde lid, luidende:

3. De leden van de gemeenteraad treden af met ingang van de donderdag in de periode van 24 tot en met 30 maart of, in een schrikkeljaar, met ingang van de donderdag in de periode van 23 tot en met 29 maart.

B

Artikel E 7, tweede lid, komt te luiden:

2. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de andere leden, alsmede drie plaatsvervangende leden, worden door burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen.

C

Aan artikel N 2 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

4. Indien het betreft de verkiezing van de leden van de gemeenteraad vinden bij een combinatie van de stemming met een stemming voor de verkiezing van de burgemeester de handelingen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, en het tweede en derde lid, eerst plaats bij de stemopneming voor de verkiezing van de burgemeester.

D

Aan artikel N 11, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, toegevoegd: tenzij het de verkiezing betreft van de gemeenteraad.

E

In artikel N 12, eerste lid, wordt de zinsnede «met daarbij gevoegd» vervangen door: met in voorkomend geval daarbij gevoegd.

F

In artikel N 13 wordt na «burgemeester» ingevoegd: of, indien het de verkiezing betreft van de gemeenteraad, de voorzitter van het centraal stembureau.

Artikel 12.3

De Wet algemene regels herindeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Het opschrift van Hoofdstuk VII komt te luiden: Tussentijdse verkiezingen gemeenteraad en burgemeester

B

In artikel 52, eerste lid, wordt «een tussentijdse raadsverkiezing» vervangen door «tussentijdse verkiezingen van de gemeenteraad en van de burgemeester» en wordt «plaatsvindt» vervangen door: plaatsvinden.

C

Aan artikel 53 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Met ingang van de datum van herindeling eindigt de ambtsperiode van de burgemeester van een gemeente die bij een herindelingswet wordt opgeheven dan wel van een gemeente waarvoor een tussentijdse verkiezing van de burgemeester is gehouden, en vangt de ambtsperiode van de tussentijds gekozen burgemeester aan.

D

Artikel 55, tweede lid, komt te luiden:

2. De kandidaatstelling en de stemmingen geschieden op de dagen, door gedeputeerde staten met inachtneming van artikel J 1, eerste lid, van de Kieswet en de artikelen 4.1 en 5.2, eerste en tweede lid, van de Wet verkiezing burgemeester te bepalen, met dien verstande dat de stemmingen voor de datum van herindeling plaatsvinden.

E

Aan artikel 56 wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De ambtsperiode van een ingevolge artikel 52 gekozen burgemeester eindigt tegelijk met de zittingsperiode, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 12.4

Artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht komt te luiden:

3°. het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen en de burgemeester te verkiezen en tot lid van deze organen en tot burgemeester te worden verkozen;

Artikel 12.5

Artikel 8:4, onder h, van de Algemene wet bestuursrecht komt te luiden:

h. inzake de nummering van kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen, de benoemdverklaring in opengevallen plaatsen, de toelating van nieuwe leden van provinciale staten en van de gemeenteraad, alsmede de volgorde van de kandidaten, het verloop van de stemming, de stemopneming, de vaststelling van de uitslag en de toelating tot het ambt van burgemeester bij de verkiezing van de burgemeester,

Artikel 12.6

Artikel 5 van de Wet subsidiëring politieke partijen wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van het artikel wordt het cijfer 1. geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een tweede lid, dat luidt:

2. De subsidie wordt niet aangewend voor uitgaven ter financiering van verkiezingscampagnes voor kandidaten voor het ambt van burgemeester.

Artikel 12.7

Zij die bij de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesloten van het recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen en tot lid van deze organen te worden verkozen, zijn voor de duur van die uitsluiting tevens uitgesloten van het recht de burgemeester te verkiezen en tot burgemeester te worden verkozen.

Artikel 12.8

Bij de eerste verkiezing van de burgemeester op grond van deze wet blijven de artikelen 4.4, negende lid, en 4.8, tweede lid,buiten toepassing.

Artikel 12.9

Bij de eerste verkiezing van de burgemeester op grond van deze wet is de burgemeester niet tevens lid van een hoofdstembureau, bedoeld in artikel E 7 van de Kieswet.

Artikel 12.10

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen vijf jaar na 15 maart 2006 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 12.11

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12.12

Deze wet wordt aangehaald als Wet verkiezing burgemeester.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Naar boven