29 849
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening)

nr. 9
AMENDEMENT VAN HET LID WOLFSEN

Ontvangen 15 april 2005

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel N, komt het eerste lid van artikel 257a te luiden:

1. De officier van justitie kan, indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan dan wel een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, een strafbeschikking uitvaardigen.

Toelichting

Het amendement strekt ertoe, duidelijker in de wettekst te verankeren dat de strafbeschikking op een schuldvaststelling berust en dat zij, anders dan de transactie, geen overeenkomst of dading inhoudt.

De voorgestelde wijziging beoogt door het expliciteren van het rechtskarakter van de strafbeschikking ook de positie van het slachtoffer van een strafbaar feit in het civiele proces te verstevigen. Met een onherroepelijke strafbeschikking heeft het slachtoffer krachtig bewijs in handen tegen degene aan wie de strafbeschikking is opgelegd. De ondertekenaar verwacht dan ook dat de civiele rechter in het licht van het voorgestelde artikel aan een onherroepelijke strafbeschikking meer dan gemiddelde bewijskracht zal toekennen.

De ondertekenaar heeft overigens overwogen een aanpassing van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor te stellen, in die zin dat aan een onherroepelijke strafbeschikking dezelfde dwingende bewijskracht toekomt als aan een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen veroordelend strafvonnis. Na ampel beraad heeft hij echter van een dergelijk voorstel afgezien, omdat een dergelijke aanpassing wellicht tot het ongewenste gevolg zou leiden dat de verdachte na verzet tegen de strafbeschikking om tactische redenen vaker verstek zou laten gaan bij de berechting door de strafrechter.

Wolfsen

Naar boven