nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luid (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de
Wet op de Raad van State).De gemeenschappelijke regelingen die op de Kaderwet
bestuur in verandering (Kaderwet) zijn gebaseerd, verliezen hun geldigheid
met ingang van 1 januari 2005. Dit vloeit voort uit de verlenging van
de diverse regelingen, die in 2002 bij koninklijk besluit heeft plaatsgevonden
(Stb. 2002, 655), op basis van een bevoegdheid op grond van de Wet van 30 januari
2002 (Stb. 78) tot extra verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die
krachtens de Kaderwet bestuur in verandering zijn getroffen.
Bij koninklijke boodschap van 22 april 2004 is een wetsvoorstel ingediend
dat voorziet in een nieuwe wettelijke regeling van de verplichte intergemeentelijke
samenwerking (voorstel van wet tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke
regelingen en enkele andere wetten met het oog op de instelling van plusregio's;
Kamerstukken II 2003/04, 29 532, nrs. 1–3). Beoogd is dat
de gemeenten die nu deelnemen aan een gemeenschappelijke regeling op basis
van de Kaderwet, deze samenwerking vanaf 1 januari 2005 voortzetten,
maar dan op basis van een nieuw hoofdstuk in de Wet gemeenschappelijke regelingen
(Wgr).
Aangezien nooit vooraf de zekerheid bestaat of en wanneer een wetsvoorstel
tot wet wordt verheven en in werking treedt, bestaat het risico dat de bedoelde
gemeenschappelijke regelingen vervallen vóórdat de beoogde wettelijke
voorziening in werking is getreden; dat is bestuurlijk niet zorgvuldig. Anderzijds
mag dit risico geen oneigenlijke druk leggen op het proces van besluitvorming;
dat is politiek niet zorgvuldig. Daarom is besloten het onderhavige wetsvoorstel
in procedure te brengen, om te waarborgen dat zo nodig de geldigheid van de
bestaande regelingen vóór 1 januari 2005 kan worden verlengd.
De indiening moet niet worden opgevat als een signaal dat 1 januari 2005
niet langer de beoogde datum zou zijn van de «doorstart» van de
regelingen op basis van de Wijzigingswet Wgr-plus, maar heeft louter de bedoeling
het risico van een onbedoeld einde van de betrokken gemeenschappelijke regelingen
te elimineren.
Om het besluit tot van de verlenging van de regelingen tijdig tot stand
te kunnen brengen, is er geen ruimte voor de periode van meer dan zes weken
die voortvloeit uit toepassing van de hoofdregel van de Tijdelijke referendumwet.
Derhalve wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 16 van die
wet biedt, en treedt de wet in werking met ingang van de dag na de bekendmaking.
De wet verleent een machtiging tot verlenging van de desbetreffende regelingen.
Na 31 december 2004 is de wet materieel zonder betekenis en deze zou
dus met ingang van 1 januari 2005 kunnen vervallen. Om ieder misverstand
over de geldigheid van de verlengde kaderwetregelingen uit te sluiten, is
bepaald dat de wet komt te vervallen met ingang van 1 januari 2007, zijnde
de uiterste datum van geldigheid op grond van artikel 1.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes