29 836
Extra verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die krachtens de Kaderwet bestuur in verandering zijn getroffen

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luid (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).De gemeenschappelijke regelingen die op de Kaderwet bestuur in verandering (Kaderwet) zijn gebaseerd, verliezen hun geldigheid met ingang van 1 januari 2005. Dit vloeit voort uit de verlenging van de diverse regelingen, die in 2002 bij koninklijk besluit heeft plaatsgevonden (Stb. 2002, 655), op basis van een bevoegdheid op grond van de Wet van 30 januari 2002 (Stb. 78) tot extra verlenging van de gemeenschappelijke regelingen die krachtens de Kaderwet bestuur in verandering zijn getroffen.

Bij koninklijke boodschap van 22 april 2004 is een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in een nieuwe wettelijke regeling van de verplichte intergemeentelijke samenwerking (voorstel van wet tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op de instelling van plusregio's; Kamerstukken II 2003/04, 29 532, nrs. 1–3). Beoogd is dat de gemeenten die nu deelnemen aan een gemeenschappelijke regeling op basis van de Kaderwet, deze samenwerking vanaf 1 januari 2005 voortzetten, maar dan op basis van een nieuw hoofdstuk in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr).

Aangezien nooit vooraf de zekerheid bestaat of en wanneer een wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, bestaat het risico dat de bedoelde gemeenschappelijke regelingen vervallen vóórdat de beoogde wettelijke voorziening in werking is getreden; dat is bestuurlijk niet zorgvuldig. Anderzijds mag dit risico geen oneigenlijke druk leggen op het proces van besluitvorming; dat is politiek niet zorgvuldig. Daarom is besloten het onderhavige wetsvoorstel in procedure te brengen, om te waarborgen dat zo nodig de geldigheid van de bestaande regelingen vóór 1 januari 2005 kan worden verlengd. De indiening moet niet worden opgevat als een signaal dat 1 januari 2005 niet langer de beoogde datum zou zijn van de «doorstart» van de regelingen op basis van de Wijzigingswet Wgr-plus, maar heeft louter de bedoeling het risico van een onbedoeld einde van de betrokken gemeenschappelijke regelingen te elimineren.

Om het besluit tot van de verlenging van de regelingen tijdig tot stand te kunnen brengen, is er geen ruimte voor de periode van meer dan zes weken die voortvloeit uit toepassing van de hoofdregel van de Tijdelijke referendumwet. Derhalve wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 16 van die wet biedt, en treedt de wet in werking met ingang van de dag na de bekendmaking.

De wet verleent een machtiging tot verlenging van de desbetreffende regelingen. Na 31 december 2004 is de wet materieel zonder betekenis en deze zou dus met ingang van 1 januari 2005 kunnen vervallen. Om ieder misverstand over de geldigheid van de verlengde kaderwetregelingen uit te sluiten, is bepaald dat de wet komt te vervallen met ingang van 1 januari 2007, zijnde de uiterste datum van geldigheid op grond van artikel 1.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

Naar boven