nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te waarborgen
dat de gemeenschappelijke regelingen die krachtens de Kaderwet bestuur in
verandering zijn getroffen, kunnen blijven gelden indien het bij koninklijke
boodschap van 22 april 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging
van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog
op de instelling van plusregio's (Kamerstukken II 2003/04, 29 532, nrs. 1–3)
op 31 december 2004 geen kracht van wet heeft;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
In afwijking van artikel 31, derde lid, van de Kaderwet bestuur in verandering
kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, de geldigheid van de gemeenschappelijke regelingen
die krachtens die wet zijn getroffen, nogmaals worden verlengd, voor een periode
van ten hoogste twee jaar. Onze Minister stelt de besturen van het betrokken
regionale openbare lichamen onverwijld in kennis van de voordracht.
ARTIKEL II
Deze wet treedt onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet
in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2007.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,