Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629834 nr. 13

29 834
Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken

nr. 13
DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 1 februari 2006

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 5.1 wordt «aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk» vervangen door: aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk.

b. In artikel 5.4, vierde lid, onder c, wordt «instandhouding, verplaatsing en opruiming» vervangen door: instandhouding en opruiming.

c. In artikel 5.6, eerste lid, wordt «het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 en 5.4» vervangen door: het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 en 5.4, eerste tot en met vierde lid, onder e,.

B

Artikel I, onderdeel Ba, wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 6a.21, eerste, tweede en derde lid, wordt «de artikelen 6a.12 tot en met 6a.15» telkens vervangen door: de artikelen 6a.12, 6a.13, 6a.14 en 6a.22.

b. In artikel 6a.21, vierde lid, wordt «de artikelen 6a.12 tot en met 6a.15» vervangen door: de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14.

c. Na artikel 6a.21 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a.22

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere verplichtingen dan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.14, worden aangewezen die het college op grond van artikel 6a.21, derde lid, kan opleggen aan ondernemingen die een aanmerkelijke marktmacht hebben bij het aanbieden van programmadiensten.

C

In artikel I worden na onderdeel Ba twee nieuw onderdelen ingevoegd, luidende:

Bb

Hoofdstuk 7 wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 7.1 wordt onder vernummering van het derde lid tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op aanbieders van programmadiensten.

b. In de artikelen 7.1, vierde lid, en 7.4 wordt «openbare elektronische communicatiediensten» telkens vervangen door: openbare elektronische communicatiediensten of programmadiensten.

c. Voor de tekst van artikel 7.2 wordt de aanduiding «1» geplaatst.

d. Er wordt een lid toegevoegd aan artikel 7.2, luidende:

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanbieders van programmadiensten. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van programmadiensten worden aangewezen met betrekking waartoe voor de desbetreffende aanbieder de in de vorige volzin bedoelde verplichting geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft.

e. In artikel 7.8 wordt «of openbare elektronische communicatiediensten» telkens vervangen door: , openbare elektronische communicatiediensten of programmadiensten.

f. In artikel 7.8, eerste lid, wordt «consumentenbescherming» vervangen door: de bescherming van natuurlijke personen die gebruik maken van of verzoeken om openbare elektronische communicatiediensten of programmadiensten voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden.

Bc

Artikel 12.1 wordt als volgt gewijzigd:

a. «of andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen openbare elektronische communicatiediensten» wordt vervangen door: , andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen openbare elektronische communicatiediensten of bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen programmadiensten.

b. Na «een openbare elektronische communicatiedienst» wordt ingevoegd: of een programmadienst.

c. «een consument» wordt vervangen door: een natuurlijk persoon die voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden handelt.

TOELICHTING

Onderdeel A

Voor alle duidelijkheid wordt in subonderdeel a aangegeven dat de in dit hoofdstuk opgenomen rechten en plichten gelden voor diegenen die een openbaar elektronisch communicatienetwerk aanbieden zoals gedefinieerd in artikel 5.1. Met het vervallen van het in eerste instantie voorgestelde artikel 5.12 (dat ook van toepassing was op kabels van niet-openbare netten) hoeft artikel 5.1 uitsluitend betrekking te hebben op aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken. Aangezien het verplaatsen van kabels reeds valt onder de beschrijving «aanleg, instandhouding en opruiming» van kabels, kan het woord «verplaatsing» in artikel 5.4 worden weggelaten. Dit wordt in subonderdeel b geregeld. Als laatste voorkomt subonderdeel c dat de regels gesteld door gemeenten ten aanzien van spoedeisende werkzaamheden onbedoeld niet van toepassing zouden zijn in het geval deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

Onderdeel B

In artikel 6a.21 is bepaald dat het college de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6a.12 tot en met 6a.15, kan opleggen aan aanbieders van programmadiensten met aanmerkelijke marktmacht. Het gaat hier om dezelfde verplichtingen die het college kan opleggen aan aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten die aanmerkelijke marktmacht hebben. Artikel 6a.15 geeft aan de regering de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur verplichtingen aan te wijzen die het college kan opleggen aan aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten met aanmerkelijke marktmacht. Van belang is dat artikel 6a.15 uitsluitend de bevoegdheid geeft om regels te stellen ter uitvoering van richtlijn nr. 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn). Aangezien dit wetsvoorstel niet strekt tot implementatie van de Universeledienstrichtlijn is een verwijzing naar artikel 6a.15 niet logisch. Om die reden wordt de verwijzing naar artikel 6a.15 geschrapt en wordt een delegatiegrondslag ingevoegd die geen verwijzing kent naar de Universeledienstrichtlijn.

Onderdeel C

Hoofdstuk 7 van de Telecommunicatiewet bevat regels ter bescherming van eindgebruikers. Deze regels richten zich vaak tot aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten. Uit de ontwerpbesluiten van OPTA over de markten voor de doorgifte en ontvangst van omroepsignalen blijkt dat kabelbedrijven aan hun afnemers zowel een openbare elektronische communicatiedienst aanbieden (transport van programma’s) als een inhoudsdienst (het programmapakket). Concreet betekent dit dat als een consument het radio- en televisiepakket afneemt van een kabelbedrijf hij slechts voor de transportdienst een beroep kan doen op hoofdstuk 7 van de Telecommunicatiewet. De inhoudsdienst valt immers buiten de reikwijdte van hoofdstuk 7. In lijn met de eerste nota van wijziging worden aanbieders van inhoudsdiensten nu ook onder de reikwijdte van hoofdstuk 7 gebracht. Hiermee is verzekerd dat eindgebruikers ook een beroep kunnen doen op hoofdstuk 7, indien zij een programmadienst afnemen.

Tot slot is van belang dat niet alle bepalingen ter bescherming van consumenten zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de Telecommunicatiewet. Zo ziet artikel 12.1 van de Telecommunicatiewet op geschilbeslechting tussen consumenten en aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten. Aangezien dit artikel – net als hoofdstuk 7 – alleen spreekt over aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten, wordt het artikel gewijzigd, zodat het artikel eveneens betrekking heeft op aanbieders van programmadiensten.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst