Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629834 nr. 11

29 834
Wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken

nr. 11
NADER VERSLAG

Vastgesteld 19 december 2005

De vaste commissie voor Economische Zaken1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt nader verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit nader verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave Blz.

I Algemeen 1

II Artikelen 7

I Algemeen

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in het opnemen in het Burgerlijk Wetboek van een specifieke regeling voor de eigendom van netten. Met het voorliggende voorstel geeft de regering een nadere uitwerking aan de wens van deze leden als verwoord ten tijde van de behandeling van de zogeheten implementatiewet (kamerstuk 29 372). De wijze waarop de regeling terzake eigendom van netten is vormgegeven is voor de leden van de CDA-fractie echter aanleiding tot het stellen van een aantal vragen.

De regeling van de eigendom van netten is een belangrijk onderwerp dat raakt aan fundamentele kwesties omtrent het systeem van het vermogensrecht zoals neergelegd in de boeken 3, 5, 6 en 8 BW. Het is dan ook wenselijk dat de Raad van State over de voorgestelde nota van wijziging advies uitbrengt. De leden van de CDA-fractie zouden dan ook graag vernemen of de Raad van State door de regering is gevraagd advies uit te brengen over de voorliggende nota van wijziging. Bij een bevestigend antwoord zouden deze leden graag vernemen welke commentaren de Raad van State heeft gegeven op de voorgestelde nota van wijziging. Tevens zouden deze leden graag inzicht krijgen in de reactie van de regering op het door de Raad van State uitgebrachte advies. Als de Raad van State advies heeft uitgebracht over de voorgestelde nota van wijziging ontvangen de leden van de CDA-fractie graag een afschrift van dit advies alsmede het door de regering opgestelde nader rapport naar aanleiding van dit advies.

De in artikel 5:20 lid 2 BW neergelegde regeling over eigendom van netten gaat uit van een doorbreking van de uit artikel 5:20 lid 1 BW natrekkingsregel van met de grond duurzaam verenigde gebouwen en werken. Een andere oplossing voor regeling van de kwestie van eigendom van netten zou kunnen zijn dat de persoon die een net aanlegt in, op of boven de grond van een ander van rechtswege een zakelijk recht (overeenkomstig een recht van opstal) krijgt op grond waarvan de eigendom van het aangelegde net blijft berusten bij de aanlegger. Een dergelijke regeling voor de eigendom van netten is in de rechtsliteratuur (Ploeger, Van Velten) wel bepleit. Waarom is niet voor deze oplossingsrichting gekozen? Welke voor- en nadelen kleven aan deze oplossing? De regering wordt verzocht bij haar beantwoording uitgebreid op deze vraag in te gaan.

De leden van de CDA-fractie zijn de mening toegedaan dat een regeling omtrent eigendom van netten zoveel mogelijk moet aansluiten bij het systeem van het vermogensrecht, meer in het bijzonder bij het zakenrecht, zoals neergelegd in de boeken 3, 5, 6 en 8 BW. Deelt de regering deze opvatting? Zo ja, kan de regering dan een verduidelijking geven van de aan het vermogensrecht ontleende uitgangspunten die ten grondslag zijn gelegd aan de voorgestelde wijziging van artikel 5:20 BW en de daarmee samenhangende regeling in de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek? Bij de beantwoording van deze vraag wordt de regering verzocht de vraag te betrekken of het in (het voorgestelde) artikel 5:20 lid 2 BW genoemde begrip «net» voor de toepassing van het vermogensrecht, meer in het bijzonder het zakenrecht als neergelegd in boek 5 van het BW, moet worden aangemerkt als één zaak? Als het begrip «net» in de zin van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW kan worden onderscheiden in meerdere zelfstandige zaken («deelnetten»), doet zich de vraag voor op basis waarvan respectievelijk door wie wordt bepaald of er sprake is van een of meer deelnetten. Deze vraag dringt zich bij deze leden op, doordat artikel 5:20 lid 2 BW niet spreekt over «een of meer kabels of leidingen», maar over «een net, bestaande uit een of meer kabels en leidingen». Klaarblijkelijk moet het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde net worden beschouwd als een feitelijke en functionele eenheid en dus, gelet op artikel 5:3 BW, als één zaak. Wat als een net in de zin van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW moet worden aangemerkt (begrenzing net) en dus geldt als één zaak? Dit lijkt, gelet op de toelichting op dit artikel, te moeten volgen uit de verkeersopvatting. Is dit waar, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Zo ja, waarom is dit criterium omwille van de rechtszekerheid, gelijk artikel 3:4 BW, niet uitdrukkelijk als een afzonderlijk derde lid aan artikel 5:20 BW toegevoegd? Bij een ontkennend antwoord op de hierboven gestelde vraag wordt de regering verzocht aan te geven waarom niet is gekozen voor het hanteren van de verkeersopvatting als maatstaf voor de bepaling van de omvang («begrenzing») van het net?

Welk aan het vermogensrecht ontleent criterium dient in dit geval dan wel te worden gehanteerd bij de bepaling van hetgeen het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «net» omvat? Wat moet worden verstaan onder een net moet, blijkens de toelichting op artikel 5:20 lid 2 BW, worden bepaald aan de hand van een definitie van een net in een bijzondere wet. Zo moet, zo merken de leden van de CDA-fractie op, voor de bepaling van de omvang van een elektriciteitsnet daarom worden teruggevallen op de in artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998 opgenomen omschrijving van een net. Blijkens deze definitie in de Elektriciteitswet 1998 bestaat een net uit één of meer kabels en hulpmiddelen, zoals transformatorstations, verdeelstations en onderstations. Een net in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998 kan tevens meerdere spanningsniveaus omvatten. Uit de in de Elektriciteitswet 1998 gegeven omschrijving volgt tevens dat een net niet alleen leidingen en kabels, maar ook hulpmiddelen omvat.

Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie volgt uit het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW, gelezen in onderlinge samenhang met artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998, dat een elektriciteitsnet in handen van een en dezelfde persoon (de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «bevoegde aanlegger») meerdere spanningsniveaus kan omvatten. Tevens omvat het net naast leidingen en kabels ook allerlei hulpmiddelen, zoals transformator- en verdeelstations. Gelet op het bepaalde in artikel 5:3 BW, zo begrijpen deze leden, moet het elektriciteitsnet dat toebehoort aan dezelfde «bevoegde aanlegger» worden beschouwd als één net en daarmee één zaak. Losse onderdelen van het net, zoals een transformatorstation of een enkele leiding, moeten derhalve voor de toepassing van het vermogensrecht (artikel 5:3 BW) worden beschouwd als «bestanddelen» (in de zin van artikel 3:4 BW) ten opzichte van de hoofdzaak, zijnde het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «net». Hetzelfde geldt naar de mening van de leden van de CDA-fractie voor deelnetten, zoals netdelen die door de neteigenaar worden bedreven op een zelfde spanningsniveau, bijvoorbeeld 150 kV of 10 kV. Ook deze deelnetten moeten volgens deze leden worden beschouwd als bestanddelen van het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde net. Deelt de regering deze opvatting? Zo ja, deelt zij de mening dat het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «net», zijnde één zaak, slechts in zijn geheel vatbaar is voor overdracht en bezwaring met beperkte rechten, zoals een hypotheek? Immers, overdracht van (onzelfstandige) bestanddelen is, in tegenstelling tot zaken, op grond van het vermogensrecht niet mogelijk. Hetzelfde geldt uiteraard voor het vestigen van beperkte rechten, zoals een hypotheek, op tot een net behorende bestanddelen, zoals een deelnet met een bepaald spanningsniveau. Ook dit is niet mogelijk. Deze leden vragen de regering een gedegen onderbouwde reactie op deze kwestie.

Voor zover de regering van oordeel mocht zijn dat het bovenbedoelde elektriciteitsnet, dat is aangelegd door dezelfde persoon, zijnde de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde bevoegde aanlegger, toch moet worden onderscheiden in afzonderlijke deelnetten en daarmee verschillende, afzonderlijk te onderscheiden zaken, wordt de regering verzocht aan te geven op basis van welk juridisch criterium deze verschillende netten kunnen worden onderscheiden. De leden van de CDA-fractie merken op dat naar hun mening de verkeersopvatting voor het maken van bedoeld onderscheid geen (juridische) basis meer kan bieden, aangezien op grond van dezelfde verkeersopvatting, die immers zijn vertaling vindt in de definitie van de bijzondere wet, in dit geval artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998, reeds was vastgesteld dat sprake was van één net. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat op basis van de verkeersopvatting, namelijk door aansluiting te zoeken bij de in artikel 1 Elektriciteitswet 1998 opgenomen definitie van een net, wordt vastgesteld dat sprake is van één net, dat vervolgens op basis van dezelfde verkeersopvatting moet worden onderscheiden in verschillende deelnetten, die ieder voor zich voor de toepassing van het vermogensrecht hebben te gelden als afzonderlijke, zelfstandige zaken. Daarmee komt de vraag op aan de hand van welk (aanvullend) criterium wordt bepaald dat een elektriciteitsnet, dat op grond van de verkeersopvatting als nader geconcretiseerd door artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998, toch bestaat uit meerdere te onderscheiden deelnetten en daarmee zaken in de zin van het vermogensrecht? Mogelijk kan een te maken onderscheid in deelnetten worden herleid tot de wil van de eigenaar van het net. De eigenaar kan dan kiezen welke delen van het net moeten worden beschouwd als afzonderlijke deelnetten.

Een dergelijke benadering sluit aan bij het systeem van de Elektriciteitswet 1998. Op grond van deze wet (artikel 10 lid 3 Elektriciteitswet 1998) is een eigenaar van een net bevoegd voor het beheer van dit net, een of meer netbeheerders aan te wijzen, die ieder voor zich een deel van het net gaan beheren. Een dergelijke benadering zou ook kunnen worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 5:20 lid 2 BW. Deze oplossingsrichting past naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie echter niet in het systeem van het vermogensrecht. Door de eigenaar van het net zelf te laten bepalen of sprake is van een net dan wel meerdere te onderscheiden deelnetten, wordt in feite een figuur in het vermogensrecht geïntroduceerd waarbij de wil van een persoon bepalend is voor de zakenrechtelijke status van een bepaald object. Het kenmerk van het zakenrecht is juist dat de vraag of een bepaald object als een afzonderlijke zaak, meerdere te onderscheiden zaken, dan wel als een bestanddeel van een zaak dient te worden beschouwd, niet afhankelijk is van de wil van de eigenaar, maar van objectief vast te stellen omstandigheden, zoals de algemeen geldende verkeersopvatting. Toegegeven zij, dat artikel 8:1 lid 4 BW een uitzondering bevat op deze algemene, aan het vermogensrecht ten grondslag liggende regel. Immers, op grond van dit artikel geldt als uitgangspunt dat een zogeheten scheepstoebehoren, bijvoorbeeld een anker verbonden met het schip, wordt verondersteld onderdeel uit te maken van een schip. Dit betekent dat de eigenaar van het schip tevens eigenaar is van het scheepstoebehoren. Artikel 8:1 lid 4 BW bevat echter een uitzondering, die inhoudt dat bij overeenkomst (of andere daartoe strekkende rechtshandeling) kan worden bepaald dat een scheepstoebehoren, bijvoorbeeld een op het schip geplaatst anker, ondanks haar vereniging met het schip, toch een zelfstandige zaak blijft die niet in eigendom toevalt aan de eigenaar van het schip. De persoon die het anker levert blijft, uitgaande van een daartoe strekkende overeenkomst (of gelijkwaardige rechtshandeling) eigenaar van het anker, ook al is dit anker verenigd met het schip. Artikel 8:1 lid 4 BW neemt dus de wil van partijen als uitgangspunt voor de bepaling van de goederenrechtelijke status van het scheepstoebehoren. Dit uitgangspunt verdraagt zich echter zo slecht met het systeem van het vermogensrecht dat de regering ten tijde van de parlementaire behandeling van boek 8 BW heeft toegezegd dit artikel te heroverwegen. Deze heroverweging heeft overigens tot op heden niet plaatsgevonden. Kan de regering aangeven wanneer deze heroverweging plaats zal vinden? Aangezien de regering heeft aangegeven artikel 8:1 lid 4 BW te zijner tijd te schrappen zien de leden van de CDA-fractie in dit artikel onvoldoende basis om, in afwijking van het algemeen geldende systeem van het vermogensrecht, de wil van de neteigenaar beslissend te laten zijn voor de bepaling van de goederenrechtelijke status van zijn net.

Meer in het algemeen hebben deze leden moeite met het gebruik van in bijzondere wetten of lagere regelgeving, zoals verordeningen, opgenomen wettelijke definities van netten als invulling van het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde begrip «net». De in bijzondere wetten gegeven definities van de aldaar bedoelde netten zijn veelal niet geschreven met het oog op de eigendom van deze netten. Het gebruik van wettelijke definities in bijzondere wetten van het begrip net, voor de uitleg van het begrip net als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW, kan dan ook tot ongewenste effecten leiden. Een duidelijk voorbeeld kan worden ontleend aan de toepassing van de wettelijke definitie van net als opgenomen in artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998 op het begrip «net» als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW. Uit de in artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998 opgenomen definitie van «net» volgt dat ook aansluitingen onderdeel uitmaken van het net. Op grond van artikel 5:20 lid 2 BW is een eigenaar van een elektriciteitsnet, er van uitgaande dat de in artikel 1 lid 1 aanhef en onderdeel i Elektriciteitswet 1998 gegeven omschrijving van een elektriciteitsnet geldt als concretisering van het in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde begrip net, tevens eigenaar van de aansluitingen op dit net. Op grond van de elektriciteitswet 1998 is het echter mogelijk dat een afnemer zelf zijn eigen aansluiting maakt (op grond van artikel 16c Elektriciteitswet 1998). Toepassing van artikel 5:20 lid 2 BW in de hierboven aangegeven zin heeft dan tot gevolg dat de afnemer de eigendom van rechtswege, namelijk door toepassing van artikel 5:20 lid 2 BW, de eigendom van zijn aansluiting verliest aan de neteigenaar. Toepassing van artikel 5:20 lid 2 BW leidt dan ook tot onteigening. Is een dergelijk gevolg van de in artikel 5:20 lid 2 BW opgenomen regeling door de regering beoogd? Opgemerkt wordt dat een dergelijke onteigening van eigendom voor de leden van de CDA-fractie volstrekt ontoelaatbaar is. Zij is bovendien in strijd met bepalingen van hoger recht, zoals artikel 14 Grondwet en artikel 1 van het Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Teneinde deze problemen te voorkomen wordt de regering verzocht het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW te wijzigen. Indien de regering hiertoe niet bereid is, wordt zij verzocht aan te geven op welke wijze de hierboven geschetste problemen kunnen worden ondervangen.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van de tweede nota van wijziging en hebben hier geen nadere vragen over of opmerkingen bij. Wel hebben zij nog enkele vragen over de kwalificatie van netwerken als roerend of onroerend goed en de daaraan gerelateerde zaken.

Heeft de regering allereerst kennis genomen van de position paper (namens KPN, VECAI, EnergieNed en Groep Graafrechten) «gevolgen van het (on)roerend karakter netten»?

Hoe beoordeelt de regering de verschillende bezwaren en argumenten die hierin naar voren worden gebracht m.b.t. de roerende of onroerende status van netwerken?

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering hierbij nader in kan gaan op de verschillende afwegingen die gemaakt worden in het position paper en de keuze in het voorliggende wetsvoorstel om niet nadrukkelijk te kiezen voor een roerende of onroerende status van netwerken? Is de regering bereid om alsnog de nadrukkelijke keuze voor een roerende status van netwerken te maken? Zo nee, waarom is de regering hier niet toe bereid? Kan de regering ingaan op de (fiscale) consequenties die de toekenning van een roerende of onroerende status met zich meebrengen voor de verschillende partijen en fiscale vormen die hier van toepassing kunnen zijn?

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van bovenstaand voorstel tot wijziging en willen de navolgende vragen stellen aan de regering. De gedoogplicht voor niet-gebruikte leidingen en buizen is beperkt tot 4 jaar. Gezien de wens investeringen te stimuleren in deze infrastructuren en te combineren met andere werkzaamheden waarvoor de straat moet worden opengebroken en er graafwerkzaamheden moeten plaatsvinden, is een langere termijn het overwegen waard. Waarop is de termijn van 4 jaar gebaseerd? Is een termijn van bijvoorbeeld 10 jaar, gezien de bevordering van investeringen en beperking van graafwerk, niet beter? Hoe verhoudt de termijn zich allereerst tot de gebruikelijke afschrijvingstermijnen voor deze infrastructuren?

Is er geen sprake van nieuw regelgevend kader vanuit Brussel? Indien dat het geval is, is het dan niet verstandiger om wijzigingen van de Telecommunicatiewet aan te houden totdat zekerheid is verkregen over de Brusselse regelgeving? Is nu definitief geregeld dat de ondergrondse infrastructuur als roerend wordt beschouwd?

Deze leden vragen of het mogelijk is om in de Telecomwet vast te leggen dat er geen precario mag worden geheven door gemeenten of andere overheden met betrekking tot ondergrondse infrastructuur. Zo ja, waarom wordt dat nu niet vastgelegd?

Zijn er mogelijkheden om de administratieve lasten en uitvoeringslasten ten gunste van de Telecommunicatiewet te verlagen? Is de regering bereid advies te vragen aan Actal en/of het EIM?

Welke criteria zal de OPTA hanteren om tot afbakening van een probleemmarkt te komen? En welke criteria hanteert de OPTA voor het vaststellen dat de opgelegde maatregelen niet meer proportioneel zijn c.q. achterwegen blijven? Zijn de eerder gepubliceerde en onderschreven beleidslijnen voor de OPTA ook van toepassing op onderhavige nieuwe bevoegdheid van de OPTA?

De leden van de VVD-fractie memoreren dat de Nota van Wijziging beoogt de OPTA de bevoegdheid te geven tot het opleggen van ex-ante verplichtingen aan aanbieders van programmadiensten. Het wetsvoorstel zelf heeft tot oogmerk te komen tot een herziening van het nationale beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken. Kan de regering verzekeren dat deze wijziging past in de systematiek van het Europese regelgevend kader en dus binnen dat van de Telecommunicatiewet? De bepalingen van Hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet vloeien immers voort uit de Europese richtlijnen voor elektronische communicatie. Komt dit ook aan de orde in de lopende gesprekken met de Europese Commissie rondom de marktanalyse? Wat is het standpunt van de Europese Commissie terzake?

Welke waarde moet worden toegekend aan deze nieuwe bevoegdheid van de OPTA indien de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat er sprake is van een volop concurrerende omroepmarkt? Hoe wordt verzekerd dat de OPTA met het gebruik van de nieuwe bevoegdheid rekening houdt met de resultaten en verplichtingen uit onder meer het proces dat voorvloeit uit de zogenaamde markt 10 (wholesalemarkt) en markt 19 (retailmarkt)?

Op welk moment is, volgens de regering, het stadium bereikt waarin er daadwerkelijke mededinging is op de markt voor het aanbieden van programmadiensten aan de consument? Heeft het zin OPTA wettelijke bevoegdheid te geven tot het opleggen van ex ante verplichtingen aan aanbieders van programmadiensten indien de Europese Commissie het standpunt zou innemen dat de retailmarkt voor vrij toegankelijke omroepprogramma‘s wel in aanmerking komen voor regelgeving?

Heeft het feit dat de OPTA een verplichting kan opleggen inzake non-discriminatie mogelijke gevolgen voor lokale verschillen in (content)tarieven van dezelfde (content)dienst, zo vragen deze leden.

Waarom, zo vragen de leden van de VVD-fractie, is gekozen voor een nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel rondom de graafrechten? Hierdoor heeft de Raad van State zich hier niet over kunnen uitspreken. Heeft de Raad van State zich bij eerdere gelegenheid al eens uitgesproken over deze problematiek? Is het niet verstandig om belangrijke wijzigingen alsnog aan de Raad van State voor te leggen?

Is deze bevoegdheid ook van toepassing op aanbieders van exclusieve content die op de markt voor breedbandinternet aanmerkelijke marktmacht hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is in dat geval de samenhang verzekert tussen de maatregelen op de desbetreffende gedefinieerde markten?

Waarom krijgen de kabelexploitanten geen verplichting tot wederverkoop, terwijl een zelfde verplichting wel geldt voor de exploitant van het vaste telefoonnet? Een dergelijke verplichting vergroot naar de mening van de leden van de VVD-fractie de mogelijkheden voor concurrentie voor de kabelexploitanten en kan leiden tot lagere prijzen voor de eindgebruiker.

De leden van de SP-fractie hebben met interesse het wetsvoorstel gelezen. Deze leden vinden het opvallend dat er niet wordt verwezen naar verplichtingen op grond waarvan concurrentie op de kabel kan worden bewerkstelligd. Dit kan bijvoorbeeld een verplichting tot wederverkoop van de programmadienst zijn. Hiermee kunnen meer aanbieders van programmadiensten via de kabel een televisiepakket aanbieden aan de consument. Een dergelijke verplichting vergroot de mogelijkheden voor concurrentie voor de kabelexploitanten en leidt tot lagere prijzen voor de eindgebruiker. Dergelijke verplichtingen kunnen ook aan KPN worden opgelegd. Dat volgt uit de huidige artikelen 6a.6 tot en met 6a.11 van de Telecommunicatiewet. Waarom worden deze bepalingen niet genoemd als mogelijke verplichtingen voor kabelexploitanten (aanbieders van programmadiensten) in artikel 6a.21, tweede lid van de nota van wijziging?

II Artikelen

Artikel IIa, onderdeel A (3:17 BW)

Het voorgestelde artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW maakt het mogelijk de aanleg en verwijdering van een net in te schrijven, zo memoreren de leden van de CDA-fractie. Wanneer is sprake van een in dit artikel bedoeld «aangelegd net»? Omvat deze term ook een vóór inwerkingtreding van artikel 17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW aangelegd net? Zo ja, is het dan niet beter te spreken over inschrijving van een «net» in plaats van een aangelegd net? De regering wekt in de toelichting op artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW de indruk dat het momenteel niet mogelijk is een aangelegd net in te schrijven in de openbare registers. Met artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW zou immers de bevoegdheid moeten worden gecreëerd tot inschrijving van netten, zijnde onroerende zaken, in de openbare registers. Echter, uit de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2003 blijkt dat het ook op grond van het thans geldende recht mogelijk is netten in te schrijven in de openbare registers. De uitspraak van de Hoge Raad heeft er toe geleid dat momenteel onder het huidige recht reeds netten worden ingeschreven in de openbare registers. Aangezien nagenoeg alle bestaande netten inmiddels een of meerdere malen in het kader van fusies, splitsingen en overnames van energiebedrijven zijn overgedragen is het mogelijk al deze (bestaande) netten reeds in het kader van de overdracht van deze netten in te schrijven in de openbare registers. Hoe moet in dit licht bezien de toelichting op het wetsvoorstel worden gelezen, waarin wordt gesteld dat de wijziging van artikel 3:17 lid 1 BW nodig is om inschrijving van de «aanleg» van netten mogelijk te maken? Kan de voorgestelde aanpassing van artikel 3:17 BW niet worden beperkt tot het «verwijderen» van netten?

Voor overdracht van een onroerende zaak, zoals een net, is krachtens artikel 3:89 lid 1 BW inschrijving van een (daartoe strekkende) notariële leveringsakte in de openbare registers nodig. Het zal in een aanzienlijk aantal gevallen niet duidelijk zijn wie als de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «bevoegde aanlegger» dan wel diens rechtsopvolger moet worden aangemerkt en dus eigenaar is van het betreffende net. Hoe moet de notaris in deze gevallen, waarbij onduidelijkheid is of kan bestaan omtrent de vraag wie eigenaar is van een net, controleren of de hij in de leveringsakte de juiste persoon als eigenaar van het betreffende net aanmerkt? Op welke wijze is de bescherming van derden geregeld met betrekking tot onjuistheden in de registers? Is het voor de bescherming van derden van belang of de eigendom van een net wordt ingeschreven in de openbare registers in het kader van een overdracht van het net (artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel a BW) dan wel in het kader van een in artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW bedoelde «aanleg van een net». Zo ja, welke verschillende gevolgen in rechtsbescherming van derden worden aan inschrijving in de openbare registers van de eigendom van een net dan verbonden aan inschrijving in het kader van overdracht dan wel inschrijving in het kader van de «aanleg van een net»? Bij de beantwoording van deze vraag wordt de regering uitdrukkelijk verzocht de gevolgen van de voorgestelde artikelen 36 lid 4 Kadasterwet en 78 leden 1, 3 en 4 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek voor de derdebescherming te betrekken. In het bijzonder wensen deze leden te vernemen of de toepassing van artikel 78 lid 3 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek tot gevolg heeft dat derden zich niet langer rechtens kunnen verzetten tegen een onjuist feit (eigendom net) dat is ingeschreven binnen de in dit artikel bedoelde periode van 3 jaren.

In de toelichting benadrukt de regering het belang van inschrijving van de eigendom van netten in verband met de rechtszekerheid («kenbaarheid van de rechtstoestand»). Teneinde inschrijving voor aangelegde netten mogelijk te maken wordt voorgesteld artikel 17 lid 1 BW met een onderdeel k aan te vullen. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot inschrijving van een aangelegd (of verwijderd) net. Een verplichting tot inschrijving bevat dit artikel evenwel niet. Slechts voor een rechtsgeldige overdracht is registratie van het eigendomsrecht op het net door inschrijving van een notariële leveringsakte noodzakelijk. Waarom is er, omwille van de rechtszekerheid niet voor gekozen registratie van netten in de openbare registers verplicht te stellen binnen een redelijke termijn? Dit is in het bijzonder voor belang voor de netten die zijn aangelegd voor 1950. Immers, voor deze netten zullen op grond van het voorgestelde overgangsrecht de regelingen inzake derdebescherming, zoals neergelegd in de artikelen 3:24 BW en 3:26 BW, in het geheel niet gelden. Bij gebreke van de toepasselijkheid van deze derdebescherming bestaat er voor deze netten in het geheel geen belang tot inschrijving over te gaan. Graag een toelichting van de regering.

Artikel IIa, onderdeel B (5:20 BW)

In het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW wordt gesproken over een «net». In de toelichting op dit wetsartikel wordt aangegeven, dat het «net» moet worden beschouwd als een feitelijke en functionele eenheid. Betekent dit, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat een «net» in de zin van dit artikel moet worden beschouwd als één (zelfstandige) zaak? Of kan een net in de zin van dit artikel voor de toepassing van het vermogensrecht, meer in het bijzonder het zakenrecht, ook meerderde, van elkaar te onderscheiden netten (en daarmee zaken) omvatten? Hoe verhoudt de in het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde begrip «net» zich tot artikel 5:3 BW? Moet het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW worden gezien als een nadere uitwerking van artikel 5:3 BW? Zijn individuele leidingen en kabels, waaruit het net bestaat, te beschouwen als in artikel 3:4 BW bedoelde bestanddelen? Welke toegevoegde waarde heeft het opnemen in artikel 5:20 lid 2 BW van de term «net» boven een enkele verwijzing naar een samenstel van «een of meer kabels of leidingen»? Waarom wordt overigens in dit artikel gesproken over «leidingen en kabels» in plaats van de voor het BW meer gebruikelijke term «leidingen»? Zie in dit verband bijvoorbeeld artikel 6:174 lid 2 BW, waar slechts wordt gesproken over «leidingen». In hoeverre is artikel 5:20 lid 2 BW afgestemd op de in artikel 6:174 lid 2 BW opgenomen regeling over aansprakelijkheid van leidingnetbeheerders? Wat is het (juridisch relevante) onderscheid tussen de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «leidingen» en «kabels»? Een net bestaat veelal niet alleen uit «kabels en leidingen» maar ook uit daarmee verbonden hulpmiddelen. In dit verband kan worden gedacht aan een pompstation bij rioleringen en waterleidingnetten en een transformatorhuis bij elektriciteitsnetten. Is de voorgestelde tekst van artikel 5:20 lid 2 BW niet te beperkt geformuleerd? Wie of wat bepaalt de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «bestemming» van een net? Hoe wordt deze bestemming van leidingen en hulpmiddelen voor derden kenbaar? Leidingen en kabels die niet zijn «bestemd» voor transport, waarbij kan worden gedacht aan leidingen voor opslag van gassen, mantelbuizen en rioleringen waarin andere kabels worden gelegd, bijvoorbeeld glasvezelkabels, kunnen op grond van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW als gevolg van het ontbreken van een bestemming tot transport van goederen, signalen of energie, niet worden aangemerkt als een net. De regeling van artikel 5:20 lid 2 BW neemt als uitgangspunt dat de verticale natrekking van een net naar de grond moet worden«doorgeknipt», omdat het net moet worden beschouwd als een feitelijke en functionele eenheid. Dit argument lijkt ook van toepassing op de hierboven bedoelde leidingen voor opslag, mantelbuizen en buizen die inmiddels niet langer een transportbestemming, maar een andere nuttige bestemming hebben gekregen. De leden van de CDA-fractie vinden een bevestiging van hun standpunt in het voorgestelde artikel 5:18 Telecommunicatiewet, dat artikel 5:20 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing verklaart op mantelbuizen. Waarom is er niet voor gekozen om alle leidingen die een feitelijke en functionele eenheid vormen, zoals mantelbuizen, onder de werking van artikel 5:20 lid 2 BW te brengen? Uit artikel 5:20 lid 2 BW volgt dat dit artikel alleen geldt voor leidingen en kabels die zijn bestemd voor transport van goederen, signalen en energie. Uit de toelichting op dit artikel volgt dat de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde bestemming niet verloren gaat als de leidingen en kabels tijdelijk niet voor transport van goederen, signalen en energie worden gebruikt. Dit roept de vraag op of de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde bestemming wel verloren gaat als de leidingen en kabels niet langer bestemd zijn voor transport. Hierbij kan worden gedacht aan een door de eigenaar buiten gebruik gesteld net. Leidt verlies van bestemming tot transport voor het net ook tot verlies van eigendom van dit net voor de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde«bevoegde aanlegger» dan wel zijn rechtsopvolger(s)? Herleeft bij verlies van de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde bestemming tot transport de in artikel 5:20 lid 1 BW tot uitdrukking gebrachte eigendomsregel (verticale natrekking)? Zo ja, is dit een door de regering beoogde uitkomst? Zo nee, hoe blijkt dit dan uit de tekst van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW? Waarom is in dit geval niet uitdrukkelijker, bijvoorbeeld naar analogie van de in artikel 8:1 lid 1 BW opgenomen definitie van «schip», in de tekst van artikel 5:20 lid 2 BW tot uitdrukking gebracht dat ook een net dat zijn bestemming tot transport verliest in eigendom blijft van de «bevoegde aanlegger» dan wel zijn rechtsopvolger(s)? In de toelichting op artikel 5:20 lid 2 BW wordt aangegeven, dat een net dat is aangelegd op, in of boven een gebouw of werk geen bestanddeel is van dit gebouw of werk, maar in eigendom toekomt aan de in artikel 5:20 lid 2 BW bedoelde «bevoegde aanlegger» of diens rechtsopvolger(s). In de tekst van artikel 5:20 lid 2 BW wordt slechts gesproken over een net aangelegd, in, op of boven de grond van een ander. Hoe verhoudt de wetstekst van artikel 5:20 lid 2 BW, waarin slechts wordt gesproken over de grond, zich tot de toelichting op dit artikel, waarin wordt gesproken over «gebouwen en werken»? Is hier sprake van een in artikel 5:20 (lid 1) BW bedoelde indirecte vereniging van het net met de grond? Zo ja, hoe wordt dit in de wetstekst tot uitdrukking gebracht? Deze leden constateren dat een deel van een net gelegen in een gebouw of werk van een ander op grond van artikel 5:20 lid 2 BW in eigendom toekomt aan de in dit artikel bedoelde «bevoegde aanlegger» of diens rechtsopvolger(s). De leden van de CDA-fractie kunnen zich met dit in artikel 5:20 lid 2 BW neergelegde uitgangspunt niet verenigen. Tot een net behorende delen, zoals leidingen die zich bevinden in een gebouw of werk van een ander dan de aanlegger van het net, moeten in beginsel toekomen aan de eigenaar van het gebouw of werk. Eigendom van tot een net behorende delen in een werk of gebouw moet naar het oordeel van deze leden slechts mogelijk zijn op grond van een daartoe strekkend zakelijk recht van opstal dat door de eigenaar van het gebouw of werk is verleend aan de bevoegde aanlegger of diens rechtsopvolger(s). Is de regering bereid artikel 5:20 lid 2 BW op dit punt aan te passen? Moet uit artikel 5:20 lid 2 BW worden afgeleid dat leidingen die zich bevinden boven de grond van een perceel krachtens het (huidige) artikel 5:20 BW als gevolg van verticale natrekking eigendom zijn van de grondeigenaar, zelfs indien deze leidingen op geen enkele wijze, direct of indirect door een mast of andere constructie zijn verbonden met de grond van de betreffende eigenaar? Uit artikel 5:20 lid 2 BW volgt dat de eigendom van een net komt te berusten bij de «bevoegde aanlegger». Waarom is in artikel 5:20 lid 2 BW het vereiste van «bevoegdheid» opgenomen? Krijgt een persoon die een net aanlegt in de grond van een ander, zonder dat hij daartoe gerechtigd («bevoegd» in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW) was de eigendom van het door hem aangelegde en eventueel door hem betaalde net? Er kunnen zich situaties voordoen waarbij de rechtstitel die een persoon bevoegd maakt tot aanleg van een net in de grond van een ander achteraf gezien (met terugwerkende kracht) vervalt. In dit verband kan worden gedacht aan een door een bestuursorgaan verleende concessie die na enkele jaren in beroep bij de bestuursrechter wordt vernietigd. Een meer aan het privaatrecht ontleent voorbeeld is een tussen partijen gesloten (obligatoire) overeenkomst die wegens strijd met de wet met terugwerkende kracht door de rechter wordt vernietigd. Ten tijde van het aanleggen van het net is deze persoon, de aanlegger van het net, gerechtigd tot aanleg van het net en daarmee een «bevoegde aanlegger» in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW. Achteraf gezien, in het hierboven gegeven voorbeeld bij vernietiging van de concessie of de overeenkomst door de rechter, is de persoon die het net in de grond van een ander heeft aangelegd nimmer gerechtigd geweest tot aanleg van het net en daarmee geen «bevoegde aanlegger» als bedoeld in artikel 5:20 lid 2 BW. In dat geval heeft bij de aanlegger van het begin af aan, achteraf gezien, de bevoegdheid ontbroken tot aanleg van het net in de grond van derden over te gaan. Heeft dit tot gevolg dat de in artikel 5:20 lid 2 BW opgenomen regeling omtrent eigendom van netten niet op deze persoon («onbevoegde aanlegger») van toepassing is? Krijgt dan de grondeigenaar in dat geval de eigendom van het in zijn grond aangelegde netwerk (met toepassing van artikel 5:20 lid 1 BW)? In de toelichting wordt aangegeven dat de in artikel 5:20 lid 2 BW opgenomen vereiste van«bevoegdheid» met zich meebrengt, dat hij in bepaalde gevallen voor de aanleg van het net (tevens) toestemming moet hebben van eventuele personen met een zakelijk recht op de betreffende zaak (gebouw, werk, grond), zoals de houder van een hypotheek. Kan de regering nader duiden in welke gevallen de aanlegger ook toestemming van de eigenaren van beperkte rechten, zoals een hypotheekhouder, moet vragen, teneinde te kunnen beschikken over de vereiste «bevoegdheid» tot aanleg van het net? In een aantal gevallen komt het voor dat de eigenaar van de grond en/of gebouw waarop een hypotheek is gevestigd op grond van de hypotheekvoorwaarden de hypotheekgever, zijnde een persoon met een zakelijk recht, om toestemming moet vragen, vooraleer hij toestemming mag geven tot het laten uitvoeren van werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de waarde van het tot zekerheid strekkende onderpand (gebouw en/of grond). Moet de aanlegger in dit geval de hypotheekhouder (ook) toestemming vragen voor het aanleggen van het net, teneinde te voldoen aan het in artikel 5:20 lid 2 BW opgenomen vereiste van«bevoegdheid»? Ook een nog aan te leggen net valt blijkens de tekst van artikel 5:20 lid 2 BW («wordt aangelegd») en de daarop door de regering gegeven toelichting onder de reikwijdte van artikel 5:20 lid 2 BW. Is de in artikel 5:20 lid 2 BW opgenomen zinsnede «wordt aangelegd» niet overbodig? Immers, delen van een net die worden aangelegd zijn «bestemd» voor transport van goederen, signalen en energie. Vanuit dit oogpunt gezien kan naar de mening van de leden van de CDA-fractie worden gesteld dat sprake is van delen van een aangelegd net. Kan de regering de betekenis van de in artikel 5:20 lid 2 BW op te nemen zinsnede «wordt aangelegd» verduidelijken? Wanneer is sprake van «aanleg» van een net in de zin ex artikel 5:20 lid 2 BW? Op grond van artikel 5:20 lid 2 BW krijgt een bevoegde aanlegger dan wel zijn rechtsopvolger(s) de eigendom van het net. Hoe verhoudt deze bepaling zich tot de in artikel 3:99 BW neergelegde regeling inzake verkrijgende verjaring? Kan een grondeigenaar door verjaring eigendom krijgen van een net dat is gelegen in, op of boven zijn grond? Kan de persoon die zich opstelt als bezitter van een net gelegen in, op of boven zijn grond door verjaring de eigendom van dit net verkrijgen? Hierbij valt te denken aan een (deel van een) net dat uitsluitend ten behoeve van een bepaald bedrijf is aangelegd en dit net alleen ten behoeve van dit bedrijf wordt gebruikt voor het zenden van signalen of het transporteren van door dit bedrijf opgewekte elektriciteit naar andere tot hetzelfde bedrijf behorende gebouwen op het terrein. Indien een persoon door verjaring eigendom van een net kan krijgen doet zich in het licht van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW de vraag voor of de verjaringstermijn pas gaat lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van artikel 5:20 lid 2 BW dan wel deze periode reeds is aangevangen voor invoering van artikel 5:20 lid 2 BW? Welk overgangsregime terzake verjaring is van toepassing?

Artikel IIb (artikel 36 Kadasterwet)

Wat wordt in de context van het voorgestelde artikel 36 lid 4 Kadasterwet bedoeld met «inschrijving van de aanleg van een net», zo vragen de leden van de CDA-fractie? Is dit artikel alleen van toepassing op netten die voor invoering van dit artikel (en artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel k BW) niet konden worden ingeschreven in de openbare registers? Staat dit artikel ook toe dat een eigenaar van een net een net inschrijft dat aan hem is overgedragen en dus reeds op de voet van artikel 3:17 lid 1 aanhef en onderdeel a BW (gelezen in samenhang met artikel 3:89 BW) kon worden ingeschreven?

Artikel IIc, onderdeel A (artikel 78 Overgangswet nieuw BW)

Een net wordt in de loop der tijd uitgebreid en onderdelen daarvan vervangen, zo stellen de leden van de CDA-fractie. Tegen deze achtergrond bezien doet zich de vraag voor, wanneer nog sprake is van in dit artikel bedoeld net dat is aangelegd voor 1 januari 1950? Is dit artikel alleen van toepassing op die delen van het net die feitelijk zijn aangelegd voor 1 januari 1950? Of is dit artikel ook van toepassing op delen van het net die feitelijk zijn aangelegd (in de betekenis van gemaakt) voor 1 januari 1950? Is dit artikel ook van toepassing op uitbreidingen van het voor 1 januari 1950 feitelijk aangelegde net die zijn gerealiseerd na de datum van 1 januari 1950? Zijn er overigens nog netten aangelegd voor 1950 die sindsdien niet zijn overgedragen aan anderen? Bij overdracht is immers voor een rechtsgeldige levering van het net inschrijving van een daartoe strekkende notariële leveringsakte verplicht? Deze leden zouden dan ook graag inzicht krijgen in het aantal en de omvang van de netten dat (nog) valt onder de reikwijdte van deze regeling?

Artikel IIIc, onderdeel B (artikel 155 Overgangswet nieuw BW)

In artikel 69 aanhef en onderdeel a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat inwerkingtreding van nieuwe bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, zoals het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW, niet leidt tot verlies van vermogensrechten die een persoon had onder het voorheen geldende recht. Dit artikel raakt aan een wezenlijk onderdeel van de bescherming van eigendom. Het artikel heeft tot doel te voorkomen dat een persoon door wijziging van het Burgerlijk Wetboek (onder andere) hem voordien toekomende eigendomsrechten op een zaak, zoals de eigendom van een net of een beperkt recht, zoals hypotheek, verliest en daarmee de facto en de jure wordt onteigend. Op grond van het huidige artikel 5:20 BW is de eigenaar van de grond in beginsel tevens eigenaar van de in, op of boven zijn grond aangelegde netten. Dit is slechts anders als een in zijn grond gelegen net moet worden beschouwd als een bestanddeel van een net dat voor het overgrote deel is gelegen in de grond van een ander. Zie het huidige artikel 5:20 aanhef en onderdeel e BW. Daarnaast is het mogelijk dat bij bijzondere wet uitdrukkelijk is voorzien in afwijking van het huidige artikel 5:20 BW door een specifieke regeling van de eigendom van het in de bijzondere wet omschreven net. Een dergelijke bijzondere regeling is opgenomen in de Telecommunicatiewet. Zoals ook door de regering erkent in de toelichting op de voorgestelde eigendomsregeling voor netten kunnen zich gevallen voordoen waarbij een net gelegen in de grond van een derde krachtens het huidige artikel 5:20 BW (verticale natrekking) in eigendom toebehoort aan deze grondeigenaar, zo stellen de leden van de CDA-fractie. De enkele inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW zal ten gevolge van de toepassing van artikel 69 aanhef en onderdeel a Overgangswet nieuw BW voor deze grondeigenaar niet leiden tot verlies van de eigendom van het in grond neergelegde net. Met het voorgestelde artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek wordt artikel 69 aanhef en onderdeel a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek m.b.t. de eigendom van netten buiten werking gesteld. Het gevolg van deze regeling is dat de grondeigenaar die thans krachtens het huidige artikel 5:20 BW op grond van verticale natrekking eigenaar is van het in zijn grond gelegen net de eigendom van het in zijn grond gelegen net verliest. Daarmee leidt artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek gelezen in samenhang met het nieuwe artikel 5:20 lid 2 BW tot onteigening van de grondeigenaar van een vermogensrecht, namelijk het in zijn grond gelegen net. Het wetsvoorstel voorziet evenwel niet in een vooraf vastgestelde door de Staat te betalen schadevergoeding. Daardoor is het voorgestelde artikel 5:20 lid 2BW gelezen in samenhang met artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek naar het oordeel van deze leden rechtstreeks in strijd met artikel 14 van de Grondwet en artikel 1 van het Protocol bij het EVRM. De eerder ten tijde van de behandeling van de zogeheten implementatiewet (kamerstukken 29 372) door de regering betrokken stelling dat de netten voor de grondeigenaar geen waarde vertegenwoordigen en daardoor niet kunnen worden aangemerkt als een vermogensbestanddeel waarvoor bij onteigening een schadevergoeding moet worden betaald kan door de leden van de CDA-fractie niet worden aanvaard. In een groot aantal gevallen zal een grondeigenaar bij het in, op of boven zijn grond gelegen net geen belang hebben. Het betreffende net is hem in die gevallen eerder tot hinder dan van waarde. In deze gevallen kan worden beargumenteerd dat de grondeigenaar geen belang heeft bij de eigendom van het net en dus geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding. Echter, er zijn ook een aantal situaties waarbij de eigenaar een in de grond gelegen net gebruikt voor transport ten behoeve van door hemzelf geproduceerde goederen, signalen of energie naar andere op hetzelfde terrein gelegen hem toebehorende gebouwen. In dit verband kan worden gedacht aan een industrieel bedrijf op wiens terrein zich een waterleidingnet bevindt. Het bedrijf gebruikt dit waterleidingnet voor het transport van door hemzelf aan het grondwater onttrokken leidingwater naar de overige gebouwen en installaties op hetzelfde terrein waar het door het bedrijf geproduceerde water vervolgens wordt gebruikt. In deze gevallen vertegenwoordigt het in de grond gelegen net voor het bedrijf, zijnde eigenaar van de grond en daarmee van het net, wel degelijk een vermogenswaarde. Het onttrekken van de eigendom van netten aan dergelijke bedrijven en personen die van het in hun grond gelegen net gebruik maken voor transport van goederen, signalen of energie moet zonder meer worden gekwalificeerd als een met artikel 14 Grondwet en het EVRM strijdige vorm van onteigening van eigendom! Een dergelijke uitkomst is, zoals reeds ten tijde van de behandeling van de zogeheten implementatiewet aangegeven volstrekt onaanvaardbaar. Een zelfde problematiek doet zich voor ten aanzien van zekerheidsrechten. Een zakelijk recht van hypotheek strekt zich blijkens artikel 3:227 lid 2 BW uit over al hetgeen de zaak omvat. Dit artikel toegepast op netten brengt met zich mee dat het zakelijk recht van hypotheek dat is gevestigd op de grond zich mede uitstrekt over alle met deze grond duurzaam verbonden gebouwen en werken, waaronder de in, op of boven de grond gelegen netten. Bij inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 5:20 lid 2 BW gelezen in onderlinge samenhang met artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zal het net voor de toepassing van het vermogensrecht moeten worden beschouwd als een van de grond en daarmee duurzaam verenigde gebouwen en werken (zelfstandige) zaak. Het net wordt dus rechtens aan het object («de zaak») waarop het hypotheekrecht rust onttrokken. Daarmee wordt de waarde van het beperkte recht van hypotheek, zijnde een vermogensrecht, uitgehold. De bij nota van wijziging voorgestelde overgangsregeling inzake eigendom van netten leidt er derhalve toe dat inbreuk wordt gemaakt op het zakelijke recht van hypotheek. Aangezien het zakelijke recht van hypotheek een vermogensbestanddeel betreft leidt toepassing van de artikelen 5:20 lid 2 BW gelegen in samenhang met artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ook in dit geval tot onteigening. Het voorgestelde artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek resulteert in een ernstige schending van eigendomsrechten. Dit is voor de leden van de CDA-fractie onacceptabel. De regering wordt dan ook met klem verzocht artikel 155 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek te laten vervallen. Het uiteindelijke oordeel van deze leden zal in belangrijke mate worden bepaald door de opstelling van de regering over dit voor de CDA-fractie zwaar wegende punt. Deze leden zien de reactie van de regering ten aanzien van deze kwestie met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Hofstra

De adjunct-griffier van de commissie,

De Veth


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Slob (CU), Van As (LPF), Van den Brink (LPF), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Jungbluth (GL) en Irrgang (SP).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Duyvendak (GL), Joldersma (CDA), Van Egerschot (VVD), Van der Vlies (SGP), Varela (LPF), Hermans (LPF), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Vacature (algemeen), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Van Dijk (CDA), Van Gent (GL) en Gerkens (SP).