nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 september 2004
Op 8 september 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State uitspraak gedaan in twee beroepszaken betreffende legalisatie
en verificatie (zaaknummers 200304168/1 en 200303055/1, bijgevoegd).1
In deze uitspraak is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat legalisatie
noch verificatie aan te merken is als een besluit als bedoeld in artikel 1:3,
eerste lid Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.
De Afdeling wijst er voorts op dat in de internationale rechtspraktijk
onder legalisatie van buitenlandse openbare akten uitsluitend wordt verstaan
de formaliteit waarbij een bevestigende verklaring wordt afgegeven omtrent
de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van
het document heeft gehandeld en, in het voorkomende geval, de identiteit van
het zegel of het stempel op het document. Legalisatie kan dan ook slechts
strekken tot bevestiging van de formele echtheid van een document, niet tot
het bieden van uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud ervan.
De Afdeling is van oordeel dat een Nederlandse gebruikende uitvoeringsinstantie,
in geval van twijfel over de inhoud van een document, aan de Nederlandse vertegenwoordiging
in het land van herkomst van het document kan verzoeken de daarin vermelde
feiten te doen verifiëren.
Aan de hand van de uitkomsten van dat verificatieonderzoek kunnen de gebruikende
instanties dan beoordelen of het document als bewijsstuk kan dienen voor het
door de houder beoogde doel.
De uitspraak is vooral van betekenis voor het legalisatie- en verificatiebeleid
dat sinds 1996 wordt gevoerd met betrekking tot brondocumenten afkomstig uit
de Dominicaanse Republiek, Ghana, India, Nigeria en Pakistan. In dat jaar
is door de minister van Buitenlandse Zaken een aanwijzing vastgesteld waarmee
bij wijze van proef bovengenoemde landen als probleemlanden (Staatscourant
49, 1996) werden aangewezen. De ervaring had namelijk geleerd dat onder meer
uit deze landen veel documenten werden aangeboden die vals of
vervalst bleken of waarover twijfel bestond omtrent de juistheid van de inhoud.
Door de Aanwijzing is vastgelegd dat de inhoud van brondocumenten uit deze
landen in alle gevallen ook geverifieerd dient te worden alvorens de Nederlandse
Vertegenwoordiging tot legalisatie van die brondocumenten kan overgaan. Sinds
1996 is dit dan ook de praktijk in de probleemlanden.
De consequentie van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State is nu dat het legaliseren van brondocumenten niet meer afhankelijk
mag worden gesteld van de uitkomst van het verificatieonderzoek. Legalisatie
zal derhalve, enkel en alleen, plaats moeten vinden op basis van een oordeel
over de formele echtheid van een document.
Ik heb mij derhalve genoodzaakt gezien het legalisatie- en verificatiebeleid
te herzien:
1. De officiële mededeling «Aanwijzing probleemlanden»
d.d. 7 maart 1996, het besluit «Identiteitsvaststelling bij afgifte
van een machtiging tot voorlopig verblijf door Nederlandse diplomatieke of
consulaire vertegenwoordigingen in probleemlanden» d.d. 13 juni
2001 en de daaraan gerelateerde besluiten – zoals het besluit «Beoordeling
van documenten uit Ghana, Nigeria, Pakistan, India en de Dominicaanse Republiek»
d.d. 30 augustus 2002 – worden in het licht van de uitspraak ingetrokken.
Een mededeling van die strekking zal op korte termijn worden gedaan in de
Staatscourant.
2. Alle Nederlandse diplomatieke en beroepsconsulaire posten zijn geïnstrueerd
bij legalisatie en verificatie te werk te gaan in overeenstemming met de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat wil zeggen
verzoeken tot legaliseren in behandeling te nemen zonder voorafgaande verificatie
van de inhoud.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak is gekomen in een periode
waarin het legalisatie- en verificatiebeleid met betrekking tot documenten
afkomstig uit de zgn. probleemlanden reeds voorwerp van discussie was.
De Advies Commissie Vreemdelingen Zaken (ACVZ) adviseerde reeds in haar
in 2003 verschenen rapport tot een andere opzet van het beleid ten aanzien
van de controle op buitenlandse documenten. De ACVZ stelde dat de beslissing
ten aanzien van het gebruik van een buitenlands document daar moest worden
neergelegd waar hij naar de mening van de ACVZ principieel gezien hoort, namelijk
bij de Nederlandse «gebruikende» instantie. De uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak schept duidelijkheid over dit punt en over andere
punten in deze discussie.
Hiernaast zijn vragen gerezen over de doelmatigheid van dit beleid, die
worden ingegeven door de toepassingspraktijk ervan op de diplomatieke en consulaire
posten. De bevindingen tot 8 september waren dat een grote inspanning
werd gedaan (qua menskracht, tijd, middelen en geld) om een bescheiden resultaat
te boeken. Het aantal vastgestelde gevallen van fraude bedraagt nl. slechts
een fractie van het oorspronkelijk aantal verzoeken tot legalisatie.
Dit laat onverlet mijn bereidheid om de Nederlandse uitvoeringsinstanties
zoveel mogelijk van dienst te zijn met verificaties van brondocumenten. Om
toch een dam op te werpen tegen de instroom in het Nederlandse rechtsverkeer
van valse of vervalste buitenlandse documenten, zal ik het bestaande interdepartementale
overleg over het legalisatie- en verificatiebeleid verzoeken zich te buigen
over spoedige mogelijkheden om, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, ideeën te ontwikkelen
om de noodzakelijke zekerheid te verschaffen over de inhoud van buitenlandse
brondocumenten. Mijn gedachten gaan daarbij uit naar algemene ambtsberichten
over de kwaliteit van de registers in een aantal risicolanden, in combinatie
met verificatieonderzoek van specifieke documenten op verzoek.
Uitgangspunten voor mijn departement in dit overleg zijn dat verificatieonderzoek
voortaan alleen wordt verricht op expliciet verzoek van een Nederlandse instantie
en dat een dergelijk onderzoek kostendekkend kan worden verricht.
Ik stel mij voor op een nader te bepalen tijdstip mede namens de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden, de Minister van Justitie,
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Vreemdelingenbeleid
en Integratie de Tweede Kamer een notitie te doen toekomen over het legalisatie-
en verificatiebeleid.
De Voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is ingelicht.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot