nr. 28
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 oktober 2006
Bijgaand zend ik u de tweede voortgangsrapportage van de Industriebrief1. De kabinetten Balkenende II en III hebben hart voor
de industrie laten zien. Industriebeleid is opnieuw op de agenda gezet. En
er is gewerkt aan de invulling en verankering van het moderne industriebeleid.
Hart voor de industrie
De industrie is cruciaal voor de groei van de Nederlandse economie. De
industrie (met name maak- en procesindustrie) is de motor achter de Nederlandse
export met een aandeel van ruim 70%. Ook is de industrie aanjager van
innovatie en biedt zij ongeveer 1 miljoen mensen werk, ook aan de onderkant
van de arbeidsmarkt. Tegenover iedere baan in de industrie staat een baan
in de dienstensector vanwege de verwevenheid. Daarmee speelt de industrie
een belangrijke rol in de huidige economische opleving. De investeringen groeien
(2006: 5¾%; 2007: 4¾%) en het producentenvertrouwen
staat op recordhoogte.
De Nederlandse industrie presteert internationaal prima. Een aantal sectoren
zit in de Europese top van productiviteitsgroei en exportprestaties. En veel
Nederlandse bedrijven zijn topspeler op (niche)markten. Voorbeelden zijn nanoelektronica
en gedistribueerde systemen, chemie, voeding/gezondheid en de creatieve industrie.
Bedrijven hebben veel kansen om hun sterke positie uit te bouwen. Zij spelen
hier op in via vernieuwing van producten en processen en via samenwerking
in de keten.
Resultaten industriebeleid steeds meer zichtbaar
Het moderne industriebeleid geeft bedrijven de ruimte. De aandacht richt
zich op verbetering van het ondernemingsklimaat, het stimuleren van innovatie
en waar nodig is er aandacht voor specifieke sectoren. Op al deze gebieden
is flinke voortgang geboekt. Ondernemers zullen in 2006 en 2007 verder de
vruchten gaan plukken van de aanpak van de druk van wet- en regelgeving.
Gemeenten maken werk van hun dienstverlening aan ondernemers. Het tarief van
de vennootschapsbelasting is verlaagd. En er zijn stappen gezet om de inzetbaarheid
van personeel te verbeteren via scholing en flexibilisering van de arbeidsmarkt.
De vernieuwde programmatische aanpak bij innovatie heeft tot veel dynamiek
in het veld geleid. Tientallen bedrijven, kennisinstellingen en andere spelers
bundelen hun krachten om sterktes uit te bouwen en zijn bereid ook zelf te
investeren. Dit zelforganiserende vermogen komt terug in de innovatieprogramma’s
(o.a. Point One, Food en Nutrition Delta, Water) en in de gebiedsgerichte
programma’s van Pieken in de Delta. We zien dit ook in de creatieve
industrie, waar steeds meer verbindingen tot stand komen met andere sectoren.
Voorbeelden zijn de regio Amsterdam (ICT/nieuwe media en de dienstensector)
en Eindhoven (design en de maakindustrie).
De extra investeringen in kennis en innovatie (2006: ruim € 800
miljoen) versterken de industriële structuur. Voorbeelden zijn het Holst
Center bij Eindhoven (high tech maakindustrie) en het WFCS+ in Wageningen
(voeding). Bovendien leiden de innovatievouchers en de innovatieprestatiecontracten
tot extra innovatie in het MKB.
Tenslotte is aandacht besteed aan specifieke sectoren en groepen van bedrijven.
Het kapitaalmarktpakket verbetert de financieringsmogelijkheden voor starters
en snelle groeiers. Ook heeft het kabinet zich ingezet om problematische verstoringen
in het gelijke speelveld van bedrijven aan te pakken, bijvoorbeeld via het
crashteam oneerlijke concurrentie en via specifieke regelingen voor de scheepsbouw
(borgstellingsregeling en innovatieregeling).
Betrokken overheid blijft nodig
Het industriebeleid werpt vruchten af, ook naar de mening van de sociale
partners. Dit betekent niet dat het beleid af is. Een aantal thema’s
blijft op de agenda staan, zoals regeldruk en innovatie. Bij de oplevende
conjunctuur dringen nieuwe accenten zich met voorrang aan, bijvoorbeeld het
tekort aan gekwalificeerd personeel en congestie, vragen om een betrokken
overheid. Het industriebeleid moet verder inspelen op nieuwe trends, zoals
de toenemende verwevenheid van industrie en diensten bij innovatie. Dit momentum
van industrie en industriebeleid dient daarom te worden vastgehouden. Een
overheid met hart voor de industrie blijft nodig om het groeivermogen van
de Nederlandse economie te versterken.
De Staatssecretaris van Economische Zaken
C. E. G. van Gennip