Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529822 nr. 3

29 822
Wijziging van de Wet op de jeugdzorg (herstel van enige onvolkomenheden)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Het wetsvoorstel strekt tot herstel van enkele onvolkomenheden in de Wet op de jeugdzorg (Stb. 2004, 306, verder te noemen: de wet), welke wet naar wij beogen op 1 januari 2005 (volledig) in werking zal treden. De hierna te bespreken voorstellen tot herstel beogen volledig recht te doen aan de bedoelingen die aan de desbetreffende te wijzigen bepalingen destijds ten grondslag hebben gelegen.

De onvolkomenheden betreffen primair artikel 77, onderdeel D, van de wet, voor zover daarbij in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een lid 1a wordt ingevoegd met de strekking te voorkomen dat de gezinsvoogdijen over de kinderen van hen die zich in een asielprocedure bevinden, van rechtswege overgaan van de desbetreffende gezinsvoogdij-instelling naar stichtingen die een bureau jeugdzorg in stand houden. Het gaat hier om de (voogdij- en) gezinsvoogdij-instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht, en om ongeveer 400 gezinsvoogdijen.

Lid 1a van artikel 254 Boek 1 BW – destijds voorgesteld in het amendement van het lid der Tweede Kamer Kalsbeek (Kamerstukken II 2002/03, 28 168, nr. 35) – zal dit effect evenwel niet kunnen hebben. Immers door de werking van artikel 102, tweede lid, van de wet zullen, indien deze bepaling ongewijzigd blijft, op het tijdstip dat de wet in werking treedt zonder enige uitzondering alle gezinsvoogdijen, dus ook die van Nidos, van rechtswege overgaan op de stichting. Artikel 254 lid 1a bewerkstelligt wel, dat de kinderrechter vanaf de inwerkingtreding van de wet de gezinsvoogdij over de in dat lid bedoelde minderjarigen, in plaats van aan een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt kan opdragen aan de in lid 1a bedoelde rechtspersoon, maar dan wel uitsluitend op verzoek van een in het tweede lid (in het onderhavige wetsvoorstel vernummerd tot vierde lid) van artikel 254 genoemde persoon of instantie. Ziet de bepaling van lid 1a van artikel 254 Boek 1 BW derhalve enerzijds slechts op situaties die zich na de inwerkingtreding van de wet kunnen voordoen, anderzijds is op grond van artikel 254 voor een terugkeer van de gezinsvoogdijen die van rechtswege zullen zijn overgegaan een verzoek aan de kinderrechter dus wel vereist. Voorgesteld wordt de van rechtswege overgang van de gezinsvoogdijen die Nidos op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet heeft, ongedaan te maken. Zie daarvoor artikel I, onderdeel X, onder 3, van het wetsvoorstel (artikel 102, tweede lid, nieuwe tweede volzin).

De omschrijving van de doelgroep die thans nog in artikel 254 lid 1a wordt genoemd, is in het wetsvoorstel afgestemd op die van artikel 302 Boek 1 BW. Zie daarvoor het tweede lid van artikel 254 Boek 1 BW (opgenomen in artikel I, onderdeel L, van het wetsvoorstel), hetwelk bedoeld lid 1a vervangt. Om reden van duidelijkheid is artikel 254 volledig uitgeschreven.

Het wetsvoorstel voorziet voorts in een wettelijke grondslag voor rechtstreekse subsidiëring van de gezinsvoogdijtaak van de in artikel 254, tweede lid (tot dusverre lid 1a), Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon (zie artikel I, onderdeel G), terwijl ten slotte nog enkele andere verbeteringen en aanvullingen worden voorgesteld, die alle hierna bij de artikelsgewijze bespreking aan de orde komen.

Artikelen

Artikel I

Onderdeel A

De voorgestelde wijziging voorkomt dat de bepaling van artikel 2 ook in alle uitvoeringsmaatregelen van de wet moet worden opgenomen.

Onderdeel B

Artikel 10, eerste lid, van de wet geeft taken aan die de stichting «met uitsluiting van anderen» (bij ondertoezichtstelling dus met uitsluiting van andere rechtspersonen), derhalve exclusief vervult. Naast de stichting oefent echter ook de in artikel 254, (nieuw) tweede lid, Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon, zoals deze bepaling volgens het wetsvoorstel luidt, gezinsvoogdijtaken uit. Evenals dit (door een verwijzing naar artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW) in onderdeel a van artikel 10, eerste lid, van de wet voor wat betreft de voogdijtaak is geschied, dient derhalve ook in onderdeel b, dat over de gezinsvoogdijtaak gaat, een beperking op bedoelde exclusiviteit te worden aangebracht. Vandaar de voorgestelde wijziging, in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet, van de zinsnede «met uitsluiting van anderen» in «met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek». Zie onder 2 van onderdeel B.

Aangezien het wetsvoorstel (in artikel I, onderdeel K) erin voorziet dat de in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon ook de voorlopige voogdij over bepaalde minderjarigen zal kunnen uitoefenen, wordt in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet alsnog ook een verwijzing naar (de taken bedoeld in) artikel 241 Boek 1 BW voorgesteld (zie daarvoor onder 1 van onderdeel B).

Onderdeel C

De voorgestelde wijziging betreft een tekstuele verbetering.

Onderdeel D

In het vierde en vijfde lid van artikel 7 zijn uitzonderingen opgenomen ten aanzien van het vereiste van dubbele toestemming bij de aanvraag van een indicatiebesluit. Het bureau jeugdzorg kan in bepaalde gevallen een besluit nemen terwijl niet aan het vereiste van de dubbele toestemming is voldaan.

Indien de cliënt deze zorg tot gelding wil brengen, is het noodzakelijk dat dezelfde uitzonderingen van toepassing zijn. De voorgestelde wijzigingen in artikel 24 strekken hiertoe.

Onderdeel E

Met de voorgestelde wijziging wordt de incongruentie met de tekst van artikel 36, vijfde lid, weggenomen.

Onderdeel F

Met het onderhavige onderdeel wordt een foutieve verwijzing hersteld.

Onderdeel G

Door in de eerste zin van het vierde lid van artikel 38 van de wet nu ook de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, Boek 1 BW te noemen kan, behalve aan de voogdij-instelling bedoeld in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW, ook aan de in artikel 254, tweede lid, Boek 1 BW bedoelde, door de Minister van Justitie aanvaarde gezinsvoogdij-instelling subsidie worden verstrekt.

In verband met de in artikel I, onderdeel K, van het wetsvoorstel voorgestelde wijziging van artikel 241 Boek 1 BW, dient die bepaling ook in de eerste volzin van artikel 38, vierde lid, van de wet te worden genoemd.

Het ligt in de bedoeling bij de opstelling van de in het vierde lid van artikel 38 van de wet bedoelde algemene maatregel van bestuur de regels aan te houden van het Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Stb. 1998, 30).

Onderdeel H

Het ligt voor de hand, dat de Inspectie jeugdzorg bij de uitoefening van het toezicht op de naleving van artikel 7 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers zich niet beperkt tot de minderjarige vreemdelingen die onder voogdij staan van de in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon. Voorgesteld wordt – in artikel 47, eerste lid, onder d, van de wet- die taak van de Inspectie uit te breiden met de minderjarigen die onder toezicht staan van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, nieuw tweede lid, Boek 1 BW.

Opgemerkt zij nog dat de Inspectie jeugdzorg voor het overige haar inspectiebevoegdheden jegens de rechtspersoon/voogdij-instelling en ook voor wat betreft andere plaatsingen door die rechtspersoon dan in COA-voorzieningen, ontleent aan artikel 38, vijfde lid, van de wet, welke bepaling door de in het wetsvoorstel vervatte wijziging van het vierde lid ervan (zie artikel I, onderdeel G), straks ook op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, nieuw tweede lid, Boek 1 BW betrekking zal hebben.

De schrapping van «en e», in het zesde lid van artikel 47, betreft de ongedaanmaking van een verwijzing naar een artikelonderdeel, dat in (lid 1 van) dat artikel niet voorkomt.

Onderdeel I

Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de wet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de hoogte van de ouderbijdrage, die naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de zorg verschillen.

Omdat er op dit moment geen behoefte is aan het maken van onderscheid naar de aard van de zorg is de bepaling facultatief gemaakt.

Onderdeel J

Door de voorgestelde wijziging wordt een komma verwijderd die abusievelijk is opgenomen.

Onderdeel K

Met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat de rechtspersoon die ingevolge artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW, de voogdij opgedragen krijgt over bepaalde minderjarigen ook met de in artikel 241 Boek 1 BW bedoelde voorlopige voogdij kan worden belast over diezelfde minderjarigen. Dit zijn in de eerste plaats minderjarigen door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijven. In het hierna te bespreken onderdeel N wordt voorgesteld om de bevoegdheid van de Minister van Justitie om categorieën andere minderjarigen aan te wijzen waarover de in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon eveneens tot voogd kan worden benoemd, niet meer te beperken tot minderjarige vreemdelingen. Het ligt voor de hand om in het nieuwe zevende lid van artikel 241 Boek 1 BW dezelfde formulering aan te houden. Daarmee wordt het uitgangspunt dat de voogdij zo veel mogelijk bij dezelfde rechtspersoon blijft berusten, gediend.

Onderdeel L

Onderdeel D van artikel 77 van de wet wordt ingrijpend gewijzigd. Om reden van inzichtelijkheid wordt artikel 254 Boek 1 BW geheel uitgeschreven.

Het bij amendement van het lid Kalsbeek in artikel 254 als lid 1a ingevoegde lid is als tweede lid opgenomen. Een aanduiding als «1a» is voor artikelleden immers niet gebruikelijk, terwijl blijkens het tweede onderdeel van het amendement waaraan die bepaling haar bestaan te danken heeft, de introductie van een tweede lid van artikel 254 kennelijk ook is bedoeld. De tekst van het slot van dit artikellid – (de minderjarige) «opdragen aan een door Onze Minister aanvaarde rechtspersoon») – is in overeenstemming gebracht met de redactie van het eerste lid van artikel 254, terwijl daarbij de wending «Onze Minister» nader is gepreciseerd.

De omschrijving van de categorie minderjarige vreemdelingen die onder toezicht kunnen worden gesteld van de door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon is, tenzij in verband met de aard van de ondertoezichtstelling verschil moet worden gemaakt, afgestemd op die welke voor de voogdij in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW wordt gebezigd. Voor zowel de ondertoezichtstelling als de voogdij geldt dat het een minderjarige vreemdeling betreft door of voor wie een asielaanvraag is gedaan en ook dat, zoals aangegeven in de toelichting op het amendement waaraan de bepaling haar bestaan te danken heeft, deze nog «in procedure is». Van dit laatste is geen sprake indien op de asielaanvraag onherroepelijk, in toewijzende of in afwijzende zin, reeds is beslist. Voor de ondertoezichtstelling geldt voorts dat de minderjarige in verband met de asielaanvraag in een COA-voorziening verblijft. Nu deze gezinnen zich met enige regelmaat verplaatsen naar een andere COA-voorziening is het gewenst dat een landelijk werkende instelling de gezinsvoogdij heeft over deze specifieke doelgroep.

Als de omstandigheden die aanleiding waren de gezinsvoogdij aan de rechtspersoon op te dragen zodanig veranderen dat de minderjarige buiten de doelgroep valt waarop de rechtspersoon zich kan richten, moet de minderjarige bij de verlenging van de ondertoezichtstelling, onder toezicht worden gesteld van de stichting in de provincie waar de minderjarige duurzaam verblijft. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het gezin naar een definitieve woning verhuist. De ondertoezichtstelling zal dan uitgevoerd dienen te worden door een stichting. Opgemerkt zij nog dat in zo'n geval de benoeming tot gezinsvoogdij-instelling niet van rechtswege vervalt (evenals de benoeming tot voogdij-instelling niet automatisch vervalt omdat de instelling niet meer aan een benoemingseis voldoet).

Op de regel dat vervolgens een stichting moet worden benoemd, wordt één uitzondering gemaakt, namelijk als het continueren van de bestaande situatie in het belang van het kind geboden is, bijvoorbeeld omdat tussen de minderjarige en personen in dienst van deze gezinsvoogdij-instelling zozeer een vertrouwensband bestaat, dat dit aspect in het belang van het welslagen van de ondertoezichtstelling dient te prevaleren. Aldus wordt een passend evenwicht gevonden tussen de hoofdregel – benoeming van een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt – en de in een gegeven situatie wellicht toch wenselijke voortzetting van het optreden van de meerbedoelde rechtspersoon. Zie voor een en ander de derde volzin van het vijfde lid van artikel 254.

De omschrijving van de categorie vreemdelingen in artikel 254, tweede lid, is ten slotte in overeenstemming met de doelgroep die Nidos in haar brief aan de Tweede Kamer van 16 juni 2003 ter adstructie van de wenselijkheid van wijziging van (toen nog) het wetsvoorstel Wet op de jeugdzorg heeft aangegeven: «In artikel 254 kan een lid worden opgenomen waarbij voor de gezinnen die een asielaanvraag hebben ingediend en die verblijven in de asielzoekersopvang de gezinsvoogdij wordt toegekend aan een daartoe door Onze Minister aanvaarde rechtspersoon».

Het voorgestelde derde lid van artikel 254 Boek 1 BW stemt overeen met hetgeen volgens de wet (artikel 77, onderdeel N) in artikel 302, derde lid, Boek 1 BW voor de aanvaarding als voogdij-instelling is bepaald.

Door de voorgestelde wijziging sluit het vierde lid (thans nog het tweede lid) tekstueel beter aan bij het nieuwe tweede en derde lid van artikel 254.

Het voorgestelde zesde lid geeft thans volledig aan welke bepalingen van titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op de hier bedoelde gezinsvoogdij van overeenkomstige toepassing zijn.

Indien met overeenkomstige toepassing van artikel 254, (nieuw) vijfde lid, Boek 1 BW vervanging aan de orde is van de in het tweede lid van artikel 254 bedoelde rechtspersoon door een stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt, komt voor benoeming uitsluitend in aanmerking de stichting in de provincie waar de desbetreffende minderjarige vreemdeling alsdan duurzaam verblijft. Deze stichting zal immers het beste met de plaatselijke omstandigheden op de hoogte zijn.

Onderdeel M

Met dit onderdeel wordt een foutieve verwijzing hersteld.

Onderdeel N

Voorgesteld wordt de mogelijkheid van de Minister van Justitie om categorieën minderjarigen aan te wijzen, te verruimen. De minister kan, indien de wenselijkheid daarvan blijkt, ook minderjarigen aanwijzen, die geen vreemdeling zijn. Hierbij wordt met name gedacht aan minderjarigen die onbegeleid op Schiphol aankomen of alleen op Schiphol worden achtergelaten, zoals het geval kan zijn bij kinderen die bij drugssmokkel worden gebruikt. Het gaat daarbij ook om minderjarigen waarvan het niet, althans veelal pas na geruime tijd, duidelijk is of zij ook vreemdeling zijn. De rechtspersoon die naar verwacht op de voet van artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW zal worden aanvaard, wordt reeds thans veelal met de (voorlopige) voogdij over zulke minderjarigen belast. Deze mogelijkheid wordt gecontinueerd.

De redactie van dit artikel is in overeenstemming met de omschrijving van de doelgroep voorlopige voogdij in artikel 241 (zie onderdeel K).

Onderdeel O

In dit onderdeel wordt ook de abusievelijk nog gehandhaafde verwijzing naar artikel 41f, tweede lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening, gewijzigd.

Onderdelen P en Q

Met deze onderdelen worden enige foutieve wijzigingsvoorstellen in de artikelen 27 en 63 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, verbeterd.

Onderdeel R

Het voorgestelde tweede lid van artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op de vrijwillige begeleiding die de gezinsvoogdij-instellingen thans bieden aan jeugdigen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. Hierbij gaat bijvoorbeeld het om vrijwillige begeleiding hangende de strafzitting en begeleiding tijdens en na de taakstraf. Deze taak van de stichting is bij de vierde nota van wijziging inzake het wetsvoorstel Wet op de jeugdzorg (28 186, nr. 29) abusievelijk uit het wetsvoorstel weggevallen. Dit wordt met het onderhavige voorstel hersteld. Er is voor gekozen om de omschrijving van de gevallen waarin de stichting voor vrijwillige begeleiding door de raad kan worden ingeschakeld, neer te leggen in een ministeriële regeling, omdat aan enige flexibiliteit in deze behoefte bestaat.

Onderdeel S

In artikel 83 van de wet wordt artikel 9, vierde lid, van de Algemene Bijstandswet gewijzigd. Die wet is echter met ingang van 1 januari 2004 vervallen. Artikel 83 dient in verband hiermee te vervallen. Op deze plek wordt thans een wijziging van de Gratiewet, die abusievelijk niet was opgenomen, voorgesteld.

Onderdelen T en U

Deze onderdelen strekken tot verbetering van een foutieve verwijzing.

Onderdeel V

De in artikel 93 opgenomen wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet was al eerder geëffectueerd. Zij kan dus vervallen.

Onderdelen W en Z

De regels die in de artikelen 99 en 105 van de Wet op de jeugdzorg zijn opgenomen voor stichtingen en zorgaanbieders moeten ook gelden voor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid en artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De voorgestelde wijzigingen strekken daartoe.

Onderdeel X

Met de voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 102 wordt bewerkstelligd, dat, telkens wanneer een voogdij-instelling (als bedoeld in artikel 1, onder i van de Wet op de jeugdhulpverlening) is te beschouwen als de onmiddellijke rechtsvoorganger van een stichting als in artikel 4, eerste lid, van de wet bedoeld, haar voogdijen en voorlopige voogdijen met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet automatisch bij die stichting berusten. Hiermee worden onnodige administratieve lasten voorkomen doordat niet meer voor elke minderjarige afzonderlijk behoeft te worden bepaald waar deze woonplaats heeft en bij welke stichting deze dus zal behoren. Voor rechtspersonen die straks niet als stichting zijn aan te merken, met name instellingen met een landelijk bereik, blijft de regel van overgang naar de stichting in de provincie waar de minderjarige woonplaats heeft ongewijzigd. De uitzondering op de regel van van rechtswege overgang ten aanzien van de in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW bedoelde rechtspersoon is om reden van duidelijkheid in een aparte volzin uitgeschreven.

Eenzelfde regeling wordt voorgesteld voor de taken van gezinsvoogdij-instellingen die straks door de stichting zullen worden uitgeoefend. In verband hiermee is het begin van het tweede lid aangepast. Zie daarvoor onder 2.

De onder 3 voorgestelde wijziging van artikel 102, tweede lid, van de wet kwam hiervoor onder «algemeen» reeds aan de orde. De nieuwe bepaling zondert van overgang van rechtswege op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet, van de gezinsvoogdijen naar bureaus jeugdzorg, uit alle gezinsvoogdijen die de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, (nieuw) tweede lid, Boek 1 BW op dat tijdstip uitoefende.

Onderdeel Y

Door de voorgestelde wijziging wordt een foutieve verwijzing hersteld.

Onderdeel AA

Gebleken is dat de ministeriële regeling die een afwijkende inhoud van de voortgangsrapportage mogelijk maakt, een jaar langer moet gelden dan thans in artikel 107, derde lid, is voorzien. Gedurende drie jaar moet het in de voortgangsrapportage nog gaan om gegevens die betrekking hebben op de uitvoering van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Onderdeel BB

Artikel 108 van de wet bevat een regeling die bewerkstelligt dat, indien de aanvaarding van de rechtspersoon bedoeld in artikel 302, tweede lid, Boek 1 BW eindigt, elke voogdij die was opgedragen aan deze rechtspersoon, met ingang het tijdstip van beëindiging van rechtswege overgaat op de stichting in de provincie waar de desbetreffende minderjarige alsdan duurzaam verblijft. Voorkomen wordt hiermee dat de rechter in zeer vele gevallen een nieuwe voogdijbeschikking zou moeten afgeven. Het ligt voor de hand de bepaling uit te breiden met de situatie waarin op enig moment aan de aanvaarding van de rechtspersoon/gezinsvoogdij-instelling, bedoeld in artikel 254, nieuw tweede lid, Boek 1 BW een einde zou komen. Aldus het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 108 van de wet.

Onderdeel CC

Onder 1

Artikel 112, derde lid, van de wet bepaalt voor de periode dat nog geen aanspraak bestaat op verblijf in een justitiële jeugdinrichting, dat een daartoe strekkend besluit van de stichting een voorwaarde is voor plaatsing in zo'n inrichting. Verzuimd was een basis te creëren voor crisisplaatsingen, waarvoor geldt dat een besluit niet kan worden afgewacht. Een dergelijke voorziening bestaat wel voor de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet en voor geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Door de voorgestelde toevoeging aan artikel 112, derde lid, van de wet wordt hierin voorzien.

Onder 2 en 3

De in artikel 112, vierde lid, vervatte tijdelijke tekst van artikel 5, tweede lid, onder d, van de wet, bevat een foutieve verwijzing. De bepaling doelt op justitiële jeugdinrichtingen, zoals deze zijn gedefinieerd in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Daarnaar wordt thans rechtstreeks verwezen. Ook de foutieve verwijzing in het zesde lid (naar het tijdstip bedoeld in het eerste lid) wordt gecorrigeerd, waarbij het zesde lid duidelijkheidshalve geheel is uitgeschreven.

Artikel II

Het is van belang dat de wet op 1 januari 2005 – het tijdstip dat wij voor de (volledige) inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg voor ogen hebben – in werking kan treden . Zou die datum niet kunnen worden gehaald, dan zouden de voorgestelde reparaties van de Wet op de jeugdzorg (met name die vermeld in artikel I onder X van het wetsvoorstel) hun effect missen. Teneinde tijdige inwerkingtreding zeker te stellen, is expliciet verwezen naar artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C. I. J. M. Ross-van Dorp