29 815
Jeugdzorg 2005–2008

nr. 145
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR JEUGD EN GEZIN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juni 2008

Op 1 april jl. heb ik u een brief gestuurd over de voortgang van de aanpak van de wachtlijsten in de provinciale jeugdzorg. In deze brief heb ik aangegeven dat ik met de provincies en grootstedelijke regio’s (in het vervolg: provincies) een aantal punten ben overeengekomen, die moeten leiden tot een verbetering van de prestaties van de zorg bij opvoed- en opgroeiproblemen. De provincies hebben in mei hun uitwerking van deze verbeterpunten (in de brief genoemd: Versnelling in Verbetering) naar mij toegestuurd. In deze brief informeer ik u over de voortgang van de verbeterpunten van de provincies, zoals ik in mijn brief van 1 april jl. (29 815, nr. 130) heb toegezegd.

Daarnaast informeer ik u in deze brief over de stand van zaken van de wachtlijst voor de provinciale jeugdzorg per 1 januari en 1 april 2008. Op uw verzoek (per brief van 3 april 2008) zal ik daarbij ook aangeven welke provincies wel en welke provincies geen vervangende zorg hebben geboden aan kinderen die in afwachting waren van geïndiceerde jeugdzorg. Tijdens het spoeddebat over de wachtlijsten jeugdzorg op 12 juni jl. heb ik toegezegd u te informeren over de wachtlijsten voor de AMK’s, jeugd-GGZ en jeugd-lvg. Hierover vindt u in deze brief ook nadere informatie.

Ten slotte informeer ik u in deze brief over de voortgang van de invoering van de nieuwe financiering voor de provinciale jeugdzorg, zoals ik u eerder tijdens Algemene Overleggen over de jeugdzorg (op 13 november 2007 en 14 februari 2008) heb toegezegd. De invoering van deze nieuwe financiering onderstreept immers het belang van het vormgeven én uitvoeren van de verbeterpunten en de aanpak van de wachtlijsten.

Stand van zaken wachtlijsten in de jeugdzorg

Wachtlijst voor provinciale jeugdzorg

In mijn brief van 1 april jl. heb ik u aangegeven dat ik op dat moment niet over de juiste gegevens beschikte wat betreft het aantal wachtenden in de jeugdzorg, als gevolg van de door de provincie gehanteerde definitie.

Heldere, correcte en zorgvuldige informatie over de wachtlijstcijfers en de betekenis daarvan, acht ik van groot belang. Daarom is de afgelopen periode intensief met de provincies overlegd over de definitie van de wachtlijstuitvraag, de verschillende onderdelen en de registratie hiervan en zijn afspraken gemaakt over de te hanteren uitvraag. Daarnaast heb ik met de provincies gesproken over hoe dit cijfer tot stand is gekomen en welk beleid is gevoerd.

Mij is gebleken dat provincies ondanks de wachtlijstproblematiek in staat zijn een urgentiebeleid te voeren: bij crisis is er altijd een oplossing, al kost dit vaak wel extra inzet van de medewerkers. Ook wordt bekeken welke jongere met voorrang een andere vorm van zorg moet krijgen tijdens de wachtperiode en indien nodig, krijgt de jongere ook die zorg.

Daarnaast hebben provincies mij aangegeven dat een jongere in beeld blijft bij het Bureau Jeugdzorg (BJZ), zowel degene die in de wachtperiode een andere vorm van hulp krijgt als degene die wacht zonder een vorm van provinciale jeugdzorg. Ook zijn er kinderen die binnen het gemeentelijk domein geholpen worden (bijvoorbeeld door het maatschappelijk werk) of die binnen hun eigen netwerk (buurt of familie) aandacht en opvang ontvangen. In enkele gevallen blijkt dat de zorg in de wachtperiode zodanig tot tevredenheid is van cliënt en hulpverlener, dat de indicatie kan worden bijgesteld en er geen zwaardere vorm van zorg nodig is.

Gezien het bovenstaande, vind ik het zeer gewenst om meer inzicht te krijgen in de aard en urgentie van de problematiek van de kinderen die op de wachtlijst staan. Daarnaast wil ik weten of de kinderen die geen zorg ontvangen tijdens de wachtperiode, ook daadwerkelijk zonder deze zorg kunnen, in relatie tot de aard en urgentie van hun problematiek. Een kind dat haar ouders heeft verloren en in afwachting van een geschikt pleeggezin door haar grootouders kan worden opgevangen, staat wel op de wachtlijst, maar heeft een andere problematiek dan een kind waarvan de situatie zonder overbruggingszorg dreigt te verslechteren.

Ik zal hier dan ook in de komende tijd nader onderzoek naar laten doen en u informeren over de uitkomsten.

Vergelijkbaarheid van de wachtlijstcijfers provinciale jeugdzorg met voorgaande cijfers

In mijn brief van 1 april jl. heb ik aangegeven dat er bij de provincies onhelderheid bestond over de te hanteren wachtlijst-definitie. Om deze reden wil ik nog ingaan op de vraag naar de vergelijkbaarheid met cijfers die ik in eerdere correspondentie heb gepresenteerd. In vergelijking met de cijfers van 2007 zijn de cijfers op twee onderdelen verhelderd.

Ten eerste is uitdrukkelijk gevraagd om te berichten over het aantal unieke cliënten op de wachtlijst. Een aantal provincies bleek bij de voorgaande aanlevering van de wachtlijstcijfers nog te rapporteren over zorgaanspraken, waardoor dubbeltellingen (kunnen) ontstaan.

Op de tweede plaats is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van zorg die wachtenden ontvangen tijdens de wachtperiode. Daarbij is gevraagd om zowel het aantal wachtenden dat tijdens de wachtperiode een vorm van geïndiceerde, provinciaal gefinancierde zorg ontvangt, als het aantal wachtenden dat tijdens de wachtperiode een vorm van NIET-geïndiceerde, provinciaal gefinancierde zorg ontvangt.

Omdat volgens de provincies slechts een klein aantal kinderen deze laatste categorie van overbruggingszorg ontvangt, kan de conclusie zijn dat het huidige wachtlijstcijfer te vergelijken is met de eerdere wachtlijstcijfers.

De statistische effecten die zijn opgetreden door bovengenoemde twee verhelderingen, zijn beperkt van omvang. De conclusie kan daarom zijn dat de daling die de cijfers laten zien, veroorzaakt wordt door een daadwerkelijke afname van het aantal kinderen op de wachtlijst.

Daarmee vertoont het beeld van het aantal wachtenden volgens de wachtlijstdefinitie vanaf oktober 2007 een dalende tendens. Dit aantal bedroeg in oktober 2007 circa 4000. In januari en april van dit jaar daalde het aantal naar respectievelijk 3851 en 3637. Dit wordt in de volgende paragraaf toegelicht.

Wachtlijstcijfers provinciale jeugdzorg 1 januari en 1 april 2008

In de onderstaande tabel geef ik de wachtlijstcijfers die de provincies mij hebben aangeleverd per 1 januari en 1 april 2008.

De tabel geeft het aantal wachtende cliënten aan volgens de definitie: aantal cliënten die langer dan 9 weken wachten op een vorm van geïndiceerde provinciale jeugdzorg en geen overbruggingszorg ontvangen. Zoals hierboven wordt toegelicht zijn de cijfers uit deze tabel vergelijkbaar met de eerdere wachtlijstcijfers van 2007.

Tabel 1: Stand van zaken wachtlijst provinciaal jeugdzorgaanbod per 1 januari en 1 april 2008

Provincie/gsrAantal wachtenden > 9 weken dat geen overbruggingszorg ontvangt
 1 januari 20081 april 2008
Groningen7388
Friesland9464
Drenthe74
Overijssel254243
Gelderland564526
Flevoland118135
Utrecht181187
Noord-Holland138117
Zuid-Holland584487
Zeeland203186
Noord-Brabant512542
Limburg14190
Amsterdam353347
Rotterdam318317
Haaglanden5630
Totaal Provincies3 5963 363
Hoenderloo/Harreveld16062
Leger des Heils50
SGJ6772
WSG123140
TOTAAL3 8513 637

Bron: provincies en grootstedelijke regio’s

1 De provincie Zuid-Holland is penvoerder van de Landelijk werkende instellingen Hoenderloo en Harreveld. Daarmee kunnen dus ook deze cijfers niet worden vermeld.

In tabel 2 vindt u het aantal cliënten dat wacht op een vorm van geïndiceerde provinciale jeugdzorg (bijvoorbeeld: Saskia wacht op een plaats in een residentiele voorziening) en tijdens de wachtperiode geïndiceerde of niet-geïndiceerde provinciaal gefinancierde jeugdzorg ontvangt, hierna te noemen: overbruggingszorg (bijvoorbeeld: Saskia krijgt ondertussen ambulante zorg thuis). Voor alle duidelijkheid: hierin worden niet meegenomen cliënten die in de wachtperiode andere zorg ontvangen dan door provincies wordt gefinancierd. Wachtenden die in de periode zorg ontvangen via een Persoonsgebonden Budget (PGB) of via een indicatie voor jeugd-GGZ of jeugd-LVG of cliënten die gemeentelijke zorg ontvangen, zijn dus niet inbegrepen. Deze tabel biedt inzicht in uw schriftelijke vraag van 3 april jl. welke provincies wel en welke provincies geen overbruggingszorg hebben geboden aan wachtende kinderen.

Tabel 2: Aantal ontvangers van overbruggingszorg provinciaal jeugdzorgaanbod per 1 januari en 1 april 2008

Provincie/gsrAantal ontvangers van overbruggingszorg
 1 januari 20081 april 2008
Groningen00
Friesland4037
Drenthe01
Overijssel196188
Gelderland798607
Flevoland158179
Utrecht11162
Noord-Holland8298
Zuid-HollandNBNB
Zeeland2829
Noord-Brabant488553
Limburg196194
Amsterdam133146
Rotterdam3448
Haaglanden8055
Totaal Provincies  
Hoenderloo/Harreveld1NBNB
Leger des Heils00
SGJ11590
WSG00
TOTAAL2 459*2 287*

* = exclusief NB

Bron: provincies en grootstedelijke regio’s

1 De provincie Zuid-Holland is penvoerder van de Landelijk werkende instellingen Hoenderloo en Harreveld. Daarmee kunnen dus ook deze cijfers niet worden vermeld.

De provincie Zuid-Holland blijkt niet in staat te zijn de cijfers voor overbruggingszorg aan te leveren. Dit in tegenstelling tot hetgeen met het IPO eerder is afgesproken. Ik zal de provincie Zuid-Holland erop aanspreken dat zij haar registratiesysteem aanpast, zodat zij deze gegevens kan leveren net als de andere 14 provincies.

De wachtlijst voor de provinciaal gefinancierde jeugdzorg daalt in 2008 van 3851 wachtenden volgens de wachtlijstdefinitie per 1 januari naar 3637 wachtenden per april. Dit betekent een daling van ruim 200 wachtenden.

Tijdens het spoeddebat op 12 juni 2008 heeft u mij naar de verklaringen gevraagd voor de groei van de wachtlijsten, na de uitvoering van het aanvalsplan eind 2006. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 20 juni 20071 heb ik u hierover geïnformeerd. De provincies hebben mij aangegeven dat als gevolg van het aanvalsplan de beschikbare capaciteit aan zorgaanbod eind 2006 en begin 2007 meer dan normaal is benut. De opnamecapaciteit was daardoor beperkt, waardoor de wachtlijst met name in de eerste maanden, maar ook daarna, opliep. Voorts gaf een aantal provincies aan dat door de hoge bezettingsgraad niet alleen de instroom, maar ook de uitstroom werd vertraagd. Doorstroom naar vervolgzorg kwam minder snel tot stand omdat die capaciteit eveneens vol was. Ook hierdoor konden minder nieuwe cliënten instromen. Op de instroom kwam bovendien extra druk, omdat verschillende kinderen die in het kader van het aanvalsplan vervangende zorg hebben ontvangen, opnieuw op de wachtlijst zijn gekomen, in afwachting van de eerst aangewezen zorg. Daarnaast was het aantal aanmeldingen in het eerste kwartaal van 2007 relatief groot. Deze analyse maakte duidelijk dat het aanvalsplan wachtlijsten 2006 heeft nagewerkt. Om dit effect op te vangen heb ik vorig jaar nog een bedrag van € 30 miljoen extra beschikbaar gesteld aan de provincies en grootstedelijke regio’s.

Wachtlijst bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s)

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal gezinnen die wachten op een onderzoek bij het AMK op 1 januari en 1 april 2008.

Tabel 3: Wachtlijst1 AMK per provincie op 1 januari en 1 april 2008

Provincie/gsr1 januari 20081 april 2008
Groningen8990
Friesland212
Drenthe00
Overijssel00
Gelderland314
Flevoland9722
Utrecht24
Noord-Holland3061
Zuid-Holland00
Zeeland90
Noord-Brabant2828
Limburg44
Amsterdam250
Rotterdam871
Haaglanden022
Totaal395248

Bron: provincies en grootstedelijke regio’s

1 Onder wachtlijst wordt verstaan: het aantal gezinnen waarbij niet binnen vijf dagen na de melding is vastgesteld of de melding in onderzoek genomen moet worden (artikel 54 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) en waarbij het onderzoek niet na die vijf dagen is gestart (definitie beleidsinformatie).

De wachtlijst AMK’s daalt hiermee in 2008 verder. Ter vergelijking: op 1 juli en 1 oktober 2007 bedroegen de wachtlijsten AMK’s respectievelijk 563 en 521. Het is vijf provincies gelukt om de wachtlijst bij het AMK per 1 april 2008 geheel weg te werken. De provincies Drenthe, Utrecht, Zuid-Holland, Zeeland en Amsterdam zijn wachtlijstvrij. De provincie Groningen heeft aangegeven, naar aanleiding van het oplopende aantal wachtenden, met BJZ te hebben afgesproken dat per 1 september 2008 de wachtlijst AMK weggewerkt is.

Wat betreft de doorlooptijden is de gemiddelde doorlooptijd van AMK van melding tot einde onderzoek in het eerste kwartaal van 2008 licht gestegen naar 87 dagen, ten opzichte van de 78 dagen in het laatste kwartaal 2007. De gemiddelde doorlooptijd melding tot aanvang onderzoek AMK is daarentegen licht gedaald tot 12 dagen, ten opzichte van de 14 dagen in het laatste kwartaal van 2007. In bijlage 11 worden in tabel 3 en 4 de doorlooptijden per provincie gepresenteerd.

Het totaal aantal adviezen, consulten en onderzoeken van de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling zijn toegenomen van 41 744 in 2006 tot 49 889 in 2007.

Wachttijden voor jeugd-geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz)

Maandag 16 juni jl. verscheen het rapport «Wachttijden 2007 in GGZ-instellingen» (zie bijlage 2)1 van brancheorganisatie GGZ-Nederland. De hoofdconclusie van het rapport is dat de wachttijden voor jeugd-ggz de afgelopen jaren in geringe mate afnemen, ondanks een zeer sterke productiestijging van de sector. Het percentage kinderen dat voor het hele zorgtraject langer dan de Treeknorm (de met veldpartijen afgesproken acceptabele wachttijden) wacht, bedroeg in 2005 45%, in 2006 41% en in 2007 is deze afgenomen tot 39%. Deze jeugdigen zijn niet binnen tien weken na aanmelding bij een zorgaanbieder in behandeling genomen.

Het aantal wachtende jeugdigen (wachtlijst) is gestegen met 4300 kinderen (23%) naar 22 900 op peildatum 1-1-2008. Dit is een totaal van alle wachtende jeugdigen. De toename van het aantal wachtenden is grotendeels toe te schrijven aan een evenredige stijging van het aantal ingeschreven cliënten met 26%. Dit wordt veroorzaakt door extra productie van de sector en door een verbeteringslag in de cliëntregistratie bij instellingen.

Om aan te sluiten bij andere sectoren in jeugdketen, kan ik een grove schatting van het aantal te lang wachtenden maken. De vermenigvuldiging van het aantal wachtenden op peildatum met de gemiddelde overschrijding van de Treeknorm (39%) over het jaar 2007: 0,39*22 900= ongeveer 8900 kinderen bij wie het op 1 januari 2008 langer dan tien weken na aanmelding duurde voordat zij in behandeling werden genomen.

De inzet van extra middelen heeft geleid tot een kleine daling van de wachttijden. De jeugd-ggz-sector heeft het afgelopen jaar daarbij ook te maken gekregen met een groei van 26% meer kinderen die ingeschreven zijn 2007 ten opzichte van 2006. Met de extra middelen voor de jeugd-ggz van vorig jaar zijn derhalve daadwerkelijk meer kinderen geholpen.

De ggz viel in het gerapporteerde jaar 2007 nog volledig onder de AWBZ. Per 1 januari 2008 valt de extramurale ggz en het eerste jaar intramurale ggz echter onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het merendeel van de jeugd-ggz komt daarmee ook onder de Zvw. Ik heb voor 2008 € 13 mln extra ter beschikking beschikking gesteld om meer jeugdigen te helpen in de ggz. Hiermee kunnen ongeveer 3700 kinderen behandeld worden. Onder de Zvw stemmen zorgverzekeraars en zorgaanbieders samen vraag en aanbod op elkaar af. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht. Dit betekent dat zij bij wet verplicht zijn om noodzakelijke zorg aan te bieden aan hun verzekerden.

Wachtlijst voor jeugd-licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-lvg)

De staatssecretaris van VWS heeft, mede namens mij, de Kamer op 9 januari 2008 voor het laatst geïnformeerd over de wachtlijsten in sectoren verpleging en verzorging en gehandicaptenzorg, waaronder de wachtlijst voor licht verstandelijk gehandicapten. Het ging om wachtlijstcijfers op 1 januari 2007. Meer recente cijfers zijn op dit moment nog niet beschikbaar. Momenteel loopt er, in opdracht van het ministerie van VWS, een onderzoek onder alle 32 zorgkantoren waarbij het beeld wordt geactualiseerd. Evenals vorig jaar zal de Kamer, naar verwachting in september, over deze wachtlijst worden geïnformeerd. Aanvullend heb ik vorig jaar als uitwerking van de motie-Van Geel € 13 miljoen beschikbaar gesteld voor de aanpak van de wachtlijst voor de jeugd-lvg. Deze middelen worden in 2008 en 2009 (jaarlijks € 6,5 miljoen) ingezet om de doorstroom van uitbehandelde jeugdigen vanuit een orthopedagogisch centrum te bevorderen.

Voortgang Versnelling in Verbetering binnen de provinciale jeugdzorg

De provincies hebben zich afgelopen maart gecommitteerd aan de verdere inzet om de afgesproken verbeterpunten om de wachtlijsten in de provinciale jeugdzorg verder aan te pakken. Dit heb ik u in mijn brief van 1 april jl. aangegeven. Om aan te geven hoe deze verbeterpunten in de betreffende provincies verder zijn en worden uitgewerkt, heb ik de provincies verzocht mij voor 15 mei jl. hun uitwerkingen toe te sturen.

Bij de uitwerking van de verbeterpunten geven de provincies nogmaals aan dat ze het van groot belang vinden hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de aanpak van de wachtlijsten verder uit te werken.

De verbeterpunten betreffen de volgende onderwerpen:

• Prestatie-afspraken met zorgaanbieders

• Weten wat er speelt

• Preventie en doorstroom

• Samenwerking Bureau Jeugdzorg en zorgaanbieders

• Inzet eigen middelen

• Aanleveren wachtlijstcijfers en definitie

Alle provincies zijn aan de slag gegaan om de verbeterpunten die zijn afgesproken uit te werken. Bij sommigen betreft dit het voortzetten van het reeds opgestarte beleid, bij anderen is een impuls gegeven aan de inzet op de afgesproken punten. Hieronder wordt per verbeterpunt een korte toelichting gegeven van de voortgang die de provincies mij hebben gerapporteerd. In bijlage 31 treft u ter illustratie een uitgewerkt overzicht aan van de initiatieven van de provincies per verbeterpunt.

Prestatie-afspraken

De provincies onderschrijven het belang van de prestatieafspraken met zorgaanbieders om de doelmatigheid van de jeugdzorgmiddelen te bevorderen. Een aantal provincies geeft hierbij aan het tijdpad en tussenliggende resultaten van de ontwikkeling van de prestatie-indicatoren – die door de MOgroep momenteel uitgewerkt worden – te volgen. Andere provincies lopen hierop vooruit door een eigen systematiek te hanteren, zoals bijvoorbeeld het Resultaat Gericht Meten waar Drenthe sinds 2007 mee werkt en ook recentelijk door Friesland als succesvol voorbeeld is overgenomen.

Alle provincies zijn bezig met het implementeren van prestatie-afspraken met zorgaanbieders. Overijssel is bezig met het voorbereiden van resultaatfinanciering op cliëntniveau per 1 januari 2009, waarover met zorgaanbieders afspraken worden gemaakt. Limburg heeft alle zorgaanbieders gevraagd naar de reële behandelduur om op basis daarvan prestatie-afspraken te maken met zorgaanbieders en Bureau Jeugdzorg.

Weten wat er speelt

Ook bij dit onderwerp geldt een algemeen brede erkenning van het belang van een goede en betrouwbare beleidsinformatie. Hoever provincies zijn met de verbetering hiervan, verschilt. Sommige provincies zijn in een onderzoeksfase naar verbeteropties, anderen experimenteren met of ontwikkelen nieuwe informatiesystemen. Hierover wordt ofwel advies ingewonnen bij partijen van buiten (Initi8) of het BJZ wordt bij ontwikkeling betrokken. Kortom: ook hier is een variëteit zichtbaar van initiatieven, visies en ontwikkelmomenten.

Het is goed om te constateren dat provincies met de komst van een nieuwe, op vraag gebaseerde financieringssystematiek, het belang van het op orde zijn van de beleids-informatie onderkennen en daaraan werken.

Preventie en doorstroom

Met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg in 2005 zijn provincies verplicht om afspraken te maken met gemeenten over de aansluiting tussen het preventieve gemeentelijke en het geïndiceerde provinciale jeugdzorgdomein. Provincies en gemeenten hebben daarom afspraken gemaakt over deze aansluiting. De ontwikkeling van de Centra voor Jeugd en Gezin betekent dat veel gemeenten en provincies aan de slag zijn met het herijken van deze afspraken.

Sommige provincies ondersteunen hierbij (financieel of met expertise) gemeenten en het veld bij de opzet en/of versterking van de gemeentelijke taken (waaronder lichte opvoedingsondersteuning), zoals Gelderland en Zeeland.

Afspraken met gemeenten en/of woningbouwcorporaties over voldoende beschikbaarheid van huisvesting voor jongeren worden ook gemaakt of opnieuw herijkt, zoals in Rotterdam, Zuid-Holland en Groningen gebeurt. In Overijssel stimuleert de provincie dat ook gemeenten de Eigen Kracht Conferentie als instrument inzetten voor de versterking van de basis en het preventieve domein.

Samenwerking BJZ en zorgaanbieders

De provincies zijn zich er van bewust dat ter voorbereiding op de nieuwe financiering provinciale jeugdzorg, een goede samenwerking tussen BJZ en zorgaanbieders essentieel is. De provincies zijn hierover in gesprek met beide partijen. In sommige provincies worden daarvoor nog verbeterslagen bij het BJZ gemaakt, zoals in Groningen.

Verdere inzet op de verbeterpunten

De provincies geven aan dat in hun Uitvoeringsprogramma’s voor 2009 (waar de meeste nu mee bezig zijn) deze verbeterpunten verder uitgewerkt en geconcretiseerd worden.

Ook werken de provincies aan hun meerjarige Beleidskaders 2009–2012 waarin voor een periode van 4 jaar de beleidsmatige kaders worden vastgesteld. Ook hierin zullen de verbeterpunten aan de orde komen.

Op dit moment ben ik bezig met het opstellen van het Landelijk Beleidskader (LBK) jeugdzorg voor de periode 2009–2012. De hierboven beschreven verbeterpunten maken onderdeel uit van het LBK. De provincies verwerken het LBK in hun provinciale beleidskaders en hun jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Deze plannen worden door mij getoetst.

Wat betreft kennis en informatie-uitwisseling, organiseert het IPO op 19 juni aanstaande een Studiedag Jeugdzorg, waarin provincies aan elkaar in 15 workshops succesvolle voorbeelden presenteren om de doelmatigheid en effectiviteit van de jeugdzorg te verbeteren.

Stand van zaken invoering nieuwe financiering provinciale jeugdzorg

De komst van de nieuwe financiering provinciale jeugdzorg in 2009 biedt provincies meer ruimte om te sturen op effectieve en doelmatige zorg. Dit onderstreept het belang van het vormgeven én uitvoeren van de hierboven genoemde verbeteracties.

De vraag naar jeugdzorg blijft groeien. Het centraal stellen van deze vraag naar jeugdzorg in de nieuwe financieringssystematiek, zal daarom een structurele bijdrage gaan leveren aan een goede afstemming van vraag en aanbod. In deze paragraaf van deze brief informeer ik u over de voortgang van de invoering van deze financieringssystematiek.

Ramings- en verdeelmodel van de vraag naar provinciale jeugdzorg

Essentie van de nieuwe financiering jeugdzorg betreft de systematiek dat de provincies en grootstedelijke regio’s op basis van een objectief verdeeld, vraaggerelateerd macrobudget voldoende middelen en instrumenten van het Rijk ontvangen om hun verantwoordelijkheden voor voldoende en passende jeugdzorg uit te voeren.

Doordat het beschikbare budget wordt gebaseerd op de te verwachten vraag naar jeugdzorg, kunnen de provincies de verwachte volume ontwikkelingen in de provinciale jeugdzorg op een meer doelmatige wijze opvangen waardoor zij in staat zijn financieel risico te lopen.

Om de vraag naar jeugdzorg goed te kunnen bepalen wordt een vraagramings- en verdeelmodel ontwikkeld. Onlangs heeft het SCP het ramingsmodel jeugdzorg 2006–2011 opgeleverd. Op dit moment werkt het SCP aan het verdeelmodel, waarin de factoren worden uitgewerkt die de verdeling van de vraag naar jeugdzorg per provincie bepalen.

Onafhankelijke Commissie Financiering Jeugdzorg

De nieuwe financiering voorziet in een onafhankelijke partij die op basis van het hierboven genoemde ramings- en verdeelmodel aan het bestuurlijk overleg van Rijk en IPO adviseert over het macrobudget en de verdeling daarvan. Het Rijk is verantwoordelijk voor een toereikend macro-financieel kader, stelt uiteindelijk het budget vast en beslist over de verdeling van de middelen. Het advies van de onafhankelijke partij: de Commissie Financiering Jeugdzorg (CFJ) is daarbij zwaarwegend. Bij afwijkingen zal het Rijk daarvoor zwaarwegende argumenten moeten aangeven.

De CFJ bestaat uit de volgende leden: de heer Robin Linschoten (voorzitter), de heer dr. Ton van Yperen (hoogleraar) en mevrouw prof. dr. Brigitte Unger (hoogleraar).

Wet- en regelgeving nodig voor passend instrumentarium

Om de ruimte en verantwoordelijkheid en risicodragendheid van de provincies in deze financieringssystematiek beter vorm te geven is een aantal instrumenten nodig.

Per 1 januari 2009 wordt de omvang van de te leveren zorg uit het indicatiebesluit geschrapt. Dit gebeurt via een wijziging van het Uitvoeringsbesluit jeugdzorg. Deze zal na de zomer in de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer worden neergelegd, ten behoeve van een invoering per 1 januari 2009.

Zo spoedig mogelijk daarna wordt ook de duur van de te leveren zorg uit de indicatie geschrapt. Hiervoor is een aanpassing van de Wet op de Jeugdzorg vereist. Daarnaast worden per 1 januari 2009 de beide doeluitkeringen voor de provinciale jeugdzorg (voor zorgaanbod en Bureau Jeugdzorg) in materiële zin gebundeld en zo spoedig mogelijk daarna formeel samengevoegd tot één doeluitkering provinciale jeugdzorg. Met deze bundeling van doeluitkeringen wordt bereikt dat provincies flexibeler zijn bij het inzetten van hun uitkering.

Bovendien krijgen provincies (binnen de door de Commissie-Oosting gestelde kaders) een instrument dat het hen mogelijk maakt in te grijpen in het gemeentelijk domein, indien gemeenten afwijken van het te verwachten gemiddelde beroep op provinciale jeugdzorg of als het aantal onterechte meldingen vanuit gemeenten bij de provinciale jeugdzorg hoger dan gemiddeld is.

De dalende tendens in 2008 van het aantal wachtenden voor de provinciale jeugdzorg van 3851 naar 3637 is positief. Uiteraard ben ik niet tevreden met deze situatie. De dalende lijn moet versterkt worden doorgezet. Daarom heb ik samen met provincies vastgesteld dat er versnelling in de wachtlijstaanpak nodig èn mogelijk is. Bovendien werk ik aan de implementatie van de nieuwe financieringssystematiek. Beide trajecten zijn van belang voor een structurele aanpak van de wachtlijsten.

Na de zomer ontvangt u van mij de cijfers met de stand van de wachtlijst provinciale jeugdzorg per 1 juli 2008 en zal ik u verder informeren over het onderzoek naar de urgentie van de problematiek van kinderen op de wachtlijst provinciale jeugdzorg.

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet


XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 815 en 31 015, nr. 106.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven