29 807 (R 1769)
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, met bijlage; Den Haag, 23 augustus 2004

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 september 2004

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 27 september 2004.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 27 oktober 2004.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 23 augustus 2004 te Den Haag totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, met bijlage (Trb. 2004, 216)1.

Aangezien het van belang is dat het verdrag op korte termijn in werking treedt, zal de binding aan het verdrag – onder toepassing van artikel 20, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet – spoedig na verkregen parlementaire goedkeuring worden geëffectueerd.

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 28 september 2004 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

Toelichtende nota

Algemeen

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).

Het op 23 augustus 2004 te Den Haag totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, met bijlage (Trb. 2004, 216) is, zoals gemeld in de brieven aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal van de Minister van Justitie, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken van 6 april 2004, waarbij de tekst van het toen nog ontwerpverdrag en de bijlage werd toegezonden (Kamerstukken II 2003/2004, 29 200 VI, nr. 131), tot stand gekomen in twee onderhandelingsronden. De onderhandelingen werden in maart 2004 afgerond; de voorbereidingen voor de ondertekening van het verdrag in de drie taalversies hebben vervolgens nog enige maanden gevergd.

Bij de opstelling van deze nota zijn de schriftelijke vragen betrokken die leden van een aantal fracties hadden gesteld.

Het verdrag wordt niet voorlopig toegepast, omdat van opname van een daartoe strekkende bepaling is afgezien wegens onverenigbaarheid met het Thaise recht.

Over de noodzaak en wenselijkheid van het onderhavige verdrag is bij verschillende gelegenheden met de Tweede Kamer der Staten-Generaal overleg gevoerd. Ook werd op 11 november 2003 een motie van het lid Van der Laan aangenomen, waarvan het dictum luidt: «verzoekt de regering op basis van een bilateraal verdrag, waarbij Thailand partij zal zijn, de overdracht van tenuitvoerlegging van strafvonnissen zo spoedig mogelijk te regelen.» (Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 VI, nr. 51).

Alvorens op de totstandkoming en de inhoud van het onderhavige verdrag in te gaan, hecht de regering eraan hier op te merken dat elk verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen ertoe strekt Nederlanders die in het buitenland zijn veroordeeld het restant van hun straf in Nederland te laten ondergaan. Hetzelfde geldt voor de in Nederland veroordeelde onderdanen van de andere verdragspartij. Deze verdragen worden niet opgesteld met het doel veroordeelde personen voordat zij de hen opgelegde straf hebben ondergaan naar hun thuisland over te brengen met het oog op hun onmiddellijke vrijlating aldaar. Dat stond ook bij de onderhavige onderhandelingen voor beide verdragspartijen voorop en is van Thaise zijde zelfs een aantal malen expliciet naar voren gebracht. Dat ten gevolge van dit uitgangspunt mogelijk niet alle gedetineerden kunnen worden overgebracht, moet dan ook niet worden gezien als een gebrek van het verdrag, maar als gevolg van de natuurlijke grenzen van het instrument van overbrenging.

Mede naar aanleiding van de verwijzing in deze motie naar het feit dat andere EU-lidstaten al een verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (voortaan: WOTS-verdrag) met Thailand hadden gesloten, is ter voorbereiding van de onderhandelingen met Thailand bij alle EU-partners navraag gedaan naar het bestaan en de werking van een WOTS-verdrag met Thailand. Deze consultatie leidde tot het inzicht dat Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden met Thailand een WOTS-verdrag hebben gesloten. Uit die bilaterale WOTS-verdragen bleek dat deze nogal wat overeenkomsten vertonen met het op 21 maart 1983 te Staatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74) van de Raad van Europa (voortaan te noemen: het RvE-verdrag). Daarnaast dragen alle verdragen van de EU-partners een duidelijk Thais stempel. Het meest opvallende is de voorwaarde dat, indien de wet van de staat van veroordeling dat voorschrijft, een veroordeelde eerst een bepaald deel van zijn straf moet ondergaan, voordat hij voor overbrenging in aanmerking kan komen. Alle EU-partners wezen, toen hen werd gevraagd naar de ervaringen met de praktische toepassing van hun WOTS-verdrag met Thailand, op die regeling. Deze voorwaarde in combinatie met de zeer grote verschillen in strafmaten voor drugsdelicten compliceren in alle EU-lidstaten de overbrenging vanuit Thailand. De precieze gevolgen daarvan voor de andere EU-lidstaten heeft zijn niet in kaart gebracht, evenmin als de wijze waarop exact met die tul-drempel wordt omgegaan. Daaraan bestond en bestaat geen behoefte, gelet op het feit dat op elk verzoek om overbrenging individueel wordt beslist en daarbij meestal een aantal aspecten een rol spelen.

De EU-partners gaven verder aan dat de Thaise autoriteiten staan op een adequate tenuitvoerlegging van het strafrestant na de overbrenging. Zo bleek dat bij het bestaan van een zeer lang strafrestant, vrijlating op een vroegtijdig tijdstip na de overbrenging, geen optie te zijn, ook al gebeurde dat conform de wetgeving van de ontvangende staat. Voor een aantal EU-lidstaten leidde dit tot problemen met en soms zelfs tot het (tijdelijk) stopzetten van de toepassing van het bilaterale verdrag door Thailand. Tenslotte bleek uit de rondvraag dat ondanks het bestaan van de WOTS-verdragen, zich in de tweede helft van 2003 dertig Britten, veertig Duitsers, twee Oostenrijkers, elf Portugezen, een Spanjaard en zeven Zweden in Thaise detentie bevonden. Zoals hierboven al werd aangegeven is geen studie naar de toepassing van deze verdragen gedaan en bestaat ook niet het voornemen nader onderzoek daarnaar te doen. Wij stellen ons wel voor dat de ambassade te Bangkok regelmatig de ervaring met overbrenging van gedetineerden bespreekt met de EU-partners ter plaatse.

De voorwaarde dat een deel van de straf in Thailand moet worden uitgezeten voordat men voor overbrenging in aanmerking kan komen, de zogeheten tenuitvoerleggingsdrempel (voortaan: de tul-drempel), is in artikel 3, onderdeel e, van het onderhavige verdrag vastgelegd. In de bovenvermelde brief van 6 april 2004 is al uitvoerig ingegaan op de betekenis en de effecten ervan voor de toepassing van het verdrag. Voor de goede orde wordt hier de essentie herhaald.

De Thaise wetgeving schrijft voor, dat personen die wegens drugsdelicten zijn veroordeeld tot een levenslange vrijheidsstraf acht jaren van hun straf in Thailand moeten hebben ondergaan. Voor personen die wegens een ander delict zijn veroordeeld tot een levenslange vrijheidsstraf geldt een termijn van vier jaren. Voor alle veroordelingen waarbij een tijdelijke vrijheidsstraf is opgelegd, dus ook voor drugsdelicten, geldt, dat een derde van de straf moet zijn ondergaan tot een maximum van vier jaren. Er bestaan geen variaties op deze termijnen en derhalve wordt in elk WOTS-verdrag dat Thailand heeft gesloten, steeds naar deze tul-drempel verwezen.

De tul-drempel zorgt er niet alleen voor dat elke buitenlandse veroordeelde in Thailand eerst een deel van zijn straf moet uitzitten, maar ook dat er pas nadat de voor die veroordeelde geldende tul-drempel is bereikt, voor hem een verzoek tot overbrenging kan worden ingediend. Verder zal deze drempel de overbrenging bemoeilijken, in het bijzonder bij delicten waarvoor in Thailand straffen worden toegepast die vele malen hoger zijn dan die in Nederland. Dit speelt bij Nederland en Thailand met name bij drugsdelicten. In Thailand worden straffen toegepast die variëren van de doodstraf, levenslange of tientallen jaren vrijheidsstraf, terwijl naar Nederlands recht de maximumstraffen voor strafbare feiten betreffende harddrugs vier, acht of twaalf jaren bedragen. De Nederlandse maximumstraffen kunnen wel nog met eenderde worden verhoogd in geval van samenloop met een ander drugsdelict of bij voorbeeld het deelnemen of leiding geven aan een criminele organisatie.

Meer concreet betekent de tul-drempel voor de overbrenging bij drugsdelicten het volgende. Bij een Thaise veroordeling tot een tijdelijke vrijheidsstraf ter zake van een enkelvoudig Opiumwetdelict zal de betrokkene eerst vier jaren in Thailand moeten uitzitten. Daarna kan hij een verzoek tot overbrenging doen. Vervolgens moet worden bezien om welk delict het gaat en wat de maximumstraf daarvoor naar Nederlands recht is en na hoeveel tijd hij in aanmerking komt voor vervroegde invrijheidstelling. Is iemand in Thailand veroordeeld tot een levenslange vrijheidsstraf voor een drugsdelict dan kan hij pas na acht jaren een verzoek doen en gelden verder dezelfde criteria. Past men deze regels toe op de Nederlandse Opiumwetdelicten dan blijkt dat er bij de drempel van 4 jaren een aanzienlijk strafrestant resteert in geval van in- en uitvoer van drugs, maar dat voor de Nederlandse Opiumwetdelicten waarop een maximumstraf van 8 jaren is gesteld er een aanzienlijk kleiner strafrestant over blijft, terwijl bij een Nederlands strafmaximum van 4 jaren geen strafrestant over blijft.

De Thaise tul-drempel van 8 jaren ligt onder de hoogste maximumstraf van 12 jaren die in Nederland kan worden opgelegd voor een enkel drugsdelict. Echter van een straf van 12 jaren wordt tengevolge van de vervroegde invrijheidsstelling in Nederland ten hoogste tweederde ten uitvoer gelegd. Dat betekent dat er na 8 jaren Thaise detentie geen straf meer over is die in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. De situatie is iets anders als betrokkene in Thailand is veroordeeld voor meer dan een Opiumwetdelicten of voor een drugsdelict en bij voorbeeld deelneming aan een criminele organisatie.

Bij de berekening van een en ander dient verder rekening te worden gehouden met mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de toepassing van de regels voor vervroegde invrijheidsstelling. Zoals hierboven aangegeven geldt thans in Nederland de regeling van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, welke inhoudt dat van een opgelegde vrijheidsstraf van meer dan één jaar maximaal tweederde wordt uitgezeten. Inmiddels heeft de eerste ondergetekende een wetsvoorstel in voorbereiding waarin de vervroegde invrijheidsstelling voorwaardelijk wordt. Daarin zal tevens worden voorzien in zodanige uitbreiding van de gevallen waarin de vervroegde invrijheidsstelling kan worden uitgesteld of achterwege kan worden gelaten, dat daarvan in voorkomend geval gebruik kan worden gemaakt, indien dat kan bijdragen aan de realisatie van een overbrenging. Hierbij wordt aangetekend, dat deze voorziening geen garantie biedt dat overbrenging altijd mogelijk zal zijn, maar het vergroot naar verwachting wel de mogelijkheden bij die gevallen waarin onder het huidige regime naar Nederlands recht geen strafrestant zou resteren.

De behandeling van Nederlandse overbrengingsverzoeken is in Thailand opgedragen aan een breed samengestelde Commissie waarin leden van de zittende en staande magistratuur en vertegenwoordigers van een groot aantal ambtelijke diensten zitting hebben. Aan de duur van de behandeling van verzoeken stelt de Thaise wet geen termijnen. Ervaring van andere EU-partners leert dat de behandelingsduur kan variëren van een half jaar tot twee jaren. Wat de exacte reden van deze uiteenlopende duur was, is niet bekend. Wel vormde deze informatie reden om tijdens de onderhandelingen over de behandelingsduur te spreken. Van Thaise zijde werd aangegeven dat de Commissie in deze geheel onafhankelijk is en niet aan termijnen kan worden gebonden. Gemeld werd dat de Commissie elke maand bijeen komt, tenzij er geen verzoeken voorliggen. Het werd ook duidelijk, dat de Thaise delegatie doordrongen was van de noodzaak van een voorspoedige behandeling van Nederlandse verzoeken.

Bij het verdrag horen «vastgestelde notulen», waarin met betrekking tot een drietal bepalingen gezamenlijke toelichtingen zijn opgenomen. Deze notulen maken een integraal onderdeel uit van het verdrag. Op de inhoud en betekenis ervan zal worden ingegaan bij de artikelsgewijze toelichting op de desbetreffende bepalingen.

Koninkrijkspositie

De regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba beraden zich over de wenselijkheid van uitbreiding van de gelding van het verdrag tot hun land. Teneinde het mogelijk te maken dat, wanneer die regeringen medegelding wenselijk zullen achten, die medegelding direct tot stand kan worden gebracht, wordt de goedkeuring voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Artikelsgewijze toelichting

Aangezien ook in het onderhavige verdrag veel is ontleend aan het RvE-verdrag zal hierna, waar mogelijk, de corresponderende bepaling uit dat verdrag worden vermeld.

Artikel 1

Dit artikel bevat de in deze verdragen gebruikelijke definities.

Artikel 2

Uit deze bepaling blijkt, dat het verdrag overbrenging mogelijk maakt, maar dat het – zoals gebruikelijk – geen recht op overbrenging creëert. Artikel 2, tweede lid, van het RvE-verdrag bevat een soortgelijke regeling. Het is van belang hier op te wijzen opdat de juridische situatie van de Nederlandse gedetineerden in Thailand en van Thaise gedetineerden in Nederland duidelijk is en ongerechtvaardigde verwachtingen bij henzelf of hun familieleden worden voorkomen. Het feit dat er geen individueel recht tot overbrenging bestaat, wil niet zeggen dat daardoor voor betrokkenen een uiterst onduidelijke situatie ontstaat. Immers, uit het enkele feit dat landen een WOTS-verdrag met elkaar sluiten, volgt al, dat de betrokken landen bereid zijn samen te werken bij de overbrenging van gevonniste personen. Verder bevat dit verdrag, zoals elk WOTS-verdrag, de belangrijkste voorwaarden voor een overdracht. Voldoet men aan die voorwaarden dan is een verzoek in beginsel kansrijk. Richtlijnen bestaan in het algemeen niet, omdat het om een individuele beoordeling gaat. Zo kan het gedrag van de betrokkene tijdens een detentie een rol spelen, maar ook bijvoorbeeld dat hij – zoals bij verzoeken aan Nederland wel eens is gebleken – al eens eerder uit een ander land werd overgebracht. Uit de naar verloop van tijd opgedane ervaring met de toepassing van een verdrag in relatie tot een bepaald land kan – zo blijkt met andere landen – een zeker beleid worden gedestilleerd. Op ervaringen van andere EU-partners met Thailand is in het algemeen deel ingegaan.

Artikel 3

Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor overdracht. De lijst is niet limitatief. Ook als aan de hier genoemde voorwaarden is voldaan, bestaat geen verplichting tot overbrenging. Het ontbreken van die verplichting vloeit voort uit artikel 2, waar is aangegeven dat ook het gedrag van betrokkene tijdens de detentie van invloed kan zijn op de beslissing.

Het in onderdeel a opgenomen beginsel van dubbele strafbaarheid is gebruikelijk, zo blijkt ook uit artikel 3, eerste lid, sub e, van het RvE-verdrag. Dit vereiste vormt geen belemmering bij de overbrenging na veroordeling terzake van drugsdelicten, zo blijkt uit de ervaring van de afgelopen decennia. De in de Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen komen namelijk overeen met die welke zijn benoemd in de VN-verdragen op het terrein van de verdovende middelen en de psychotrope stoffen. De afwijking van de Opiumwet van de wetgeving van andere landen is derhalve niet een verschil in strafbaarheid, maar een verschil in strafwaardigheid. Dat laatste komt tot uitdrukking in het onderscheid hard- en softdrugs.

Het in onderdeel b opgenomen vereiste dat de veroordeelde de nationaliteit van de ontvangende staat moet hebben komt eveneens voor in het RvE-verdrag (artikel 3, lid 1, sub a). In de bij het onderhavige verdrag behorende «vastgestelde notulen», onder punt 1, is voor de goede orde vermeld, dat er geen verplichting bestaat tot overbrenging als betrokkene behalve de nationaliteit van de ontvangende staat ook de nationaliteit van de overdragende staat heeft. Naar Thais recht is overbrenging naar het buitenland van een persoon die tevens de Thaise nationaliteit heeft niet toegestaan; het Nederlands recht voorziet niet in een dergelijke weigeringsgrond.

Uit onderdeel c blijkt, dat in geval van veroordeling voor de daarin genoemde strafbare feiten, naar Thais recht overbrenging is uitgesloten. Nederland kent zulk een wettelijke beperking niet. Het ligt echter wel voor de hand dat in het geval van een veroordeling in Nederland terzake van schending van de interne of externe veiligheid van de staat of voor een strafbaar feit gericht tegen het staatshoofd en/of diens familie, op een verzoek tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een terzake opgelegde straf tenminste terughoudend, zo niet afwijzend, zal worden gereageerd.

Onderdeel d bevat een limitatieve opsomming van de straffen waarvan de tenuitvoerlegging kan worden overgedragen en komt overeen met artikel 3, eerste lid, sub c, van het RvE-verdrag. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de werking van WOTS-verdragen in het algemeen zijn beperkt tot de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen. Overbrenging van een veroordeelde na een veroordeling tot de doodstraf is uitgesloten. Wil een ter dood veroordeelde voor overbrenging in aanmerking komen, dan zal hem eerst gratie moeten worden verleend, in de zin van omzetting van de doodstraf in een levenslange of tijdelijke gevangenisstraf. Ditzelfde geldt ook bij de toepassing van het onderhavige verdrag.

Meer in het algemeen moge hier ter toelichting nog het volgende dienen. Zoals bekend is Nederland principieel tegenstander van de doodstraf waar ook ter wereld. In het geval de doodstraf in het buitenland aan een Nederlander wordt opgelegd, zal de Nederlandse regering zich tot het uiterste inspannen te bewerkstelligen dat de doodstraf niet wordt uitgevoerd. De autoriteiten van de betrokken staat worden in een dergelijk geval indien nodig tot op het hoogste niveau benaderd met het dringende verzoek om de straf om humanitaire redenen om te zetten in een gevangenisstraf. Hierbij wordt in voorkomende gevallen ook de steun van de andere EU-landen ingeroepen.

In onderdeel e is de tul-drempel opgenomen, waarop al is ingegaan in het algemeen deel van deze nota.

Onderdeel f bevat het vereiste dat de veroordeling onherroepelijk moet zijn, hetgeen overeenkomt met artikel 3, eerste lid, sub b, van het RvE-verdrag. De voorwaarde dat er geen andere procedures tegen betrokkene aanhangig mogen zijn, is opgenomen, opdat duidelijk is dat een overbrenging niet een andere procedure kan doorkruisen.

Het in onderdeel g opgenomen instemmingsvereiste en de mogelijkheid van vervanging van de instemming van de veroordeelde door een gemachtigde, bij dringende medische noodzaak, komt overeen met artikel 3, eerste lid, sub d en f, van het RvE-verdrag. Mede in verband met de geografische ligging van Thailand en Nederland ten opzichte van elkaar, is tijdens de onderhandelingen besproken dat een vertegenwoordiger van de ambassade desgewenst kan optreden als degene die in de plaats van de veroordeelde instemt. Die mogelijkheid is vermeld in de «vastgestelde notulen», onder punt 2.

De in onderdeel h opgenomen voorwaarde komt niet voor in het RvE-verdrag, maar spreekt overigens voor zich.

Artikel 4

De in het eerste lid opgenomen informatieplicht ten opzichte van veroordeelden komt overeen met die van artikel 4, eerste lid, van het RvE-verdrag.

Uit het tweede lid blijkt dat uitgangspunt van dit verdrag is, dat verzoeken tot overbrenging uitsluitend door de regeringen worden gedaan. Onder het RvE-verdrag kan ook de veroordeelde zelf een verzoek doen. Het gevolg van de constructie in het onderhavige verdrag is, dat de veroordeelde die voor overbrenging in aanmerking wenst te komen, zich wendt tot zijn eigen regering.

Wat betreft de indiening van een verzoek, stellen de minister van Buitenlandse Zaken en ik ons voor dat de betrokken Nederlander aan de ambassade te Bangkok schriftelijk te kennen geeft dat hij voor overbrenging in aanmerking wenst te komen. Die schriftelijke vorm is wenselijk, omdat aldus meteen de in het verdrag en de wet vereiste instemming van betrokkene schriftelijk is vastgelegd. Vervolgens zal de ambassade bij de Thaise autoriteiten de informatie inwinnen die noodzakelijk is om te bezien of betrokkene naar de maatstaven van het verdrag en de Nederlandse Wet overdracht van tenuitvoerlegging van strafvonnissen (voortaan: de WOTS) in aanmerking kan komen voor een overbrenging. Alle stukken worden vervolgens doorgeleid naar de Minister van Justitie, alwaar het verzoek met inachtneming van het bepaalde van artikel 43 van de WOTS wordt behandeld, dus inclusief de advisering van het gerechtshof te Arnhem. Na een positieve beslissing van de Minister van Justitie zal vervolgens de ambassade te Bangkok het verzoek tot overbrenging indienen bij de Thaise autoriteiten. Deze werkwijze komt grotendeels overeen met die welke ook wordt gevolgd bij de toepassing van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake de overbrenging van gevonniste personen, totstandgekomen te Rabat op 30 november 1999 (Trb. 1999, 198). Bij de uitvoering van al deze stappen zal alle inspanning erop gericht zijn deze zo snel mogelijk te laten verlopen.

Voor de goede orde wordt hier nog vermeld, dat tijdens de onderhandelingen is gebleken dat verzoeken pas kunnen worden ingediend, nadat de betrokkene het Thaise minimumdeel van zijn straf heeft uitgezeten. Behandeling door de Commissie van verzoeken waarbij nog niet aan de voorwaarde van de tul-drempel is voldaan, zou ook weinig zinvol zijn, zo werd van Thaise zijde gesteld, want dat zou slechts kunnen leiden tot een negatieve beslissing. Een en ander laat onverlet dat met de voorbereiding van dat verzoek op een eerder tijdstip kan worden begonnen, al zal dit niet al te lang van te voren kunnen zijn, omdat bij voorbeeld de datum waarop de straf naar Thais recht afloopt en met name de eventuele strafvermindering die betrokkene heeft verdiend (onderdeel b) niet in een vroeg stadium kan worden berekend. De Nederlandse ambassade te Bangkok zal op korte termijn in overleg treden met de Thaise autoriteiten over het tijdstip vanaf wanneer en de wijze waarop verzoeken van Nederlanders kunnen worden voorbereid.

De informatieplicht, opgenomen in het vierde lid, komt overeen met die van artikel 6, derde lid, van het RvE-verdrag en strekt ertoe de beslissing op verzoeken te vergemakkelijken. Voor de goede orde wordt hier opgemerkt, dat in het geval er in Thailand naast een vrijheidsstraf een geldboete is opgelegd, de geldboete betaald moet zijn, voordat beslist wordt over een overbrenging. Een betalingsbewijs kan derhalve worden gerekend tot de hier bedoelde inlichtingen.

Overigens geldt dit betalingsvereiste ook in Nederland.

De in het vijfde lid opgenomen voorziening om de vrijwilligheid van de instemming van de veroordeelde te verifiëren, komt overeen met de in artikel 7, derde lid, van het RvE-verdrag opgenomen regeling.

Het zesde lid beschrijft de laatste fase van de behandeling van een verzoek tot overbrenging, namelijk de voorbereiding van de feitelijke overbrenging van de veroordeelde naar de ontvangende staat.

Artikel 5

De in dit artikel vastgelegde regeling behoort tot de standaardbepalingen van een verdrag over overbrenging van gevonniste personen. Het bevat het beginsel dat het in de overdragende staat gewezen vonnis onaantastbaar is in de ontvangende staat. Dat ligt ook voor de hand, omdat de overbrenging enkel strekt tot de verdere tenuitvoerlegging van de straf. Verder dient bedacht te worden dat het vonnis in de overdragende staat onherroepelijk is geworden. Latere wijziging van een dergelijk vonnis kan in het algemeen slechts via bijzondere procedures en derhalve in uitzonderlijke gevallen. De herziening is daarvan de meest bekende. Artikel 13 van het RvE-verdrag bevat een soortgelijke regeling. De rechtsgevolgen die een wijziging van een vonnis als hier bedoeld voor de veroordeelde persoon inhouden, hangen uiteraard af van de inhoud van de beslissing. Een herziening van een vonnis is ook mogelijk nadat betrokkene zijn straf heeft ondergaan, maar zal niet leiden tot hernieuwde detentie.

Artikel 6

Aangezien tijdens de onderhandelingen bleek dat voor de Thaise autoriteiten de procedure van omzetting van de straf niet aanvaardbaar was, is in het eerste lid van dit artikel vastgelegd dat de procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging moet worden gevolgd. Hiermee is tevens voldaan aan artikel 43 van de WOTS, dat een expliciete vermelding van die procedure in een verdrag vereist. Ook het Nederlands-Antilliaanse en het Arubaanse recht voorzien overigens in de mogelijkheid van toepassing van deze procedure.

Bij de voortgezette procedure wordt in Nederland, zoals bekend, voorafgaand aan de beslissing op een verzoek tot overbrenging advies gevraagd aan het gerechtshof te Arnhem. Een negatief advies is bindend. De wet bevat geen criteria voor de afwijzing of inwilliging van de verzoeken, maar bij de totstandkoming van de WOTS is door de regering, desgevraagd, aangegeven dat het gerechtshof er voor zou dienen te waken dat straffen die in verhouding tot Nederlandse straffen excessief worden geacht, zouden worden tenuitvoergelegd (Kamerstukken II 1984/84, 18 129, nr. 6). Bij dit standpunt moet worden bedacht, dat dit werd ingenomen in een tijd, dat voorzien werd dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging zeer uitzonderlijk zou blijven.

Bij zijn advisering over verzoeken op basis van het onderhavige verdrag zal het gerechtshof worden geconfronteerd met het feit dat betrokkenen al een deel van hun straf in Thailand hebben moeten uitzitten en dat de tul-drempel, zeker bij drugsdelicten, naar Nederlandse maatstaven een aanzienlijke duur heeft. Bovendien zal de Thaise straf bij drugsdelicten veelal langer zijn dan de in de Opiumwet voorziene maximumstraffen. De straf zal dan altijd moeten worden teruggebracht tot het Nederlandse wettelijke maximum. Ook na die aanpassing kan het voorkomen dat de opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven als zeer hoog, zo niet excessief zou kunnen worden aangemerkt. Bij de advisering over de gevolgen die aan een dergelijke kwalificatie moeten worden verbonden, dient naar het oordeel van de regering te worden meegewogen het feit dat het verdrag welbewust is gesloten met een land dat zeer lange straffen toepast én dat het niet de bedoeling is geweest om de meest ernstige gevallen bij voorbaat van overbrenging uit te sluiten.

Uit het eerste lid blijkt verder dat de ontvangende staat gerechtigd is op de over te nemen straf de regels voor strafvermindering toe te passen. Op de Nederlandse regeling voor vervroegde invrijheidsstelling is al ingegaan in het algemeen deel van deze nota.

Zoals in het algemeen deel is opgemerkt, leert de ervaring van EU-partners dat de Thaise autoriteiten erg hechten aan een adequate tenuitvoerlegging van het strafrestant na overbrenging. In Thailand is in de wet expliciet voorzien dat men een overbrenging kan weigeren om de enkele reden dat het na de overbrenging ten uitvoer te leggen strafrestant korter is, dan wanneer de straf in Thailand ten uitvoer zou worden gelegd. Hierover is ook tijdens de onderhandelingen gesproken, zowel op ambtelijk als op politiek niveau. Van Thaise zijde is op politiek niveau toegezegd de gevallen met souplesse te bekijken en daarbij respect te tonen voor de Nederlandse administratieve en juridische procedures, zo berichtte de Minister van Buitenlandse Zaken mede namens de Minister van Justitie, de Tweede Kamer bij brief van 6 februari 2004 (Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 VI, nr. 123). Ook hetgeen met betrekking tot artikel 6 van het verdrag is opgemerkt in de «vastgestelde notulen», onder punt 3, vormt een onderstreping van de intenties van de Thaise autoriteiten om waar mogelijk een overbrenging te bevorderen.

Het tweede lid is opgenomen op Thais verzoek en maakt het mogelijk om na de overbrenging van een jeugdige veroordeelde bij de verdere tenuitvoerlegging van zijn strafrestant eventueel bijzondere regels toe te passen die naar het recht van de ontvangende staat gelden voor jongeren.

Het derde lid is weer een standaardbepaling en komt overeen met artikel 10, tweede lid, van het RvE-verdrag.

De uit het vierde lid voortvloeiende rapportageplicht is ook uit het RvE-verdrag, meer in het bijzonder artikel 15, bekend.

Artikel 7

Een bepaling over doortocht is niet ongebruikelijk in een bilateraal verdrag. Er wordt een beroep op gedaan als een van de verdragspartijen een persoon vanuit of naar een derde staat wil overbrengen en betrokkene daarvoor zou willen doen vervoeren over het grondgebied van de andere verdragspartij. Bij ver uit elkaar liggende landen is er meestal geen sprake van echt vervoer, maar van het tijdelijk opvangen van een veroordeelde die per vliegtuig aankomt en moet wachten op een aansluitende vlucht.

De in het tweede lid opgesomde weigeringsgronden corresponderen met in artikel 3 genoemde voorwaarden voor een overbrenging.

Artikel 8

De kostenverdeling is standaard en komt overeen met die van artikel 17 van het RvE-verdrag.

Artikel 9

Om praktische reden is het Engels als werktaal afgesproken. Het zou immers nogal tijdrovend en niet eenvoudig kunnen blijken om in Nederland goede vertalingen in het Thais en in Thailand goede vertalingen in het Nederlands te laten maken.

Artikel 10

Uit deze bepaling blijkt dat ook personen tegen wie een onherroepelijk vonnis is gewezen dat dateert van voor de inwerkingtreding van het verdrag, voor overbrenging in aanmerking kunnen komen.

Artikelen 11 en 12

Deze artikelen regelen de inwerkingtreding en beëindiging en behoren als zodanig tot de standaardbepalingen van een verdrag. Wat betreft de beëindiging kan nog aanvullend worden opgemerkt, dat niet op voorhand valt vast te stellen wat een reden voor de beëindiging zal zijn. Het op 23 mei 1969 te Wenen totstandgekomen Weens verdrag inzake het verdragenrecht bevat in de derde afdeling een aantal bepalingen inzake de beëindiging van een verdrag en de gevolgen daarvan. Overigens heeft zich in de relatie tussen Thailand en EU-partners niet de situatie voorgedaan dat de toepassing van een WOTS-verdrag is beëindigd.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven