nr. 21
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN DE STAATSSECRETARIS
VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 april 2006
Op 19 april jl. vond een Algemeen Overleg met uw Kamer plaats over
het eindrapport van de projectgroep Stimulering Ondernemerschap, TK 29 804,
nr. 20 en het onderzoeksrapport «ondernemend de uitkering uit»,
TK 28 719, nr. 34. Tijdens dit overleg hebben wij u toegezegd bij
brief op een aantal zaken in te gaan.
Wij zullen u voor het zomerreces nader informeren over de mogelijkheid
om de kredietfaciliteit voor starters te verbeteren. Wij zullen nagaan of
de Stichting Gak bereid is hieraan in financiële zin een bijdrage te
leveren.
U hebt ons gevraagd na te gaan of gemeenten vanuit het WWB-werkdeel microkredieten
aan startende uitkeringsgerechtigden mogen verstrekken. Deze mogelijkheid
bestaat inderdaad. Het WWB-werkdeel is bedoeld voor voorzieningen ter ondersteuning
van bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigde werkloze werkzoekenden
bij de arbeidsinschakeling. Het is daarbij aan de gemeente om te bepalen óf
betrokkene daadwerkelijk een voorziening nodig heeft om op de arbeidsmarkt
aan de slag te komen, en om te bepalen wat de kortste en meest efficiënte
weg naar duurzame arbeidsparticipatie is. Hoewel de verstrekking van krediet
vanuit het WWB-werkdeel mogelijk is, zijn er voor gemeenten meer voor de hand
liggende alternatieven. De eerst aangewezen weg is de mogelijkheid van kredietverstrekking
door marktpartijen, tegen marktconforme voorwaarden. Voordeel van financiering
via de private weg is dat hiermee wordt aangesloten bij wat algemeen gebruikelijk
is. Voor de financiering van het voor eigen rekening en risico starten van
een zelfstandig bedrijf of beroep zijn de banken de meest aangewezen instantie.
Van meet af aan bestaat er een zakelijke relatie tussen de bank en de starter.
Dit vereenvoudigt eventuele latere kredietverlening via de bank.
Indien private kredietverstrekking geen uitkomst biedt, kan de gemeente
een startkrediet verlenen op titel van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
2004 (Bbz). Om in aanmerking te kunnen komen voor een dergelijke lening moet
de starter kunnen aantonen dat hij of zij niet in aanmerking komt
voor een lening via een handelsbank. Bovendien mag het (gezins)inkomen niet
hoger zijn dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en moet het te starten
zelfstandig bedrijf of beroep blijkend uit een ondernemingsplan levensvatbaar
zijn. Dit startkrediet kan bestaan uit een rentedragende lening of een borgstelling
tot een bedrag van maximaal € 31 113. Voor noodzakelijke investeringen
die samenhangen met de voorbereiding op bedrijf of beroep, zoals het uitvoeren
van een marktonderzoek of de aanschaf van bedrijfsmateriaal of een computer,
kan de gemeente een voorbereidingskrediet verstrekken tot een bedrag van maximaal € 2 570
in de vorm van een renteloze lening.
Het is de bedoeling dat gemeenten zoveel mogelijk proberen gebruik te
maken van voorliggende voorzieningen als private kredietverstrekking en het
Bbz. Gezien de bekostigingswijze van het Bbz, waarbij 75 procent van de gemeentelijke
uitkeringskosten door het Rijk worden vergoed, ligt het niet voor de hand
dat gemeenten voor bekostiging vanuit het WWB-werkdeel zullen kiezen. Mochten
deze voorliggende voorzieningen niettemin in onvoldoende mate kunnen bijdragen
aan de reïntegratie van betrokkene, dan kan een gemeente besluiten middelen
uit het WWB-werkdeel in te zetten.
Aan u is toegezegd dat wij u zullen informeren over het tijdstip waarop
de resultaten van onderzoek naar de kosten en opbrengsten van een reïntegratietraject
naar ondernemerschap, in vergelijking met kosten van reïntegratie naar
loondienst bekend zullen zijn. Omdat niet alleen de doelgroepen, maar ook
de regelgeving en financiering van reïntegratie voor UWV-cliënten
en W&B-cliënten van elkaar verschillen, kan slechts bij benadering
een vergelijking van kosteneffectiviteit worden gemaakt. In het kader van
de evaluatie reïntegratiemarkt c.q. het trendrapport reïntegratiemarkt
loopt een onderzoek dat ons meer inzicht in de kosten-effectiviteit van reïntegratie
moet bieden. Voor 1 december zullen we hierover rapporteren. Bij deze
gelegenheid zullen we aangeven op welke termijn het mogelijk is om de TK een
onderzoek naar de kosten en baten van reïntegratie naar ondernemerschap
te sturen.
Wij zijn van opvatting dat voorlichting en een charmeoffensief ter stimulering
van uitkeringsgerechtigden om een eigen bedrijf te beginnen vooral een taak
is van de ketenpartners, UWV, CWI en gemeenten in samenspraak met de KvK en
de reïntegratiebedrijven. De projectgroep ondernemerschap heeft zich
in het afgelopen jaar ingespannen om met name deze partijen te enthousiasmeren
en te informeren. Vanuit onze projectgroep vernemen wij dat dit wel degelijk
heeft geleid tot een veranderende houding van degenen die binnen de uitvoering
hierbij betrokken zijn.
Op 13 maart jl. heeft de projectgroep Stimulering Ondernemerschap
haar activiteiten afgesloten met een conferentie met de uitvoering waarin
het signaleren en stimuleren van ondernemerschap bij uitkeringsgerechtigden
centraal heeft gestaan. Daarnaast staan voor de komende maanden de volgende
activiteiten op de rol:
– intensiveren betrokkenheid van KvK bij voorlichting aan startende
uitkeringsgerechtigden
– opnemen van ondernemerschap bij het opstellen van de reïntegratievisie
– voorlichting over de nieuwe mogelijkheden voor startende WW-ers,
– een uitwerking van de competentiescan door CWI.
Wij zullen de ketenpartners aan blijven spreken op het stimuleren van
ondernemerschap en hen in elk geval verzoeken over de voortgang van de in
gang gezette maatregelen te rapporteren via de kwartaalverslagen.
Wij bevestigen hierbij nogmaals de eerdere gedane toezegging dat wij u
voor 1 december a.s. zullen informeren over een onderzoek naar het achterblijven van de belangstelling van allochtone uitkeringsgerechtigden
in vergelijking met het gemiddeld aantal starters binnen deze groep.
De antwoorden op Kamervragen van de leden Verburg en Noorman zijn u op
26 april toegezonden. Hierin wordt bevestigd dat het UWV mag anticiperen
op de voorgenomen wetswijziging van de WW voor zelfstandigen. Conform de afspraken
wordt hierover ook de Eerste Kamer geïnformeerd.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. A. L. van Hoof