Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2004-2005
Kamerstuk 29800-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 23 september 2004



29 800 XIII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2005

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
 Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 2 (agentschappen)2
    
B.De begrotingstoelichting3
 1.Leeswijzer4
 2.Het beleid8
  2.1. Beleidsagenda8
  2.2. Beleidsartikelen21
  2.3. Niet-beleidsartikelen138
 3.Bedrijfsvoering142
 4.Agentschappen144
 5.Verdiepingsbijlage176
 6.Bijlage nieuwe begrotingsindeling194
 7.Bijlage wettelijke grondslag voor subsidieverlening199
 8.Bijlage inzake ZBO's en RWT's202
 9.Bijlage moties en toezeggingen203
 10.Lijst van afkortingen230
 11.Trefwoordenregister236

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2005 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2005. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2005.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2005 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (agentschappen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en kapitaaluitgaven en ontvangsten van de agentschappen SenterNovem, EVD, Bureau I.E. en Telecom voor het jaar 2005 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B van deze memorie van toelichting.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

B. BEGROTINGSTOELICHTING

De toelichting bij de EZ-begroting 2005 kent de volgende opbouw.

1. Leeswijzer

2. Het beleid

2.1 De Beleidsagenda

2.2 Beleidsartikelen

1. Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa

2. Bevorderen van innovatiekracht

3. Een concurrerend ondernemingsklimaat

4. Doelmatige en duurzame energiehuishouding

5. Internationale economische betrekkingen

6. Vervallen: Vitale belangen ten tijde van crisis

7. Vervallen: Beheer bodemschatten

8. Economische analyses en prognoses

9. Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

10. Elektronische communicatie en post

2.3 Niet-beleidsartikelen

21. Algemeen

22. Nominaal en onvoorzien

23. Afwikkeling oude verplichtingen

3. De bedrijfsvoering

4. Agentschappen

• SenterNovem

• Economische Voorlichtingsdienst (EVD)

• Bureau voor de Industriële Eigendom (Bureau I.E.)

• Telecom

5. Verdiepingsbijlage

6. Bijlage nieuwe begrotingsindeling

7. Bijlage wettelijke grondslag voor subsidieverlening

8. Bijlage inzake ZBO's en RWT's

9. Bijlage moties en toezeggingen

10. Lijst van afkortingen

11. Trefwoordenregister

1 LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

1. Nieuwe opzet beleidsartikelen

2. Aanpassing artikelindeling en -structuur

3. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid

4. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

5. Evaluatiebeleid

6. Toerekening van apparaatuitgaven aan de beleidsartikelen

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

1. Nieuwe opzet beleidsartikelen

De opzet van de beleidsartikelen in de begroting 2005 is gewijzigd met als doel:

• de leesbaarheid, inzichtelijkheid en consistentie te vergroten,

• de relatie tussen beleidsagenda en beleidsartikelen beter zichtbaar te maken,

• het VBTB-gehalte van de EZ-begroting te vergroten en

• de begroting dunner te maken.

Elk beleidsartikel is opgesteld volgens eenzelfde format. In de inleiding van het artikel wordt de relatie gelegd met de beleidsagenda en het Beleidsprogramma Balkenende II en worden voor alle operationele doelen de belangrijkste acties en beleidsbudgetten weergegeven. Vervolgens wordt per operationeel doel eerst ingegaan op de prestatie-indicatoren en streefwaarden. Daarna komen in tabel-vorm de gehanteerde instrumenten aan bod, uiteraard zoveel mogelijk gekoppeld aan de daarvoor benodigde beleidsbudgetten, en worden de acties besproken die EZ in 2005 uitvoert voor het desbetreffende operationele doel. Afgesloten wordt met een overzichtstabel van alle budgetten voor het artikel en de evaluatieplanning van het beleid.

2. Aanpassing artikelindeling en -structuur

De begroting is een weerspiegeling van het beleid. Het beleid is dynamisch en wordt aangepast op grond van nieuwe inzichten en prioriteitstellingen en/of gewijzigde externe omstandigheden. In dat kader zijn in de begroting 2005 bij diverse beleidsartikelen operationele doelstellingen gewijzigd, samengevoegd of toegevoegd. Deze wijzigingen beogen het VBTB-gehalte van de EZ-begroting te vergroten, onder andere door operationele doelstellingen en het daaronder vallende beleid beter op elkaar te laten aansluiten. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

• De focus van EZ op economische politiek en het belang van Europese integratie vraagt om een daarop toegesneden beleidsartikel. In artikel 1 wordt daarom ingezoomd op de samenhangende beleidsterreinen marktwerking, algemene economische politiek en Europese integratie en strategie.

• De operationele doelstellingen van het innovatiebeleid (artikel 2 van de EZ-begroting) zijn gewijzigd, zodat beter inzicht wordt verschaft in de bijdrage van EZ aan het innovatieklimaat in Nederland.

• In artikel 6 in de EZ-begroting 2004 (crisisbeheersing) waren algemene crisisbeheersing, oliecrisisbeleid en crisisbeheersing voor telecom en post verenigd. Genoemde elementen zijn nu toegevoegd aan de artikelen 3, 4 en 10, waar ze inhoudelijk thuishoren (crisisbeheersing op de desbetreffende beleidsvelden). Artikel 6 is hiermee komen te vervallen als zelfstandig beleidsartikel.

• Artikel 7 in de EZ-begroting 2004 betrof met name de gasbaten. Dit artikel is ondergebracht in artikel 4 (energiebeleid). Het voordeel hiervan is dat de prioriteiten van EZ op het energievlak geclusterd zijn in één beleidsartikel. Artikel 7 is hiermee komen te vervallen als zelfstandig beleidsartikel.

In de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» die zijn opgenomen in de beleidsartikelen, zijn ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie (inclusief de verdeling over beleidsartikelen en operationele doelen) derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. In de verdiepingsbijlage wordt voor de jaren 2003 en 2004 voor de volledigheid wel aangesloten bij de desbetreffende formele begrotingen. In de bijlage is een uitgebreide was-wordt-tabel opgenomen.

3. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het realiseren van duurzame economische groei. Voor een goede werking van de economie is het nodig dat private partijen binnen bepaalde randvoorwaarden hun gang kunnen gaan. EZ werkt als een katalysator die de (potentiële) economische groei moet voortstuwen. Op het gebied van marktwerking, kennis- en innovatiebeleid, ondernemingsklimaat en het economische buitenlandbeleid is EZ één van de relevante partijen. Ook worden ontwikkelingen op die gebieden voortdurend door externe factoren beïnvloed. De eigen sturing op de mate van doelbereik is hierdoor beperkt. Gelet op het voorwaardenscheppende karakter van het beleid, is er sprake van een systeemverantwoordelijkheid voor de Minister van EZ. Dit betekent dat het accent bij de verantwoording komt te liggen op de wijze waarop EZ invulling heeft gegeven aan de inrichting van het «beleidssysteem».

4. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Bij de beleidsartikelen zijn de veronderstellingen ten aanzien van effectbereik verwerkt in de beleidscontext en niet in een aparte paragraaf. In de meeste gevallen zou bij het vermelden van de veronderstellingen in een aparte paragraaf de beleidscontext ontbreken die juist nodig is om de veronderstellingen goed te kunnen plaatsen en beoordelen.

In algemene zin geldt dat de mate van doelbereik ten aanzien van de centrale EZ-doelstelling, te weten de bevordering van duurzame economische groei, afhankelijk is van vele factoren. De internationale conjunctuur is één van die factoren die bij nagenoeg alle beleidsartikelen een belangrijke rol speelt. Indien nodig is in de toelichting op de beleidsartikelen op meer specifieke factoren ingegaan. Voorts zijn bij een aantal beleidsartikelen en in de paragrafen inzake de batenlastendiensten gegevens opgenomen die indicatief zijn voor doelmatigheid en raming. Zo zijn per beleidsartikel de personele uitgaven gespecificeerd naar de «P en Q»-componenten. De programma-uitgaven zijn niet gespecificeerd naar «P en Q», omdat deze componenten van de raming geen stuurvariabelen zijn.

5. Evaluatiebeleid

Per 2002 is het evaluatiebeleid van EZ vernieuwd door middel van een EZ-richtlijn voor evaluatie-instrumenten. Hierin is de Ministeriële Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPE) verwerkt. In hoofdlijn bevat het EZ-evaluatiebeleid de volgende elementen:

• Er is een meerjarenprogrammering opgesteld, waarbij alle operationele doelen (met bijbehorende instrumenten) zijn afgedekt met een periodieke evaluatie.

• Aan de uitvoering van evaluatieonderzoeken worden kwaliteitseisen gesteld waaraan in ieder geval moet worden voldaan.

• Alle opzetten van evaluaties worden getoetst aan de eisen van de RPE, alvorens de evaluatie van start gaat.

• Jaarlijks wordt een integrale rapportage opgesteld aan de departementsleiding over de kwaliteit van de evaluatiefunctie en worden verbetervoorstellen gedaan.

• Een aantal verbeteringen is reeds in gang gezet, zoals bijvoorbeeld het standaard afwegen of het evaluatieonderzoek extern dan wel intern wordt uitgevoerd (op basis van een aantal criteria).

• In 2004 wordt gewerkt aan een leidraad voor het toepassen van de ex-ante evaluatie bij beleidsontwikkeling.

Inmiddels werkt EZ twee jaar met deze nieuwe richtlijn en is een zichtbare verbetering te constateren in de kwaliteit van de opzet en uitvoering van evaluaties. Om de kwaliteit van de evaluatiefunctie te borgen wordt tevens door de Auditdienst jaarlijks een audit uitgevoerd naar elementen van de evaluatiefunctie.

Resultaten van afgeronde evaluatieonderzoeken en de beleidsfollow-up zijn verwerkt in de desbetreffende beleidsartikelen.

De programmering van de operationele doelen is opgenomen in de evaluatieparagraaf. De integrale evaluatieplanning van EZ (inclusief de evaluaties van individuele instrumenten) is opgenomen in het rijksbrede evaluatieoverzicht (EOR) van het Ministerie van Financiën.

6. Toerekening van apparaatuitgaven aan de beleidsartikelen

De personele uitgaven van het kernministerie EZ die direct verband houden met beleidsuitgaven worden verbijzonderd naar de betreffende artikelen. De personele uitgaven voor de Directoraten-Generaal die onder het kernministerie vallen, zijn geraamd bij de beleidsartikelen 1 tot en met 5, alsmede beleidsartikel 10. De personele uitgaven zijn geraamd op basis van de formatieve sterkte en de gemiddelde loonsom. Als verdeelsleutel is het aantal fte's per beleidsartikel gehanteerd.

De in dit opzicht als indirect te beschouwen personele uitgaven van het kernministerie (algemene leiding, stafdirecties) worden geraamd op artikel 21 Algemeen. De materiële uitgaven van het kernministerie en de overige apparaatuitgaven worden eveneens geraamd op artikel 21 Algemeen. Er heeft geen toerekening van deze uitgaven aan de beleidsartikelen plaatsgevonden.

Voor de diensten van EZ (NMa/DTe, SodM, CPB) geldt dat de integrale apparaatuitgaven geraamd zijn op de betreffende beleidsartikelen (respectievelijk de artikelen 1, 4 en 8). Voor de ZBO's van EZ zijn de apparaatuitgaven geraamd op artikel 9 (CBS) en artikel 10 (OPTA).

Voor de baten-lastendiensten (SenterNovem, EVD, Bureau I.E. en Telecom) geldt een ander regime. De vergoedingen van EZ aan deze baten-lastendiensten worden geraamd op de beleidsmatig daarvoor in aanmerking komende artikelen. De paragrafen inzake de batenlastendiensten geven inzicht in de apparaatuitgaven van SenterNovem, EVD, Bureau I.E. en Telecom.

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

In afwijking van de voorschriften specificeert EZ bij de beleidsartikelen de verplichtingenramingen in plaats van de uitgavenramingen, omdat de verplichtingenramingen op het niveau van de artikelen het meeste inzicht geven in het actuele beleid. Beleidsbeslissingen, zoals het introduceren of het beëindigen van subsidieregelingen, zijn in de verplichtingenramingen immers direct traceerbaar. Vanwege de doorlooptijden en betalingsschema's van subsidies, bieden de uitgavenramingen in dat opzicht minder informatie. Overigens bevat de verdiepingsbijlage wel een specificatie van de uitgavenramingen naar operationeel doel.

De bedragen in de budgettaire paragraaf van de beleidsartikelen zijn uit oogpunt van presentatie uitgedrukt in miljoenen, in plaats van in duizenden.

2 HET BELEID

2.1 BELEIDSAGENDA

1. GROEI MOET!

Het groeivermogen is afgenomen

Het vermogen van de Nederlandse economie om extra welvaart te creëren is de afgelopen jaren sterk afgenomen. Was het groeivermogen nog bijna 3% in de periode 1995–1998, voor de periode 2004–2007 is het teruggelopen naar 2¼%. Door krapte op de arbeidsmarkt en een relatief trage groei van de arbeidsproductiviteit zijn de loonkosten per eenheid product eind jaren negentig te sterk gestegen. Toen het vervolgens economisch minder ging, hebben de lonen zich niet snel genoeg aangepast. Zo zijn de arbeidskosten per eenheid product van 1998 tot 2004 met 12% meer toegenomen dan die van onze belangrijkste Europese concurrenten, waardoor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte van de buitenlandse concurrenten is verslechterd. Door de stijging van de arbeidskosten is ook de ruimte voor bedrijven om te investeren fors afgenomen. Deze ontwikkelingen zijn een serieuze bedreiging voor de werkgelegenheid en de welvaart. Op korte termijn kan alleen loonmatiging de verhouding tussen de lonen en de arbeidsproductiviteit herstellen.

Lange termijn kansen en bedreigingen van het groeivermogen

Loonmatiging is geen middel om het groeivermogen op lange termijn op peil te houden. Op lange termijn is het groeivermogen afhankelijk van onze reactie op de vergrijzing en internationalisering. Door de vergrijzing moeten relatief steeds minder mensen voor steeds meer mensen het geld verdienen, terwijl een groeiende groep mensen een sterker beroep doet op relatief steeds duurdere voorzieningen zoals de gezondheidszorg. Bij ongewijzigd beleid worden deze voorzieningen (voor grote groepen) onbetaalbaar, ofwel moeten de belastingen en premies drastisch omhoog1.

Door de snelle opkomst van economieën als China en India, de verdere vrijmaking van de internationale wereldhandel en de uitbreiding van de EU, ondervinden Nederlandse bedrijven steeds meer concurrentie uit een groeiend aantal landen. Deze ontwikkeling moeten we niet met angst en beven tegemoet treden, maar met inzet en durf. Dus geen protectionisme, maar juist de strijd aangaan door onze sterktes uit te bouwen en te benutten. De toenemende concurrentie biedt vooral nieuwe mogelijkheden tot welvaartscreatie. Dat vraagt om versterking van de economische structuur en dus om versterking van het groeivermogen.

Het groeivermogen wordt bepaald door de groei van de arbeidsparticipatie en van de arbeidsproductiviteit. De essentie van de groeibrief is dat meer mensen aan het werk gaan en dat mensen met een baan langer en slimmer gaan werken.

Om meer mensen aan het werk te krijgen, richt het kabinet zich vooral op bepaalde bevolkingsgroepen, zoals vrouwen en ouderen. Die moeten niet langer worden gehinderd om te gaan of te blijven werken. Dat betekent betere kinderopvang en meer mogelijkheden voor ouderen op de arbeidsmarkt. Ouderen langer actief houden, is ook het middel om de trend te doorbreken dat we steeds eerder stoppen met werken, terwijl we wel ouder worden.

Verder werken Nederlanders veel minder uren dan hun collega's in het buitenland. De totale arbeidsparticipatie in uren is laag en wordt steeds lager. Deze trends wil het kabinet doorbreken door korter werken niet langer te stimuleren maar langer werken aan te moedigen.

Dat Europeanen en dan met name Nederlanders zoveel minder werken dan bijvoorbeeld Amerikanen of Japanners, kan niet alleen verklaard worden uit de culturele en persoonlijke voorkeuren. Met publieke en collectieve arrangementen is korter werken jarenlang gestimuleerd. Gegeven de noodzaak tot groei wil het kabinet nú langer werken stimuleren én mogelijk maken1. Of mensen uiteindelijk langer of korter willen werken blijft hun individuele keuze. Alleen komt de prijs die voor extra vrije tijd betaald moet worden, meer overeen met de maatschappelijke kosten ervan.

Tenslotte moeten we slimmer en innovatiever gaan werken. De groei van de arbeidsproductiviteit in Nederland ligt structureel lager dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten (VS). Over 1995–2001 groeide de arbeidsproductiviteit met gemiddeld 2% per jaar in de VS en slechts met 1,3% in Nederland. Dit is maar ten dele te verklaren uit het relatief hoge niveau van de arbeidsproductiviteit in Nederland. Landen met een vergelijkbaar niveau van de arbeidsproductiviteit zoals de Scandinavische landen, realiseren een hogere groei van de arbeidsproductiviteit dan Nederland. Door meer te investeren in kennis, bestaande kennis beter te benutten, door ICT-toepassingen beter in te zetten, door versterking van het ondernemingsklimaat én door betere werking van markten is dit te ondervangen.

De Europese context

Het versterken van het groeivermogen is geen unieke Nederlandse uitdaging en kan niet anders dan in Europees perspectief gezien worden. Alle landen van de EU kampen immers met de problemen van de vergrijzing en de uitdaging van de toenemende concurrentie. In de EU wordt algemeen onderkend dat versterking van het groeivermogen essentieel is om de EU-doelstellingen op milieu, sociaal en economisch vlak, zoals vastgelegd in de Lissabon-agenda, te realiseren. Volledig in lijn hiermee heeft de volgende Europese Commissie van de EU versterking van het groeivermogen centraal op haar agenda voor de komende jaren geplaatst. De EU biedt ook de beleidskaders waarbinnen de lidstaten het groeivermogen dienen te bevorderen. Zo heeft de Europese Grondwet – geplande inwerkingtreding 1 november 2006 – duidelijk gemaakt dat versterking van het groeivermogen en gezonde overheidsfinanciën de twee pijlers zijn van het economisch beleid2. De EU heeft bij het monetaire beleid (ECB) en de kaders voor het begrotingsbeleid (SGP) – cruciaal voor de macro-economische stabiliteit in de Unie – een duidelijk eigenstandige rol.

Een stabiel macro-economisch klimaat is een noodzakelijk, maar geen voldoende voorwaarde voor herstel van het groeivermogen van de EU. Vergroting van het Europese groeivermogen vereist ook substantiële structurele hervormingen, zowel binnen de lidstaten als op EU-niveau. En op dat punt schieten de lidstaten tekort. Er wordt nog onvoldoende van elkaar geleerd. Zo kennen Zweden en Denemarken een duidelijk hogere ouderenparticipatie dan het Europees gemiddelde, is het Verenigd Koninkrijk verder qua flexibiliteit op de arbeidsmarkt en is de innovatiegraad in enkele (bijvoorbeeld Scandinavische) landen veel hoger dan in Nederland.

In het hervormingsproces zorgt de Raad voor Concurrentievermogen voor een integrale aanpak van het concurrentievermogen. Zo behandelt de Raad voorstellen gericht op het versterken van de interne markt (bijvoorbeeld dienstenrichtlijn), het versterken van onderzoek en ontwikkeling in de EU en het verbeteren van het ondernemersklimaat voor het Europese bedrijfsleven (onder andere betere regelgeving en chemische stoffenrichtlijn«REACH»). Van groot belang is tevens een verbetering van de «governance» van het Lissabon-proces. Een high-level group onder leiding van oud-premier Kok zal in het najaar van 2004 aan de Commissie voorstellen doen voor verbeteringen in het Lissabon-proces. Op de Voorjaarstop van 2005 besluit de Europese Raad vervolgens over de inzet tot 2010. Om de doelstellingen te realiseren dient binnen de Lissabon-agenda focus aangebracht te worden: – first things first –. Zaak is ook dat alle lidstaten zich aan deze geprioriteerde committeren. Alleen dan kan Europa de in Lissabon gestelde doelen op het gebied van duurzame groei en werkgelegenheid daadwerkelijk realiseren.

Om het doorvoeren van de hervormingen te bespoedigen, dienen de procedures rondom nationaal te implementeren Europese wetgeving hierop meer te worden toegesneden. Snellere besluitvorming kan alleen plaatsvinden als die ook op nationaal niveau democratisch is gelegitimeerd. Om de implementatie van Europese richtlijnen te versnellen is een wetsvoorstel ingediend om het parlement in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken bij de keuzes die in de Unie moeten worden gemaakt (Kamerstuk 2003/2004 29 474, nr. 3).

Uitgangspunten van het economisch beleid

Het groeivermogen wordt gestimuleerd door marktwerking te bevorderen – via het compenseren of wegnemen van marktimperfecties – en publieke belangen efficiënt te borgen. Marktwerking wil niet zeggen dat de overheid alles maar aan de markt moet overlaten. Goede marktwerking vraagt juist om een actieve, een sterke overheid.

Private partijen krijgen zo veel mogelijk ruimte én verantwoordelijkheid om hun doelstellingen te verwezenlijken. Vanuit dit uitgangspunt zoekt het kabinet naar een balans tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid. Dit komt samen in de notie een sterke markt en een sterke overheid: de markt heeft het primaat waar dat kan, en de overheid grijpt in waar dat moet1.

Voor de uitvoering van dit beleid zijn verschillende instrumenten beschikbaar met ieder hun specifieke waarde bij het wegnemen van bepaalde marktimperfecties. Zo zijn financiële instrumenten als de WBSO zeer geschikt voor het compenseren van positieve externe effecten van kennisontwikkeling, kan de overheid via kredieten en garantiestellingen de onverzekerbare risico's van export naar bepaalde landen opvangen en is wet- en regelgeving geschikt om misbruik van marktmacht tegen te gaan en de mededinging te bevorderen. Of een bepaald instrument uiteindelijk ook wordt ingezet hangt af van de vraag of de kosten van ingrijpen opwegen tegen de baten. Dit vraagt om voortdurende evaluatie en waar nodig aanpassing van het EZ-instrumentarium. Zo zullen – mede naar aanleiding van de moties Hessels c.s. en Van Dam c.s. – in de te verschijnen Industriebrief de contouren worden geschetst van het gemoderniseerde bedrijfsgerichte financiële instrumentarium.

Naast deze economische principes kiest het kabinet bij het opstellen van zijn agenda bewust voor het stimuleren van excellentie en kwaliteit. De politiek heeft te lang te veel aandacht gehad voor het herverdelen van de welvaart, waardoor mensen onvoldoende gestimuleerd werden om hun talenten te ontwikkelen en ontplooien. Dat is slecht voor het groeivermogen van de economie en voor de vitaliteit van de maatschappij.

Daarom verschuift de aandacht in het nieuwe ruimtelijk economisch beleid bijvoorbeeld van het wegwerken van achterstanden naar het beter benutten van de kansen en sterke punten in alle regio's. Zo worden de middelen voor bedrijventerreinen niet langer meer evenredig verdeeld, maar gericht op 50 topprojecten van bovenregionale betekenis en cruciaal voor de Nederlandse economie. En richt het innovatiebeleid zich steeds meer op specifieke sterktes in de economie, die van strategisch belang zijn.

Leidend bij de invulling van de groeiagenda is voor het kabinet het streven naar een duurzame economische groei. Daarom kiest het kabinet voor ingrijpende maatregelen nu, om de welvaartscreatie op de lange termijn zeker te stellen. Ook dient de synergie tussen de dimensies economie, milieu en sociaal optimaal benut te worden, waarvoor technologische en institutionele innovaties het middel zijn. Dat synergie kan worden bereikt, illustreert het beleid rondom de Waddenzee. Om de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied te garanderen bleek een offensieve strategie noodzakelijk hetgeen is uitgemond in het instellen van een Waddenfonds van € 500 mln (onder regie van de minister van VROM) voor onder meer natuur, vermindering externe bedreigingen en duurzame economische ontwikkeling. Tegelijkertijd wordt de mechanische kokkelvisserij vanaf 1 januari 2005 beëindigd en wordt gaswinning onder de Waddenzee onder strikte voorwaarden toegestaan. In het klimaatbeleid is het systeem van verhandelbare emissierechten een goed voorbeeld hoe synergie te bereiken is tussen economische en milieudoelstellingen. Ook het beleid gericht op een transitie naar een duurzame energiehuishouding, en het in kaart brengen van economische en maatschappelijke aspecten van nanotechnologie zijn goede voorbeelden waarbij op een inventieve manier publieke en private, economische en milieu, en huidige en toekomstige belangen efficiënt tegen elkaar worden afgewogen.

Kabinetsnotitie «Kiezen voor groei»

In de notitie «Kiezen voor Groei» heeft het kabinet in juli 2004 19 activiteiten aangekondigd ter bevordering van duurzame en structurele economische groei. Rond de aanstaande jaarwisseling wordt een kabinetsnotitie aan de Tweede Kamer verzonden met de uitwerking van de aangekondigde acties, waarin wordt aangegeven door wie en wanneer bepaalde activiteiten uitgevoerd en afgerond zullen worden.

Box 1: Uitwerking van de groeiagenda

Het beleid gericht op groeiversterking is uiteengezet in de volgende brieven:

• Groeibrief «Kiezen voor groei» (Kamerstuk 2003–2004, 29 696, nr. 1) is de brede hervormingsagenda van het kabinet. De brief schetst uitgangspunten op macroniveau en plaatst verschillende structurele hervormingen in perspectief.

• De Industriebrief onderschrijft het belang van de industrie voor de Nederlandse (kennis)economie en bevat acties om de concurrentiepositie van de industrie en de verschillende industriële sectoren te versterken.

• Met de nota «Pieken in de Delta» (Kamerstuk 2003–2004, 29 697, nr. 1) wordt het regionaal economisch beleid meer gericht op versterking van het groeivermogen. Niet het wegwerken van achterstanden, maar het beter benutten van sterktes voor alle regio's komt centraal te staan.

• De Innovatiebrief «In actie voor innovatie» (Kamerstuk 2003–2004, 27 406, nr. 4) geeft de agenda voor het Innovatiebeleid tijdens deze kabinetsperiode. Uitwerking van de acties vindt plaats in nauw overleg met het Innovatieplatform.

• De Ondernemerschapbrief «In actie voor ondernemers» (Kamerstuk 2003–2004, 29 200-XIII, nr. 36) geeft op basis van een analyse van knelpunten een overzicht van de acties gericht om het ondernemerschap te versterken. Er wordt aandacht gegeven aan de start van bedrijven, de groei en een succesvolle overdracht van bedrijven.

• Het «Actieplan Internationaal Ondernemen» bevordert het internationaal ondernemen door Nederlandse bedrijven. Belangrijk onderdeel van het plan is een herziening van het buitenland instrumentarium en een betere publiek private samenwerking op dit beleidsterrein.

• In de Rijksbrede ICT-agenda «Beter presteren met ICT» (Kamerstuk 2003–2004, 26 643, nr. 47) en de Breedbandnota «Een kwestie van tempo en beter benutten» (Kamerstuk 2003–2004, 26 643, nr. 53) worden acties aangekondigd om de rol van ICT-netwerken en het stimuleren van ICT-toepassingen te bevorderen. Betere benutting van ICT kan de arbeidsproductiviteitsgroei en daarmee de groei fors versnellen.

In 2005 staat de uitvoering van de acties uit de Groeibrief en de daaraan verwante brieven (zie box) centraal. Deze acties worden geordend rond drie thema's:

1. Dynamiek.

2. Een concurrerend ondernemingsklimaat.

3. Vernieuwing.

2. DYNAMIEK

Ter bevordering van meer dynamiek en een sterke borging van publieke belangen heeft het kabinet in 2005 de volgende drie prioriteiten:

1. Betere werking internationale markten.

2. Bevorderen dynamiek op (semi-publieke) markten.

3. Beschermen van de belangen van de consument.

1. Betere werking internationale markten

Eind juli 2004 hebben de WTO-leden in Genève een raamwerkakkoord bereikt voor verdere onderhandelingen in de WTO Doha Ronde voor de onderwerpen landbouw (met daarbij speciale aandacht voor katoen), markttoegang voor industriegoederen, handelsfacilitatie en de ontwikkelingsdimensie van de ronde. Daarnaast was er specifieke aandacht voor het belang van diensten, waarbij een datum is genoemd voor het indienen van (verbeterde) aanbiedingen (mei 2005). Dit raamwerk zal in de aanloop naar de WTO-top in Hong Kong in december 2005 verder uitonderhandeld worden. Na het verlies aan momentum vanwege Cancún, kan nu de blik weer op de toekomst gericht worden. Het belang van dit akkoord mag om velerlei redenen niet onderschat worden. Positieve ontwikkeling is dat ontwikkelingslanden steeds volwaardiger onderhandelingspartners zijn geworden. Duidelijk is ook dat ontwikkelingslanden niet meer over één kam geschoren kunnen worden. Tussen ontwikkelingslanden bestaan grote verschillen, die tot uiting komen in verschillende onderhandelingsposities.

Het kabinet streeft als voorzitter van de EU in 2004 en daarna naar een constructieve inbreng van de EU in het WTO-onderhandelingsproces. Het kabinet zal de aanstaande bilaterale EU-toppen in het najaar van 2004 met onder andere China, India en Zuid-Korea gebruiken om de voortgang in de onderhandelingen te stimuleren.

2. Bevorderen dynamiek op (semi-publieke) markten

Ambitie van het kabinet is om in 2007 voor alle netwerksectoren tot de top vijf van Europa te behoren qua dienstverlening. In 2005 komt het Energierapport uit dat ingaat op de thema's voorzieningszekerheid, Europeanisering en de kosteneffectiviteit van overheidsingrijpen in de energiemarkt. In 2005 ontvangt de Tweede Kamer tevens de gasvisie, waarin de vraag centraal staat hoe de publieke belangen op de gasmarkt geborgd kunnen worden en hoe een effectieve concurrentie op de groothandelsmarkt wordt gerealiseerd.

De belangrijkste acties voor 2005 zijn:

Splitsing en privatisering energiebedrijven; in 2004 is besloten om privatisering van regionale energienetwerken te verbieden tot aan 1 januari 2007. Energiebedrijven mogen wel hun commerciële activiteiten voor 1 januari 2007 afsplitsen. Deze voorwaarden worden nader uitgewerkt in wetgeving (splitsing energiebedrijven) die eind 2005 in werking dient te treden.

Leveringszekerheid en voorzieningszekerheid; conform de richtlijnen rapporteert in juli 2005 het kabinet voor de eerste keer aan de Europese Commissie over de ontwikkeling van de vraag en aanbod op de energiemarkt en over de kwaliteit en de staat van onderhoud van de netten.

Ontwikkeling regionale energiemarkt Noordwest Europa; Nederland werkt samen met België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk aan een grote regionale energiemarkt. Ook wordt gewerkt aan een verbinding met Noorwegen (elektriciteit) en een verbinding met Groot-Brittannië (gas en elektriciteit).

Energietransitie; begin 2005 start de Unieke Kansen Regeling (totaal budget € 35 mln), waarmee de gezamenlijke projecten van bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties worden ondersteund. De beste voorstellen zullen worden beloond.

Groene stroom; In 2005 vervalt de gedeeltelijke vrijstelling van de Energie Belasting voor groene stroom, wordt de MEP op grond van de tussenevaluatie aangepast en worden de MEP-subsidietarieven verhoogd. In 2005 zal het uitgiftestelsel wind offshore inwerking treden. Ook wordt de ingebruikname van het Near Shore Windpark Egmond verwacht.

Uitgifte frequenties voor digitale radio en televisie; in 2005 vindt de uitgifte van digitale radiofrequenties (TDAB) plaats en wordt een begin gemaakt met de omschakeling van analoge naar digitale ethertelevisie (DVBT).

Nieuwe Postwet; in 2005 wordt een nieuwe Postwet opgesteld. Hierin worden de rechten en plichten van alle marktpartijen vastgelegd en wordt de universele dienst wettelijk gewaarborgd. In 2006 wordt het bestaande monopolie voor brievenpost teruggebracht naar brieven tot 50 gram.

Tegengaan oneigenlijke concurrentie door overheden; om oneigenlijke concurrentie door overheden en non-profitorganisaties te voorkomen worden in de loop van 2005 gedragsregels opgesteld en geïmplementeerd.

3. Betere bescherming consument

Voor een goede marktwerking zijn kritische én sterke consumenten noodzakelijk. Om de belangen van consumenten te borgen worden in 2005 de volgende acties uitgevoerd:

Uitwerking Strategisch Actieprogramma voor de Consument; het opzetten van een publiekrechtelijke consumentenautoriteit, voor effectieve handhaving van consumentenrecht ten aanzien van inbreuken met een collectief karakter. Daarnaast wordt een centraal informatieloket opgezet dat consumenten met vragen, klachten of een geschil doorverwijst naar de juiste instantie. Tenslotte zal een adequate klachtafhandeling bij bedrijven en het aangesloten zijn bij geschillencommissies worden gestimuleerd.

Betere consumentenbescherming in netwerksectoren; om de consument op de energiemarkt beter te beschermen tegen onrechtmatige gedragingen wordt het toezicht en de handhaving op de energiemarkten in 2005 verder uitgebreid met procedures voor onder andere bestuurlijke boetes. De consumentenbescherming op de telecommunicatiemarkt is verbeterd in de nieuwe Telecomwet en wordt verbeterd door de lagere regelgeving (2005) te wijzigen. Ook wordt gewerkt aan een betere bescherming van de consument op internet en wordt meer aandacht besteed aan het stroomlijnen van klachten- en geschilprocedures, verbeteren van de vergelijkbaarheid van aanbieders, verlagen van overstapdrempels en zaken als spam en veilig internetgebruik.

3. EEN CONCURREREND ONDERNEMINGSKLIMAAT

De concurrentiekracht van het Nederlands bedrijfsleven en het investerings- en vestigingsklimaat zijn snel verslechterd. Om het ondernemingsklimaat te versterken en het vestigingsklimaat voor buitenlandse bedrijven te verbeteren heeft het kabinet gelijk na zijn aantreden al een aantal belangrijke acties in gang gezet. Belangrijke stap hierin is ook de substantiële verlaging van het tarief van de Vennootschapsbelasting. In 2005 heeft het kabinet op dit terrein de volgende drie prioriteiten:

1. Verbetering van de regelgeving.

2. Meer ruimte voor ondernemerschap.

3. Een nieuw regionaal economisch beleid.

1. Verbetering van de regelgeving

Om het ondernemingsklimaat in Nederland te verbeteren is het van belang te kijken naar de kwaliteit en de kwantiteit van de regelgeving, naar de administratieve lasten en andere kosten die deze regelgeving voor ondernemers opleveren. Voor 2005 staan daarvoor de volgende acties gepland:

Vermindering van de administratieve lasten; in de brief «Meer ruimte voor ondernemers door minder lasten» geeft het kabinet de voorstellen waarmee een administratieve lastenreductie van € 3 mld in 2007 wordt gerealiseerd. Op het terrein van EZ is in totaal voor € 126 mln aan voorstellen ingediend om de administratieve lasten te verminderen. Dat is ongeveer 19% van de totale administratieve lasten die de EZ-regelgeving veroorzaken (meer informatie over de acties van EZ in 2005 staat in artikel 3, onder operationeel doel B). Er wordt gezocht naar verdere mogelijkheden om de administratieve lasten te verminderen, onder meer door ICT-toepassingen. Binnen het programma ICT en Administratieve Lasten (ICTAL) zijn generieke ICT-voorzieningen ontwikkeld -zoals het Bedrijvenloket, het Basis Bedrijvenregister en de Overheidstransactiepoort- die door overheden worden ingezet in hun informatieverkeer met het bedrijfsleven om zo de administratieve lasten te verlichten.

Verminderen tegenstrijdige regelgeving; strijdige regelgeving wordt momenteel onder de loep genomen in een aantal gemeenten. Streven is om in december 2004 de meest relevante strijdigheden te hebben opgelost. Deze oplossingen zullen landelijk bruikbaar moeten worden gemaakt door andere gemeenten en uitvoeringsorganisaties.

Taskforce Vereenvoudiging Vergunningen; de taskforce Vereenvoudiging Vergunningen komt in het begin van 2005 met voorstellen voor het terugdringen van de (administratieve) lasten, beperking van de doorlooptijden van vergunningen en stroomlijning van verschillende vergunningen.

Vermindering nalevingskosten; bedrijven moeten vaak omvangrijke investeringen doen en hoge kosten maken om aan bepaalde regels te kunnen voldoen. Eind 2004 wordt in kaart gebracht of en hoe de nalevingkosten van regelgeving kunnen worden gemeten (cf. motie-Aptroot/Smeets (29 515, nr. 18)).

2. Meer ruimte voor ondernemerschap

In 2005 voert het kabinet de volgende acties voor versterking van het ondernemerschap:

Aanpassing BBMKB; veel starters en MKB hebben geen toegang tot kleine kredieten. Om dit op te lossen wordt gedacht aan het verhogen van het garantiedeel voor borgstellingkredieten (BBMKB) onder de € 100 000. Ook zal de promotie van de BBMKB aan banken en starters worden vergroot.

Een concurrerend corporate governance stelsel; in 2005 vindt een fundamentele herbezinning op het structuurregime plaats, wordt gewerkt aan het slechten in Europees verband van barrières voor grensoverschrijdende activiteiten van ondernemingen en wordt een monitoringcommissie ondersteund die gaat toezien op de follow-up van de aanbevelingen van de commissie Tabaksblat. In 2005 wordt tevens gewerkt aan de vereenvoudiging en flexibilisering van het vennootschapsrecht, onder meer door aanpassing van bepalingen omtrent BV's.

Bedrijfsoverdrachten; om te zorgen dat meer bedrijven bij de pensionering van de ondernemer succesvol worden overgedragen wordt samen met ondernemersorganisaties onder andere een toolkit voor bedrijfsoverdrachten ontwikkeld.

Het actieplan veilig ondernemen; het kabinet heeft samen met VNO/NCW, MKB-Nederland en het Verbond van Verzekeraars het Actieplan Veilig Ondernemen gelanceerd. Kern van dit plan is een vermindering van de criminaliteit in 2008 met 20%. EZ is daarbij verantwoordelijk voor het project Aanpak Transportsector en het project Aanpak Urgente bedrijvenlocaties.

Actieprogramma Internationaal ondernemen; het Actieprogramma Internationaal Ondernemen heeft tot doel de positie van het Nederlands bedrijfsleven op internationale markten te versterken. De oprichting van een Dutch Trade Board moet leiden tot krachtenbundeling en daarmee tot een versterking van de exportbevordering. Tevens wordt in 2005 het instrumentarium van EZ en Ontwikkelingssamenwerking beter op elkaar afgestemd en wordt het PSB-programma vernieuwd. Ook komt er meer aandacht voor hoogwaardige export in het exportinstrumentarium.

3. Een nieuw regionaal economisch beleid

De regionale welvaartsverschillen in Nederland zijn klein en beleid om deze verschillen verder te verkleinen blijkt nauwelijks effectief. Daarom richt het kabinet in het ruimtelijk economisch beleid de aandacht op het grijpen van economische kansen en niet langer op het wegwerken van welvaartsverschillen1. Zo zal het kabinet samen met andere overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven extra aandacht besteden aan innovatieve regio's, de zogenaamde hotspots: brainport Eindhoven/Zuidoost-Brabant, Oost-Nederland (Twente/Gelderland) en de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Een goede bereikbaarheid van economische kerngebieden (inclusief mainports) vormt een sleutelfactor voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat. In 2005 wordt in samenwerking met V&W een economische visie ontwikkeld op de lange termijn concurrentiekracht van Schiphol.

In voorbereiding op de volgende periode van Europese Structuurfondsen wordt in 2005 een nationaal strategiedocument opgesteld en zal bijvoorbeeld de bijdrage van grensoverschrijdende samenwerking aan de versterking van de economische structuur meer aandacht krijgen. Bijzondere aandacht in 2005 gaat uit naar:

Versterking stedelijke economie; om de stuwende economische kracht van steden stevig te benutten zet het kabinet in het kader van het onderdeel economie van het GSB III (2005–2009) € 160 mln in. Hiermee worden vanaf 2005 economische programma's gestimuleerd in de 30 grote steden die onder andere gericht zijn op vermindering criminaliteit tegen ondernemers, de aanpak van verouderde bedrijventerreinen en versterking van de innovatiekracht.

Bedrijventerreinen; voor een sterk en gevarieerd aanbod van bedrijventerreinen wordt in 2005 gestart met de realisatie van de 50 Topprojecten. Dat zijn bedrijventerreinen die van nationaal belang zijn voor de concurrentiekracht. Daarnaast werkt het kabinet aan het verbeteren van de kwaliteit, veiligheid en uitstraling van de bedrijventerreinen in Nederland.

Een betere uitvoering van beleid in de regio; de effectiviteit van het regionaal economisch beleid wordt verbeterd door de werkzaamheden van uitvoerende organisaties zoals de ROM's en Syntens beter op elkaar te laten aansluiten. In 2005 zal deze stroomlijning starten, mede geïnitieerd vanuit het project Andere Overheid (PAO).

4. VERNIEUWING

Uit verschillende analyses en studies blijkt dat de Nederlandse economie onvoldoende profiteert van de hoge kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek, van de hoog opgeleide beroepsbevolking en van het toepassen van de (goede) ICT-voorzieningen. Mede om dit te veranderen heeft het kabinet het Innovatieplatform ingesteld. In de tweede helft van 2004 komt het Innovatieplatform met adviezen over het stimuleren van innovatie in het MKB, het dynamiseren van de kennisketen, het verbeteren van het beroepsonderwijs en het analyseren van de strategische innovatiegebieden voor de Nederlandse economie. Voor het groeivermogen is het van groot belang dat op basis van deze adviezen knelpunten in het innovatiesysteem snel worden aangepakt.

Het kabinet heeft op dit beleidsterrein de volgende drie prioriteiten:

1. Meer innovatieve bedrijven.

2. Meer strategische innovatiegebieden en versterking kennisinfrastructuur.

3. Stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van ICT en breedband.

1. Meer innovatieve bedrijven

Slechts 1/3e van de MKB-bedrijven innoveert. Tegelijkertijd neemt de innovativiteit van het industriële MKB af. Om deze ontwikkeling te keren voert het kabinet de volgende acties uit:

Stimulering innovatie in het MKB; om de interactie tussen MKB-bedrijven en kennisaanbieder te bevorderen worden in het najaar van 2004 de eerste honderd vouchers uitgereikt als onderdeel van een pilotproject. In 2005 wordt het experiment verbreed. Om het MKB een verdere impuls te geven worden de mogelijkheden onderzocht om in Nederland de Amerikaanse SBIR-aanpak toe te passen. Bij deze methode worden overheden verplicht om een bepaald percentage van hun uitgaven aan externe onderzoeksopdrachten te besteden bij het MKB.

Start TechnoPartnerprogramma; als onderdeel van het TechnoPartnerprogramma start per januari 2005 de «Seed faciliteit» om privaat durfkapitaal voor starters te mobiliseren. Daarnaast starten de eerste projecten in het kader van het SKE-programma, gericht op het professioneel ondersteunen van technostarters.

2. Meer strategische innovatiegebieden en versterking kennisinfrastructuur

Excellente clusters worden een steeds belangrijkere vestigingsplaatsfactor voor R&D-intensieve bedrijven en kenniswerkers. Hiertoe zet het kabinet in 2005 met name in op de volgende acties:

Nieuwe strategische samenwerkingsverbanden; vanaf 2005 ondersteunt EZ samen met OCW vanuit de smart mix nieuwe publiek-private samenwerkingsverbanden op gebieden die aansluiten bij onze sterktes en excellent onderzoek. Bij de keuzes zullen de wetenschappelijke excellentie en het valorisatieperspectief worden meegewogen.

Andere financiering en aansturing TNO en GTI's; in lijn met de evaluatie zullen TNO en de Grote Technologische Instituten (GTI's) zich meer gaan richten op de vraag van bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheid. Het is hiermee van belang dat deze vraag in de aansturing en financiering meer centraal komt te staan en dat de kloof tussen bedrijven en kennisinstellingen fors verkleind wordt. De ervaringen met het opstellen van de Energie Onderzoek Strategie (EOS) en met programmatische sturing in het kader van ICES/KIS zullen hierbij worden betrokken.

Verbeteren toegankelijkheid Nederland voor internationaal toptalent; het kabinet heeft besloten tot één loket, kortere procedures en beperkte leges voor het toelaten van kenniswerkers met een arbeidscontract. Het kabinet zal nog dit jaar bezien welke belemmeringen er zijn voor kennismigranten om zich als zelfstandige te vestigen in Nederland en op welke wijze die belemmeringen kunnen worden weggenomen.

3. Stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van ICT en breedband

Nederland behoort qua ICT-netwerken tot de top, maar profiteert nog onvoldoende van de kansen die ICT biedt om de productiviteit te versnellen. Acties om dit te verbeteren zijn uitgewerkt in de ICT-agenda («Beter presteren met ICT») en de Breedbandnota («Een kwestie van tempo en betere benutting»). In het najaar van 2004 komt de Impulscommissie Breedband met aanbevelingen om de ontwikkeling van breedband in Nederland te stimuleren. De belangrijkste acties voor 2005 zijn:

Mobiel betalen en betalen via internet; samen met financiële instellingen, telecom- en ICT-bedrijven en de zogenaamde «merchants» (thuiswinkels, mediabedrijven, ANWB, parkeerbedrijven) wil het kabinet een infrastructuur opzetten die mobiel betalen en betalen via internet mogelijk moet maken. In 2005 wordt een analyse gemaakt van de maatschappelijke kostenbaten van de verschillende infrastructuren en wordt een aantal demonstratieprojecten gestart.

Ontwikkeling ICT-diensten; op terreinen als het onderwijs, de zorg, mobiliteit en veiligheid zal actie worden ondernomen om de daar bestaande knelpunten aan te pakken door gebruik van innovatieve breedbandige ICT-toepassingen.

Regieorgaan ICT voor onderzoek en innovatie; in 2005 zal het regieorgaan ICT voor onderzoek en innovatie starten met de eerste projecten die moeten leiden tot meer samenwerking in het ICT-onderzoek en een sterkere aandacht voor benutting van onderzoek.

5. SLOTPARAGRAAF

Onderstaand is een selectie van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) opgenomen ten opzichte van de begroting 2004. Een volledig overzicht van de majeure beleidsmatige verplichtingenmutaties is opgenomen in de verdiepingsbijlage.

Uitgaven (in € mln)
 200420052006200720082009
Stand ontwerpbegroting 20041 643,51 499,31 405,01 420,71 411,9 
Artikel 2 Innovatiekracht      
Fes-bijdrage Bsik innovatie (deels VJN)29,243,444,144,135,4 
Fes-bijdrage IS-regeling9,19,19,19,19,1 
Kennisenveloppe(VJN) 7,331,675,092,7 
Vermogensnormering NIVR 4,64,54,44,3 
Artikel 3 Ondernemingsklimaat      
Scheepsbouw (VJN)30,030,010,0   
Artikel 4 Energiehuishouding      
Fes-bijdrage Bsik energie (deels VJN)4,58,17,77,66,2 
Joint Implementation(VJN)– 13,6– 19,5– 15,9– 15,1– 16,3 
COVA– 4,0– 10,0– 6,0   
Artikel 9 CBS      
Europese statistieken (deels VJN)3,85,35,75,95,6 
Artikel 10 Elektronische comm. en post      
ICTAL 6,04,20,7  
Diverse artikelen      
Geparkeerde taakstelling Vpb-verlaging  – 53,0– 104,0– 120,0 
Rijksbrede aanvullende PIA-taakstelling – 35,0– 50,0– 100,0– 100,0 
Invulling rijksbrede PIA-taakstelling19,128,428,428,428,4 
(Extra) Efficiencytaakstelling – 2,2– 3,3– 4,3– 4,3 
Diverse mutaties VJN23,48,314,014,614,8 
Overige mutaties (deels VJN)17,7– 0,70,1– 3,0– 2,9 
Stand ontwerpbegroting 20051 762,71 582,41 436,21 384,11 364,91 374,1
Ontvangsten (in € mln)
 200420052006200720082009
Stand ontwerpbegroting 20042 536,02 025,21 981,82 081,12 080,8 
Artikel 1 Economie en markten      
Boetes Nma (deels VJN)25,0110,065,030,030,0 
Artikel 2 Innovatiekracht      
Fes-bijdrage Bsik innovatie (deels VJN)29,243,444,144,135,4 
Fes-bijdrage IS-regeling9,19,19,19,19,1 
Twinning– 15,9     
Vermogensnormering NIVR (deels VJN)20,0     
Artikel 4 Energiehuishouding      
Gasbaten (deels VJN)380,0877,0615,0293,0381,0 
Fes-bijdrage Bsik energie (deels VJN)4,58,17,77,66,2 
COVA– 4,0– 10,0– 6,0   
Diverse artikelen      
Diverse mutaties VJN– 114,0– 137,5– 132,5– 130,6– 130,5 
Overige mutaties (deels VJN)7,52,03,3– 1,1– 1,5 
Stand ontwerpbegroting 20052 877,42 927,32 587,52 333,22 410,52 573,0

Onderstaand worden de belangrijkste mutaties kort toegelicht.

Intensiveringen

• Vanuit het Fes zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor de regeling Besluit Subsidies Investeringen kennisinfrastructuur (Bsik). EZ stimuleert zo ontwikkeling en overdracht van kennis op belangrijke kennisgebieden.

• Ook voor de regeling Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten (IS) is vanuit het Fes voor de jaren 2004 tot en met 2008 een bijdrage verleend. Betreft doorwerking vanuit de investeringsimpuls 1998.

• Aan de EZ-begroting zijn middelen toegevoegd vanuit de kennisenveloppe uit het regeerakkoord. De middelen worden gebruikt voor TechnoPartner en publiek-private samenwerking binnen de Smart Mix.

• EZ verleent € 50 mln productiesteun voor scheepsbouw via verlenging van de TROS-regeling en heeft € 20 mln gereserveerd voor een garantieregeling.

• Het CBS moet regelmatig voldoen aan nieuwe Europese statistische verplichtingen.

• Voor verdere uitvoering van het programma ICT en administratieve lasten (ICTAL) is een bedrag van € 10,9 mln nodig.

Overige mutaties

• De subsidies aan bedrijven worden gekort om een deel van de verlaging van de vennootschapsbelasting (Vpb) te kunnen compenseren. In afwachting van een nadere verdeling over de betrokken departementen is deze Vpb-taakstelling vooralsnog op de EZ-begroting geparkeerd.

• In het kader van de rijksbrede vermogensnormering is in 2004 een bedrag van € 20 mln van het Revolving Fund van het NIVR afgeroomd. Deze middelen komen met rente terug voor lucht- en ruimtevaartbeleid in de jaren 2005 tot en met 2009.

• Door de lagere marktprijs voor CO2-reductie kan de raming voor aankoop van CO2-reductie-eenheden in het kader van de Nederlandse Kyoto-doelstelling omlaag.

• Omdat de inkomsten uit de heffing van de Stichting Centraal Orgaan Voorraadheffing Aardolie (COVA) hoger zijn dan de kosten, kan de heffing omlaag.

• De rijksbrede aanvullende taakstelling voor Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) is op de EZ-begroting geparkeerd. Deze zal aan de hand van een nog vast te stellen verdelingsvoorstel bij Voorjaarsnota 2005 over alle departementen worden verdeeld.

• Van de bij Miljoenennota 2004 op de EZ-begroting geparkeerde taakstelling PIA van € 50 mln structureel, is inmiddels € 30 mln structureel met maatregelen belegd en over alle departementen verdeeld.

• Het aandeelhouderschap en de ontvangstramingen voor Holland Casino, Twinning en UCN zijn aan het Ministerie van Financiën overgedragen.

• Aanpassing raming van ontvangsten NMa boetes.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

1 GOED FUNCTIONERENDE ECONOMIE EN MARKTEN IN NEDERLAND EN EUROPA

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
Het bevorderen van een goed functionerende economie en goed functio- nerende markten in Neder- land en in Europa, en het stimuleren van verdere economische integratie in Europa.A. Optimale strategie- en besluitvorming ten behoeve van het vergroten van de structurele economische groei van Nederland.
B. Optimale strategie- en besluitvorming ten behoeve van het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de EU, onder meer door het verdiepen en verbreden van de interne markt.
C. Versterken van concurrentie op Nederlandse markten.
D. Versterken van de positie van de consument.

Grafieken

Aandeel artikel 1 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-1.gif

Onderverdeling artikel 1 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-2.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-3.gif

Ontvangsten 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-4.gif

1.1. Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

Het bevorderen van een goed functionerende economie en goed functionerende markten in Nederland en in Europa, en het stimuleren van verdere economische integratie in Europa.

De afgelopen jaren is het duurzaam economisch groeivermogen van Nederland verslechterd. Als we onze individuele welvaart en onze collectieve voorzieningen in stand willen houden, moet deze trend worden doorbroken. Vergroting van de duurzame groei dient onze hoogste prioriteit te zijn. Om Nederland weer bij de top van Europa aan te laten sluiten. En zodat de EU op mondiaal niveau tot de top blijft behoren.

Dit alles vraagt om een sterke economische structuur, zowel op nationaal als op Europees niveau, met een gezond macro-economisch beleid, budgettaire stabiliteit, goede randvoorwaarden voor innovatie1, ondernemerschap2, internationaal ondernemen3 en goed functionerende netwerksectoren4. Dit beleidsartikel richt zich op de algemene randvoorwaarden voor economische groei door het bevorderen van een goed functionerende economie en goed functionerende markten in Nederland en Europa, en het stimuleren van verdere economische integratie binnen Europa.

Verantwoordelijkheid EZ voor realiseren streefwaarden

EZ is medeverantwoordelijk voor het scheppen van de randvoorwaarden waarbinnen de Nederlandse en Europese economie en markten optimaal kunnen functioneren. De Minister van EZ is derhalve systeemverantwoordelijk.

Operationele doelstellingen

Een gezond macro-economisch beleid en budgettaire stabiliteit zijn belangrijke voorwaarden voor een sterke economische structuur. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een optimaal niveau en verdeling van collectieve lasten. De mate van marktwerking en de wijze van marktordening vormt een andere essentiële factor van invloed op de kwaliteit van de economische structuur, en daarmee op duurzame economische groei. Dit geldt niet alleen voor goederen- en dienstenmarkten, maar zeker ook voor de wijze waarop de arbeidsmarkt gereguleerd is. Tenslotte vormt verdergaande integratie en verbreding van de Europese interne markt een belangrijke pijler voor het vergroten van de nationale groei, met name omdat Nederland als kleine open economie in hoge mate afhankelijk is van het buitenland, en vooral van onze Europese buren. De algemene beleidsdoelstelling kan worden opgesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. Optimale strategie- en besluitvorming t.b.v. het vergroten van de structurele economische groei van Nederland.

B. Optimale strategie- en besluitvorming t.b.v. het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de EU, onder meer door het verdiepen en verbreden van de interne markt.

C. Versterken van concurrentie op Nederlandse markten.

D. Versterken van de positie van de consument.

Beleidsprogramma Balkenende II

Het versterken van onze economische basis is één van de hoofdlijnen van het huidige kabinet. Hiertoe heeft het kabinet reeds substantiële ombuigingen doorgevoerd om de overheidsfinanciën op orde te houden en zijn diverse maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie te bevorderen en uitkeringsafhankelijkheid terug te dringen.

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2004 en de follow-up daarvan in 2005, heeft Nederland een uitgelezen kans zich nadrukkelijk en goed te positioneren in de uitgebreide EU. EZ zet zich daarbij met name in voor een verbetering in de implementatie van de Lissabonstrategie.

Activiteiten ter versterking van concurrentie worden zowel door Europese als binnenlandse ontwikkelingen aangedreven. De komende jaren wordt met name gewerkt aan versterking van de mededingingswet en het oprichten van een consumentenautoriteit. Daarnaast wordt de rol van de toezichthouder als marktmeester en borger van publieke belangen en in relatie met de politieke verantwoordelijkheid opnieuw ingevuld. Tot slot wordt gewerkt aan de introductie van marktwerking in de zorg, om daarmee de borging van de publieke belangen én de werking van de zorgmarkt te verbeteren.

Overzicht acties 2005
Operationele doelenacties 2005Budget operationeel doel 2005
A. Optimale strategie- en besluitvorming t.b.v. het vergroten van de structurele economische groei van Nederland.• Follow-up notitie t.b.v. structurele groei • Project groei en publieke sector • Beleidsdiscussie lange termijn • Bijdragen aan Programma Andere Overheid• Evaluatie uitvoering Regeerakkoord • Coördinatie OESO-landenexamen en IMF artikel IV missie 2005Apparaat
   
B. Optimale strategie- en besluitvorming t.b.v. het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de EU.• Follow-up speerpunten EU-voorzitterschap • Mid Term Review Lissabon doelstellingen (Voorjaarstop '05) • Besluitvorming specifieke dossiers in Raad voor het Concurrentievermogen, waaronder het voorstel voor een Interne Markt voor Diensten • Creatie level playing field registratie en toelating chemische stoffen • Stabiliteits- en groeipact • Agenda 2007 en Structuurfondsen • Economisch verantwoorde EU uitbreidingApparaat
   
C. Versterken van concurrentie op Nederlandse markten.• Afronden mededingingswetgeving n.a.v. evaluatie en EUregelgeving • Aanpassen mededingingswetgeving i.h.k.v. Markt & Overheid • Aanpakken concurrentiebeperkende maatregelen bij vrije beroepen • Stroomlijnen aanbestedingsregelgeving• Stimuleren en ondersteunen van aanbestedende diensten • Bevorderen concurrentie in de (semi) publieke sector, m.n. zorg • Vervolgbrief certificatie en accreditatie • Uitvoeren projecten Interdepartementale Commissie Marktordening• Uitvoeren projecten Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken € 16,6 mln
   
D. Versterken van de positie van de consument.• Uitvoeren strategisch actieprogramma voor de consument, waaronder: • Inrichten centraal informatie loket voor consumenten • Uitbreiding website www.StaIkSterk.nl • Bevorderen adequate klachtenafhandeling Oprichting consumentenautoriteit€ 0,6 mln

1.2 Operationele doelstellingen

Operationeel doel A. Optimale strategie- en besluitvorming ten behoeve van het vergroten van de structurele economische groei van Nederland

Structurele groei bestaat uit de groei van werkgelegenheid (in personen en uren) en van de arbeidsproductiviteit. In Nederland vertoont de structurele groei de afgelopen jaren een dalende trend. Om deze trend te keren, zodat we ook op langere termijn onze welvaartsstaat kunnen bekostigen, zullen belemmeringen in onze economische structuur moeten worden weggenomen die een negatieve invloed hebben op de groei van het aantal personen dat werkt, van het aantal uren dat zij werken en van de hoeveelheid die per uur geproduceerd wordt.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaardeHuidige waarde (2000–2003)
Relatieve structurele groei in NederlandTop 5 EU-15Top 5 EU-151:1. Ierland (6,4%)2. Griekenland (3,2%)3. Spanje (2,9%)4. Finland (2,8%)5. Portugal (2,7%)10. Nederland (2,3%)
Absolute structurele groei in Nederland2½%22,3%

1 Cijfers Luxemburg onbekend.

2 Gebaseerd op 2% BBP-groei per capita en bevolkingsgroei van ½%.

Bron: OESO.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van deze doelstelling.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijving
Benchmarken economisch beleidEZ publiceert met regelmaat benchmarkstudies (zoals de Toets op het Concurrentievermogen (2002) en Structural Indicators (2003)), waarin de economische prestaties van Nederland afgezet worden tegen die van omringende en goed presterende landen.
Visievorming economisch beleid d.m.v. secretariaten van en participatie in interde- partementale organenEZ voert het secretariaat van de Raad voor Economische Aangelegenheden en diens ambtelijk voorportaal, de Commissie voor Economische Aangelegenheden (CEA). Tevens verzorgt EZ de secretariaatsvoering van de Centraal Economische Commissie.
Rijksstrategennetwerk en SBO-netwerkMiddels het Rijksstrategennetwerk draagt EZbij aan coördinatie, afstemming en kennisuitwisseling tussen strategiedirecteuren binnen de Rijksoverheid. Vanuit het departementale Strategisch Beleidsonderzoek (SBO) netwerk wordt hiervoor input geleverd.
CBS en CPBBestuurlijke en inhoudelijke contacten met het CBS en CPB, onder meer via de Centrale Commissie voor de Statistiek (m.b.t. CBS) en de Centrale Plancommissie (m.b.t. CPB).
OSADe Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) bouwt strategische kennis op over arbeidsmarktvraagstukken en draagt deze uit als basis voor oordeelsvorming en beleidsvoorbereiding. In de hoedanigheid van medefinancier van OSA beslist EZ mee over het onderzoeksprogramma en is EZ medeverantwoordelijk voor de beoordeling van de output.

Het budget voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om de structurele groei te vergroten, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Follow-up kabinetsnotitie «Kiezen voor Groei»

In de notitie «Kiezen voor Groei» kondigde het Kabinet in juli 2004 een aantal activiteiten aan ter bevordering van duurzame en structurele economische groei (zie onderstaande tabel). Samen met de meest betrokken ministeries worden deze acties in 2005 voortvarend ter hand genomen. Dit gebeurt onder regie van de Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Aangekondigde acties kabinetsnotitie «Kiezen voor groei»

1. Minder regels en kortere procedures

a. Stroomlijnen en inkorten van procedures voor het verlenen van vergunningen.

b. Aanpakken van onnodige en strijdige regelgeving. Najaar 2004 start hiertoe een project.

c. Bezien van nut en noodzaak van arboregels, mede met betrekking tot implementatiekosten bedrijfsleven.

d. In 2004 bezien in welke sectoren regelgeving kan worden afgeschaft en mededinging kan worden versterkt.

e. Operationaliseren van de term «regeldruk» en formuleren van concrete doelstelling tot vermindering hiervan.

2. Vennootschapsbelasting

Aanpassen van de vennootschapsbelasting door tariefverlaging en grondslagaanpassing. Hierover wordt nog in 2004 aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

3. Een duidelijk fiscaal regime

Sneller verschaffen van duidelijkheid aan bedrijven over hun fiscale positie met betrekking tot de nationale uitvoering van internationale afspraken.

4. Toelating van buitenlandse kenniswerkers

a. Vernieuwen van beleid ten aanzien van toelating van buitenlandse zelfstandigen tot Nederland, met name ten aanzien van zelfstandigen die bijdragen aan de kenniseconomie.

b. Nog in 2004 bezien welke belemmeringen er zijn, en hoe deze weggenomen kunnen worden, voor de vestiging van kenniswerkers als zelfstandige.

c. Bezien op welke wijze kennismigranten als zelfstandige toegelaten kunnen worden die aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot bijvoorbeeld beroep of werkervaring voldoen.

5. Publiek-Private Samenwerking

a. Beoordelen wat de meerwaarde is van PPS voor alle investeringen in infrastructuur (> € 112,5 mln) en gebouwen, vanaf 2005.

b. Op elkaar afstemmen van publieke en private investeringen, vanaf 2005.

c. Bezien van mogelijkheden voor PPS bij gebiedsgebonden projecten van de lokale overheid waaraan het Rijk financieel bijdraagt, vanaf 2005.

6. EU Richtlijnen

a. Streven naar afronding van de Dienstenrichtlijn in 2005.

b. Terugbrengen van NL implementatietekort van EU richtlijnen tot maximaal 1,5%, uiterlijk ultimo 2004.

7. Focus en massa in universitair onderzoek

a. Bundelen van, en duidelijker richting geven aan, universitair onderzoek.

8. Aansluiting onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven

a. Stimuleren van kennisgebieden die cruciaal zijn voor de Nederlandse economie.

b. Experimenteren met het uitbesteden van onderzoek bij het MKB.

c. Starten met het uitreiken van kennisvouchers aan het MKB, in het najaar van 2004.

9. Aantrekken van toptalent

a. Verbreden (experimenteer)mogelijkheden tot collegegelddifferentiatie en selectie aan de poort.

b. Analyseren van voor- en nadelen van verbeterde toegang van nu niet bekostigde en/of aangewezen instellingen tot het Nederlands onderwijsbestel.

10. Meer private investeringen in kennis en innovatie

a. Van het bedrijfsleven wordt verwacht, dat het óf zelf innoveert, óf participeert in vernieuwende starters en doorgroeiers.

b. Onderzoeken of kleinere en jonge bedrijven voldoende bereikt worden met de huidige beleidsinstrumenten om innovatie te bevorderen.

11. Sociale innovatie

a. Bevorderen dat initiatieven met betrekking tot sociale innovatie via Innovatieplatform bijeen worden gebracht.

b. Van werkgevers en werknemers wordt verwacht dat zij de mogelijkheden en voordelen van sociale innovatie onderkennen en benutten.

12. Modernisering werkgelegenheidsbeleid

Nader bezien hoe met meer arbeidsmarktdynamiek en activerende sociale zekerheid meer mensen aan de slag kunnen. Hiertoe gaat tegelijkertijd met de begroting een notitie naar de Tweede Kamer.

13. Betere aansluiting beroepsonderwijs op bedrijfsleven

Maatregelen nemen om VMBO-scholen meer mogelijkheden te geven én uit te dagen om opleidingen beter af te stemmen op capaciteiten en behoeften van leerlingen, en behoeften van het bedrijfsleven.

14. Meer en betere scholing voor werkenden en werkzoekenden

Van sociale partners en scholingsinstellingen wordt verwacht dat zij meer taakstellende afspraken maken, waarbij een individuele aanpak met name zinvol kan zin om ouderen langer te laten werken.

15. Een meer dynamische arbeidsmarkt

a. Nog in 2004 bezien hoe het ontslagrecht aangepast kan worden ter flexibilisering van de arbeidsmarkt, met adequate bescherming van werknemers.

b. Verrekenen van ontslagvergoedingen en andere werkgeversvergoedingen met de WW-uitkering.

c. Heroverwegen, in 2004, van het lifo-beginsel bij collectief ontslag en de verwijtbaarheidstoets.

16. Een meer activerende sociale zekerheid

a. Schetsen van een toekomstperspectief voor de ontwikkeling van een meer activerend sociale zekerheidsstelsel, met een grotere rol voor individuele, niet-publieke elementen.

b. Versterken van de activerende werking van de WW, en voorkomen dat de WW wordt benut als uittreedroute voor ouderen.

c. Vergroten van de individuele elementen in de sociale zekerheid.

17. Langer doorwerken

a. In beeld brengen van opties ter bevordering van langer werken, waarbij de relatie tussen levensverwachting en uittreedleeftijd centraal staat.

b. Sociale partners dienen langer doorwerken te stimuleren, o.a. door acties t.a.v. demotie, leeftijdsafhankelijke beloning en het aanpassen van bepalingen in CAO's en pensioenregelingen.

18. Verlenging arbeidsduur

a. Verminderen van de achterstand t.o.v. de EU met betrekking tot de korte werktijden in Nederland.

b. In CAO's voor de overheidssector moet een normale 40-urige werkweek weer het oriëntatiepunt worden.

c. Sociale partners dienen de 40-urige werkweek als richtinggevend te beschouwen en geen belemmeringen in CAO's op te nemen die arbeidsduurverlenging belemmeren.

19. Aantrekkelijker maken van meer en langer werken

a. Maken van meer voortgang met het (financieel) aantrekkelijker maken van meer en langer werken. Maatregelen t.a.v. de hoogte en samenloop van inkomensafhankelijke regelingen en belasting en premietarieven staan hierbij centraal.

b. Vorming van één loket voor en harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen.

Groei en de publieke sector

In 2005 continueert EZ het in 2004 gestarte onderzoek naar de relatie tussen groeivermogen en uitgaven en kosten in de publieke sector. Hierbij worden onder andere de marginale druk, de woningmarkt en de onderwijssector betrokken. Uit dit project kunnen publicaties voortvloeien en/of kan een conferentie worden georganiseerd.

Beleidsdiscussie lange termijn

Op verschillende departementen, waaronder EZ, wordt gewerkt aan Verkenningen, die in 2005 beschikbaar komen en input opleveren voor de discussie over beleid op de lange termijn (waaronder de komende kabinetsperiode). Het is denkbaar dat het Kabinet een oplegnotitie bij deze Verkenningen maakt.

Programma Andere Overheid

EZ levert een belangrijke bijdrage aan het Programma Andere Overheid, bijvoorbeeld ten aanzien van «herbezinning op taken van de overheid» en «herontwerp van de structuur van het Rijk». Ook heeft EZ het voortouw in het onderzoek naar de invoering van vraagsturing, een van de door het programma voorgestelde manieren om de dienstverlening van de overheid aan de burger te verbeteren.

Evaluatie uitvoering Regeerakkoord

Halverwege de regeringsperiode wordt de balans opgemaakt van de uitvoering van het Regeerakkoord en worden noodzaak en mogelijkheden voor aanvullend beleid bezien.

OESO-landenexamen en IMF artikel IV missie 2005

In 2005 start een nieuw OESO-landenexamen van Nederland en een nieuwe artikel IV consultatie van het IMF. Hierin wordt Nederlands economisch en budgettair beleid beoordeeld. EZ coördineert het landenexamen en levert een belangrijke bijdrage aan de IMF missie.

Operationeel doel B. Optimale strategie- en besluitvorming ten behoeve van het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de EU

Voor het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de EU is het goed functioneren van de Interne markt een kernelement. De Interne markt is nog niet «af» en kan op vele deelsegmenten verder verdiept worden. Daarnaast moet bij verbreding van de Interne markt – als gevolg van toetreding van nieuwe landen tot de EU – aantasting van het goed functioneren van de Interne markt voorkomen worden. Bovendien stelt het effectief opereren in een Unie van 25 lidstaten nieuwe eisen aan werkwijze en netwerkvorming. Aan deze aspecten blijft EZ in 2005 speciale aandacht besteden.

Indicatoren en streefwaarden
Indicator1StreefwaardeHuidige waarde (2002)
Interne Markt Index EU-15165160
Interne Markt Index NL145141

1 Deze indicatoren, gepubliceerd door de Europese Commissie, zijn indexcijfers (1994 = 100). De continue stijging van de Index voor de EU-15 is een teken van voortdurende integratie van Europese economieën en een positief effect van beleid gericht op het beter functioneren van de interne markt. Er zijn nog geen cijfers voor de EU-25. Zie voor meer informatie de website http://www.europa.eu.int/comm/internal_market/score/index_en.htm.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van deze doelstelling.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijving
Raad voor het ConcurrentievermogenDeze Raad, waarin de Minister van EZ participeert, neemt beslissingen over maatregelen die de concurrentiekracht van de Europese Economiebepalen.
Solve-ItSolve-It centra in elk van de lidstaten behandelen klachten van burgers en bedrijven uit de ene lidstaat over een andere lidstaat. Tezamen vormen zij een online Europees netwerk dat eenvoudige problemen van burgers en bedrijven binnen de interne markt oplost.
Interdepartementale coördinatiestructurenOptimale EZ-inbreng bij het totstandkomen van Nederlandse positiebepaling van de EU.
Coördinatiecentrum staatssteunCoördinatie van en advisering over staatssteunzaken op EZ.

Het budget voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.1

Follow-up Nederlands Voorzitterschap- EU

Na afronding van het Nederlands Voorzitterschap in de tweede helft van 2004, blijft EZ in 2005 nauw samenwerken met de voorgaande en volgende voorzitter (Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk) om zoveel mogelijk voortgang te boeken met betrekking tot de implementatie van de Europese Economische agenda. Centrale thema's zijn onder andere de Lissabonstrategie, de richtlijn diensten en de verordening over chemische stoffen.

Lissabonstrategie

Met betrekking tot de Lissabonstrategie bestaan tal van belangrijke economische dossiers waarover zonder uitstel knopen moeten worden doorgehakt. Centraal moment in 2005 is de Voorjaarsraad, waar de voortgang van de Lissabonstrategie besproken wordt (de Mid Term Review) en afspraken gemaakt moeten worden over de resterende periode tot 2010. De input van EZ aan de Nederlandse en Europese gedachtevorming hierover richt zich op een heldere focus en daadkracht ten aanzien van structurele economische hervormingen die direct bijdragen aan duurzame economische groei in Europa.

Raad voor het Concurrentievermogen

Samen met de opeenvolgende voorzitterschappen investeert EZ intensief in het verbeterd functioneren van de Raad voor het Concurrentievermogen (RvC). In 2005 wordt hieraan verdere invulling gegeven, door zowel voortgang op concrete dossiers als het uitwerken van de horizontale visie op groei en concurrentievermogen binnen de EU.

Interne Markt voor Diensten

Een belangrijk onderwerp voor de RvC is het Commissievoorstel voor een Interne Markt voor Diensten. Binnen de Interne Markt blijft veel potentieel op de dienstenmarkt onbenut door ongerechtvaardigde en belemmerende nationale vestigingseisen en vergunningen. Ook speelt gebrek aan vertrouwen in elkaars regelgeving een rol. EZ zet zich ook in 2005 maximaal in voor het succesvol afronden van besluitvorming over deze richtlijn.

Chemische stoffen

Het REACH1 -voorstel betreft Europees beleid ten aanzien van registratie en toelating van chemische stoffen, om binnen de EU een level playing field te creëren, waarbij de concurrentiepositie van de Europese industrie in het oog moet worden gehouden. EZ zet zich in voor spoedige afronding op dit dossier, dat in 2005 mogelijk beslag zou kunnen krijgen.

Stabiliteits- en groeipact

EZ zet zich er in de verdere discussie over het Stabiliteits- en Groeipact voor in, dat de Europese budgettaire beleidscoördinatie blijft bijdragen aan het groeivermogen van de Europese Unie.

Nieuwe Financiële Perspectieven – Agenda 2007

EZ concentreert inbreng voor onderhandelingen over de nieuwe Financiële Perspectieven en het beoogd politiek akkoord in december 2005 op de noodzakelijke aandacht voor economische groei, naast een verstandig en houdbaar EU-begrotingsbeleid. Specifieke aandacht gaat uit naar de eerste prioriteit binnen het voorstel voor de nieuwe Financiële Perspectieven, getiteld «Duurzame Groei». Hieronder vallen voor EZ relevante EU-begrotingscategorieën als «Concurrentiekracht- en werkgelegenheid» (1a) en «Structuur- en cohesiebeleid »(1b). EZ neemt aan het onderhandelingsproces deel via onder andere continu en intensief overleg in Den Haag, Brussel en andere Lidstaten.

Economisch verantwoorde uitbreiding van de EU

In 2005 worden ten aanzien van Roemenië en Bulgarije toetredingsonderhandelingen zonodig verder afgerond en worden toetredingsverdragen opgesteld en getekend. Monitoring van de implementatie van economische wet- en regelgeving door de kandidaat-lidstaten is essentieel en vindt doorlopend plaats. Naar verwachting beginnen in 2005 de onderhandelingen met Kroatië. Na besluitvorming tijdens de Europese Raad in december 2004 starten in 2005 wellicht ook toetredingsonderhandelingen met Turkije. EZ richt zich bij toetredingsonderhandelingen op de economische aspecten en criteria voor opening van onderhandelingen en uiteindelijke toetreding, waarbij het goed blijven functioneren van de Interne Markt voorop staat.

Operationeel doel C. Versterken van concurrentie op Nederlandse markten

Versterking van concurrentie kan een belangrijke bijdrage leveren aan vergroting van de structurele groei in Nederland. Daarom werkt EZ aan een goede ordening en werking van markten, onder meer door introductie van concurrentie in (semi) publieke sectoren en effectief mededingingsbeleid.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaardeHuidige waarde1
Concurrentie en de mate waarin overheidsbeleid dit versterkt of beperktTop 5 positie (in selectie van 12)Top 7:1. Finland2. Denemarken3. Nieuw Zeeland4. Verenigde Staten5. Zweden6. Verenigd Koninkrijk7. Nederland

1 Gebaseerd op meest recente gegevens uit 2003 en 2004. Vergeleken met eerdere gegevens is Nederland gezakt van de 5e naar de 7e positie.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van het versterken van de concurrentie op Nederlandse markten.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
Mededingingswet PrijzenwetWaarborgwet WinkeltijdenwetIJkwet Wet op het NotarisambtDeze wetgeving creëert de juiste randvoorwaarden voor het goed functioneren van markten en voorkomt oneerlijke concurrentieen kartelvorming.Apparaat
ENCOREHet Economics Network for Competition and Regulation(ENCORE) is een platform dat door het stimuleren van strategisch onderzoek.Apparaat
KCOVHet Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken (KCOV) vergroot het lerend vermogen van de overheid t.a.v. marktordening. Het KCOV stimuleert gezamenlijk ontwikkeling en uitwisseling van kennis tussen departementen.€ 1,2 mln
Projecten ICM (zie onder)In deze projecten worden knelpunten t.a.v. marktordening in kaart gebracht en in interdepartementaal verband aangepakt.Apparaat
NENHet Nederlands Normalisatie Instituut(NEN) begeleidt het maken van nationale (product)normen en bevordert toepassing daarvan, fungeert als kenniscentrum van internationale normen en draagt zorgt voor een actieve Nederlandse inbreng bij (het totstandkomen van) internationale normen.€ 1,0 mln
Raad van AccreditatieDe Raad van Accreditatie accrediteert daarvoor in aanmerking komende organisatie en instituten.€ 0,3 mln
NMaDe Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Mededingingswet. De NMahandhaaft het verbod op kartels of misbruik van een economische machtspositie en toetst fusies en overnames.Apparaat
NMIDe voornaamste taken van het Nederlands Meetinstituut (NMi) betreffen beheer, onderhoud en ontwikkeling van Nederlandse meetstandaarden; testen en certificeren van meetmiddelen; toezicht houden op kwaliteit en gebruik van meetmiddelen en toezicht i.h.k.v. de Waarborgwet.€ 14,6 mln
ICMDe Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM) versterkt interdepartementale afstemming en samenwerking op het vlak van marktordening en economische regulering.Apparaat

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Afronden mededingingswetgeving naar aanleiding van evaluatie Mededingingswet en EU regelgeving

In 2005 wordt een voorstel tot wijziging van de Mededingingswet ingediend. Wijzigingsvoorstellen betreffen onder meer aanscherping van het boete-instrumentarium en uitbreiding van onderzoeksbevoegdheden van de NMa, het opheffen van de opschortende werking van bezwaar en beroep bij de last onder dwangsom en het overslaan van de bezwaarfase, overeenkomstig de Wet Rechtstreeks Beroep. Daarnaast worden, conform het kabinetsstandpunt over de evaluatie, CAO's en bedrijfstakpensioenafspraken of beroepspensioenregelingen vrijgesteld van het kartelverbod.

Aanpassen mededingingswetgeving in het kader van Markt & Overheid

EZ bereidt aanpassingen van de Mededingingswet voor in verband met gedragsregels voor overheden die zich op private markten begeven en voor niet overheidsinstellingen die door de overheid een zodanige positie toegekend krijgen dat zij oneigenlijke concurrentievoordelen op de markt verkrijgen. De wetswijzigingen worden begin 2005 bij de Tweede Kamer ingediend.

Aanpakken concurrentiebeperkende maatregelen bij vrije beroepen

EZ beoogt belemmeringen voor ondernemerschap en concurrentie bij vrije beroepen weg te nemen en de positie van consumenten ten opzichte van dienstaanbieders te versterken. Hiervoor wordt onder andere samengewerkt met de NMa, ministeries, beroepsorganisaties en de Europese Commissie. In 2005 ligt de focus o.m. bij notarissen, accountants en advocaten. EZ participeert in de commissie, o.l.v. mr. A. Hammerstein (president van het gerechtshof in Arnhem), die de Wet op het Notarisambt evalueert. De commissie brengt voor 1 juli 2005 haar rapport uit.

Stroomlijnen aanbestedingsregelgeving

Mede naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Bouwnijverheid doet EZ voorstellen voor nieuw beleid voor overheidsopdrachten. Afhankelijk van goedkeuring door de Tweede Kamer, start EZ in september 2004 met het opstellen van nieuwe regelgeving hiervoor. De regelgeving komt in plaats van de Raamwet EEG-voorschriften Aanbesteden. Kern van de nieuwe nationale regelgeving zal worden gevormd door de in april 2004 gepubliceerde nieuwe Europese richtlijnen voor overheidsopdrachten.

Stimuleren en ondersteunen van aanbestedende diensten

Overheidsinkopers moeten de kennis en professionaliteit bezitten om regels optimaal en correct toe te passen. Onderdeel van de beleidsvoorstellen voor overheidsopdrachten die EZ doet, is de oprichting van een kenniscentrum, dat kennisontwikkeling en verspreiding met betrekking tot overheidsopdrachten ter hand neemt. Omdat VROM reeds in het najaar van 2004 een Kenniscentrum Aanbesteden Bouw start en daarmee de sector werken van overheidsopdrachten dekt, zet EZ een kenniscentrum op dat specifiek gericht is op de sectoren leveringen en diensten. Beide kenniscentra zullen na evaluatie op een termijn van drie jaar samengaan.

Bevorderen van meer concurrentie in de (semi) publieke sector, met name zorg

EZ is nauw betrokken bij de stelselherziening in de zorg, zoals door VWS wordt voorbereid. De stelselherziening is erop gericht de centrale aanbodsturing daar waar mogelijk te vervangen door een meer decentraal vraaggericht stelsel van gereguleerde marktwerking. De betrokkenheid van EZ komt voort uit haar (mede)verantwoordelijkheid voor het realiseren van macro-economische en budgettaire doelstellingen en haar primaire verantwoordelijkheid voor goede marktordening en het toezicht daarop. Om één en ander binnen bereik te brengen werkt EZ nauw samen met VWS, participeert EZ in interdepartementale overlegorganen rond de stelselherziening en werkt EZ mee aan de vormgeving van de zorgautoriteit. Ook participeert EZ in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) op het terrein van de AWBZ.

Ten aanzien van de onderwijssector neemt EZ deel aan de follow-up van het IBO-project Open Bestel, waarbij wordt onderzocht welke bijdrage een open bestel (met toetreding van private aanbieders) kan leveren aan de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs.

Certificatie en accreditatie.

In november 2003 is het kabinetsstandpunt Certificatie en accreditatie in het kader van overheidsbeleid aan de Tweede Kamer gezonden (292 304, nr. 1), waar vervolgens in februari 2004 met de Vaste Kamercommissie voor EZ is gesproken. Begin 2005 wordt een vervolgbrief aan de Tweede Kamer gezonden, waarin ingegaan wordt op de accreditatie-infrastructuur in het licht van Europese ontwikkelingen, de tariefstelling van accreditatie en het Europees «level playing field», administratieve lasten van accreditatie en certificatie, de relatie tussen de overheid en Centrale Colleges van Deskundigen, accreditatie en certificatie en de Wet AWB en elementen die in de concessiewet komen.

Projecten Interdepartementale Commissie Marktordening (ICM).

Het bevorderen van een goede werking van markten is geen zaak van EZ alleen. De ICM is daarom ingesteld om samenwerking tussen de ministeries op het terrein van marktordening en economische regulering te versterken, om het functioneren van markten te verbeteren en ruimte voor ondernemers te vergroten. Onder regie van de ICM worden projecten uitgevoerd, waarbij departementen en andere overheden knelpunten in kaart brengen en aanpakken. Het gaat om aanpassingen in wet- en regelgeving en verbeteringen in uitvoering en handhaving. Projecten die in 2004 of begin 2005 worden afgerond betreffen:

• Openingstijden van (semi)publieke diensten: voorstellen voor verbetering openingstijden en beschikbaarheid postkantoren, gemeenten en zorginstellingen;

• Transparantie: verbetering transparantie voor consumenten in de sectoren zorg, energie, taxi's en pensioenen;

• Breedband: richtsnoeren voor gemeenten en andere betrokken partijen om uitrol van breedband te versnellen zonder de markt te verstoren;

• Vraagsturing: ontwikkelen van voorstellen voor de (verdere) invoering van vraagsturing in de (semi-)publieke sector;

• Productiviteit in de zorg: ordening, regelgeving en financiering van de zorgsector worden doorgelicht om voorstellen te ontwikkelen voor inbouw van meer prikkels voor productiviteitsgroei.

Projecten Kenniscentrum voor Ordeningsvraagstukken (KCOV)

Het KCOV, dat onafhankelijk van de vakdepartementen is gepositioneerd, stelt zich tot doel het lerend vermogen van de overheid op het gebied van marktordeningvraagstukken te vergroten. In 2004/2005 besteedt het kenniscentrum, naast de projecten in netwerksectoren, meer aandacht aan zorg, onderwijs en sociale zekerheid, aangezien in deze sectoren grote veranderingen in de ordening op de agenda staan. In 2004/2005 voert het kenniscentrum de volgende vier nieuwe interdepartementale projecten uit, waarin lessen en best practices worden verzameld: 1) aanbesteding van publieke diensten; 2) prestatiefinanciering; 3) kwaliteit van netwerken; 4) universele dienstverlening.

Operationeel doel D. Versterken van de positie van de consument

Consumentenbeleid heeft tot doel het vergroten van de welvaart van de consument en richt zich erop consumenten in staat te stellen goed gefundeerde keuzes te maken en voor hun eigen belangen op te komen. Dit doel is bereikt wanneer consumenten over voldoende en juiste informatie beschikken, regelgeving inhoudelijk effectief is en regels op de markt gehandhaafd worden.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaardeHuidige waarde1
Transparantie en klanttevredenheidTop 5 positie(in selectie van 12)Top 81. Verenigd Koninkrijk2. Denemarken3. Finland4. Zweden5. België6. Duitsland7. Frankrijk8. Nederland

1 Gebaseerd op meest recente gegevens uit 2003 en 2004. Vergeleken met eerdere gegevens is Nederland gezakt van de 4e naar de 8e positie.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van het versterken van de positie van de consument.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
www.StaIkSterk.nlOnline informatie over rechten en plichten van consumenten. De website wordt uitgebreid met informatie over bedrijven.Apparaat
Consumentenautoriteit i.o.Handhaving consumentenrechten ten aanzien van collectieve inbreuken, ook wanneer deze grensoverschrijdend zijn.€ 0,6 mln

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Strategisch Actieprogramma voor de consument, inclusief oprichten consumentenautoriteit.

Het Strategisch Actieprogramma voor de consument focust op meer kennis van consumenten en aanbieders, vergroting van toegang tot individuele geschiloplossingen en verminderen van het aantal inbreuken op het consumentenrecht door publieke handhaving.

Concreet leidt dit tot:

• De inrichting van een centraal informatie loket dat consumenten doorverwijst naar de juiste instantie met vragen, klachten of een geschil.

• Uitbreiding van de website www.StaIkSterk.nl met informatie voor bedrijven.

• Het bevorderen van adequate klachtafhandeling bij bedrijven en het stimuleren van om aangesloten te zijn bij geschillencommissies (in samenwerking met VNO-NCW, MKB en de SER).

• Het opzetten van een publiekrechtelijke consumentenautoriteit, voor effectieve handhaving van consumentenrecht ten aanzien van inbreuken met een collectief karakter.

Naast de acties die voortvloeien uit het Strategisch Actieprogramma wordt op diverse beleidsterreinen binnen en buiten EZ aandacht besteed aan de positionering van de consument op de diverse markten. Aspecten als transparantie, keuzevrijheid, adequate geschillenregeling en effectieve toegang tot het recht zijn daarbij sleutelbegrippen.

1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 1: Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)70,063,765,366,766,366,767,1
Programma-uitgaven26,221,322,022,822,422,422,8
Operationeel doel C: Versterken van concurrentie op Nederlandse markten       
–Bijdrage aan het NMI21,414,514,614,414,214,214,2
–Raad Deskundige Nationale Standaard0,10,10,10,10,10,10,1
–Kenniscentrum aanbesteden  0,60,80,80,80,8
–Bijdrage diverse instituten1,51,31,31,31,31,31,3
Operationeel doel D: Versterken van de positie van de consument       
–Toezichthouder consumenten  0,61,81,81,81,8
Algemeen       
–Onderzoek en Opdrachten Economische Politiek2,84,23,63,23,03,03,4
–Onderzoek en Opdrachten Kenniscentrum Ordeningsvraagstukken0,41,21,21,21,21,21,2
        
Apparaatuitgaven43,842,443,343,943,944,344,3
–Personeel EP10,29,08,98,98,99,39,3
–ApparaatuitgavenNMa/Dte33,633,434,435,035,035,035,0
        
Uitgaven (totaal)72,165,463,666,466,466,867,3
        
Ontvangsten (totaal)120,430,5114,969,934,934,924,9
–Ontvangsten NMa6,425,0110,065,030,030,020,0
–Ontvangsten Dte0,64,74,74,74,74,74,7
–Opbrengsten casino's111,0      
–Opbrengst vergunning1,6      
–Ontvangsten NMI0,70,6     
–Diverse ontvangsten EP0,10,20,20,20,20,20,2

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor in bijlage 7 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 1: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2003Raming 2004Raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG M&E92,461,581,362,1
DG EP – personeel123,8–*
NMa(incl. DTe) – personeel287,475,5328,262,8349,263,8
NMa (incl. DTe) – materieel287,441,2328,239,0349,234,9
Actal8,181,4

* In verband met de reorganisatie van het departement en de grote verschuivingen die daarvan het gevolg zijn, is de gemiddelde prijs van het personeel van het nieuwe DG-EP voor 2005 niet goed te bepalen en daarom weggelaten.

Per 1 september 2004 zijn de directie Marktwerking van het DG M&E, een deel van DG BEB en een deel van de stafdirectie AEP samengevoegd tot het nieuwe DG Economische Politiek.

In 2003 heeft de NMa relatief veel gebruik gemaakt van tijdelijke krachten, doordat nog niet was voorzien in structurele financiering van extra taken. Doordat deze niet waren opgenomen in de gemiddelde bezetting, was de gemiddelde prijs per FTE relatief hoog. Inmiddels is in structurele financiering (en formatieplaatsen) voorzien in de extra taken van de NMa. De daling van de materiële kosten van de NMa wordt veroorzaakt door lagere incidentele kosten voor het verzelfstandigingstraject en huisvesting.

ACTAL is in 2004 overgegaan naar het ministerie van Financiën.

1.4 Budgetflexibiliteit

Artikel 1: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1 000)
 2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven63 640 66 424 66 389 66 832 67 258 
2.Waarvan appaatsuitgaven43 383 43 907 43 936 44 286 44 286 
3.Dus programma uitgaven20 257 22 517 22 453 22 546 22 972 
4.Waarvan juridisch verplicht4 59323%1 3776%2281%00%00%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten14 86973%17 33577%17 70079%18 02480%18 14479%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden7954%1 1705%1 1705%1 1705%1 1915%
7.Waarvan beleidsmatige reserveringen00%2 63512%3 35515%3 35215%3 63716%
8.Totaal20 257100%22 517100%22 453100%22 546100%22 972100%

De raming bestaat in belangrijke mate uit apparaatuitgaven voor het kernministerie en de EZ-diensten NMa en DTe. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts beperkt flexibel. Onder «bijdragen aan instellingen/instituten» zijn onder meer de budgetten voor het Nederlands Meetinstituut in het kader van de IJkwet, het nieuwe Kenniscentrum Aanbesteden en de nieuwe Consumententoezichthouder opgenomen. In de regel «complementair noodzakelijk» zijn de noodzakelijke werkbudgetten van het Kenniscentrum Ordeningsvraagstukken opgenomen. De genoemde budgetten zijn als niet-flexibel te beschouwen.

1.5 Evaluatieplanning

Evaluatieplanning200420052006200720082009
lopende evaluaties:      
CNEN     
geplande evaluaties:      
OD A «Vergroting van de structurele groei»     
OD B «Vergroten groei- en concurrentievermogen»     
OD C «Versterken van concurrentie op de NL markten»     
CWaarborgwet     
CWinkeltijdenwet     
CWet op het Notarisambt     
CMededingingswet/NMA     
CNMI     
CIJkwet     
CRaad van Accreditatie     
OD D «Versterken van de positie van de consument»     

2 BEVORDEREN VAN INNOVATIEKRACHT

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
Het versterken van het innovatievermogen van de Nederlandse economieA. Kennisbescherming
B. Meer starters die technologische kennis ontwikkelen en benutten
C. Meer toepassing van kennis in het MKB
D. Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven
E. Versterken kennisbasis door samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen

Grafieken

Aandeel artikel 2 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-5.gif

Onderverdeling artikel 2 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-6.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-7.gif

Ontvangsten 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-8.gif

2.1 Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

Het versterken van het innovatievermogen van de Nederlandse economie

Innovatie is een sleutelfactor voor het realiseren van een duurzame economische groei en voor het oplossen van maatschappelijke knelpunten. Het innovatievermogen – het ontwikkelen en benutten van met name technologische kennis om nieuwe en verbeterde producten, processen en diensten (met succes) op de markt te brengen – van de Nederlandse economie en in het bijzonder van het bedrijfsleven moet worden versterkt. Innoveren is primair een zaak van ondernemingen, want uiteindelijk bepalen zij de innovatiekracht van Nederland. Het gaat hierbij om de beslissing van de ondernemer zelf om te investeren in innovatie, waarbij EZ probeert deze beslissing in positieve zin te beïnvloeden.

EZ is als één van de centrale spelers in het overheidsbeleid verantwoordelijk voor de condities waarbinnen bedrijven kunnen innoveren en voor een effectieve inrichting van het innovatie-instrumentarium. Samen met OCW is EZ verantwoordelijk voor de wisselwerking tussen bedrijven en publieke kennisinstellingen.

Naast een actief innovatiebeleid dient voldaan te worden aan randvoorwaarden zoals een gunstig algemeen economisch klimaat, voldoende beschikbaarheid van menselijk kapitaal (zowel kwalitatief als kwantitatief), een stimulerend algemeen ondernemingsklimaat (zie artikel 3) en gezonde concurrentieverhoudingen. In het innovatiebeleid gaat EZ daarom uit van een dynamisch innovatiesysteem1. Deze systeemgedachte betekent dat EZ de belemmeringen die bedrijven hinderen om te innoveren in samenhang beziet en aanpakt.

Twee effectindicatoren geven een beeld bij de voortgang op de algemene doelstelling:

1. omzetaandeel van nieuwe en verbeterde producten;

2. aantal aangevraagde Europese octrooien (in verhouding tot de omvang van de beroepsbevolking).

De huidige waarden van deze indicatoren illustreren de bekende paradox waarmee Nederland te kampen heeft: Nederland ontwikkelt veel goede kennis, maar de commercialisatie van deze kennis in Nederland (via innovatieve omzet) blijft achter.

Indicatoren en streefwaarden
EffectindicatorStreefwaardeHuidige situatie 
Omzetaandeel van nieuwe of verbeterde producten als % van totale omzet (industrie en diensten)Huidige kabinetsperiode (2006) 8e positie van de EU voor industrie en 10e positie voor diensten; op middellange termijn (2010) beide top 5 van de EUIndustrie (2000): • NL: 21% (9e plaats) • EU-15: 30% Diensten (2000): • NL: 9% (13e plaats) • EU-15: 19%Top 5 EU-15 (2000): Finland: 51% Duitsland: 44% Italië: 32% Denemarken: 31% Zweden: 31% Top 5 EU-15 (2000): Spanje: 26% VK: 24% Zweden: 23% Griekenland: 20% Portugal: 20%
    
Aantal aangevraagde Europese octrooien, per miljoen personen van de beroepsbevolkingHandhaven positie in top 5 van de EU• NL: 535 (4e plaats)• EU-25: 289Top 5 EU-25 (2002): Duitsland: 626 Zweden: 607 Finland: 601 Nederland: 535 Luxemburg: 463

Bronnen:

– Omzetaandeel nieuwe of verbeterde producten: Eurostat, Survey on innovation in EU enterprises (Results of the third Community Innovation Survey), NewCronos database, mei 2004; Eurostat, Innovation in Europe, 2004 edition; aanvullende informatie van CBS voor NL (cijfers beschikbaar voor 14 voormalige EU-15 landen; Ierland ontbreekt; voor het VK is door EZ een schatting gemaakt op basis van onvolledige informatie van Eurostat). Ondanks de duur van de kabinetsperiode tot 2007 is voor de streefwaarden als peildatum 2006 genomen, vanwege de 2-jaarlijkse oplevering van gegevens door Eurostat. Dit geldt ook voor andere indicatoren die gegevens gebruiken van Eurostat.

– Aangevraagde Europese octrooien: Eurostat, European and US patenting systems (Patent applications to EPO by date of filing), NewCronos database, mei 2004 (cijfers beschikbaar voor alle 25 EU-landen).

De algemene doelstelling kan worden gesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. EZ draagt zorg voor goede kennisbescherming door middel van een betrouwbaar en laagdrempelig systeem van intellectueel eigendom: Kennisbescherming

B. EZ stimuleert de start van nieuwe bedrijven die met technologische kennis aan de slag gaan: Meer starters die technologische kennis ontwikkelen en benutten

C. EZ streeft naar bredere verspreiding en overdracht van kennis aan het MKB: Meer toepassing van kennis in het MKB

D. EZ streeft ernaar dat meer bedrijven technologische kennis ontwikkelen en benutten: Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven.

E. De vijfde doelstelling is gericht op versterking van de interactie tussen de publieke kennisinfrastructuur en de kennisvraag van het bedrijfsleven met een bijzonder accent op strategische technologiegebieden: Versterken kennisbasis door samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen

Beleidsprogramma Balkenende II
DoelstellingMaatregelenValt onder doelstelling binnen artikel 2Realisatie-moment
Naar een concurrerende kennissamenleving   
Nederland behoort tot de Europese voorhoede op het gebied van innovatie* Oprichting Innovatieplatform* Stimuleren publiek-private R&D-samenwerking* Stimuleren van technostarters* Stimuleren van speur- & ontwikkelingswerk door verhoging van budget WBSO* Versterking economische structuur (ICES/KIS)* Algemene doelstelling * Doelstelling D en E * Doelstelling B * Doelstelling D * Doelstelling E2003 2004–2007 2004–2007 2004–2007 2003–2010
Meer kenniswerkers(15% meer bèta/techniek t.o.v. 2003)* Deltaplan bèta/techniek (onderdeel publiek-private mobiliteit)* Doelstelling E2007

Nederland heeft de ambitie om in 2010 qua innovatiekracht en concurrentievermogen tot de koplopers van Europa te behoren. Vooruitlopend op de conclusies van de midterm review tijdens de Voorjaarstop in 2005, kunnen we stellen dat Nederland nog ver verwijderd is van het realiseren van de Lissabon-ambities. In het jaar 2003 stond het verschijnen van de kabinetsnota's voor het wetenschaps- en innovatiebeleid1 centraal, de jaren 2004 en 2005 staan in het teken van de stap «van denken naar doen».

De verwezenlijking van deze ambities is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bedrijven, kennisinstellingen, intermediairs en overheden, welke ook zichtbaar is in de samenstelling van het Innovatieplatform.

Kern van de werkhypothese van het Innovatieplatform is dat in Nederland het menselijk en economisch kapitaal niet maximaal wordt benut. Om fundamentele vragen in onze kenniseconomie te adresseren zijn in 2004 vier werkgroepen gestart op het gebied van:

– Dynamisering beroepsonderwijs;

– Overheid en innovatie;

– Dynamisering kennisketen;

– Lange termijn keuzes.

Deze werkgroepen hebben het eerste half jaar van 2004 gewerkt aan het vormen van een strategische agenda en komen in het najaar 2004 met adviezen voor fundamentele systeemingrepen. Daarnaast presenteert het Innovatieplatform op korte termijn een actieplan voor de aanpak van de belangrijkste hindernissen en versnellers van innovatie.

Overzicht acties 2005
Operationele doelenActies 2005Totaalbudget operationeel doel 2005
A. Kennisbescherming• Bijdrage aan ontwikkeling Europees Octrooistelsel• Bijdrage aan ontwikkeling software-octrooi • Bijdrage aan ontwikkeling modelrecht• Implementatie Doha-afspraken€ 19,4 mln
   
B. Meer starters die technologische kennis ontwikkelen en benutten• Start TechnoPartner Seed-faciliteit • Start TechnoPartner SKE en Platform • Internationalisering technostarterbeleid€ 25,0 mln
   
C. Meer toepassing van kennis in het MKB• Opschaling Innovatievouchers• Onderzoek naar mogelijkheden toepassing SBIR• Verkenning niet-technologische innovatie € 44,3 mln
 • On-line ontsluiting octrooi-informatie 
 • Bijdrage aan ontwikkeling Charter Intellectual Property Rights (IPR)  
 • Bijdrage aan ontwikkeling IPR-academy • Versterking universitair octrooibeleid 
   
D. Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven• Intensiveren en stroomlijnen WBSO • Bijdrage aan ontwikkeling 7e EU-kaderprogramma • Voorzitterschap Eureka€ 500,7 mln (inclusief de fiscale faciliteit WBSO)
   
E. Versterken kennisbasis door samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen• Smart Mix en dynamisering Nederlands innovatiesysteem• Ontwikkeling programmatisch samenwerkingsinstrument • Implementatie Kabinetsstandpunt TNO/GTI's • Implementatie actieplannen ICT, Life Sciences en ruimtevaart • Implementatie nieuw luchtvaartbeleid • Start testfaciliteit elektromagnetische vermogenstechniek• Publiek-private samenwerking scheidingstechnologie• Verkenning economische betekenis nanotechnologie• Stimuleren produktietechn. via applicatiecentrum, vouchers en WBSO • Verbeteren toegankelijkheid internationaal toptalent • Stimuleren mobiliteit tussen bedrijven en kennisinstellingen€ 193,4 mln

2.2 Operationele doelstellingen

Operationeel doel A. Kennisbescherming

Een goed intellectueel eigendomsysteem is van groot belang voor het bevorderen van de Nederlandse innovatiekracht. Daarbij gaat het onder meer om het vinden van een juiste balans tussen kennisbescherming en vrij gebruik van kennis. Aangezien het intellectueel eigendomsysteem in sterke mate internationaal wordt bepaald, is de implementatie van de internationaal overeengekomen afspraken een wezenlijk onderdeel van het beleid.

Naast kennisbescherming draagt ook verspreiding van de in octrooien vastgelegde kennis bij aan het innovatieklimaat. Dit aspect is opgenomen in operationele doelstelling C (Meer toepassing van kennis in het MKB).

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige situatie 
Aandeel van innovatieve bedrijven dat de laatste drie jaar één of meer octrooien heeft aangevraagd (industrie en diensten)Huidige kabinetsperiode (2006) en op middellange termijn (2010) handhaven van positie rond het EU-15 gemiddelde (in zowel industrie als diensten)Industrie (2000): NL: 19% (8e plaats) EU-15: 20% Diensten (2000): NL: 10% (7e plaats) EU-15: 11%Top 5 EU-15 (2000): Ierland: 35% Frankrijk: 33% Zweden: 32% Oostenrijk: 28% Finland: 26% Top 5 EU-15 (2000): Zweden: 29% Frankrijk: 18% Finland: 14% België: 13% Denemarken: 13%

Bron: Eurostat, Survey on innovation in EU enterprises (Results of the third Community Innovation Survey), NewCronos database, mei 2004.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
Internationale organisaties: WTO (World Trade Organisation) WIPO (World Intellectual Property Organisation) EG (Europese Gemeenschap) EOO (Europese Octrooi Organisatie) BeneluxIn deze organisaties komen de internationale afspraken (verdragen, verordeningen, richtlijnen) tot stand die het (wettelijke) kader vormen van het intellectuele eigendomsbeleid. € 0,3 mln
   
Infrastructuur: BIE(Bureau voor de Industriële Eigendom) BMB (Benelux Merken Bureau) BTMB (Benelux Tekeningen of Modellen Bureau) EOB (Europees Octrooi Bureau) OHIM (Bureau Harmonisatie v.d. Interne Markt)Het Bureau voor de Industriële Eigendom is de uitvoerende organisatie van het Nederlandse octrooisysteem en stimuleert het gebruik van het octrooisysteem. In de andere genoemde organisaties vervult EZ bestuursfuncties. € 19,1 mln
   
Belangrijkste wetgeving: Rijksoctrooiwet 1995 (ROW 1995) Benelux Merken Wet (BMW) Benelux Tekeningen of Modellen Wet (BTMW) Europees Octrooiverdrag (EOV) Verordeningen en richtlijnen (EG) voor merken, modellen en het auteursrecht Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIP's) i.h.k.v. WTOEZ oefent invloed uit op afspraken die in de Europese of ruimere internationale context worden gemaakt. Een directe verantwoordelijkheid is er voor de nationale wetgeving en de Benelux-wetten. apparaat

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Europees octrooistelsel

In 2005 zal de vormgeving van het Europese octrooisysteem verder aandacht vragen. Het zal gaan om hetzij een Europees stelsel waarin naast het bestaande intergouvernementele systeem van het Europees octrooiverdrag (EOV) ook een communautair Gemeenschapsoctrooi zal bestaan, hetzij een Europees stelsel waarin voorlopig moet worden volstaan met verbetering van het «Münchense» EOV-systeem door het overeenkomen (tussen een beperkt aantal landen) van een Talenprotocol en een Litigation agreement. Belangrijk voor Nederland is dat de oorspronkelijke bedoeling van centralisatie van het octrooisysteem in Europa goed overeind blijft. Deze Europeanisering van het octrooisysteem brengt met zich mee dat de rol van de nationale bureaus, waaronder het BIE, precies moet worden gedefinieerd.

Sofware-octrooi

De Raad en het Europese Parlement verschillen vooralsnog van mening over het Europese regime met betrekking tot de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. In 2005 zal het Europese Parlement de Commissievoorstellen in tweede lezing behandelen.

Modelrecht

In Brussel zal worden onderhandeld over wijziging van richtlijn 98/71/EG betreffende het modelrecht. In die harmonisatierichtlijn is tot op heden het modelrecht op reserve-onderdelen uitgezonderd. De discussie hierover raakt ook de economische belangen van de Europese auto-industrie en de producenten van reserve-onderdelen.

Implementatie Doha-afspraken

In 2005 zal de implementatie plaatsvinden van de Doha-afspraken in het kader van WTO/TRIP's ten behoeve van dwanglicenties voor geoctrooieerde geneesmiddelen.

Operationeel doel B. Meer starters die technologische kennis ontwikkelen en benutten

Nederland is niet sterk in het vertalen van fundamenteel onderzoek in nieuwe producten en diensten. Technostarters spelen hierbij een belangrijke rol. Zij bevinden zich immers op het snijvlak van wetenschap en het bedrijfsleven en brengen nieuw ontwikkelde technologieën tot commerciële wasdom in nieuwe ondernemingen. Het technostartersklimaat in ons land moet echter structureel worden verbeterd. Zo blijft het aantal spin-offs vanuit kennisinstellingen in Nederland duidelijk achter bij het buitenland. Het beleid richt zich dan ook op het bevorderen van het aantal innovatieve technostarters.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Totale door technostarters gerealiseerde omzet€ 2,65 mld in 2010 (stijging van 100%)€ 1,33 mld in 2003
Indicatoren en streefwaarden
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Totale gerealiseerde omzet van de door het TechnoPartner-programma ondersteunde technostarters€ 450 mln in 2010n.v.t.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
TechnoPartnerDoel is het verhogen van het aantal en de kwaliteit van technostarters: • TechnoPartner Seed-faciliteit: hiermee kunnen technostarters beter in hun kapitaalbehoefte voorzien.€ 12,0 mln
 TechnoPartnerSubsidieregeling Kennisexploitatie (SKE): doel is meer en betere benutting van wetenschappelijke kennis door technostarters van binnen en buiten de kennisinstelling. Ook worden kennisinstellingen gestimuleerd het octrooibeleid te professionaliseren.€ 10,0 mln
 TechnoPartner-platform en flankerend beleid: het platform biedt informatie en expertise, en inventariseert en agendeert de knelpunten van technostarters. Daarnaast heeft het platform tot doel aansluiting te zoeken bij Europese programma's gericht op technostarters.€ 3,0 mln
 Deze operationele acties worden versterkt met institutionele vernieuwingen waarmee de ondernemingszin in onderwijs- en kennisinstellingen wordt gestimuleerd. Het voortouw van deze institutionele vernieuwingen ligt bij het Ministerie van OCW. De in 2005 uit te voeren acties gericht op het stimuleren van ondernemerschap in het onderwijs staan vermeld in artikel 3. 

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

TechnoPartner Seed-faciliteit

De Seed-faciliteit zal naar verwachting begin 2005 van start gaan. De eerste Small Business Investment Companies (SBIC's) kunnen dan van start gaan en in technostarters investeren.

SKE en TechnoPartner-platform

In 2005 worden de SKE-regeling en het TP-platform verder uitgerold. Dat betekent uitbreiding van de dienstverlening richting technostarters met een website waarmee ze snel in contact kunnen komen met organisaties die de benodigde expertise hebben. Ook zal worden geëxperimenteerd met het afgeven van zogenaamde «TechnoPartner-verklaringen» waarmee financiering vanuit bijvoorbeeld de regeling BBMKB sneller tot stand kan komen. Verder krijgt de invaring van het Biopartnernetwerk in TechnoPartner in 2005 zijn definitieve beslag. De eerste projecten in het kader van de SKE-regeling starten in 2005.

Internationalisering

Nederland wil binnen Europa een prominente rol spelen als het gaat om het stimuleren van technostarters. Het project «Valor» vult deze ambitie deels in, met steun van de Europese Commissie. Met Valor wordt samen met Europese partners gewerkt aan een gezamenlijk programma om kennis te valoriseren middels spin-offs. TechnoPartner vervult een leidende rol in dit project.

Operationeel doel C. Meer toepassing van kennis in het MKB

Met name het MKB heeft moeite met het zelf ontwikkelen van nieuwe kennis én het verkrijgen van nieuwe kennis elders en deze slim toe te passen. Het EZ-beleid op het gebied van kennisoverdracht concentreert zich daarom vooral op het stimuleren van MKB-bedrijven en de kennisinfrastructuur om zich te richten op de vertaalslag van kennis naar toepassingsmogelijkheden (zie innovatievouchers).

Ook is het verspreiden van kennis over het octrooisysteem van groot belang voor innovatie in het MKB, waarbij het bedrijf een goed evenwicht moet vinden tussen kennisbescherming en vrij gebruik van kennis. In verband hiermee stimuleert EZ de MKB-bedrijven bewust om te gaan met octrooien als kennisbeschermingsmiddel en het gebruik van kennis uit octrooien. Het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE) zal verdere invulling geven aan het kennisverspreidingsbeleid van EZ op het gebied van octrooien.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige waarde 
Aandeel innovatieve bedrijven in het MKB (industrie en diensten)Huidige kabinetsperiode (2006): in industrie handhaven 3e positie, in diensten minimaal EU15-gemiddelde; op middellange termijn (2010): de top 5 van de EUIndustrie (2000): NL: 49% (3e plaats) EU-15: 40% Diensten (2000): NL: 35% (8e plaats) EU-15: 34%Top 5 EU-15 (2000): Duitsland: 58% België: 57% Nederland: 49% Denemarken: 49% Luxemburg: 41% Top 5 EU-15 (2000): Portugal: 48% Duitsland: 48% Luxemburg: 43% België: 42% Oostenrijk: 41%

Bron: Eurostat, Survey on innovation in EU enterprises (Results of the third Community Innovation Survey), NewCronos database, mei 2004 (cijfers zijn beschikbaar voor 14 voormalige EU-15 landen; Ierland ontbreekt); betreft bedrijven met 10–250 werknemers.

Prestatie-indicatorenStreefwaardeHuidige waarde
Klanttevredenheid m.b.t. Syntens18,0 in 20057,8 (2003)
Aantal DDU's (direct declarabele uren) aan klanten van Syntens per € 1 miljoen EZ-subsidie28 300 in 20057 525 (2003)
Klanttevredenheid m.b.t. TNO voor het deel met doelfinanciering van EZ34,0 in 20063,5 (2003)
Aandeel MKB-bedrijven dat een samenwerkingscontract heeft met TNO als gevolg van EZ-doelfinanciering ten opzichte van het totale aantal bedrijven4tenminste 50%56% (2003)

1Bron: Afkomstig uit klanttevredenheidsonderzoek uitgevoerd door EIM. In de rapportage hierover zijn de onderzoeksmethode en steekproefgrootte aangegeven en als voldoende beoordeeld.

2Bron: Aantal DDU's aan klanten zijn de uren (exclusief inhuur) die vallen onder het primaire proces van Syntens, te weten voorlichting (waaronder bijeenkomsten en workshops) en advisering (korte- en lange adviezen, vraagbaak). Het aantal wordt resp. per € 1 miljoen basissubsidie en per € 1 miljoen doelsubsidie van EZ in desbetreffend jaar gerapporteerd. De vermelde waarde betreft het gewogen gemiddelde hiervan.

3 en 4Bron: Jaarrapportage TNO EZ-doelfinanciering 2004. Realisatie is gebaseerd op extern uitgevoerd klanttevredenheidsonderzoek onder bedrijven met cofinancieringsprojecten, schaal 1–5.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
SyntensLandelijk netwerk (15 vestigingen verdeeld over 3 regio's) voor het versterken van het innovatief vermogen van het MKB door technologische en niet-technologische innovatiegerichtekennis toegankelijk en toepasbaar te maken voor het MKB. De doelmatigheid zal in 2005 worden verhoogd door het aantal vestigingen te verkleinen.€ 32,3 mln
   
Kennisoverdrachts-instrumentenDoel is meer kennisoverdracht van praktisch toepasbare kennis en technologie naar het MKB, ten behoeve van nieuwe toepassing in processen, producten en diensten.€ 12,0 mln
   
CIC-uitstralingsprogrammaSyntens, Media Plaza en Senter voeren het programma uit, gericht op het innovatieve deel van het MKB. Het gaat om benutting van relatief geavanceerde ICT-oplossingen.geen (reeds voorgaande jaren gecommitteerd)
   
Raakvlakken overig instrumentariumOok andere instrumenten dragen bij aan het kennisoverdrachtbeleid, zoals BIE, TNO, GTI's en IS. 

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Innovatievouchers

In het kennisoverdrachtsinstrumentarium ligt vanaf 2005 meer nadruk op de samenwerkingsrelaties tussen MKB en kennisaanbieders. Hiertoe start najaar 2004 een pilot waarbij MKB-bedrijven innovatievouchers krijgen. Met deze vouchers kunnen de bedrijven kennis inkopen bij universiteiten en kennisinstellingen. Afhankelijk van de resultaten van deze pilot zal in 2005 het gebruik van innovatievouchers worden opgeschaald.

SBIR (Small Business Innovative Research Program)

SBIR is een Amerikaanse regeling waarbij federale R&D-budgetten verplicht voor een bepaald deel bij het MKB moeten worden besteed. EZ onderzoekt samen met OCW en het wetenschaps- en onderzoeksveld de mogelijkheden om een SBIR-aanpak in Nederland in te voeren. Deze zou zijn gericht op stimulering van onderzoek en ontwikkeling door technostarters en bestaand MKB en is hiermee een aanvulling op beleidsacties (zoals TechnoPartner), die tot doel hebben het MKB actiever te betrekken bij het innovatiebeleid.

Niet-technologische innovatie

In 2005 verkent EZ door middel van enkele pilots de mogelijkheden voor de ontwikkeling van beleid op het gebied van niet-technologische innovatie. Zo zal worden nagegaan in welke mate EZ een betere benutting van industrial design door het Nederlandse bedrijfsleven mogelijk kan maken.

On-line ontsluiting octrooi-informatie

In 2005 wordt door BIE gewerkt aan een verdere klantvriendelijke on-line ontsluiting van de aanwezige kennis op het terrein van octrooien, met name door het on-line toegankelijk maken van vertalingen van Europese octrooien.

Charter Intellectual Property Rights (IPR)

Op EU-niveau wordt hieraan gewerkt. Centraal in dit (vrijwillige) Charter staan kennisoverdracht en -exploitatie. Belangrijke «best practices» worden hierin opgenomen. Dit Charter dient als inspiratiebron voor de EU-lidstaten en zorgt op deze manier voor een vrijwillige vorm van lichte beleidscoördinatie.

IPR-academy

Het Europees Octrooibureau werkt hieraan. Doel is (lichte) coördinatie van de vele opleidingen voor verspreiding van octrooikennis, in het bijzonder richting het MKB. Belangrijke nevendoelstelling is de verbetering van de octrooi-infrastructuur, mede gezien de uitbreiding van de EU.

Universitair octrooibeleid

In de tweede helft van 2004 vindt, met steun van EZ en OCW, de oprichting plaats van een nationaal netwerk van medewerkers uit universiteiten, universitaire medische centra en andere publieke kennisinstellingen op het gebied van de overdracht van kennis aan het bedrijfsleven ten aanzien van intellectueel eigendom.

Operationeel doel D. Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven

Het beleid is er op gericht om de investeringen door bedrijven in kennisontwikkeling te vergroten en het rendement (kennisbenutting) op deze investeringen te verhogen. EZ doet dit door het geven van (financiële) prikkels voor speur- en ontwikkelingswerk en het stimuleren van nationale en internationale samenwerking bij innovatieprojecten tussen bedrijven onderling en met kennisinstellingen. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor deelname van het MKB.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige waarde 
R&D-uitgaven bedrijven als % van het BBPHuidige kabinetsperiode (2007) minimaal EU-gemiddelde; op middellange termijn (2010) de top 5 van de EU• NL: 1,03% (2002; 11e plaats) • EU-25: 1,26% (2001)Top 5 EU-25: Zweden: 3,32% (2001) Finland: 2,47% (2002) Duitsland: 1,73% (2002) Denemarken: 1,65% (2001) België: 1,64% (2002)
    
Aandeel technologisch innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden (totaal van industrie en diensten)Huidige kabinetsperiode (2006) 6e positie handhaven; op middellange termijn (2010) de top 5 van de EU• NL: 24% (2000; 6e plaats) • EU-15: 19% (2000)Top 5 EU-15 (2000): Finland: 52% Denemarken: 39% Luxemburg: 38% Zweden: 31% Frankrijk: 30%

Bronnen:

– R&D-uitgaven bedrijven als % van het BBP: Eurostat, R&D expenditure (National R&D expenditure), NewCronos database, mei 2004; voorlopig 2002-cijfer voor Nederland van het CBS (cijfers zijn beschikbaar voor alle 25 EU-landen, met uitzondering van Malta).

– Aandeel technologisch innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden: Eurostat, Survey on innovation in EU enterprises (Results of the third Community Innovation Survey), NewCronos database, mei 2004 (cijfers zijn beschikbaar voor 14 voormalige EU-15 landen; Ierland ontbreekt).

Prestatie-indicatorenStreefwaardeHuidige waarde 
Aantal ingediende samenwerkingsverbanden (met een goede beoordeling) tussen innovatieve bedrijven onderling en/of met kennisinstellingen in het kader van de IS-regeling en het aantal gehonoreerde samenwerkingsverbanden1Subsidiewaar- dig2: 136 in 2005 Gehonoreerd3: 91 en 100 haalbaar- heidsstudies in 2005Subsidiewaardig: n.v.t. (nieuwe regeling) Gehonoreerd: n.v.t. (nieuwe regeling)  
    
Aantal aanvragers WBSOToename in lijn met effect-indi- cator R&D-uitga- ven bedrijven12 460 (2003), waarvan 660 zelfstandigen  
    
Toegekende WBSO in arbeidsjarenToename in lijn met effect-indi- cator R&D-uitga- ven bedrijven54 700 (2003)3 

1 Inclusief het onderdeel Opkomende markten.

2 Exclusief haalbaarheidstudies, in tegenstelling tot bij de gehonoreerde projecten worden bij de subsidiewaardige projecten de haalbaarheidsstudies niet meegenomen.

3 Het aantal arbeidsjaren van zelfstandigen maakt geen deel uit van dit aantal. Bij de berekening is uitgegaan van 1 400 uur per arbeidsjaar.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
Kennisontwikkeling individuele bedrijven  
Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)Generieke fiscale regeling, waarmee de overheid investeringen in speur- en ontwikkelingswerk door ondernemers wil bevorderen.€ 398 mln
   
Kennisontwikkeling in samenwerking  
Innovatiesubsidie samenwerkingsprojecten (IS)Stimuleren van nationale en internationale technologische samenwerking tussen bedrijven en publieke kennisinstellingen en bedrijven onderling. Criteria zijn: technologische innovatie, samenwerking, economisch perspectief en duurzaamheid.€ 99,1 mln
   
Netwerk Technische Wetenschappelijk Attachés(TWA's) (www.twanetwerk.nl)Overkoepelend instrument voor het hele innovatiebeleid, gericht op het activeren en koppelen van vraag naar en aanbod van kennis over technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen in NL en het buitenland. Ook houden TWA's ontwikkelingen bij op voor NL strategische innovatiegebieden in het buitenland. De TWA's richten zich op bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties. Er zijn TWA's in Duitsland, Frankrijk, Italië, de VS (Washington en Silicon Valley), Japan, het VK, Singapore en vanaf 2e helft 2004 in China.€ 3,6 mln
   
EUREKAIntergouvernementeel technologienetwerk in Europa dat grensoverschrijdende technologische samenwerking bevordert die relatief dicht bij de markt ligt.Niet op begroting EZ
   
EU-KaderprogrammaEU-programma om het onderzoeks- en innovatievermogen te verhogen door het bevorderen van grensoverschrijdende wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen uit de lidstaten.Niet op begroting EZ

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

WBSO

De WBSO wordt met ingang van 1 januari 2005 met € 25 mln geïntensiveerd, onder meer door de mogelijkheden voor ondersteuning van procesinnovatie te verruimen. Na de zomer van 2004 verschijnt een rapportage over de stroomlijning van de uitvoering van de WBSO, uitgevoerd door de belastingdienst en SenterNovem. Eventuele wijzigingen in wet- en regelgeving worden in 2005 doorgevoerd. Daarnaast verricht het CPB een onderzoek naar de effecten van bepaalde onderdelen van de WBSO. De resultaten van dit onderzoek komen eind 2004 beschikbaar en worden bij de inrichting van de WBSO betrokken.

EU-kaderprogramma

De uitkomsten van de evaluatie van de nieuwe instrumenten van het 6e Kaderprogramma (KP6) moeten leiden tot aanpassingen van het KP6 en aanbevelingen voor het KP7. Toegankelijkheid en flexibiliteit van het programma staan hierbij centraal, met name voor het bedrijfsleven en in het bijzonder het MKB. In 2004/2005 zal nadrukkelijker aandacht worden besteed aan het stimuleren van de Nederlandse deelname aan Europese Technologieplatforms. Deze platforms zijn gericht op de lange termijn R&D-strategie ten aanzien van specifieke technologiegebieden en daarmee richtinggevend voor de technologiethema's in het 7e Kaderprogramma.

Eureka

Nederland is van juli 2004 tot en met juni 2005 voorzitter van Eureka. Belangrijke speerpunten hierbij zijn de positionering van Eureka binnen de Europese Onderzoeks- en Innovatieruimte (ERIA), de ontwikkeling van excellente technologieclusters en de 3%-doelstelling van Lissabon.

Operationeel doel E. Versterken kennisbasis door samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen

Het beleid richt zich op de versterking van de interactie tussen de publieke kennisinfrastructuur en kennisvraag van het bedrijfsleven in het algemeen en geeft bijzondere aandacht aan strategische onderzoeksgebieden. Betrokkenheid van bedrijven bij publiek (fundamenteel en toegepast) onderzoek is dan ook een belangrijk kenmerk van het instrumentarium. De vorm en de omvang van ieders betrokkenheid hangt daarbij af van de aard van de technologie en de ontwikkelingsfase van het onderzoeksterrein. Een belangrijke rol spelen daarnaast verankering van de publiek-private samenwerking voor de lange termijn en overdracht van de onderzoeksresultaten.

Binnen deze operationele doelstelling wordt specifiek aandacht besteed aan een aantal strategische technologiegebieden. Het gaat om technologieën waarvan Nederland voor duurzame economische groei veel mag verwachten. Deze technologieën hebben een «enabling» karakter, dat wil zeggen dat ze nieuwe innovatiekansen creëren op allerlei terreinen en daardoor invloed hebben op grote delen van de economie. Om focus en massa én talent op strategische gebieden te bewerkstelligen, wordt via een verkenningenproces een portfolio opgebouwd van strategische technologiegebieden. De huidige portfolio van strategische technologiegebieden bestaat uit ICT, life sciences, katalyse, produktietechnologie (robotica), scheidingstechnologie, nanotechnologie en elektromagnetische vermogenstechniek. Deze portfolio is dynamisch. Bedrijven/branche-organisaties en kennisinfrastructuur benoemen de potentiële prioriteiten en leveren hiervoor benodigde input vanuit hun kennis, inzicht en ervaring.

Voor het verrichten van fundamenteel en toegepast onderzoek, onder meer op de strategische technologiegebieden, zijn voldoende en goed-gekwalificeerde kenniswerkers van essentieel belang. Nederland kampt echter met een schaarste aan hoogopgeleide kenniswerkers, in het bijzonder de voor innovatie belangrijke groep bèta-technisch opgeleiden. Een imagoprobleem betreffende zowel het bèta-techniek onderwijs als het bèta-techniek carrièreperspectief ligt ten grondslag aan de schaarste aan de bèta-technisch opgeleiden (zie Deltaplan bèta/techniek (TK, OCW, briefnr. 0301150)). Het Deltaplan formuleert als doel voor het hoger onderwijs dat ten opzichte van 2000 in 2007 15% meer bèta's en technici instromen en dat er in 2010 15% meer uitstromen. Voor de uitvoering van het Deltaplan is door OCW, SZW en EZ een Platform Bèta/techniek opgericht, dat regionale netwerken ondersteunt om het onderwijs te vernieuwen en techniek in het basisonderwijs te stimuleren.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige waarde 
Aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten en researchinstellingen als % van het totaal aantal innovatieve bedrijvenHuidige kabinetsperiode (2006) gemiddelde EU-15; op middellange termijn (2010) de top-5 van de EUSamenwerking met universiteiten: • NL: 6% (2000) • EU-15: 8% (1996) Top 5 EU-15 (1996): Finland: 36% Zweden: 19% Denemarken: 15% België: 14% Frankrijk: 9%
    
  Samenwerking met researchinstellingen: • NL: 7% (2000) • EU-15: 8% (1996)Top 5 EU-15 (1996): Finland: 29% Denemarken: 14% Ver. Kon.: 12% Zweden: 11% Spanje: 8%
    
Aandeel van kern-HRST in totale werkgelegenheidHuidige kabinetsperiode (2007) handhaven positie ruim boven het EU-gemiddelde; op middellange termijn (2010) de top-5 van de EU• NL: 18% (2002; 9e plaats) • EU-25: 15% (2002)Top 5 EU-25 (2002): Finland: 22% Denemarken: 22% Zweden: 21% België: 21% Cyprus: 19%

Bronnen: 2000-cijfers voor Nederland: informatie van CBS (2003);1996-cijfers voor andere EU-landen: Eurostat, Survey on innovation in EU enterprises, Second Community Innovation Survey, CD-rom, 2000. In bovenstaande tabel zijn alleen voor Nederland cijfers over 2000 weergegeven, omdat die voor de andere EU-landen nog niet in voldoende mate beschikbaar zijn. (Dit is ook de reden dat in de tabel geen positie van Nederland is weergegeven in een rangorde van EU-landen).

Toelichting op het begrip kern-HRST: HRST = Human Resources in Science and Technology (Nederlandse benaming: wetenschappelijk en technologisch arbeidspotentieel). De «kern van de HRST» wordt gevormd door hoger opgeleiden (personen met een tertiaire opleiding) die werkzaam zijn in een beroep binnen een van de volgende categorieën volgens de internationale beroepenclassificatie: «professionals» en «technicians and associate professionals».

Bronnen: Eurostat, Labour Force Survey (Total employment), NewCronos database, mei 2004; Eurostat, Innovation in Europe, 2004 edition (cijfers zijn beschikbaar voor alle 25 EU-25 landen).

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
EZ-financiering aan Grote Technologische Instituten (GTI's) en TNODe vijf Grote Technologische Instituten (GTI's: Marin, WL, NLR, GeoDelft en ECN) en TNO hebben tot doel bedrijfsleven en overheid toepasbare kennis ter beschikking te stellen en deze bij de implementatie daarvan te ondersteunen. EZ geeft in combinatie met andere departementen financiering aan Marin, WL, NLR, ECN (voor ECN zie artikel 4) en TNO.€ 34,4 mln
Technologiestichting STWVia de Technologiestichting STW stimuleert EZ de ontwikkeling van vraaggericht excellent technisch-wetenschappelijk onderzoek aan de Nederlandse universitaire onderzoeksinstellingen.€ 19,3 mln
Technologische Top Instituten (TTI's)De TTI's zorgen voor vergroting van het innovatievermogen en de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven op enkele selecte gebieden via bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek.€ 29,2 mln
Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's (IOP's)Het IOP versterkt via een programmatische aanpak het strategische onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten in de richting van de innovatiebehoefte van het bedrijfsleven.€ 14,6 mln
Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur(BSIK)BSIK stimuleert door middel van innovatief en hoogwaardig onderzoek de kennisontwikkeling op voor Nederland belangrijke kennisgebieden en het realiseren van de overdracht van de gegenereerde kennis naar het bedrijfsleven.€ 0 mln, reeds geheel in 2004 gecommiteerd
   
ICT  
Micro-elektronica-stimuleringDoor middel van subsidies worden ontwikkelingen van nieuwe technologieën en nationale en internationale samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen in het micro-elektronicacluster gestimuleerd.€ 36,3 mln
Regieorgaan voor ICT-onderzoek en -innovatieHet Regieorgaan heeft tot doel verbetering van de samenhang, volume en kwaliteit in ICT-onderzoek en -innovatie.€ 2,5 mln (uit Smart mix)
   
KatalyseDeze technologie maakt met behulp van actieve stoffen, micro-organismen of enzymen nieuwe processen en producten mogelijk. Het platform ACTS(Advanced Catalytic Technologies for Sustainability) richt zich op versterking van de positie van Nederland.€ 0,1 mln
   
Lucht- en Ruimtevaart  
ESA-contributie en projectfinanciering RuimtevaartbeleidDoel is het zo goed mogelijk benutten van de mondiale ruimtevaartinfrastructuur voor maatschappelijke, economische en wetenschappelijke vooruitgang. Via het TNOTechnology Transfer Program stimuleert EZ tezamen met TNO en ESA gerichte spin-off van beschikbare ruimtetechnologie naar aardse toepassingen.€ 13,0 mln
Pré-kwalificatie ESA- programma's (PEP)De Pep-regeling stelt de ruimtevaartindustrie en kennisinstellingen in staat technologische kennis te generen, die nodig is om te participeren in R&D-ruimtevaartprogramma's van ESA.€ 5,9 mln
Civiele Vliegtuig Ontwikkeling (CVO)Stimuleren van deelname van Nederlandse bedrijven aan internationale programma's op het gebied van civiele vliegtuigontwikkeling via subsidies en kredieten te ondersteunen.
Basisonderzoek luchtvaartStelt de kennisinfrastructuur in staat kennis te generen, die op de middellange termijn nodig is voor behoud en versterking van de positie van het luchtvaartcluster in Nederland.€ 1,8 mln
Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)Intermediaire organisatie die regelingen uitvoert en platforms organiseert op diverse terreinen van lucht- en ruimtevaart.€ 9,5 mln
   
Kenniswerkers  
CasimirfondsInstrument ter stimulering van de mobiliteit van onderzoekers tussen publiek en privaat. De vormgeving van het instrument is afhankelijk van de ervaringen met de lopende experimenten.n.v.t.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Smart Mix en Dynamisering Nederlands Innovatiesysteem

In het Regeerakkoord is voor zowel EZ als OCW een tot € 50 mln in 2007 oplopend bedrag per jaar beschikbaar (voor EZ in 2005 € 20 mln). Hiermee wordt publiek-private R&D-samenwerking geïntensiveerd op gebieden die van strategisch belang zijn voor onze kenniseconomie en excellent onderzoek ondersteund. In de loop van 2005 kunnen universiteiten, hogescholen en andere kennisinstellingen samen met bedrijven voor de dan beschikbare middelen voorstellen indienen. Voor zover de middelen naar universiteiten gaan, zal dit mede effect hebben op de verdeling van middelen uit de eerste geldstroom. Zoals beschreven in het Wetenschapsbudget van OCW vormt dit een eerste stap naar de invoering van prestatiebekostiging voor universiteiten, met prikkels voor valorisatie.

Programmatisch samenwerkingsinstrumentarium

In 2005 gaat het vernieuwde subsidiekader voor programmatische samenwerking van start. Dit subsidiekader versterkt de kennisbasis voor technologiegebieden zodanig dat er meer mogelijkheden voor innovatieve toepassing ontstaan. Het nieuwe subsidiekader sluit aan bij de best-practices van IOP's en TTI's en zal op termijn vernieuwde IOP's en TTI's ondersteunen.

Brugfunctie TNO en GTI's

Het advies van de Commissie Wijffels (met o.a. de evaluatie van de brugfunctie van TNO en de GTI's) is in mei 2004 beschikbaar gekomen, waarna het Kabinet haar standpunt heeft bepaald. De beleidsvoornemens in het Kabinetsstandpunt zijn:

a. het invoeren van vraaggestuurde programmering en -financiering bij TNO en GTI's;

b. het stimuleren van structuurwijzigingen bij TNO en diverse GTI's (o.a. de vorming van een Delta-Instituut);

c. het versterken van het kennis- en onderzoeksbeleid bij de betrokken departementen;

d. het bevorderen van een sterkere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij TNO en de GTI's, zowel bestuurlijk, organisatorisch als financieel.

EZ streeft ernaar medio 2005 het sturings- en financieringsmodel gereed te hebben. In 2006 zullen de ontwikkelde maatregelen op proefbasis worden uitgeprobeerd, waarna in 2007 de maatregelen in brede zin zullen worden ingevoerd.

Actieplan Concurreren met ICT-Competenties, «Regie en rendement in de ICT-kennisketen»

De acties in 2005 zijn:

1. Het Regieorgaan voor ICT-onderzoek en -innovatie zal in 2005 een strategisch plan uitbrengen voor de periode tot en met 2009, ter verbetering van samenhang, volume en kwaliteit in ICT-onderzoek en -innovatie.

2. De bevordering van meer geavanceerde ICT-toepassingen in het MKB in het kader van het CIC-uitstralingsprogramma (zie operationele doelstelling C).

3. Betere internationale inbedding van Nederlands ICT-onderzoek, onder meer door communicatie-activiteiten, actieve deelname aan internationale programma's en begeleiding van potentiële Nederlandse participanten.

Actieplan Life Sciences

Stimulering ondernemerschap in de Life Sciences en vermindering administratieve lasten door vereenvoudiging van wet- en regelgeving, versterking van de kennisbasis (Genomics Initiatief en Regieorgaan) en de internationale netwerken en een meer transparante overheidscommunicatie. Begin 2005 publiceert EZ het eerste Life Sciences Monitorrapport.

Ruimtevaart

Uitvoering van het Actieplan Ruimtevaart, dat eind 2004 naar de TK wordt gestuurd. Hierin formuleren alle bij ruimtevaart betrokken stakeholders gezamenlijk een aantal ambities, met als doel de Nederlandse positie op een aantal gebieden binnen de Europese ruimtevaart te waarborgen en verder te versterken.

Luchtvaartbeleid

Het huidige luchtvaartbeleid is gebaseerd op het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster uit 1997. In najaar 2004 wordt de evaluatie van dit beleid opgeleverd, waarna eind 2004 besluiten worden genomen over het luchtvaartbeleid vanaf 2005.

Elektromagnetische Vermogenstechniek (EMVT)

Dit is de techniek die het steeds sneller schakelen van steeds hogere vermogensdichtheden met steeds kleinere halfgeleidercomponenten mogelijk maakt. In 2005 zal een testfaciliteit voor EMVT worden geïmplementeerd.

Scheidingstechnologie

In 2004 hebben bedrijven en kennisinstellingen gezamenlijk een lange termijn onderzoeksstrategie ontwikkeld, welke met name van belang is voor de chemische- en voedingsmiddelenindustrie. Hiervoor zal in 2005 een publiek-privaat samenwerkingverband tot stand komen.

Nanotechnologie

Dit omvat onderzoeksgebieden op het raakvlak van life sciences, ICT, materialen en procestechnologie, waaraan EZ ondersteuning geeft. EZ brengt in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven de potentiële economische betekenis van nanotechnologie in kaart.

Produktietechnologie

EZ zal naar verwachting in de tweede helft van 2004 subsidie verlenen aan het Applicatiecentrum voor Productietechnologie (ACP), een schakelpunt voor toepassingsgerichte kennis vanuit de kennisaanbieders naar MKB-bedrijven in de maakindustrie. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van vouchers. Daarnaast draagt de verruiming van de WBSO op het punt van procesinnovatie bij aan de ontwikkeling van produktietechnologie.

Kennis en Innovatie

EZ en V&W zullen met ondersteuning van de adviezen van het Innovatieplatform en het V&W-beraad Kennis en Innovatie samen bezien hoe de innovatieprestaties van de mobiliteitssectoren versterkt kunnen worden.

Kenniswerkers

EZ zal de volgende actielijnen uit het Deltaplan bèta/techniek in 2005 uitwerken, in nauwe samenwerking met OCW, SZW en het Innovatieplatform.

Kennismigratie

In 2004 is tot een vereenvoudigd toelatingsregime voor kennismigranten besloten, met één loket, één formulier en één procedure. Nog in 2004 zal dit regime worden ingevoerd, zodat in 2005 hiermee zal kunnen worden gewerkt.

Publiek-private mobiliteit

Bij publiek-private mobiliteit gaat het om het stimuleren van meer (tijdelijke) publiek-private uitwisseling van onderzoekers als dragers van kennis. Aan de vormgeving hiervan, analoog aan de Marie-Curiebeurzen wordt gewerkt door OCW, NWO en EZ. In september 2004 is een beperkt aantal experimenten gestart. Deze worden o.a. getoetst aan de mate waarin deze bijdragen aan de doelstellingen van het Deltaplan (15% meer kenniswerkers in 2007). In overleg met het Innovatieplatform zal worden besloten over uitbreiding, bijvoorbeeld via een Casimir-regeling bij NWO.

2.3. Budgettaire gevolgen van beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 2: Bevorderen van innovatiekracht (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)489,6721,2427,4450,1485,4490,0488,6
Programma-uitgaven433,4665,0372,0397,3432,4436,5435,1
Operationeel doel B: Meer starters die technologische kennis       
ontwikkelen en benutten       
–TechnoPartneralgemeen  3,03,03,03,03,0
–Subsidieregeling KennisExploitatie6,39,910,07,310,010,010,0
–Seed-regeling  12,024,024,024,024,0
Operationeel doel C: Meer toepassing van kennis in het MKB       
–Bijdrage aan Syntens35,032,932,331,731,731,731,7
–SKO en SKB/Kennisoverdracht7,212,012,07,07,07,07,0
Operationeel doel D: Meer ontwikkeling en benutting van       
technologische kennis door bedrijven       
–Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten133,0115,699,198,7100,3100,390,5
Operationeel doel E: Versterken kennisbasis door samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen       
–Bijdrage aan TNO31,129,528,528,228,228,228,2
–Bijdrage aan Technologische Topinstituten32,129,429,228,928,928,928,9
–Bijdrage aan STW19,519,419,319,119,119,119,1
–Innovatiegerichteonderzoeksprogramma's16,918,514,614,614,614,614,6
–Kennisimpuls actielijn 15,0 2,55,35,89,510,0
–Besluit subsidies investering kennisinfrastructuur(Bsik) 263,2     
–Bijdrage aan NIVR3,87,49,59,39,38,98,7
–Bijdrage aan NLR2,28,02,12,12,12,12,1
–Bijdrage aan Marin2,42,42,32,42,42,42,4
–Bijdrage aan WL/Hydrolics1,63,11,51,51,51,51,5
–Micro-elektronicastimulering47,945,436,436,436,937,936,5
–ICT-kennis en -innovatie8,46,91,41,21,21,21,2
–Actieplan Life Sciences/Biopartner4,12,11,8    
–Katalyse5,30,10,10,10,10,00,0
–Smart mix  20,035,051,351,351,3
–Internationale ruimtevaart54,731,418,929,335,936,544,7
–Civiele luchtvaartontwikkeling4,33,61,8 5,05,05,0
–Diversen technologische vernieuwing (incl. STT)6,26,13,51,81,82,11,8
Algemeen       
–Onderzoek DG Innovatie4,34,71,74,64,64,64,6
–Voorzitterschap EU en Eureka0,02,52,6    
–Beleidsexperimenten DG Innovatie2,011,05,95,87,76,78,3
Apparaatuitgaven56,256,255,452,853,053,553,5
–Personeel Innovatie11,310,29,79,59,59,59,5
–Bijdrage DGI aan agentschap BIE16,817,816,514,013,713,713,7
–Bijdrage aan WIPO via BIE 0,30,30,30,30,30,3
–Bijdrage Pensioenen EOB1,92,22,63,13,64,24,2
–Uitgaven TWA-netwerk2,32,23,63,63,63,63,6
–Bijdrage DGI aan SenterNovem23,722,821,921,521,421,321,3
–Adviesraad WT en Eureka-secretariaat0,10,80,80,80,80,80,8
        
Uitgaven (totaal)551,4481,5529,2531,6573,4550,0551,8
        
Ontvangsten (totaal)183,7148,2135,4134,9132,1120,8142,2
–Ontvangsten Rijksoctrooiwet27,525,425,425,425,425,425,4
–Ontvangsten TOP54,027,023,823,823,823,823,8
–Ontvangsten uit het Fes80,862,576,377,177,068,490,9
–Ontvangsten EET-geld13,111,08,27,04,31,60,4
–Diverse ontvangsten Innovatie8,322,31,61,61,61,61,6

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor in bijlage 7 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 2: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2003Raming 2004Raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Innovatie – personeel183,661,8160,163,4151,166,5
TWA's3,5425,48,0262,88,0277,3

De lagere bezetting op het beleidsterrein Innovatie wordt veroorzaakt door overheveling van de directie ICT naar DGTP (vanaf 2004) en invulling van taakstellingen vanaf 2005, waaronder de centralisatie van een aantal staffuncties.

De hoge gemiddelde kosten van TWA's in 2003 werden veroorzaakt door 5 FTE's die nog onder de formatie van DGI vielen, maar op het budget van TWA drukten.

Fiscale maatregelen

Naast het EZ-instrumentarium draagt met name de fiscale maatregel WBSO bij aan de bevordering van de innovatiekracht van Nederland. Voor een nadere toelichting op dit instrument wordt verwezen naar paragraaf 2.2 D. Voor een totaaloverzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2005, bijlage Belastinguitgaven.

Fiscale maatregelen ter bevordering van de innovatiekracht (in € mln)
 2003200420052006200720082009
WBSO (incl. SBO-aftrek)323371398423423423423

2.4. Budgetflexibiliteit

Artikel 2: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1000)
 2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven529 176 531 582 573 368 549 954 551 786 
2.Waarvan appaatsuitgaven56 004 55 681 53 289 57 765 53 731 
3.Dus programma-uitgaven473 172 475 901 520 079 492 189 498 055 
4.Waarvan juridisch verplicht388 91982%220 56746%177 90935%98 90020%94 86019%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten12 9253%108 50923%111 38221%117 04724%121 48724%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk Gebonden70 94115%122 16626%173 32933%191 62239%173 11335%
7.Waarvan beleidsmatige Reserveringen3870%24 6595%57 45911%84 62017%108 59522%
8.Totaal473 172100%475 901100%520 079100%492 189100%498 055100%

Uit de tabel blijkt dat 83% van de voor 2005 geraamde programma-uitgaven moet worden aangehouden ter financiering van verplichtingen die tot en met 2004 zijn aangegaan.

Voor de instellingen en instituten is jaarlijks een bedrag van rond de € 110 mln benodigd, waarvan voor 2005 reeds ruim € 100 mln is verplicht. Door de meerjarige relatie met deze instellingen en instituten is het budget hiervoor in beperkte mate flexibel.

De raming voor complementair noodzakelijk/bestuurlijk gebonden uitgaven is opgebouwd uit meerdere componenten. Het Kabinet heeft in 2001 extra gelden uitgetrokken voor het realiseren van de Lissabon-agenda. Deze middelen uit de Kennis- en Innovatie-impuls zijn bestuurlijk gebonden. Voor de Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten is jaarlijks (tot 2008) een bedrag toegekend uit het Fonds economische structuurversterking. De internationale ruimtevaartprogramma's zijn bestuurlijk gebonden door de daaraan ten grondslag liggende internationale afspraken. Daarnaast is er bij Voorjaarsnota 2004 is een bedrag oplopend tot € 75 mln in 2007 toegevoegd aan de EZ-begroting, in verband met de kennisenveloppe uit het Regeerakkoord.

De reeks beleidsmatige reserveringen betreffen budgetten van de onderliggende subsidieregelingen voor meerjarig beleid.

2.5. Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
afgeronde evaluaties:      
AInnovatiedoor Octrooi-Innovatie     
BDreamstart     
EITEA/MEDEA+     
ETNO/GTI's (NLR, WL, Marin, ECN, GeoDelft) (eerste beleidsverantwoordelijke is OCW)     
ELuchtvaartbeleid(waaronder CVO)     
EKatalyse(tussenevaluatie)     
       
lopende evaluaties:      
BSIRT     
EInnovatiegerichteonderzoeksprogramma's (IOP's)     
EICES/KIS2, incl. Experimentele Faciliteiten     
EICES/KIS 3 (BSIK) (procesevaluatie)     
EStichting Duurzame Energie     
EBioPartner     
       
geplande evaluaties:      
TWA-netwerk     
AWT(eerste beleidsverantwoordelijke is OCW)     
OD A «Kennisbescherming»    
ABureau voor de Industrieel Eigendom     
OD B «Meer starters die technische kennis ontwikkelen en benutten»    
OD C «Meer toepassing van kennis in het MKB»    
CSyntens     
CKennisoverdrachtsinstrumenten (SKO/SKB)     
CInnovatienet     
OD D «Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven»    
DInnovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten (IS)     
OD E «Versterken kennisbasis door samenwerking»    
ETechnologische Topinstituten(TTI's)     
EConnekt     
ESTW     
EESA-contributie en projectfinanciering Ruimtevaartbeleid     
EKennisimpuls     
EKatalyse     
ENIVR     
ETNO/GTI's (eerste beleidsverantwoordelijke is OCW)     
EInnovatiegerichteonderzoeksprogramma's (IOP's)     
EICES/KIS3 (BSIK)     
EITEA/MEDEA+     
ELuchtvaartbeleid(waaronder CVO)     
Fiscale regelingen      
Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)     

De evaluatie van de algemene doelstelling van beleidsartikel 2 Bevorderen Innovatiekracht is ingevuld door middel van het IBO Technologiebeleid (mei 2002). Het IBO beslaat onder meer het gehele artikel 2 en geeft daarmee vorm aan het evalueren van de relevantie van de doelstellingen en van de doelmatigheid ervan. Naast deze evaluatie van het algemene doel blijft voor de komende jaren de programmering van de evaluaties van de onderliggende individuele instrumenten gehandhaafd. Een nieuwe totale evaluatie van de operationele doelen ten aanzien van het innovatiebeleid is gepland voor 2007/2008.

3 EEN CONCURREREND ONDERNEMINGSKLIMAAT

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
Een concurrerend ondernemingklimaatA. Zorgen voor aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen
B. Meer en beter ondernemerschap
C. Aantrekken van buitenlandse investeringen
D. Bevorderen van level playing field

Aandeel artikel 3 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-9.gif

Onderverdeling artikel 3 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-10.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-11.gif

Ontvangsten 2003–2009 x€ 1 mln

kst-29800-XIII-2-12.gif

3.1 Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

Bevorderen concurrerend ondernemingsklimaat.

Bedrijvigheid en goed ondernemerschap zijn de drijfveer achter duurzame economische groei. De overheid heeft daarbij primair de verantwoordelijkheid voor het scheppen van goede randvoorwaarden, het aanpakken van knelpunten en het faciliteren van kansen om te ondernemen.

Parallel aan de conjuncturele malaise is het vestigings- en investeringsklimaat sterk verslechterd. Om de verzwakte concurrentiepositie te verbeteren is het noodzakelijk om majeure knelpunten in het ondernemingsklimaat aan te pakken. Om daarbij effectief te kunnen opereren dient EZ goed inzicht te hebben in (ontwikkelingen in) het Nederlandse bedrijfsleven. EZ onderhoudt daarvoor onder andere relaties met bedrijven en brancheorganisaties uit de verschillende sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven.

Een tweetal effectindicatoren vormt een graadmeter van de kwaliteit van het ondernemingsklimaat in Nederland.

Het World Economic Forum publiceert jaarlijks twee ranglijsten waarin landen op belangrijke deelaspecten van het vestigings- en investeringsklimaat worden vergeleken. Het Nederlandse ondernemingsklimaat scoort in deze lijst niet slecht, maar wel beduidend minder dan een aantal jaren terug. Tot voor enkele jaren kon Nederland zich in de top 5 handhaven. Inmiddels is ons land in 2002 uit de top 10 weggevallen en werd in 2003 in de Growth Competitiveness Index een 12e plaats en in Business Competitiveness Index een 9e plaats ingenomen. De doelstelling is om aan het einde van deze kabinetsperiode bij beide indexen weer in de top 5 te staan.

De tweede indicator is de ontwikkeling van de bedrijfsinvesteringen in Nederland, weerspiegeld in de bedrijfsinvesteringsquote. Deze kunnen worden gezien als graadmeter voor de bereidheid van ondernemers risico's te nemen en te anticiperen op toekomstige productie en afzet. Na enkele jaren van daling van de quote, verwacht het CPB voor 2005 een stabilisatie op 16%. Daarmee ligt de investeringsquote op hetzelfde lage niveau als dat van de vorige conjuncturele neergang (16% in 1994). Op korte termijn is het streven om de investeringsquote niet verder te laten dalen. Op de langere termijn wil EZ de pieken en dalen in de investeringsquote afvlakken en deze geleidelijk op een hoger niveau te brengen.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige waarde 
Ranglijst World Economic Forum (Growth Competitiveness Index (GCI) en Business Competitiveness Index (BCI))Een verbetering t.o.v. 2003 en in 2007 in de top vijf.9e plaats GCI en 12e plaats BCI in 2003  
Investeringsquote van bedrijvenRelatieve toename van de investeringsquote ten opzichte van de afgelopen jaren. Het voorlopige dal van 1994 (ruim 16%) en de voorlopige piek van 2000 (bijna 20%) zijn hierbij ijkpunt.In 2003 16,3. 

Crisisbeheersing

Onder dit artikel valt ook «algemene crisisbeheersing», dat tot doel heeft vitale functies van het economisch proces ten tijde van crises in stand te houden. Rijksbreed is daartoe het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming geïmplementeerd. Tweejaarlijks wordt een rijksbrede rapportage aan de Tweede Kamer opgesteld over crisisbeheersing door de rijksoverheid. De jaarlijkse uitgaven voor dit instrument bedragen € 0,2 mln.

De algemene doelstelling kan worden opgesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. Aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen.

B. Meer en beter ondernemerschap: door meer en betere starters, meer en betere groeiers en verbetering van bedrijfsoverdrachten en beëindigingen.

C. Aantrekken van buitenlandse investeringen.

D. Bevorderen van level playing field.

Beleidsprogramma Balkenende II

De doelstellingen van dit artikel sluiten naadloos aan op de Kabinetsdoelstellingen voor Ruimte om te Ondernemen (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 202, nrs. 1 en 2 pagina 16). Binnen operationeel doel A worden vooral de bereikbaarheid en fysieke bedrijfsruimte aangepakt. Het vergemakkelijken van start, groei en overdracht van bedrijven vormt onderdeel van operationeel doel B, waarbinnen de aanpak van tegenstrijdige regels en de reductie van administratieve lasten een prominente plaats hebben. Daarnaast wordt ook de criminaliteit waar het bedrijfsleven mee te maken heeft, met gerichte acties bestreden. Het kabinet zal bovendien in 2005 een start maken met op maat gesneden prestatie-afspraken met de 30 grote steden op het gebied van onder andere herstructurering van bedrijventerreinen, bereikbaarheid, verbetering van gemeentelijke dienstverlening aan bedrijven en veilig ondernemen. Onder operationeel doel A is daarvoor een budget gereserveerd van € 152,1 mln, dat in 2005 beschikbaar wordt gesteld aan de 30 steden middels prestatie-contracten voor de periode tot en met 2009.

Overzicht 2005
Operationele doelenBelangrijkste acties 2005Beleidsbudget operationeel doel 2005
A.Aantrekkelijke steden en regio's• EZ maakt zich hard voor investeringen in goede bereikbaarheid van economische centra A2, A4, A12.€ 282,5 mln
 • Uitwerken van de nota Pieken in de Delta voor het regionaal beleid na 2006 
 • Versterking regionale innovatiekracht door om te beginnen projecten op te starten in Brabantstad en Oost Nederland. Daarnaast worden ook projecten ontwikkeld in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad.  
 • Benutting stuwende economische kracht van steden door uitvoering van de nieuwe convenanten Grotestedenbeleid 
 • EZ zal specifieke inspanningen leveren voor de realisatie van 50 topprojecten bedrijventerreinen 
 • Zorgen voor internationaal concurrerende mainports: Zuid-as, Maasvlakte II, PMR en Schiphol 
 • Vergroting effectiviteit van uitvoering regionaal economisch beleid door stroomlijning van de activiteiten van Syntens, KVK's, ROM's en EZ-regiokantoren 
 • Intensivering van grensoverschrijdende samenwerking 
   
B.Meer en beter • Verlaging administratieve lastendruk€ 462,8 mln
Ondernemerschap• Taskforce vereenvoudiging vergunningen  
 • Een concurrerend corporate governement stelsel  
 • Uitvoering plannen Transportsector en Urgente bedrijvenlocaties in het kader van het Actieplan Veilig Ondernemen  
 • Aanpak financieringsproblemen starters  
 • Herziening faillissementswet  
 • Verbetering van bedrijfsoverdrachten  
 • Vergroting Maatschappelijk verantwoord ondernemen  
 • Afspraken met HBO en WO over aandacht voor ondernemerschap 
   
C.Buitenlandse Investeringen• Opsporen en aantrekken buitenlandse investeerders• Marketing van Nederland als vestigingslocatie (o.a. door organisatie investeringsseminars en monitoring ondernemingsklimaat voor nieuwvestigers)€ 6,7 mln
 • Missie naar Boston voor ICT en Life Science 
   
D.Level Playing Field• Uitwerken acties Industriebrief€ 10,0 mln
 • Operationeel hebben van de Garantieregeling Scheepsbouw  
 • Compensatiebeleidaanpassen naar aanleiding van IBO-rapport «Verwerving materieel voor de Nederlandse krijgsmacht» 

5. Toerisme

Indicatoren en streefwaarden
BeleidsterreinIndicatorStreefwaarde
Bedrijventerreinen• Plan van aanpak per Topproject1. 90% van de topprojecten heeft in 2006 een plan van aanpak (is nu 60%).
 • Voldoende herstructurering in Topprojecten2. In 2012 is 3500 ha. van de topprojecten geherstructureerd.
 • Voldoende nieuwe bedrijventerreinen in topprojecten.3. In 2012 is 7000 ha van de topprojecten nieuwe terreinen aangelegd.
Grote Steden Beleid: economisch domein.Indicatoren nieuwe periode: • Aantal ha geherstructureerde bedrijventerreinen• Aantal delicten tegen bedrijven en ondernemers;• Onveiligheidgevoellokale bedrijfsleven; • Aangiftebereidheid ondernemers; • Aanbestedingsronde breedband en aantal instellingen aangesloten op breedband;• Mate van aansluiting bij electronisch bedrijvenloket;• Tevredenheid ondernemer gemeentelijk Ondernemingsklimaat.De omvang van de inzet op de prestatie-indicatoren en de streefwaarden per indicator voor de nieuwe convenantperiode worden door deze aanpak pas bekend bij het afsluiten van de convenanten, begin 2005. Bij Voorjaarsnota 2005 zullen deze aan de Tweede Kamer worden toegezonden.
Kompas voor het Noorden• Extra werkgelegenheid Noord NL door Kompas1990 fte's extra werkgelegenheid per jaar 2000–2006
 • Uitgelokte investeringen Kompas€ 398 mln per jaar 2000–2006
 • Extra bedrijventerreinen en kantoorruimte periode 2000–2006 (voor het Noorden)1. 1 000 ha nieuwe bedrijventerreinen 2. 1 100 ha revitalisatie bedrijventerreinen 3. 200 000 m2 nieuwe kantoorruimte stationsgebieden4. 200 000 m2 revitalisatie kantoorruimte
Toerisme• Belang toerismeMarktaandeel van het inkomend toerisme van Nederland stijgt met 1% ten opzichte van de ons omringende landen (Dui, Bel, Den, Eng)

3.2 Operationele doelstellingen

Operationeel doel A. Aantrekkelijke steden en regio's om te kunnen ondernemen

Door middel van regionaal economisch beleid wordt gezorgd voor aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen. In juli 2004 is de beleidsnotitie «Pieken in de Delta» uitgebracht. Deze beleidsnotitie beschrijft de economische agenda van het kabinet voor zes gebieden in ons land. In iedere regio wordt een aantal nationale prioriteiten benoemd die het kabinet samen met lagere overheden en bedrijven wil realiseren.

Deze nationale prioriteiten vallen uiteen in 5 thema's:

1. Internationaal concurrerende mainports en bereikbaarheid

2. Economische kerngebieden en grote stedenbeleid

3. Topprojecten bedrijventerreinen

4. Gebiedsgericht innovatiebeleid

In onderstaande tabel staan de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
TOPPER en Regeling Innovatieve Bedrijventerreinen• TOPPER: Opvolger TIPP voor te herstructureren Topprojecten – budget 2005 22,9 miljoen• Regeling innovatieve bedrijventerreinen – regeling om innovatieve (aanpak van) bedrijventerreinen te stimuleren (opvolger DBT) budget 2005 2 miljoen€ 22,9 mln
Kompas voor het Noorden• Programma van € 0,5 mrd in 2000–2006 voor economische ontwikkeling noorden via het Samenwerkingsverband Noord Nederland.€ 61,7 mln
Investeringspremieregeling (IPR)• Regeling gericht op grote investeringen voor vestiging en uitbreiding in steungebieden in noord en oost NL en Zuid Limburg.€ 13,1mln
Stadseconomie• Het economische domein binnen het Grote Stedenbeleid (GSB) voor de periode 2005–2009 voor de 30 grootste steden.€ 154,1 mln
EFRO cofinanciering• Cofinanciering van programma's die door de Europese Commissie worden ondersteund uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).
ROM's• De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) initiëren in samenwerking met het bedrijfsleven nieuwe economische investeringen in hun regio's. EZ draagt bij in de apparaatkosten van de ROM's.€ 7,3 mln
NBTC• Activiteiten ter bevordering van het toerisme worden gestimuleerd via een bijdrage aan Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen, de nationale marketingorganisatie€ 20,0 mln
Overig Toerisme• Activiteiten en projecten uit de Vernieuwde Toeristische Agenda en de contributie aan World Tourism Organisation.€ 0,8 mln

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

In juli 2004 is de beleidsnotitie «Pieken in de Delta» uitgebracht. Deze beleidsnotitie beschrijft de economische agenda van het kabinet voor zes gebieden in ons land. In iedere regio wordt een aantal nationale prioriteiten benoemd die het kabinet samen met lagere overheden en bedrijven wil realiseren.

Deze nationale prioriteiten vallen uiteen in 5 thema's:

1. Internationaal concurrerende mainports en bereikbaarheid

2. Economische kerngebieden en Grotestedenbeleid

3. Topprojecten bedrijventerreinen

4. Gebiedsgericht innovatiebeleid

5. Toerisme

Daarnaast worden de inspanningen gericht op de structuurfondsen, representatie in de regio, en uitvoering Kompas

Internationaal concurrerende mainports en bereikbaarheid

In de nota Ruimte en in de Pieken in de Delta zijn voor een goede bereikbaarheid van economische kerngebieden de uitgangspunten geformuleerd. Het kabinet legt prioriteit bij de hoofdverbindingsassen, en daarbinnen met name de TRIPLE A (A2, A4 en A12).

EZ draagt daarnaast in 2005 bij aan een voortvarende uitvoering van het Bestuursakkoord over het project Mainport Ontwikkeling Rotterdam. Bovendien ontwikkelt EZ in 2005 een economische visie op de lange termijnontwikkeling van Schiphol. Deze visie past als bouwsteen in de interdepartementale Mainportvisie, geleid door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Economische kerngebieden en Grotestedenbeleid

Het regionaal economisch beleid is onderwerp geweest van een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO). In de kabinetsreactie, het in juli 2004 uitgebrachte Pieken in de Delta, zet het kabinet (bij het ruimtelijk economisch beleid) in op het grijpen van economische kansen en niet langer op het wegwerken van welvaartsverschillen. Het kabinet kiest voor economische groei in alle regio's – en daarmee in Nederland als geheel – door economische kansen met een nationaal belang te stimuleren.

Over de realisatie van deze kansen zal per thema verantwoording worden afgelegd. Ook zal het kabinet in de loop van 2005 besluiten nemen over de omvang en de regionale verdeling van de middelen van gebiedsgericht economisch beleid, waarbij de Europese besluitvorming over de voortzetting van EUstructuurfondsen na 2006 een belangrijke overweging vormt.

Steden en stedelijke netwerken zijn de stuwende kracht achter de Nederlandse economie. Ruim veertig procent van het nationaal inkomen (inclusief randgemeenten zelfs tachtig) wordt in de dertig grote steden verdiend. Toch zijn er structurele problemen, zoals verouderde bedrijventerreinen, slechte autobereikbaarheid en een structurele discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Door gericht beleid te voeren op de knelpunten kunnen de eigen kansen van elke stad optimaal worden benut.

Het Rijk stelt via Brede Doel Uitkeringen voor het sociale, fysieke en economische domein middelen beschikbaar als bijdrage in de uitvoering van de plannen per stad. Via maatwerk en prestatieafspraken per stad kan de rijksbijdrage effectiever worden ingezet. Nieuw ten opzichte van GSBII is dat de middelen voor stadseconomie geconcentreerd zijn binnen het economisch domein zodat de economische structuur van steden integraler en daarmee effectiever versterkt kan worden. Met de Brede Doeluitkering Economie is voor de convenantperiode 2005–2009 een bedrag gemoeid van € 162,1 mln Hiervan is € 10 mln gereserveerd in een «kansen- en bedreigingenbudget». Op basis van het nieuwe beleidskader stadseconomie en de indicatieve verdeling van € 152,1 mln van de EZ-middelen over de GSB-steden ontwikkelen steden hun meerjarige ontwikkelingsprogramma's (MOP). Op basis van deze MOP's worden begin 2005 de convenanten gesloten. EZ zal met de 30 steden prestatieafspraken op maat maken over onder meer herstructurering van bedrijventerreinen, gemeentelijke dienstverlening aan bedrijven, breedband en veilig ondernemen.

Topprojecten

In het Actieplan Bedrijventerreinen geeft het kabinet aan welke concrete acties het voor bedrijventerreinen voor de jaren 2004 tot en met 2008 wil uitvoeren. Dat zijn generieke en specifieke acties (topprojecten). De generieke acties bestaan onder andere uit het initiëren van pilots op de thema's criminaliteit, meer private prikkels, zorgvuldig ruimtegebruik, zonering en architectuur. Ook zal EZ zich inspannen voor het beter toegankelijk maken van kennis over het oplossen van knelpunten rond bedrijventerreinen. Specifiek zal het kabinet zich gaan richten op ongeveer 50 grote en complexe terreinen van nationaal economisch belang, de zogeheten Topprojecten. Het streven is om in het jaar 2012 met de projecten 3500 ha te herstructureren en 7000 hectare nieuwe terreinen aan te leggen.

Actieplan Veilig Ondernemen uitvoeren gebiedsgerichte deel

Het project Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties leidt tot de aanpak van de criminaliteit op 50 urgente bedrijvenlocaties. Doel is een afname van de criminaliteit tegen bedrijven met 25% te bereiken binnen drie jaar na de start van de aanpak. In 2005 zal de aanpak starten op tien bedrijvenlocaties

Gebiedsgericht innovatiebeleid

Zoals aangekondigd in de nota Pieken in de Delta wil het kabinet wil samen met andere overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven innovatie in de regio's versterken. De focus ligt daarbij op vier regio's met grote internationale bedrijven, kennisintensieve toeleveranciers en MKB-bedrijven, die de potentie hebben om uit te groeien tot een internationaal concurrerend innovatiegebied. Bovendien is er in deze gebieden een bovengemiddeld aantal innovatieve kennisinstellingen aanwezig die de activiteiten ondersteunt. In 2005 gaat het om Brabantstad (o.a. brainport Eindhoven) en Oost Nederland (o.a. Food Valley). In 2005 worden bovendien de initiatieven rond de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad op innovatiegebied verder uitgewerkt.

Toerisme

Het toeristisch beleid van het kabinet is primair gericht op bevorderen van het internationaal inkomend toerisme. Steden, cultuur en de kust vormen de belangrijkste attractie voor buitenlandse toeristen. In het kader van het grote stedenbeleid worden met enkele steden prestatiedoelstellingen binnen dit thema opgesteld. De Vernieuwde Toeristische Agenda (2004) beoogt in 2005 onder andere het maken van een meerjarige programmering van grote evenementen en pilotprojecten voor de Nederlandse kust. Het NBTC, de nationale toerismeorganisatie, voert een werkprogramma uit met als kerndoel om het marktaandeel inkomend toerisme ten opzichte van de ons omringende landen te verhogen. In 2004 is de subsidierelatie met NBTC veranderd, en is er een nieuwe contract afgesloten gebaseerd op een heldere prestatie indicator.

Structuurfondsen

In 2005 worden naar verwachting de onder Nederlands voorzitterschap gestarte onderhandelingen over het cohesiebeleid 2007–2013 afgerond. De structuurfondsen maken daar onderdeel van uit. De uitdaging van het Europees cohesiebeleid is het nastreven van sociale en economische cohesie. Naast afronding van de onderhandelingen in Brussel staat binnen Nederland het jaar 2005 in het teken van voorbereiding op de uitvoering in de volgende periode, zoals een nationaal strategiedocument en programmering van bijvoorbeeld grensoverschrijdende samenwerking. De inhoudelijke inzet van EZ zal daarbij gericht zijn op de Europese bijdrage aan de operationalisering van «Pieken in de Delta» en het versterken van de economische pijler uit de Lissabonstrategie.

Stroomlijning representatie EZ in de regio

Uit het IBO regionaal economisch beleid kwam naar voren dat bij het voorbereiden en uitvoeren van regionaal economisch beleid coördinatieproblemen kunnen ontstaan doordat veel partijen vanuit verschillende invalshoeken zich bezighouden met de uitvoering van het overheidsbeleid In 2005 zal deze stroomlijning starten, mede geïnitieerd vanuit het project Andere Overheid (PAO). Daarbij worden in elke geval de ROM's, Syntens, beleidsafdelingen van de Kamers van Koophandel en de regiokantoren van het Ministerie van Economische Zaken betrokken.

Het Kompas voor het Noorden

Ter versterking van de economische structuur in Noord-Nederland is voor de jaren 2000–2006 het programma «Kompas voor het Noorden» ontwikkeld. Voor 2005 wordt meer focus in de uitvoering van het Kompas aangebracht door:

– Het versterken van het innovatieve vermogen van de Noordelijke economie

– Aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt verbeteren

– Toeristisch recreatieve voorzieningen versterken

– Beter ontsluiten van werklocaties via fysieke- en ICT-infrastructuur

– Ontwikkelen agenda stedelijke ontwikkeling en kenniscentra

– Verbetering van de samenwerking tussen betrokken partijen in SNN

Operationeel doel B. Meer en beter ondernemerschap

Het EZ-beleid is er op gericht ondernemerschap te stimuleren door belemmeringen weg te nemen op de kapitaalmarkt, op de arbeidsmark en op het punt van administratieve lasten voor het bedrijfsleven, criminaliteit en corporate governance.

Minder knelpunten voor ondernemers moeten leiden tot meer en betere ondernemers, dus meer starters, meer snelle groeiers en meer geslaagde bedrijfsoverdrachten. Een belangrijke prestatie die hiervoor geleverd moet worden is het verminderen van de administratieve lasten door regelgeving.

IndicatorStreefwaardeHuidige waarde
Aantal ondernemers als % van de beroepsbevolkingMinimaal 10% en 0,5%-punt hoger dan EU-gemiddelde10,9% (iets boven EU-gemiddelde)
Volwassenen actief bezig met opzetten eigen bedrijfin 2010 bij de 5 hoogst scorende lidstaten van de EU-15in Nederland 3,6% (onder het EU-15 gemiddelde)
Meer startersMeerUltimo 2003: 54 000
Reductie van Administratieve Lasten voor het bedrijfsleven.Reductie van 25% in 2007 ten opzichte van 2002.1% verlaging EZ in EZ jaarverslag 2003
Aantal bedrijven dat verantwoording aflegt over MVO middels richtlijn 400 of middels een Maatschappelijk jaarverslag.Afhankelijk van nulmeting in 2004.nulmeting in 2004

Met uitzondering van de MVO-indicatoren zijn de indicatoren ontleend aan de Beleidsbrief «meer actie voor ondernemers». Deze brief is in juli 2004 aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

In onderstaande tabel staan de belangrijkste instrumenten ten behoeve van het meer en beter ondernemerschap.

Overzicht Instrumenten
Naam instrumentOmschrijvingBudget 2005 in € mln
BBMKBDe borgstellingsregeling vergroot de toegang van MKB tot bankkrediet. Voor bedrijven die over onvoldoende zekerheden beschikken staat de overheid borg voor een deel van de nieuwe kredietverstrekking.€ 452,5 mln
Kamers van KoophandelDe Kamers voeren een aantal verplichte taken en een aantal facultatieve taken uit.
Stichting Koning Willem IAanmoedigingsprijs voor het meest veelbelovende nieuwe bedrijf.€ 0,1 mln
Vereniging Nederland Distributieland (NDL)EZ subsidieert samen met LNV en V&W een jaarlijks programma om knelpunten in de distributiesector binnen Nederland op te lossen.€ 0,2 mln
Programma-onderzoek MKB en ondernemerschapDe subsidie aan dit programma is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie.€ 3,0 mln
Investeren in menselijk kapitaalDe subsidieregeling scholingsimpulsbevordert het ontwikkelen en testen van innovatieve scholingstrajecten.€ 3,6 mln
 Het kenniscentrum Elders Verworven Competenties (EZ, OCW en SZW) is gericht op de erkenning en zichtbaarheid van reeds verworven competenties in en rond het werk.Nog te bepalen
 Met het keurmerk Investors in People wil de overheid bedrijven en instellingen stimuleren om te investeren in de employability van hun medewerkers.€ 0,5 mln
 Het driejarig programma Profijt van MensenKennis beoogt branche-organi- saties en bedrijven te stimuleren een strategisch HRM-beleid te voeren.Reeds gecommitteerd
 Het programma gericht op Masterclasses «Fast Growth» voor snelle groeiers biedt de bedrijven de kans om zich te ontwikkelen op verschillende gebieden (internationalisering, financiering van snelle groei, HRM-beleid).€ 0,2 mln
 Actieplan Leven lang LerenNog te bepalen
Kenniscentrum MVOBevorderen van kennis- en informatieoverdracht over MVO, zowel in de nationale als de internationale context.€ 1,2 mln
FISCAAL  
ZelfstandigenaftrekEen ondernemer die voldoet aan het urencriterium (per jaar ten minste 1225 uur en ten minste 50% van de totale werktijd werkzaam in de onderneming) en nog geen 65 jaar is, heeft recht op een fiscale aftrek van de winst.€ 1 476 mln
Fiscale oudedagsreserve, niet omgezet in een lijfrenteOndernemers in de inkomstenbelasting kunnen een oudedagsreserve vormen. Een ondernemer die voldoet aan het urencriterium en nog geen 65 jaar is, kan 12% van de winst per kalenderjaar aan de oudedagsreserve toevoegen. De FOR kan bij het staken van de onderneming belastingvrij worden omgezet in een lijfrentepolis.€ 229 mln
MeewerkaftrekIndien de partner van een ondernemer die zelf aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek voldoet, meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer recht op meewerkaftrek.€ 19mln
InvesteringsaftrekDe investeringsaftrek is een extra aftrek op de fiscale winst. Deze aftrek is een percentage van het totale investeringsbedrag in een kalenderjaar. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is specifiek gericht op het stimuleren van investeringen in bedrijfsmiddelen.€ 291 mln
Willekeurige aftrek startersSinds 1 januari 1996 kunnen startende ondernemers in een jaar dat ze startersaftrek genieten willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zij in hun onderneming hebben aangeschaft of voortgebracht.€ 8 mln
Extra zelfstandigenaftrek startersStartende ondernemers hebben bovenop de zelfstandigenaftrek recht op een extra zelfstandigenaftrek.€ 88 mln
Vrijstelling en heffingskorting beleggingen in durfkapitaal t.b.v. beginnende ondernemersBelastingplichtigen die direct of indirect geld ter beschikking stellen aan een beginnende ondernemer hebben recht op een gemaximeerde vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing en een extra heffingskorting. Daarnaast geldt dat verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal tot een gemaximeerd bedrag in aftrek komen op het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige.€ 16 mln
StakingsaftrekBied verzachting van de belastingheffing over de stakingswinst bij gehele of gedeeltelijke staking van een onderneming€ 133 mln
Doorschuiven stakingswinst en bedrijfsopvolgingsfaciliteitBeoogt liquiditeitsproblemen te voorkomen en daarmee de continuïteit van een onderneming te waarborgen bij bedrijfsopvolging.€ 102 mln resp. € 75 mln
Verlaagd tarief logiesverstrekking en verlaagd tarief voedingsmiddelen horecaTer stimulering van de betreffende sectoren geldt een BTW-tarief van 6% in plaats van het normale tarief van 19%.€ 178 mln resp. € 1 044 mln

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Actieplan Veiligheid en criminaliteit

Gelet op de grote economische schade van criminaliteit tegen ondernemers heeft EZ samen met belanghebbenden (Justitie, BZK, EZ en bestuurders van VNO-NCW, MKB-Nederland en het Verbond van Verzekeraars) het Actieplan Veilig Ondernemen gelanceerd. Kern van dit plan zijn projecten die leiden tot een daadwerkelijke reductie van de criminaliteit in 2008 met 20%. EZ is daarbij verantwoordelijk voor het project

Aanpak Transportsector en het project Aanpak Urgente bedrijvenlocaties.

Met de transportsector worden afspraken gemaakt die gericht zijn op een afname van de criminaliteit tegen bedrijven uit deze sector met 25% in 2008. Het project Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties leidt tot de aanpak van de criminaliteit op 50 urgente bedrijvenlocaties. Op elke locatie is het doel een afname van 25% binnen 3 jaar.

Administratieve Lasten (AL) reductie

In het Hoofdlijnenakkoord is de doelstelling opgenomen om de administratieve lasten voor bedrijven in 2007 met een kwart te verminderen t.o.v. eind 2002. Administratieve lasten zijn de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. De talrijke administratieve verplichtingen waar bedrijven door de overheid mee worden geconfronteerd, leiden bij ondernemers tot aanzienlijke kosten en ergernissen.

De Minister van Financiën coördineert samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken deze rijksbrede operatie. Dit laat onverlet dat elk ministerie een eigen verantwoordelijkheid draagt.

De netto voorziene reductie van EZ voor 2005 bedraagt € 11,3 mln, wat neerkomt op 1,7% reductie op het totaal van € 672 mln. Deze reductie is in overeenstemming met de AL-meerjarenbegroting zoals die in de brief van 19 april aan de Tweede Kamer is opgenomen (Kamerstukken 2003/2004, 29 515, nr. 7). De grootste reducties worden in de jaren 2004 en 2006 verwacht. Enkele verwachte reducties zijn nog niet gekwantificeerd.

Per beleidsthema is de situatie als volgt:

A. Marktordening: Het vervallen van de waarmerkverplichtingen bij de octrooiwet was voorzien voor 2004. Door vertraging bij de behandeling zal de reductie in 2005 gerealiseerd worden (€ 975 000).

B. Telecom en post: De realisatie van de reducties zijn verspreid over 2002–2006. (€ 19,9 mln, ruim 26%). Belangrijke reducties in 2004 waren resultante van de nieuwe Telecomwet. Ook heeft het schrappen van bezwaar- en beroepmogelijkheden voor veel AL-reductie gezorgd. Nog niet te kwantificeren reducties in 2005 zijn te verwachten als uitkomst van de marktanalyses waarin waarschijnlijk voor minder markten/bedrijven AMM (aanmerkelijke marktmacht) zal worden vastgesteld, en daardoor minder (informatie)verplichtingen. In 2005 worden naar verwachting reducties gerealiseerd door de introductie van het stilzwijgend verlengen van vergunningen en door de voorgenomen digitaliseringsmaatregelen bij Agentschap Telecom.

C. Energie: De Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet plus de onderliggende regelgeving, geeft een toename van de administratieve lasten. De lasten worden geschat op € 3 mln.

D. CBS: De verdeling van de CBS-reducties over 2002–2006 is niet bekend. Vooralsnog zijn alle reducties en toenames op 2006 geboekt (€ 6 mln netto reductie, 26%). Een deel van die reductie zal eerder gerealiseerd worden, het is op dit moment echter niet exact bekend hoeveel. Een voorlopige schatting voor 2003 laat zien dat de reductie in 2003 mogelijk € 3,5 mln bedraagt. Daarmee zou meer dan de helft van de totale CBS-reductie inmiddels zijn gerealiseerd. In het Jaarverslag van 2004 zullen de exacte reducties voor 2003 bekend worden gemaakt. Voorlopige cijfers voor 2004 zullen het 1e kwartaal 2005 beschikbaar komen. In 2005 wordt waarschijnlijk duidelijk welke reductie wordt behaald bij de Statistiek internationale handel in diensten, die van de DNB is overgenomen.

E. Interdepartementale samenwerking: In 2004 en 2005 starten enkele interdepartementale projecten. EZ trekt de projecten Modelbedrijven, Vergunningverlening en de Klankbordgroep voor bedrijven. Dit zal r educties opleveren voor verschillende departementen. De verwachte omvang van de reducties zal begin 2005 bekend zijn.

F. ICTAL: Bedrijvenloket geopend, één virtueel loket waar de ondernemer informatie van de overheid kan krijgen en transacties kan verrichten (bijv. aanvragen BTW-nummer, inschrijving Handelsregister).

EZ is in de zomer van 2004 gestart met de Taskforce Vereenvoudiging Vergunningen. De Taskforce moet tussen 1 juli en begin 2005 concrete verbeteringsvoorstellen ontwikkelen voor vergunningprocedures die leiden tot minder administratieve lasten, kortere doorlooptijden en een stroomlijning van procedures. De Taskforce wordt voorgezeten door een externe voorzitter en bestaat uit vertegenwoordigers van gemeentes, provinciën en departementen.

EZ pakt hiernaast ook de tegenstrijdige regelgeving voor het bedrijfsleven aan. Implementatie van best practices in gemeenten wordt ondersteund in 2005–2007. Voorts draagt EZ via de ontwikkeling van een ICT-voorzieningen (ICTAL) bij aan de reductie van administratieve lasten. Voor 2005 ligt de nadruk vooral op het stimuleren van het daadwerkelijk en grootschalig gebruik van de voorzieningen. Tenslotte is het Meldpunt voorgenomen regelgeving ondergebracht bij EZ.

Voor wat betreft de administratieve lasten die EZ zelf veroorzaakt laten onderstaande tabellen zien welke concrete maatregelen in 2005 tot welke reducties en toenames zullen leiden.

Tabel: overzicht voorgenomen reducties AL in 2005 voor het bedrijfsleven
 Wet- of regelgevingTotale AL van betreffende wet of regel(x € 1 000)ActieReductie in euro(x € 1 000)Reductie in procenten
EnergieGaswet art 4 lid 160Eenvoudiger doorgeven van wijzigingen van o.a. NAW gegevens door aansluiting bij BBR3050%
 Gaswet3 828On-line toegang tot actuele wet- en regelgeving752,0%
 Gaswet3 828Diverse verplichtingen vervallen bij uitbundeling GTS1604,2%
 Electriciteitswet art 12 lid 155Eenvoudiger doorgeven van wijzigingen van o.a. NAW gegevens door aansluiting bij BBR2850%
OrdeningHandelsregisterwet28 575On-line inschrijving KvK1 5705,5%
 Handelsregisterwet28 575Overige reductie als gevolg van ICT1 8006,3%
 Handelsregisterwet28 575Vervallen verplichte advertentie staatscourant7302,6%
 Octrooiwet23 782Vervallen waarmerkverplichting bij vertalingen9754,1%
 Besluit prijsaanduiding kappers572Vervalt572100%
 In- en uitvoerwet9 685Vervallen enkele handelsqouta9 43097,4%
Totaal 66 497 15 37023,1%
Tabel: Overzicht verwachte toename van AL in 2005 voor bedrijfsleven als gevolg van nieuw beleid
 Wet- of regelgevingTotale AL van betreffende (bijbehorende of oude) wet of regel (x € 1 000)Actie om toename zoveel mogelijk te beperkenToename in euro (x € 1 000)Toename in procenten
EnergieWijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer, plus onderliggende regelgeving11 709(Electriciteitswet 1998 + Gaswet)Bij switchprocedures dezelfde procedures aangehouden als bij delen van de markt die reeds vrij zijn. Deze procedures zijn mede door de energiebedrijven ontwikkeld.4 05234,6%
Totaal 11 709 4 05234,6%

NB: De percentages zijn t.o.v. de administratieve lasten op de desbetreffende regel, niet t.o.v. het totale pakket aan maatregelen bij EZ.

BBMKB

Een belangrijk probleem voor veel starters en MKB is nog altijd de toegang tot kleine kredieten. Het klimaat om een kleinzakelijk krediet te verkrijgen is de afgelopen jaren mede door de conjunctuur verder verslechterd. Het beroep op de BBMKB voor kleine kredieten is vooral sterk afgenomen als gevolg van nieuwe kredietverleningsprocessen bij banken (kostenreductie, standaardisering en Basel 11) die niet meer aansluiten bij de BBMKB. In overleg met banken wordt onderzocht of en hoe die aansluiting weer is te herstellen. Daarnaast wordt gedacht aan het verhogen van het garantiedeel voor de borgstellingkredieten aan starters (BBMKB) onder de €100 000. Ook de promotie van de BBMKB wordt opgevoerd. Om de toegang tot het durfkapitaal te verbeteren zal EZ maatregelen nemen om de transparantie in de markt te vergroten. Informal investors en bedrijven moeten elkaar gemakkelijker kunnen vinden. Het beleid zal gericht zijn op informatievoorziening, educatie en coaching

Concurrerend Corporate Governance-stelsel

Doelstelling van de EZ-activiteiten op dit terrein is een «ondernemend» ondernemingsbestuur, waarin de markt vertrouwen heeft. Hiervoor is vergroting van de invloed van de aandeelhouders noodzakelijk. In verband hiermee zal het onderzoekprogramma in 2005 van de nieuwe hoogleraar, op de door EZ ingestelde leerstoel corporate governance, gericht zijn op de economische impact van corporate governance. Verdere activiteiten in 2005 (met andere departementen) betreffen: een basale herbezinning op het structuurregime; het slechten in Europees verband van barrières voor grensoverschrijdende activiteiten van ondernemingen; facilitering van een zgn. monitoringcommissie die gaat toezien op de follow-up van de aanbevelingen van de cie Tabaksblat; vereenvoudiging en flexiblisering van het vennootschapsrecht, ondermeer door aanpassing van het BV recht.

Menselijk Kapitaal

Nederland kampt met een blijvende en wellicht zelfs toenemende schaarste aan hoogopgeleide kenniswerkers. Binnen de groep kenniswerkers is, met het oog op innovatie, een essentiële rol weggelegd voor bèta-technisch opgeleiden. Dit wordt vormgegeven in het Deltaplan bèta techniek. Ten tweede moet het kennis- en vaardigheidsniveau van dit menselijk kapitaal in de loop der jaren op peil blijven. De uitwerking van dit beleid zal plaatsvinden in het op te stellen actieplan Leven Lang Leren. Onderdeel hiervan zal zijn de oprichting van een platform LLL waarin overheid, sociale partners en onderwijskoepels zitting zullen hebben. Daarnaast heeft EZ het instrumentarium gefocust op scholings- en hrm-instrumenten. EZ zal in afstemming met OCW en het Innovatieplatform (werkgroep Leynse) bezien welke activiteiten gestart kunnen worden om de uitval in het VMBO te verminderen. Eén manier om de problematiek van uitval in het VMBO te verminderen is het aanbieden van aantrekkelijker en ondernemender onderwijs. Vanaf volgend jaar zullen dan ook, in navolging van het MBO en Hoger Onderwijs, ook specifiek activiteiten gericht worden op stimulering van ondernemerschap in het VMBO-onderwijs.

Meer aandacht voor ondernemerschap

Om de belangstelling voor ondernemerschap aan de bron te versterken heeft EZ samen met OC&W acties in gang gezet om de aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs te versterken (2003–2004, 29 200 XIII, nr. 54 d.d. 5 juli 2004). Met het HBO en WO wordt vanaf 2005 gewerkt aan vrijwillige prestatieafspraken over hun inzet om ondernemerschap te bevorderen. Deze nieuwe benadering wordt de komende jaren stapsgewijs uitgebouwd. De acties begeven zich langs drie lijnen: de ondernemende instelling, de ondernemende docent en de ondernemende student. Belangrijke acties zijn een actieve verspreiding van best practices, het meer aandacht geven aan ondernemerschap in lerarenopleidingen en het bezien van de mogelijkheden voor een internationale leerstoel ondernemerschap. Hierbij zal waar mogelijk en nodig worden aangesloten bij het actieprogramma Technopartner.

Kamers van Koophandel

In het voorjaar van 2005 zal de Kamer geïnformeerd worden over de uitkomsten van de evaluatie van de Kamers van Koophandel. In de opzet van de verplichte evaluatie wordt aandacht besteed aan het functioneren van de Kamers van Koophandel als organisatie in de afgelopen jaren. Op deze wijze kan in de toekomst een beslissing over een mogelijke taakuitbreiding van de Kamers van Koophandel beter worden beoordeeld. Nadat de uitkomsten van de evaluatie aan de Kamer bekend zijn gemaakt, kan een beslissing genomen worden over de uitvoeringsorganisatie die verantwoordelijk wordt voor het beheer van onder andere het basisbedrijvenregister en het virtueel bedrijvenloket.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Er zijn tal van zakelijke argumenten waarom MVO cruciaal is voor het succes van een onderneming. Er zijn concrete aanwijzingen dat bedrijven die aan MVO doen over het algemeen ook goed presteren op commercieel en innovatief gebied. Zo kan MVO zorgen voor een extra profilering van bedrijven en producten, geeft MVO bedrijven een voordeel bij het werven van medewerkers en zijn er besparende voordelen, bijvoorbeeld op het milieuvlak. Daarnaast kan MVO helpen het publieke vertrouwen in het bedrijfsleven te versterken. Voorwaarde daarbij is dat MVO niet alleen over goed nieuws gaat, maar gepaard gaat met daadwerkelijke transparantie en het afleggen van verantwoording. Bedrijven hebben naast rechten, tenslotte ook morele plichten.

De overheid wil MVO niet verplichten, maar bedrijven op weg helpen. Het doel is om de middengroep te laten aansluiten bij de koplopers. EZ wil dit bereiken door o.a.:

– transparantie over MVO te bevorderen, o.a. door het instellen van een transparantiebenchmark voor bedrijven en maatschappelijke organisaties, het ondersteunen van de ACC Award voor het beste maatschappelijke jaarverslag en het stimuleren van het gebruik van duurzaamheidsinformatie door maatschappelijke organisaties en institutionele beleggers

– het aanreiken en promoten van instrumenten en kaders, zoals Richtlijn 400, de Handreiking voor Maatschappelijke verslaggeving en de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (die bedrijven houvast geven bij internationale activiteiten)

– kennis- en informatieoverdracht bevorderen en het faciliteren van de onderlinge dialoog over MVO tussen ondernemers, maatschappelijke organisaties, (lokale) overheden en burgers via het op initiatief van EZ opgerichte Kenniscentrum MVO.

– de ervaring die is opgedaan met het voeren van de multistakeholderdialoog verder uit te bouwen in overleg met het Kenniscentrum MVO. In 2004 vond een succesvolle pilot plaats.

– (praktijkgerichte) kennis over MVO te laten ontwikkelen d.m.v. het universitaire onderzoeksprogramma MVO. De resultaten worden in 2005 gepresenteerd en door het Kenniscentrum MVO verspreid.

– aandacht te geven aan de uitkomsten van het Europees Multistakeholderforum en de komende mededeling van de Europese Commissie over MVO.

Duurzame ontwikkeling

EZ streeft naar duurzame economische groei. Groei is nodig om allerlei maatschappelijke gewenste ontwikkelingen mogelijk te kunnen blijven maken. De uitdaging is die groei zodanig te laten plaatsvinden dat die niet ten koste gaat van, maar juist ten bate is van mens en milieu. Binnen EZ wordt daarbij gewerkt aan het integraal benaderen van beleidsdossiers, d.w.z. bij de ontwikkeling van beleid wordt ook aandacht besteed aan zoveel mogelijk relevante aspecten van dossiers. Dat laat onverlet dat in de uiteindelijke besluitvorming politieke keuzes gemaakt dienen te worden.

Dossiers waar dit o.a. speelt zijn:

– De handel in emissierechten voor CO2 en NOx.

– Een nieuw systeem REACH voor de toelating van chemische stoffen in de EU(samen met VROM).

– Op het gebied van externe veiligheid wordt interdepartementaal goed samengewerkt aan het ontwikkelen van een coherent beleid, waarin ontwikkelingen tot stand komen op basis van een evenwichtige afweging van ruimtelijke, economische en veiligheidsbelangen. De acceptatie van veiligheidsrisico's ten gevolge van economische activiteiten dient te worden bezien in relatie tot het ruimtebeslag en de risico's voor werknemers en omwonenden van de betreffende activiteit, alsmede de mogelijkheden om de risico's verder te beperken.

Herziening Faillissementswet

Een herziening van het insolventiesysteem, waarvoor in 2005 een wetsvoorstel zal worden ingediend, moet er toe leiden dat ondernemers in financiële problemen meer en eerdere prikkels krijgen om tot sanering van hun schulden over te gaan. Naast deze aanpassing van de wet worden ook flankerende maatregelen genomen op het gebied van advisering en ondersteuning van ondernemers. De modernisering van de Faillissementswet omvat ook een aantal procedurele verbeteringen, die erop gericht zijn om de snelheid, (kosten-)efficiëntie en deskundigheid van de gerechtelijk afhandeling waar mogelijk te verbeteren en het bewandelen van buitengerechtelijke wegen (minnelijke oplossingen) te bevorderen. Met deze acties moet het stigma op falen verdwijnen en moeten meer ondernemers een eerlijke kans krijgen op een herstart.

Vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht

Naar aanleiding van het rapport van de expertgroep «Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht» en het rapport «Versoepeling van het BV-kapitaalbeschermingsrecht» wordt samen met het Ministerie van Justitie een ambtelijk voorontwerp van wet ter consultatie aangeboden.

Verbetering bedrijfsoverdrachten

De komende jaren gaan veel ondernemers met pensioen (18 000 per jaar). Vaak leidt dit tot onnodige beëindiging met negatieve gevolgen voor o.a. de werkgelegenheid. Goed overgedragen bedrijven hebben ook een grotere overlevingskans dan starters. Om te zorgen dat meer bedrijven succesvol worden overgedragen zal o.a. een toolkit voor bedrijfsoverdrachten worden ontwikkeld samen met ondernemersorganisaties. Hiermee moet ieder jaar minstens 10% van de ondernemers die een bedrijf willen overdragen worden bereikt. Ook wordt actief samengewerkt met de Kamers van Koophandel om te komen tot meer en betere overdrachten. Voorts heeft het kabinet besloten om een aantal fiscale faciliteiten voor bedrijfsoverdrachten te verruimen. Zo zal de vrijstelling voor de overgang van ondernemingsvermogen in de Successiewet worden verruimd. De termijn in de Wet op de inkomstenbelasting, dat de overnemer in de onderneming werkzaam moet zijn om van geruisloze doorschuiffaciliteit gebruik te maken, wordt verkort van 36 naar 24 maanden.

Operationeel doel C. Stimulering van buitenlandse investeringen in Nederland

Buitenlandse investeringen bevorderen de werkgelegenheid, concurrentie en de kennisbasis van de Nederlandse economie1. Deze aspecten winnen in toenemende mate aan belang bij het realiseren van economische groei en het creëren van werkgelegenheid in Nederland. Het vermogen om buitenlandse investeringen aan te trekken wordt – op macroniveau – naast de kwaliteit van het Nederlandse ondernemingsklimaat bepaald door de mondiale conjuncturele ontwikkeling en de concurrentiekracht van andere landen.

Indicatoren en streefwaarden
Effect-indicatorStreefwaardeHuidige waarde 
Omvang van de aangetrokken investeringen€ 200 miljoen in 100 projectenRealisatie 2003 was € 597 miljoen in 104 projecten. (40% van realisatie is toe te schrijven aan één investering).  
Hiermee gemoeide werkgelegenheid2 500 arbeidsplaatsen2 737  
Percentage investeringen in hightech sectoren50%52 %  
Aantal schriftelijk bevestigde verzoeken tot ondersteuning CBIN240nieuw 

De streefwaarde voor het aantal buitenlandse investeringen in Nederland is ten opzichte van de begroting 2004 met 20 projecten verhoogd. Deze bijstelling is het gevolg van de lichte economische opleving in het belangrijkste wervingsgebied Noord-Amerika in 2003/begin 2004. De streefwaarden voor het aantal arbeidsplaatsen en investeringsbedrag worden daarentegen niet verhoogd. De gemiddelde omvang van projecten wordt namelijk kleiner. Dit wordt veroorzaakt door de hinder die Nederland ondervindt van een zich – in relatieve zin – verslechterend vestigingsklimaat. Knelpunten doen zich met name voor op het gebied van arbeidskosten, fiscaliteit, infrastructuur en innovatieklimaat. Blijkens een in 2003 gehouden enquête onder buitenlandse bedrijven in Nederland zijn deze daarenboven in toenemende mate kritisch over de flexibiliteit van het arbeidsrecht, bestrijding criminaliteit en veiligheid. Elementen van het Nederlandse vestigingsklimaat die bijzonder gewaardeerd worden door de buitenlandse investeerders zijn de internationale oriëntatie en de geografische positie van Nederland als toegangspoort naar Europa, de kwaliteit van de nutsvoorzieningen en de meertaligheid van de werknemers.

In onderstaande tabel staan de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
CBIN netwerk• Netwerk van 14 kantoren in belangrijke economische knooppunten in de wereld en een hoofdkantoor in Den Haag.€ 6,7 mln
Technologische Matchmaking• Koppelen van Nederlandse aan buitenlandse bedrijven ten behoeve van technologie-uitwisseling.apparaat

Vanuit de buitenlandkantoren worden de bedrijven met Europese investeringsplannen opgespoord, benaderd en van informatie over het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat voorzien. Tevens wordt, in samenwerking met de thuisbasis in Nederland, assistentie geboden bij de voorbereidingen die een investeerder moet treffen alvorens zich in Nederland te kunnen vestigen. In dit verband wordt ook intensief samengewerkt met provincies, (grote) steden en regionale ontwikkelingsmaatschappijen.

In 2003 is een begin gemaakt met een meer gerichte acquisitie van kennisintensieve activiteiten van buitenlandse bedrijven. Ten eerste door meer specifieke marketing te plegen op voor Nederland kansrijke technologiegebieden (bijv. ICT, Life Sciences, voeding, katalyse). Ten tweede door de dienstverlening naar buitenlandse bedrijven uit te breiden door bedrijven ook te ondersteunen bij het vinden van technologische partners in Nederland. De succesvolle High Tech Connections missie naar Silicon Valley (januari 2004) is hiervan een goed voorbeeld. In 2005 zal deze missie een vervolg krijgen middels het HTC-forum in Boston, waarbij naast ICT ook aandacht zal worden geschonken aan Life Scienses.

Deze accentverschuiving dwingt wel tot een heroriëntatie op de wijze van resultaatmeting. Er is inmiddels beperkte ervaring opgedaan met dit nieuwe instrument van partnersearch oftewel technologische matchmaking.

Operationeel doel D. Bevorderen van level playing field

Oneerlijke concurrentie bemoeilijkt ondernemen. Indien een «level playing field» in een markt ontbreekt, loont ondernemen minder. Om te weten welke omstandigheden gunstig zijn voor – en dus leiden tot – ondernemen, is contact met het bedrijfsleven en andere overheden in binnen- en buitenland nodig.

Indicatoren en streefwaarden
 IndicatorStreefwaardeHuidige waarde (jaarverslag 2003)
Output/prestatieAandeel Nederlandse bedrijven in Nederlandse defensieaanschaf- fingenMinimaal 60% (5-jaarlijks voortschrijdend gemiddelde)57%
 Gerealiseerde invulling compensatieverplichtingenGemiddeld € 350 mln per jaar392 mln per jaar

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
TROSRegeling betreft invulling van het tijdelijk defensief steunmechanisme. De regeling is van kracht tot 31 maart 2005 en bedraagt in totaal € 50 mln. Met ingang van 1 januari 2001 was de ordersteun voor zeescheepsnieuwbouw niet meer toegestaan. Sinds 1 oktober 2002 is een tijdelijk defensief steunmechanisme voor de Europese industrie van kracht als gevolg van een conflict met Zuid-Korea. Tot 31 maart 2005 is voor bepaalde typen schepen ordersteun weer toegestaan. Nederland heeft dit ingevuld met de TROS (Tijdelijke Regeling Ordersteun Scheepsnieuwbouw).
Garantieregeling SchepenRegeling betreft garanties met betrekking tot de voor-financiering van nieuw te bouwen schepen. Er is € 10 mln gereserveerd in 2005 en 2006.€ 10 mln
Deelname aan internationaal overlegZowel op het gebied van scheepsbouw als van defensiematerieel neemt EZ intensief deel aan internationaal overleg.apparaat
CompensatiebeleidHet compensatiebeleid is gericht op het maken en effectueren van afspraken met buitenlandse industrieën en overheden over de inschakeling van Nederlandse bedrijven bij de ontwikkeling en productie van defensiematerieel.apparaat
Deelname JSF-SDD faseNederland participeert in de ontwikkelingsfase voor de JSF. EZ betaalt een deel van de voorfinanciering van de bijdrage van de Nederlandse industrie. EZ bevordert de optimale inschakeling van de Nederlandse industrie bij de ontwikkeling van de JSF.apparaat
NMLNederland Maritiem Land is een organisatie die onder andere enkele projecten op het gebied van Maritieme innovatie en onderzoek uitvoert.€ 0,4 mln
RaffinaderijvrijstellingTer voorkoming van internationale concurrentieverstoringen worden minerale oliën die worden verbruikt als brandstof bij de productie van minerale oliën niet belast€ 41 mln

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om Bevorderen van level playing field te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen:

Acties 2005

Regieraad Bouw

De Regieraad Bouw heeft als hoofdtaak het op gang brengen van het veranderingsproces in de bouwsector. Alleen door meer concurrentie kan de bouw een krachtige en innovatieve sector worden. De Ministers van V&W, VROM en EZ hebben deze Regieraad ingesteld om het veranderings- en vernieuwingsproces dat nodig is voor de bouwsector een extra impuls te geven. In 2005 zal de Regieraad uitvoering geven aan het actieprogramma dat in 2004 is opgesteld.

Invulling industriebrief

In de zomer van 2004 heeft EZ de Industriebrief gepresenteerd. Daarin hebben de bewindslieden van EZ namens het Kabinet hun visie gegeven op (toekomstige) ontwikkelingen in de industriële sector in NL en daarbij aangegeven wat de beleidsmatige implicaties daarvan zijn, inclusief de rol van de overheid. In 2005 zal hieraan invulling worden gegeven.

De markt voor zeescheepsnieuwbouw.

De nationale invulling van het Leadership 2015 is in 2004 nader uitgewerkt in nauw overleg met de sector: vertegenwoordigers van de scheepswerven, maar ook maritieme toeleveranciers, kennisinfrastructuur en de vakbonden. Als gevolg hiervan zal in 2005 een garantieregeling van kracht worden. Tevens zal worden bezien welke mogelijkheden er zijn om innovatie in de maritieme sector verder te stimuleren.

3.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 3 Een concurrerend ondernemingsklimaat (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)606,9679,8787,0557,9552,6558,1556,9
Programma-uitgaven589,0662,6770,8541,8536,5542,0540,8
Operationeel doel A: aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen.       
–Bedrijventerreinen24,122,922,922,922,922,922,9
–Gebiedsgerichte regionale stimulering60,761,761,761,758,658,658,6
–Centraal deel IPR17,213,913,113,113,113,113,1
–Suppletieinstrument Infra/Kennis7,02,42,42,42,47,47,4
–Cofinanciering EZ in EFRO-projecten0,4  1,211,011,011,0
–Bijdrage NBTC22,820,920,018,617,416,316,3
–Bijdrage WTO en EVD0,20,20,20,20,20,20,2
–Overig Toerisme 1,30,81,01,01,01,0
–Bijdrage aan apparaatkosten ROM's7,57,47,37,17,07,07,0
–Bijdrage aan financiering ROM6,8      
–Stadseconomie  154,12,02,02,02,1
–Regio-& infrastructuurprogramma's0,9      
Operationeel doel B: meer en beter ondernemerschap       
–Borgstellingen MKB357,4452,5452,5384,5384,5384,6384,5
–Actieplan veilig ondernemen 1,81,5    
–Bijdragen aan instituten4,85,94,73,12,33,62,3
–Bevorderen Ondernemerschap6,16,64,10,50,50,50,5
Operationeel doel C: aantrekken van buitenlandse investeringen       
–Uitgaven CBIN-netwerk5,96,76,76,76,76,76,7
Operationeel doel D: Level Playing Field       
–Bijdrage Scheepsbouwindustrie60,050,010,010,0   
–Codema-regeling1,0      
Algemeen       
–Opdrachten & Onderzoek DGO2,85,05,83,53,53,53,5
–NL voorzitterschap EU2004 0,2     
–Algemene crisesbeheersing0,20,20,20,20,20,20,2
–Bijdragen aan NML en NDL0,80,80,60,40,20,20,2
–Vernieuwingsprogramma's1,62,22,42,73,13,43,4
–Bijdrage aan ACTAL0,6      
        
Apparaatuitgaven17,917,216,216,116,116,116,1
–Personeel Ondernemingsklimaat14,714,614,013,913,913,913,9
–Bijdrage DGO aan Agentschappen2,62,52,22,22,22,22,2
–Personeel ACTAL0,7      
        
Uitgaven (totaal)334,1329,8280,1234,7240,6255,7248,9
        
Ontvangsten (totaal)41,632,326,822,118,220,620,6
–Provisie kredieten11,010,810,810,810,810,810,8
–Terugbetalingen verliesdeclaraties10,94,14,14,14,14,14,1
–Rente KMKB0,10,10,10,10,10,10,1
–Ontvangsten uit Fes(O)11,915,09,84,8   
–Diverse ontvangsten O7,72,32,02,33,25,65,6

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen, waarvoor in bijlage 7 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 3: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Ondernemingsklimaat – personeel229,963,9243,660,1230,660,8
PIA – personeel3,7245,17,0112,6

De lagere bezetting op het beleidsterrein van Ondernemingsklimaat vanaf 2005 wordt veroorzaakt door invulling van taakstellingen, waaronder de centralisatie van een aantal staffuncties. PIA wordt met ingang van 2005 verantwoord op artikel 21.

3.4 Budgetflexibiliteit

Artikel 3: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1000)
 2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven280 147 234 748 240 607 255 661 248 914 
2.Waarvan appaatsuitgaven17 911 17 116 16 710 16 275 16 275 
3.Dus programma uitgaven262 236 217 632 223 897 239 386 232 639 
4.Waarvan juridisch verplicht177 12267%105 28149%83 30237%66 54328%41 36618%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten36 13114%35 62516%33 52815%33 67314%32 67114%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden44 62417%67 05031%89 17340%106 18344%104 10944%
7.Waarvan beleidsmatige reserveringen4 3592%9 6834%17 9358%33 09114%54 80024%
8. Totaal262 236100%217 632100%223 897100%239 386100%232 639100%

Uit de tabel blijkt dat 68% van de voor 2005 geraamde programma-uitgaven is bestemd voor de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2004 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is daardoor vanuit juridische en administratief-technische invalshoek niet flexibel. In 2005 en later is een bedrag van rond de € 35 mln benodigd voor bijdragen aan instellingen en instituten. Hiertoe behoren onder andere het NBTC en de Rom's.

In 2005 is € 45 mln oplopend tot een bedrag van rond de € 105 mln in 2008, complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden met als gevolg een beperkte flexibiliteit. De grootste componenten die hieronder vallen zijn Scheepsbouw, Kompas voor het Noorden, GSB, Bedrijventerreinen en BBMKB.

De oploop in de reeks beleidsmatige reserveringen, bestaat voor een belangrijk deel uit de kasuitgaven die staan gereserveerd voor regionaal beleid in latere jaren en middelen voor opdrachten & onderzoek en vernieuwingsprogramma's.

3.5 Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
afgeronde evaluaties:      
AODA: Fysiek (via IBO)     
AROM's     
AIPR     
AMKB/Konver     
ABedrijventerreinen     
ADBT     
BEIM (Programmaonderzoek MKB en ondernemenschap)     
lopende evaluaties:      
BKamers van Koophandel     
BKenniscentrum EVC     
BScholingsimpuls     
BOndernemerschapen onderwijs     
BExperiment HBO-vouchers     
Fiscale regelingen: Zelfstandigenaftrek     
Fiscale regelingen: Durfkapitaal     
geplande evaluaties:      
OD A «Aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen»     
AGSB(fysiek/niet-fysiek)     
ANBTC     
AReonn (Kompas voor het Noorden)    
AEFRO-cofinanciering    
AIPR     
ABedrijventerreinen     
OD B «Meer en beter ondernemerschap»     
BBBMKB     
BProgramma Profijt van Mens en Kennis     
BInvestors in people     
BMVO     
BArbeidsradar (wordt waarschijnlijk stopgezet)     
BKenniscentrum EVC     
BExperiment HBO-vouchers     
OD C «Aantrekken buitenlandse investeringen»     
CCBIN-netwerk     
CPIA(interdepartmentaal)     
OD D Bevorderen van «Level playing field»      
DInstrument financiering schepen (TROS)     
DDeelname JSF-SDD fase (Bijdrage ontw. JSF)     

Met het IBO regionaal economisch beleid, zoals uitgevoerd in 2004, is tevens de voor 2004 geplande evaluatie van het operationele doel «Aantrekkelijke steden en regio's om te ondernemen» afgerond (voorheen: operationeel doel «Fysieke ruimte»). Bij dit IBO is gebruik gemaakt van recent uitgevoerde en lopende instrumentevaluaties (ROM's, IPR, STIREA/DBT/TIPP, Structuurfondsen en KOMPAS).

4 DOELMATIGE EN DUURZAME ENERGIEHUISHOUDING

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
Doelmatige en duurzameenergiehuishoudingA. Optimale ordening en werking van de energiemarkten.
B. Duurzameenergiehuishouding.
C. Handhaving van niveau van voorzieningszekerheid op korte en lange termijn.

Grafieken

Aandeel artikel 4 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-13.gif

Onderverdeling artikel 4 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-14.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-15.gif

Ontvangsten 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-16.gif

4.1 Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

Doelmatige en duurzame energiehuishouding.

Een noodzakelijke voorwaarde voor duurzame economische groei is een doelmatige en duurzame energiehuishouding. Zoals ook in het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001–2002/2002–2003, 27 801, nr. 21) is aangegeven richt dit streven zich op een energiehuishouding die goed scoort op de thema's economische efficiëntie, milieukwaliteit en voorzieningszekerheid. De algemene beleidsdoelstelling kan daarom worden opgesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. Optimale ordening en werking van de energiemarkten

B. Duurzame energiehuishouding

C. Handhaving van niveau van voorzieningszekerheid op korte en lange termijn

Beleidsprogramma Balkenende II

In 2005 worden de volgende doelstellingen uit het Beleidsprogramma van het tweede kabinet Balkenende gerealiseerd:

• Om leverings- en voorzieningszekerheid van gas en elektriciteit te garanderen zal in 2005 een aanvullend pakket van maatregelen worden gemaakt boven op reeds bestaande wetgeving.

• Ten aanzien van kennis en innovatie zullen de nieuwe energie-innovatie instrumenten operationeel zijn. Ook zullen, conform het kabinetsstandpunt ten aanzien van het rapport van de Cie. Wijffels, belangrijke stappen zijn gezet om het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) te versterken als het kennis- en onderzoekinstituut op gebied van energie. Een belangrijk aspect daarbij is het bevorderen van een sterkere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij ECN.

• In 2005 gaat het Europese Emissiehandelsysteem van start, waarmee een belangrijke invulling wordt gegeven aan een kostenefficiënte verduurzaming van de energiehuishouding. Daarnaast zal, ter verdere vergroening van het belastingstelsel, de Energiebelasting conform het Hoofdlijnen Akkoord verhoogd worden. Gericht op de langere termijn van systeeminnovaties wordt, als onderdeel van de energietransitie, de Unieke Kansenregeling geopend.

Overzicht acties 2005
Operationele doelenActies 2005Budget operationeel doel 2005
A. Optimale ordening en werking van de energie– Wetgeving voor splitsing energiebedrijven is eind 2005 in werking getreden€ 29,5 mln
markten.– Wijziging Mijnbouwwet om opslagmarkt voor gasflexibiliteit te faciliteren  
 – In Europees verband voert Nederland overleg met België, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk. Doel is samenwerking te organiseren, zodat er uitzicht komt op een grotere regionale markt in Noordwest Europa. Daarnaast zijn er nieuwe initiatieven ter vergroting van de interconnectie 
 – In 2005 wordt de gasvisie aan de Tweede Kamer gepresenteerd; borging van de publieke belangen en tegelijkertijd effectieve concurrentie op de groothandelsmarkt staan hierin centraal 
   
B. Duurzameenergiehuishouding.– Gedeeltelijke vrijstelling van de Energie Belasting vervalt, de regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) wordt verhoogd€ 149,0 mln
 – In 2005 treedt uitgiftestelsel wind offshore in werking 
 – In 2005 wordt de ingebruikname van windpark Near Shore Windpark Egmond verwacht 
 – Emissiehandel start per 1 januari 2005 
   
C. Handhaving van niveau van voorzieningszekerheidop – Afhankelijk van uitkomsten rapport CPB, eventuele herinvoering Willekeurige Afschrijving Continentaal Plat€ 75,4 mln
korte en lange termijn.– Randvoorwaarden definiëren voor duurzameontwikkeling Waddengas 
 – Uitwerking B4 knelpunten gaswinning en windenergie  
 – Monitoring van de leveringszekerheid en voorzieningszekerheid van elektriciteit en gas/regelgeving 

4.2 Operationele Doelstellingen

Operationeel doel A. Optimale ordening en werking van de energiemarkten

De energiemarkten bevinden zich in een transitie van een gereguleerde markt naar een geliberaliseerde markt. De rol van de overheid is om dit transitieproces in goede banen te leiden. Per 1 juli 2004 is de energiemarkt in Nederland volledig geliberaliseerd. Daarmee hebben ook de kleinverbruikers keuzevrijheid verkregen. Nederland steunt daarnaast maatregelen die een open Europese energiemarkt bevorderen, zoals het harmoniseren van toegangsregimes tot energie-transmissienetten.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaarde
Ordening van de energiemarkten 
SplitsingswetgevingWetgeving ten aanzien van splitsing regionale energiebedrijvenuiterlijk in 2005 in werking getreden
Werking van de energiemarkten 
Bekendheid met mogelijkheid switchen van energieleveranciers85% in 2005
Aantal gebruikers dat heeft overwogen te switchen20% in 2005
Internationaal level playing field 
Samenwerking omringende landen optimaliserenStructureel overleg (minimaal 2 maal per jaar) tussen overheden, netbeheerders en regulators

In onderstaande tabel staan de instrumenten ten behoeve van een optimale ordening en werking van energiemarkten.

Overzicht instrumeneten
InstrumentOmschrijving
Ordening van de energiemarkten
Interventie en ImplementatiewetOp 14 juli 2004 is de Wet wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht op het netbeheer in werking getreden. Met deze wetswijziging (de zgn. Interventie en Implementatiewet) wordt onder andere beoogd de positie van de kleinverbruiker te versterken, de onafhankelijkheid van het netbeheer te vergroten en de handhavingsbevoegdheden van de Dienst Toezicht energie (DTe)aan te scherpen.
Werking van de energiemarkten
DTe houdt toezicht op naleving van de energiewetgevingDe uitvoering van en het toezicht op de naleving van de energiewetgeving is in handen van DTe. De missie van DTe is om energiemarkten zo effectief mogelijk te laten functioneren. DTe heeft hiervoor wettelijke taken gekregen op basis van de Electriciteitswet 1998 en de Gaswet.
Monitoring van de verwachte vraag en het verwachte productieaanbodOp grond van de tweede elektriciteitsrichtlijn en de tweede gasrichtlijn zijn lidstaten verplicht de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit en gas te monitoren. Jaarlijks dient er gerapporteerd te worden aan de Europese Commissie over de ontwikkeling van de verwachte vraag en het produktieaanbod op de nationale markt en over de kwaliteit en de staat van onderhoud van de netten.
Internationaal level playing field
Internationaal forumNederland heeft het bilateraal overleg met België, Duitsland en Frankrijk opgevoerd met als doel verbetering van samenwerking te realiseren tussen Tennet en de Belgische en Duitse TSO's (Transmission System Operators). Resultaat van dit geïntensiveerde overleg is dat in september 2004 een Forum van start gaat van de betrokken toezichthouders, netbeheerders en overheden van (in eerste instantie) Nederland, België, Luxemburg en Duitsland. Doel is de samenwerking te optimaliseren, zodat er meer samenhang komt tussen de markten, met het oog op totstandkoming van een grotere regionale markt om de liquiditeit, marktwerking en mededinging in Noord-West Europa te kunnen bevorderen.

Het budget 2005 voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Ordening van de energiemarkten

Gasgebouw

Zoals vermeld in de brief van 15 oktober 2003 (Kamerstukken II, 2002/03, 28 109, nr. 5) bestaat nog altijd de noodzaak het Gasgebouw op afzienbare termijn te herstructureren Dit om het gasgebouw in lijn te brengen met een interne Europese markt en de publieke belangen (kleineveldenbeleid, gasbasten) zeker te stellen. Hoe de herstructurering van het Gasgebouw zal worden vormgegeven, wordt opnieuw nader overwogen.

Wetgeving splitsing energiebedrijven

In 2004 is besloten om privatisering van regionale energienetwerken te blijven verbieden tot aan 1 januari 2007. Energiebedrijven mogen wel hun commerciële activiteiten voor 1 januari 2007 afsplitsen. Deze voorwaarden worden nader uitgewerkt in wetgeving (splitsing energiebedrijven) die eind 2005 in werking dient te treden.

Interventie en Implementatiewet

In 2005 zal EZ de Ministeriële Regelingen in het kader van de Interventie en Implementatiewet nader uitwerken.

Werking van de energiemarkten

Liquiditeit en de transparantie van de gas- en elektriciteitsmarkt

De liquiditeit en de transparantie van de gas- en elektriciteitsmarkt zal in 2005 een centrale positie innemen in het beleid van EZ om de werking van de markt te optimaliseren. Onder andere op basis van een advies van de Dienst uitvoering en toezicht Energie (DTe) wordt bezien of nadere beleidsmaatregelen nodig zijn om de concurrentie te bevorderen.

Aanpassing tariefsysteem maatstafconcurrentie

In 2005 wordt het bestaande tariefsysteem van maatstafconcurrentie voor elektriciteitsnetbeheerders aangevuld met een waardering voor de kwaliteit van de netwerken. Voor de gasnetbeheerders wordt in 2005 het systeem van maatstafconcurrentie geïmplementeerd. Dit moet er toe leiden dat de tarieven van de verschillende netbeheerders aan het eind van de tweede reguleringsperiode op een economisch efficiënt niveau zullen zijn.

Monitoringsystematiek elektriciteits- en gasmarkt

Naast het reguleren van en het toezicht houden op de markt is het monitoren van de geliberaliseerde markt in 2005 een belangrijke taak van DTe welke voortkomt uit de Implementatie en Interventiewet. In 2005 werkt DTe verder aan een adequate systematiek voor het monitoren van de ontwikkelingen op de elektriciteits- en gasmarkt. De doelstelling is om een systematiek op te stellen die inzicht verschaft in de ontwikkeling van de grootverbruikers- en retailmarkten, die analyseert waar zich mogelijke knelpunten bevinden en die het mogelijk maakt om op basis daarvan aanbevelingen en voorstellen te doen om de marktwerking te verbeteren.

Toezicht en handhaving

Om de consument in 2005 nog beter te beschermen tegen onrechtmatige gedragingen wordt het toezicht en de handhaving op de energiemarkten verder uitgebreid. Deze uitbreiding vindt plaats met het in 2004 aangepaste handhavingsplan1 en de nieuwe handhavingsbevoegdheden. In het kader van de goedkeuring door de Minister van dit reeds in april 2003 gepubliceerde plan worden in 2004 aanpassingen doorgevoerd. Aandachtsgebieden daarbij zijn: de procedure voor de bestuurlijke boete, geschilbeslechting voor de consument, strikte beoordeling van risico's voor consumenten op middellange en lange termijn, audits van de vergunninghouders en een strakker toezicht op groene stroom (MEP, etikettering). Daarnaast krijgt DTe ook nieuwe handhavingsbevoegdheden die voortkomen uit de Interventie en Implementatiewet. Hierdoor kan DTe onder meer gebruik gaan maken van de bestuurlijke boete en bevoegdheden op het gebied van geschilbeslechting. Deze effectievere handhaving zal bijdragen aan een betere bescherming van de consument in de geliberaliseerde markt.

Totstandkoming internationaal level playing field.

Interconnectoren

Voor het realiseren van een grotere regionale markt dient de beschikbare capaciteit op de interconnectoren beter te worden benut. Nederland ligt in Europa voorop qua interconnectie met haar buurlanden. Aan de Nederlandse grens staat nu 5000MW interconnectiecapaciteit, door verschillende redenen kan deze capaciteit echter nog niet optimaal gebruikt worden. Daarnaast zijn er nieuwe initiatieven ter vergroting van de interconnectie. In 2005 zal moeten blijken of deze initiatieven zoals een verbinding met Noorwegen (elektriciteit) en een verbinding met Groot-Brittannië (gas en elektriciteit) ook daadwerkelijk aangelegd zullen worden.

Operationeel doel B. Duurzame energiehuishouding.

Ontwikkeling van duurzame energie en bevorderen van energie-efficiency is vanuit het perspectief van de markt tot op zekere hoogte onrendabel. Vanuit maatschappelijk oogpunt, milieu en energievoorzieningszekerheid, is verdere ontwikkeling van duurzame energie en bevorderen energie-efficiency echter belangrijk.

Derhalve heeft de overheid in de Derde Energienota (december 1995) zich ten doel gesteld dat in 2020 het aandeel duurzame energie in het energieverbruik minimaal 10% zal bedragen. Als tussendoelstelling is hiervoor in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid een aandeel van 5% in 2010 genoemd. Door de EU-richtlijn duurzame energie is Nederland gehouden aan een aandeel duurzame elektriciteit in het elektriciteitsverbruik van 9% in 2010. Als tussendoelstelling hiervoor geldt een aandeel van 6% in 2005.

Naast het bevorderen van duurzame energie is het efficiënt gebruiken van energie een onmisbaar element in de route naar een duurzame energiehuishouding. De overheid speelt hierin een belangrijke rol, bijvoorbeeld als het gaat om het maken van afspraken met de het bedrijfsleven, of wanneer het gaat om de informatievoorziening over energieverbruik en handelingsperspectieven voor energiebesparen. De convenanten, de Meerjarenafspraken (MJA's) en het Benchmarkconvenant, leggen de afspraken met de industrie vast. Daarnaast vindt informatievoorziening plaats via bijvoorbeeld het infocentrum MKB en richting huishoudens door middel van de Energielabels en de advieswebsite Energie Op Maat.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaardeHuidige waarde 
Duurzaamenergiebeleid   
Duurzaamelectriciteitsverbruik9% in 201012% waarvan 3,3% binnenlandse productie1 
Duurzaamenergieverbruik10% in 20203,9% waarvan 1,5% binnenlandse productie2 
Energiebesparing   
Jaarlijkse verbetering energie-efficiency1,3%1,2%3 
CO2-beleid   
Absoluut plafond voor uitstoot van CO2 voor grote industrie en energiesector112 Mton CO2 in 2010 
Energie innovatie   
Handhaven van de EU bijdrage aan het Nederlandse energieonderzoekHet handhaven van het huidige niveau van 7–8%2001/02: 7,26%;4 2003: 8,18%  
Relatieve omvang van het energieonderzoek in NL: R&D/BNPTop 5 positie in de IEA-landen handhaven (van het voorafgaande jaar, dit i.v.m. vertraagde rapportage)5e5 

1 Bron: StatLine Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2004.

2 Bron: StatLine Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2004.

3 Bron: Referentieraming platform monitoring energiebesparing.

4 Bron: Senter International EGL 2003 (28/05/04) (5e en 6e Kaderprogramma's en Euratom).

5 Bron: Energy Policies of IEA countries; 2003 Review en Ecorys-NEI Kwantitatief Monitoren Publiek Gefinancierd Energieonderzoek 2002.

Kengetallen CO2-beleidStreefwaarde in Mton Co2voor 2012Tot en met eind 2004 gecommitteerd in Mton Co2Committering voor 2005 in Mton CO2Committering voor 2006 in Mton CO2
Hoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits in raamcontract EBRD6,01,82,4 1,8
Hoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits in raamcontract Wereldbank10,007,03,0
Hoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits in ERUPT15,012,32,70
Hoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits in PCF3,03,000
Totaal Joint Implementation34,017,112,14,8

Toelichting: EZ verwacht in 2005 in het kader van Joint Implementation (JI) 12,1 Mton CO2 vast te leggen in contracten op projectniveau. Dat brengt de totaal aangekochte hoeveelheid, inclusief de inspanning in eerdere jaren, op 29,2 Mton CO2. In 2006 zal via de Wereldbank en EBRD de resterende 4,8 Mton worden aangekocht.

In onderstaande tabel staan de instrumenten ten behoeve van het bevorderen van een duurzame energiehuishouding.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
Duurzaam energiebeleid  
De regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP)De MEP is op 1 juli 2003 in werking getreden. De regeling stelt zich ten doel de productie van elektriciteit uit duurzameenergiebronnen en warmtekrachtinstallaties (WKK) te stimuleren. De MEP moet ertoe bijdragen dat de bestaande productie van duurzame elektriciteit behouden blijft en dat er nieuwe investeringen in duurzame elektriciteitsproductie tot stand worden gebracht.–*
Energiebesparing  
Energie-investeringsaftrek(EIA)De EIA is een fiscaal beleidsinstrument gericht op ondersteuning van investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en duurzame energie. Ondernemers kunnen een percentage van hun investeringen in energie-besparing en duurzame energie aftrekken van hun fiscale winst.–**
Meerjarenafspraken (MJA's) + BenchmarkDe MJA's zijn convenanten met momenteel 29 sectoren, zowel industrie als diensten, waarin afspraken zijn gemaakt over hun energie efficiency verbetering. Deze convenanten worden ondersteund door agentschap SenterNovem. Benchmark is een convenant met de energie intensieve industrie waarin afgesproken is dat zij in 2012 tot de wereldtop op energie efficiency gebied behoren. Dit convenant wordt gecontroleerd door het Verificatie Bureau Benchmarking.€ 10 mln
Energie op MaatAdvieswebsite voor huishoudens (www.energieopmaat.nl)apparaat
CO2-beleid  
CO2-reductieplanHet CO2-reductieplan is bedoeld om via binnenlandse projecten de uitstoot van CO2 te verminderen. In 2004 heeft EZ € 31 mln bezuinigd op het budget van het CO2-reductieplan. Voorwaarde hierbij is dat dit niet ten koste gaat van het bereiken van de prestatieverplichting die EZ is aangegaan voor de CO2-uitstoot van industrie en energiesector.0***
Joint Implementation(JI)JI biedt de mogelijkheid projectgebonden broeikasgasreducties, die worden gerealiseerd in zogenaamde Annex-I landen (dit zijn landen die een Kyoto doelstelling hebben), aan te wenden voor het bereiken van de eigen doelstelling. JI wordt via drie sporen uitgevoerd: De Emission Reduction Unit Procurement Tender (EruPT) is een openbare aanbestedingsprocedure, rechtstreeks onder bedrijven. Nederland heeft in het verleden een contract met het Prototype Carbon Fund (PCF) van de Wereldbank gesloten voor de aankoop van reducties. Het derde spoor betreft de sluiting van raamcontracten met multilaterale financiële instellingen, één met de EBRD en één met IBRD en IFC (beide Wereldbank) gezamenlijk, voor het verwerven van projecten. EZ is momenteel in staat CO2-reductie uit JI-projecten te kopen voor een prijs van € 6 per ton CO2 (inclusief uitvoeringskosten). Om eenzelfde hoeveelheid CO2-reductie in Nederland te realiseren is een veelvoud van dat bedrag nodig. Het budget dat thans voor JI is gereserveerd biedt geen ruimte om stijging van de marktprijs voor CO2-reductie uit JI-projecten op te vangen.€ 28 mln
CO2-emissiehandelsysteemHet Europese CO2-emissiehandelsysteem start op 1 januari 2005. Het heeft ten doel een kosten- en milieueffectief instrument te introduceren voor de helft van alle uitstoot in de EU. Het budget dat voor uitvoering van de verplichtingen is gereserveerd is opgebouwd uit kosten voor het opzetten van het systeem. EZ hevelt hiervoor € 1 mln over naar het Ministerie van VROM. Tevens draagt EZ bij in de kosten van het verifiëren van emissiejaarverslagen van bedrijven. Kosten van verificatie bedragen € 2,2 mln en komen ten laste van het CO2-reductieplan.
Energie innovatie  
Unieke kansenregelingSinds 2003 wordt in overleg met maatschappelijke actoren gewerkt aan een strategische ambitie voor de periode na 2010. Daarvoor zijn ruim 20 wegen (transitiepaden) geformuleerd die kunnen leiden tot de realisatie van deze ambitie. In 2004 en 2005 zullen als eerste stap op deze transitiepaden concrete experimenten gestart worden. Deze experimenten worden ondersteund door de Unieke Kansenregeling (UKR).€ 20 mln;
Lange termijninstrumentEnergie-innovatie heeft als doel nieuwe ontwikkelingen te ondersteunen die € 29 mln,
Demonstratieprojecteneen bijdrage kunnen leveren aan een duurzame energiehuishouding en€ 16 mln
Nieuw Energieonderzoek (Neo)daarnaast de kostprijs van bestaande opties te verlagen€ 2 mln
Energieonderzoekcentrum Nederland (ECN) € 30 mln,

* Het beleidsbudget voor de regeling MEP staat niet op de begroting van EZ.

** Het beleidsbudget voor de EIA staat op de begroting van het ministerie van Financiën. Voor 2005 is € 177 mln geraamd.

*** In 2005 worden géén nieuwe committeringen aangegaan voor het CO2-reductieplan. Voor de financiering van reeds eerder aangegane verplichtingen is € 56 mln kas nodig in 2005.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Duurzaam energiebeleid

Energiebelasting

Per 1 januari 2005 zal de gedeeltelijke vrijstelling van de Energie Belasting (EB) voor groene stroom volledig vervallen. De MEP-subsidietarieven zullen met een zelfde bedrag worden verhoogd zodat de totale overheidsbijdrage aan duurzame energie uit hoofde van de MEP/EB gelijk blijft. Hiermee is de overgang van een vraagstimulans voor de ontwikkeling van de groene markt naar een aanbodstimulans voltooid.

Aanpassing actieplan biomassa

Energie uit biomassa is (naast wind) cruciaal voor de realisatie van de doelstelling van 10% duurzame energie in 2020. Het actieplan Biomassa is gericht op een maximale bijdrage aan de duurzame doelstelling tot en met 2010. Deze maximale bijdrage zal 83 à 97 PJ kunnen zijn. In 2005 zal het plan geëvalueerd worden. Op basis van deze evaluatie zullen voorstellen gedaan worden om daar waar nodig het actieplan aan te passen.

Windenergie

Gestreefd wordt naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020 en 1500 MW op land in 2010. In 2004 is een visie op de bestuurlijk-organisatorische inpassing van 6 000MW aan windvermogen op zee neergelegd. Eind 2004 wordt in samenwerking met TenneT een start gemaakt met het uitwerken van de visie waarin het accent wordt gelegd op het ruimtelijk reserveren van tracés waarbinnen de elektrische infrastructuur wordt aangelegd. In 2005 moet dit resulteren in een antwoord op de vraag of het landelijk hoogspanningsnet naar zee moet worden uitgebreid.

Uitgiftestelsel wind offshore

In 2005 dient het uitgiftestelsel wind offshore inwerking te treden.

In gebruikname Near Shore Windpark

Tevens wordt in 2005 de ingebruikname van het windpark Near Shore Windpark Egmond verwacht. De ervaringen die met dit pilotproject worden opgedaan worden gebruikt voor de verdere ontwikkeling van wind offshore.

Monitoring voortgang BLOW

In de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) is een ijkmoment op 31 december 2005 opgenomen. Dit ijkmoment dient ter vaststelling of de doelstelling van 1500MW in 2010 wordt bereikt. In de aanloop naar dit ijkmoment wordt vanaf 2004 de voortgang gemonitord.

Uitwerking B4 aanbevelingen windenergie

De aanbevelingen die voortvloeien uit het project Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf (B4) worden voor windenergie uitgewerkt. De inzet van de Taskforce Windenergie – gericht op het wegnemen van bestuurlijke knelpunten – wordt gecontinueerd.

Energiebesparing

Uitwerking energiebesparingsbeleid lange termijn

Als onderdeel van het in 2005 te verschijnen Energierapport zal het energiebesparingbeleid voor de langere termijn (na 2010) worden uitgewerkt.

Follow-up evaluatie EIA

De EIA wordt op dit moment op een aantal punten geëvalueerd. Eén van die punten betreft het zogenaamde «bouwcriterium» (geen aanvraag mogelijk voor dat een bouwvergunning is verstrekt). Op basis van de uitkomsten hiervan wordt bezien of aanpassing van de (uitvoerings)regeling in 2005 wenselijk is.

Voortgangsrapportage MJA's

MJA's en Benchmark worden jaarlijks gemonitord, voor het Benchmark convenant verschijnt jaarlijks een voortgangsrapportage. Voor de MJA's verschijnt de rapportage aan de Kamer over 2004 in september 2005.

Uitbouw www.energieopmaat.nl

In 2005 wordt de website uitgebouwd, zodat deze voor meerdere doelgroepen kan worden ingezet.

CO2-beleid

Evaluatie emissiehandelsysteem

In 2005 start de (Europese) evaluatie van het Emissiehandelsysteem. De evaluatie gaat over de allocatie en de eerste handel. Op grond van deze evaluatie wordt de richtlijn aangepast en zal EZ een plan maken voor de allocatie in de tweede handelsperiode (2008–2012). EZ wil samen met andere lidstaten uitwerken of en zo ja hoe meer geharmoniseerd rechten kunnen worden gealloceerd in de EU volgens een geharmoniseerde CO2-maatstaf.

Energie innovatie

Energie Onderzoek Strategie

De internationale samenwerking binnen de Energie Onderzoek Strategie (EOS) zal nog verder worden uitgewerkt. De Europese Commissie heeft nieuwe instrumenten ontwikkeld ter ondersteuning van dergelijke samenwerking zoals het Eranet en Technologie Platforms. Op energiegebied zijn inmiddels initiatieven ontplooid voor Nederlandse deelname aan deze nieuwe instrumenten. Najaar 2004 zal EZ een studie laten uitvoeren om na te gaan hoe de Europese technologieontwikkeling op energiegebied kan worden versneld en hoe het Nederlandse beleid hierop kan inspelen. Overigens is ook afgelopen jaren de EU-bijdrage aan het Nederlandse energieonderzoek op een hoog niveau uitgekomen. De ondersteuning van indieners blijft in 2005 gehandhaafd.

Uitwerking kabinetsstandpunt commissie Wijffels

In de zomer van 2004 is het kabinetsstandpunt over de brugfunctie van TNO en de Grote Technologische Instituten (commissie Wijffels) opgesteld. De opgenomen beleidsvoornemens hebben betrekking op invoering van vraaggestuurde programmering en financiering; stimulering van overdracht van energieonderdelen van TNO naar ECN; versterken van het kennis- en onderzoekbeleid bij EZ; en het bevorderen van sterkere betrokkenheid van het bedrijfsleven bij ECN. EZ is inmiddels al in gesprek met ECN over een programma gestoeld op EOS. Medio 2005 zal naar aanleiding van de uitkomsten van de eerste tender van EOS bekend worden wat de sterke onderzoeksgebieden van ECN zijn. Aan de hand hiervan zal (nog) meer sturing aan het ECN-programma worden gegeven. De financiële randvoorwaarden voor een succesvol meerjarig programma worden nader bekeken.

Operationeel doel C. Zekerstellen van voorzieningszekerheid, korte en lange termijn

Gezien de eindigheid van de energievoorraden en dat een belangrijk deel van de energievoorziening via netwerken loopt, vereist energievoorzieningszekerheid de continue aandacht.

Op internationaal vlak gaat het om waarborging van de toevoer van fossiele brandstoffen (m.n. olie en gas), zowel op korte als langere termijn. Op nationaal vlak gaat het om waarborging van de voorziening in het geval van calamiteiten en om kwaliteitsregulering. Specifiek voor Nederland speelt daarbij nog het grote (inter)nationale belang van de Nederlandse gasvoorraad en de exploratie van de minder rendabele kleine gasvelden.

Het scheppen van een goed en duurzaam investeringsklimaat in Nederland is nodig om de productiecapaciteit te waarborgen. Gezien de toenemende afhankelijkheid van import van gas, olie en elektriciteit, behoeft dit duidelijk aandacht.

Kengetallen aardgasbaten raming20032004200520062007
Hoeveelheid gegevens     
Productie (mrd m3)6970697275
Prijsgegevens (bron:CPB)     
Euro/dollarkoers (€/$)1,131,211,201,201,20
Olieprijs ($/vat)28,836,035,026,026,0
Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaarde Huidige waarde1
Verwacht rendement per geïnvesteerde $Tussen 0 en + 3 $Tussen – 0,6 en – 0,2, afhankelijk van belastingpositie*
Gewonnen volume aardgas kleine velden offshore26 miljard m323 miljard m3**
Gewonnen volume aardgas kleine velden onshore12 miljard m315 miljard m3**
aantal boringenExploratieProductieExploratieProductie
Offshore14127**13**
Onshore643**7**
investeringsniveauExploratieProductieExploratieProductie
Kleine velden offshore€ 150 mln€ 600 mln€ 69 mln***€ 652 mln***
Kleine velden onshore€ 50 mln€ 125 mln€ 56 mln***€ 118 mln***

1 Bron: *Gaffney, Cline & Associates 2003, **Olie en gas jaarboek 2003, ***Energie Beheer Nederland (EBN); gegevens over 2003.

Deze waarden zijn tot stand gekomen op basis van een visie op de toekomst van de exploratie en productie van aardgas in Nederland. Het wordt wenselijk geacht dat de exploratie en productie van kleine velden, zowel op land als zee, nog minimaal 15 jaar op een stabiel niveau blijft. Dit op basis van schattingen over resterende reserves en nog te ontdekken aanvullende reserves, inzichten in de eindigheid van de balansfunctie van Groningen en de relatie met het kleineveldenbeleid en de eindigheid van de aanwezige infrastructuur (met name offshore).

In onderstaande tabel staan de instrumenten ten behoeve van het zekerstellen van voorzieningszekerheid op de korte en lange termijn.

Overzicht instrumentarium
InstrumentOmschrijving
Voorzieningszekerheidinternationaal 
Internationaal overlegDe voorzieningszekerheid op lange termijn is gericht op het realiseren van een stabiele ordening van investeringen in en handel en transport van energie, zodat ook in de toekomst energie (gas, olie) ongestoord en voor een evenwichtige prijs naar Nederland en Europa komt. Inzet van EZ hierin is het voeren van een dialoog met producerende landen en waar mogelijk de inzet van een gemeenschappelijk rechtskader voor de bescherming van investeringen, vrijheid van handel en toegang tot transport; dit alles zoveel mogelijk in multilateraal verband. Het voeren van een dialoog gebeurt via het Internationaal Energie Forum (IEF), International Energy Agency (IEA), de door de Europese Commissie gevoerde Rusland-EU-dialoog en via het Energiehandvestverdrag.
OliecrisisbeleidOngeveer eenderde van de Nederlandse energiebehoefte wordt gedekt door olieproducten. Een ongestoorde voorziening van olie is daarmee essentieel voor een goed functioneren van de Nederlandse economie. Tevens vervult de Nederlandse oliesector een essentiële rol in de olievoorziening van Noordwest-Europa. Daarom voert EZ een oliecrisisbeleid. Een onderdeel van het oliecrisisbeleid vormt de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 (Stbl. 2001 nr 155). Deze wet bepaalt de manier waarop Nederland de internationale (IEA) voorraadverplichtingen invult.
Voorzieningszekerheidnationaal 
Monitoring van de leveringszekerheid en voorzieningszekerheid van elektriciteit en gasOp grond van de tweede elektriciteitsrichtlijn en de tweede gasrichtlijn zijn lidstaten verplicht de leverings- en voorzieningszekerheid van elektriciteit en gas te monitoren. Jaarlijks dient er gerapporteerd te worden aan de Europese Commissie over de ontwikkeling van de verwachte vraag en het produktieaanbod op de nationale markt en over de kwaliteit en de staat van onderhoud van de netten. De monitoringstaak is gedelegeerd aan TenneT, DTe en GasTransportServices. In juli 2005 wordt de eerste monitoringsrapportage opgesteld en aangeboden aan de Europese Commissie.
Gas: kleineveldenbeleidHet doel is over de langere termijn zoveel mogelijk gas te winnen: alle economische voorkomens moeten tot ontwikkeling worden gebracht, zonder onherstelbare milieuschade. Hierin past de voortzetting van het kleineveldenbeleid, inclusief de handhaving van de balansfunctie van Groningen en de afnamegarantie voor kleineveldengas.

Het budget 2005 voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Voorzieningszekerheid internationaal

Intensiveren relaties Internationaal energieforum

Nederland zal in 2005 nog deel uitmaken van het de Executive Board van het International Energie Forum (IEF). Streven is de relaties die in 2004 tijdens het IEF in Amsterdam zijn opgebouwd, vast te houden en te intensiveren.

Implementatie aanbevelingen review Energiehandvest

Voor het Energiehandvest is het de inzet de aanbevelingen uit de vijfjaarlijkse review die eind 2004 wordt afgerond, te implementeren. Daarmee wordt gestreefd naar een efficiëntere organisatie met een sterkere focus op afrekenbare resultaten.

Energierelaties EU en Russische Federatie

Nederland zal er naar streven ook in 2005 de versteviging van de energierelaties tussen EU en Russische Federatie op de agenda van de Energieraad te houden. Daarover zijn reeds gesprekken gaande met volgende voorzitters.

Voorzieningszekerheid nationaal

Aanpassing onbalanssystematiek

TenneT heeft de opdracht gekregen om in samenwerking met DTe en EZ de bestaande systematiek van contracteren van regel- en reservevermogen door TenneT in 2005 aan te passen. De aanpassing is bedoeld om extra investeringsprikkels te genereren en om een vangnet in geval van calamiteiten ten tijde van schaarste op de markt te ontwikkelen. Dit betekent dat in 2005 de nadruk zal liggen op de daadwerkelijke aanpassing van de onbalanssystematiek door TenneT.

Kwaliteitsregulering electriciteit

In 2004 is het wettelijk kader ontwikkeld voor kwaliteitsregulering. Bij Ministeriële regeling zijn aanvullende regels gesteld. In 2005 wordt bezien of deze regels in de praktijk goed voldoen en worden zonodig wijzigingen doorgevoerd. Tevens zal DTe in 2005 een begin maken met de concrete toepassing van het nieuwe systeem voor de tarieven van de netbeheerders elektriciteit. Bij dit systeem krijgen netbeheerders een bonus/malus op de tarieven als gevolg van de geleverde kwaliteit. Voor gasnetbeheerders onderzoekt DTe de praktisch hanteerbare mogelijkheden om de kwaliteit van het transport in de tariefregulering te betrekken.

Willekeurige Afschrijving Continentaal Plat

Uit onderzoek van Gaffney & Cline blijkt dat het Nederlandse fiscale klimaat voor investeringen op het Continentaal Plat minder aantrekkelijk is geworden door veranderingen in het fiscale beleid, in het bijzonder de afschaffing van de Willekeurige Afschrijving. Uit cijfers voor 2003 blijkt dat het aantal productieboringen op het Continentaal Plat gelijk is gebleven, maar dat de totale productie en het aantal exploratieboringen is gedaald ten opzichte van 2002. De toegezegde evaluatie naar de effecten van de afschaffing van de Willekeurige Afschrijving Continentaal Plat bevindt zich in de fase van afronding. Aan de hand van de uitkomsten van deze evaluatie, uitgevoerd door het CPB, wordt bezien of de Willekeurige Afschrijving opnieuw wordt ingevoerd of dat op een andere wijze passende maatregelen worden genomen.

Gaswinning Waddenzee

In juni 2004 is het kabinetsstandpunt inzake het beleid ten aanzien van de Waddenzee aan de Tweede Kamer aangeboden. Uitgangspunt hierbij is de hoofddoelstelling van de Waddenzee: de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. Om deze doelstelling te realiseren bleek een offensieve strategie noodzakelijk hetgeen is uitgemond in het mogelijk maken van gaswinning onder de Waddenzee onder strikte voorwaarden, in het instellen van een Waddenfonds van € 500 mln voor onder meer natuur en duurzame economische ontwikkeling en in beëindiging van de mechanische kokkelvisserij per 1 januari 2005. Het standpunt zal tesamen met de uitkomsten van het debat verder worden vormgegeven in onder meer de Gaswinningsbrief en de Planologische Kern Beslissing Waddenzee.

Knelpunten gaswinning en windenergie

De B4 werkgroep knelpunten gaswinning en windenergie zal in 2004 haar rapport afronden. Vervolgens zal een kabinetsstandpunt worden opgesteld en zal implementatie hiervan verder vorm krijgen.

Mijnbouwwet

Voor wijziging van de Mijnbouwwet ten aanzien van de opslag van stoffen wordt een startnotitie, inclusief een quick scan opgesteld waarin de doelstellingen en de effecten van de voorgenomen wijziging van de Mijnbouwwet worden uiteengezet. Na akkoord van het Meldpunt voorgenomen regelgeving zullen wijzigingsvoorstellen worden gedaan om de overgang naar een competitieve markt voor flexibiliteit beter te faciliteren.

4.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 4: Doelmatige en duurzameenergiehuishouding (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)357,0445,5285,0243,4254,2288,7256,2
Programma-uitgaven335,4415,4257,1216,1227,4261,9229,4
Operationeel doel A: optimale ordening en werking energiemarkten       
–Compensatie Demkolec/stadsverwarming30,545,429,529,529,529,529,5
Operationeel doel B: duurzameenergiehuishouding       
–Programma energie-efficiency19,08,28,18,18,18,18,1
–Programma efficiency DGO-deel 3,53,33,33,33,33,3
–EINP0,5      
–Programma duurzameenergie4,39,49,49,412,414,414,4
–Overige uitgaven duurzameenergie3,82,32,32,32,32,32,3
–CO2-reductieplan65,3      
–Joint Implementation51,096,628,23,60,50,50,5
–Lange Termijn Onderzoek 41,947,147,152,452,452,4
–TransitieManagement 15,020,0    
–Bijdrage aan ECN62,930,730,530,330,330,330,3
Operationeel doel C: handhaving niveau voorzieningszekerheid       
–Doorsluis COVA-heffing88,878,072,075,981,982,081,9
–Beheer Mijnschadestichtingen0,00,10,10,10,10,10,1
–O&O Bodembeheer3,02,32,22,22,32,32,3
–Bijdrage aan diverse instituten0,21,11,11,11,11,11,1
Algemeen       
–Bijdrage Algemene Energie Raad0,40,10,10,10,10,10,1
–Diverse programmauitgaven Energie (HFR) 32,4   32,4 
–Besluit subsidies investering kennisinfrastructuur(Bsik) 45,7     
–O&O Energie5,72,03,23,13,13,13,1
–NL voorzitterschap EU2004 0,9     
        
Apparaatuitgaven21,630,127,927,326,826,826,8
–Personeel Energie7,06,25,75,65,65,65,6
–Bijdrage DGM&E aan agentschappen9,812,812,412,111,711,711,7
–Bijdrage JI M&E aan agentschappen0,8      
–Uitvoeringskosten agentschappen DGO 7,05,75,75,75,75,7
–ApparaatuitgavenSodM4,04,14,13,93,83,83,8
        
Uitgaven (totaal)330,7326,6253,1261,0290,3298,1315,4
        
Ontvangsten (totaal)2 528,52 502,42 623,62 335,22 136,22 222,72 374,2
–Dividendontvangst UCN43,28,4     
–Ontvangsten COVA88,978,072,076,082,082,082,0
–Ontvangsten Stadsverwarmingsleningen 14,0     
–Aardgasbaten4 044,54 050,04 300,03 800,03 450,03 600,03 850,0
–Bijdrage aan het Fes– 1 650,6– 1 654,0– 1 758,0– 1 550,0– 1 405,0– 1 467,0– 1 571,0
–Ontvangsten zoutwinning1,81,41,41,41,41,41,4
–Ontvangsten Fes 4,58,07,67,66,111,6
–Diverse ontvangsten Energie0,80,20,20,20,20,20,2

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen, waarvoor in bijlage 7 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 4: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Energie – personeel108,661,5101,061,1114,4–*
SodM – personeel41,070,145,565,945,565,5
SodM – materieel41,028,545,524,845,524,3

In verband met de reorganisatie van het departement en de grote verschuivingen die daarvan het gevolg zijn, is de gemiddelde prijs van het personeel van het nieuwe DG-E voor 2005 niet goed te bepalen en daarom weggelaten.

Het DG Energie is per 1–9-2004 van start gegaan. Voorheen was het DG onderdeel van DG M&E.

4.4 Budgetflexibiliteit

Artikel 4: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1000)
(in € 1000)2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven253 136 261 011 290 291 298 081 315 350 
2.Waarvan appaatsuitgaven28 478 27 074 26 465 26 831 26 831 
3.Dus programma uitgaven224 658 233 937 263 826 271 250 288 519 
4.Waarvan juridisch verplicht74 33533%54 04023%60 30823%46 79417%60 25221%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten62 20028%64 80828%64 96725%66 48725%66 78723%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden84 16537%104 36945%121 98946%128 30147%128 15844%
7.Waarvan beleidsmatige reserveringen3 9582%10 7205%16 5626%29 66811%33 32212%
8.Totaal224 658100%233 937100%263 826100%271 250100%288 519100%

Uit de tabel blijkt dat 33% van de voor 2005 geraamde programma-uitgaven aangehouden wordt ter financiering van verplichtingen die tot en met 2004 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is derhalve niet flexibel. De uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2005 aan te gane verplichtingen, zijn in structureel opzicht voor ongeveer € 65 mln benodigd voor instellingen en instituten (onder meer ECN, de stadsverwarmingsprojecten en het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG)).

Binnen de categorie «bestuurlijk gebonden» valt met name de uitgavenraming die betrekking heeft op het aanhouden van een voorraad aardolieprodukten, krachtens de Wet voorraadvorming aardolieprodukten 2001 (Wva 2001). Deze raming is derhalve als niet-flexibel te beschouwen.

Gezien de verplichtingen die voortvloeien uit het Kyoto-protocol en uit Europese doelstellingen, kunnen de hiervoor resterende kasbudgetten als «bestuurlijk gebonden» worden beschouwd. Wat betreft Kyoto: de budgetten van Joint Implementation zijn nodig om de benodigde buitenlandse emissiereducties te verwerven. Europees is vastgelegd dat duurzame electriciteit in 2010 9% van het electriciteitsverbruik moet uitmaken. De geraamde budgetten zijn nodig om deze doelstellingen te bereiken. Daarnaast is in Europees verband afgesproken dat Nederland streeft naar een besteding van 3% van haar BNP aan innovatie. Daarom vallen ook de kasuitgaven voor lange termijn onderzoek onder «bestuurlijk gebonden».

4.5 Evaluatieparagraaf

Tabel evaluatieplanning
Evaluatieplanning200420052006200720082009
lopende evaluaties:      
BMEP     
CEBN     
geplande evaluaties:      
OD A «Optimale ordening en werking van de energiemarkten»     
OD B «Duurzameenergiehuishouding»     
OD C «Handhaving van voorzieningszekerheid op de korte termijn»     
Fiscale regeling: Energie-investeringsaftrek(EIA)     

5 INTERNATIONALE ECONOMISCHE BETREKKINGEN

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
Impulsen geven aan en gunstige voorwaarden scheppen voor internationale economische activi- teitenA. Vorm en inhoud geven aan de economische diplomatie
B. Verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer en versterking van de internationale economische rechtsorde
C. Bevorderen van internationaal ondernemen

Grafieken

Aandeel artikel 5 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-17.gif

Onderverdeling artikel 5 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-18.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-19.gif

Ontvangsten 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-20.gif

5.1 Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

Impulsen geven aan en gunstige voorwaarden scheppen voor internationale economische activiteiten.

Economische groei wordt voor een groot deel bereikt met de internationale economische activiteiten die Nederlandse en in Nederland gevestigde bedrijven ontplooien. Hiervoor zijn twee effectindicatoren opgenomen, de marktprestatie van Nederlandse goederenexporteurs op de wereldmarkt en de plaats van Nederland op de wereldranglijsten van handels- en investeringslanden. Deze geven een indicatie van de stand van zaken van de internationale economische activiteiten. In tabel 5.1 en 5.2 worden deze indicatoren weergegeven.

Ontwikkeling van het marktaandeel van Nederlandse goederenexporteurs op de wereldmarkt

Deze indicator vertoonde het volgende verloop1:

Tabel 5.1 Marktprestatie: ontwikkeling van het marktaandeel van Nederlandse goederenexporteurs op de wereldmarkt
2001200220032004 (verwacht)2005 (verwacht)Streefwaarde
– 3,4%– 1,4%– 5,2%– 5¼%– 4¼%Positieve groei

In de afgelopen jaren hebben Nederlandse exporteurs telkens marktaandeel verloren. Als de ramingen voor dit jaar en volgend jaar uitkomen, lijdt Nederland in de periode 1994–2005 een gecumuleerd marktverlies van bijna 32%2. Ook andere EU-landen zoals Duitsland, Italië en Zweden hebben in de voorbije jaren marktverlies geleden3, maar voor Nederland lijkt dit in sterkere mate het geval te zijn. Deze ontwikkeling is voor een groot deel te wijten aan de verslechterde concurrentiepositie. Een combinatie van hogere contractloonstijgingen en een lagere arbeidsproductiviteitsgroei dan bij de concurrenten in het eurogebied heeft ertoe geleid dat Nederlandse producten de afgelopen jaren relatief duur zijn geworden. Daar komt bij dat ten opzichte van producenten van buiten het eurogebied de concurrentiepositie vanaf 2001 is verslechterd door de appreciatie van de euro. Daarnaast verliest Nederland net als andere hoogontwikkelde landen jaarlijks marktaandeel aan opkomende markten in met name Azië en Centraal Europa.

Het Nederlandse bedrijfsleven zal zich moeten inspannen om haar positie op de buitenlandse markten te versterken. Dit geldt in het bijzonder voor het MKB, dat nog vaak kansen in het buitenland laat liggen.

Streefwaarde voor de komende jaren is om te komen tot een positieve groei van het marktaandeel van Nederlandse exporteurs. Hieraan kan het internationaal economisch beleid bijdragen door een versterking van de economische diplomatie, verdergaande handelsliberalisatie en het bevorderen van internationaal ondernemen.

Positie van Nederland op de wereldranglijst van belangrijke handels- en investeringsnaties

In tabel 5.2 zijn vijf indicatoren voor de Nederlandse positie opgenomen, namelijk de plaats van Nederland op de wereldranglijst van landen die goederen en diensten exporteren en importeren en de plaats op de ranglijst van landen die in het buitenland investeren. In 2003 is Nederland geklommen op de wereldranglijst van zowel goederenexporterende als goederenimporterende landen. Dit was met name het gevolg van de waardestijging van de euro ten opzichte van de US-dollar en het feit dat de WTO de handelsstromen uitdrukt in US-dollars.

Streefwaarde voor de komende jaren is het handhaven van de hoge Nederlandse positie in de mondiale top-10.

Tabel 5.2 De positie van Nederland op de wereldranglijst1
Indicator199819992000200120022003Streefwaarde
Export van goederen889997Positie in mondiale top-10
Import van goederen9810998Positie in mondiale top-10
Export van diensten778888Positie in mondiale top-10
Import van diensten777777Positie in mondiale top-10
Uitgaande stroom directe buitenlandse investeringen65566Niet beschikbaarPositie in mondiale top-10

1 Bron: WTO Trade Statistics, UNCTAD World Investment Report.

Nederland moet kansen op internationale markten benutten en de openheid van die markten nastreven. Dit betekent dat gewerkt moet worden aan het versterken van het structurele groeivermogen van de Nederlandse economie en herstel van het concurrentievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast is het van belang dat Nederland in het kader van de EU, de OESO en de WTO actief blijft optreden om te komen tot een verdere vrijmaking van internationale handel en investeringen, versterking van de WTO en het tegengaan van concurrentievervalsing. Verder zal internationaal ondernemen een impuls moeten krijgen door onder meer de exportkansen van het bedrijfsleven te vergroten. Het onderhouden en versterken van een goed internationaal netwerk is hiervoor cruciaal. De algemene beleidsdoelstelling kan worden opgesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. Vorm en inhoud geven aan de economische diplomatie.

B. Verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer en versterking van de internationale economische rechtsorde.

C. Bevorderen van internationaal ondernemen.

Beleidsprogramma Balkenende II

Het kabinetsbrede thema «versterking van de internationale verantwoordelijkheid van Nederland en Europa in de wereld» betekent voor EZ het streven naar versterking van de internationale economische orde. Daarom vormt voor EZ de versterking van de internationale economische orde via de WTO en OESO een belangrijk doel naast de verdere vrijmaking van het internationale economische verkeer door succesvolle afronding van de lopende WTO-onderhandelingsronde.

Overzicht acties 2005
Operationele doelenActies 2005Budget operationeel doel 2005
A. Vorm en inhoud geven aan de economische diplomatie• Versterking van de economische bilaterale relatie met de nieuwe buren van de EU • Investeren in goede relaties met belangrijke WTO-partners en in het netwerk in Brussel en Genève • Versterken van de economische relatie met Azië • Versterken van de economische relatie van Nederland met ontwikkelde markten zoals de VS en de EUApparaat
B. Verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer en versterking van de internationale economische rechtsorde• Voorbereiding ministeriële WTO-conferentie in Hong Kong • Voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer • Brief aan de kamer over voortgang implementatie MVO-criteria in het export- en investeringsinstrumentarium€ 3,9 mln1
C. Bevorderen van internationaal ondernemen• Implementatie van het Actieprogramma Internationaal Ondernemen • Instelling Dutch Trade Board • Aanpassing buitenlandinstrumentarium • Versterkte samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse zaken€ 122,1 mln

1 Dit bedrag betreft de bijdrage aan internationale organisaties zoals de WTO. Het budget voor dit operationeel doel bestaat echter hoofdzakelijk uit apparaatkosten.

5.2 Operationele doelstellingen

Operationeel doel A. Vorm en inhoud geven aan de economische diplomatie

Het aanknopen en onderhouden van de betrekkingen zowel binnen als buiten de EU met buitenlandse overheden, internationale bedrijven en (non-gouvernementele) organisaties vormen de basis voor het scheppen van gunstige voorwaarden voor internationale handel, het verlagen van de transactiekosten en internationaal ondernemen. Daarnaast zorgt dit netwerk voor het kunnen uitwisselen van standpunten met andere overheden en het gezamenlijk ontwikkelen van visies op genoemde terreinen.

Het onderhouden van bilaterale relaties met andere overheden ten behoeve van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, is specifiek van belang om deuren te openen en concrete problemen op te lossen. Met name in landen waar nog geen sprake is van een volledige markteconomie oefenen overheden ook invloed uit op private transacties. Het postennetwerk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van de economische diplomatie.

EZ concentreert zich bij de economische diplomatie op de belangrijkste onderhandelingspartners in de WTO, de grotere EU-landen en de overige economisch belangrijke landen voor het Nederlandse bedrijfsleven (de zogenaamde twee en drie sterren landen). Onderdeel van de economische diplomatie is uiteraard ook het multilaterale volet. Deze heeft veelal betrekking op vertegenwoordiging op Europese gremia zoals vergaderingen van Europese Unie, in de Wereldhandelsorganisatie en de OESO.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorStreefwaardeHuidige waarde
Aantal uitgaande bilaterale bezoeken1Wordt na nulmeting bepaaldNulmeting in 2004
Aantal uitgaande handelsmissies214123
Aantal inkomende handelsmissies864

1 Op bewindslieden of hoogambtelijk niveau (niveau (plaatsvervangend) Directeur-Generaal en directeur).

2 Onder leiding van bewindslieden of hoogambtelijk niveau (niveau (plaatsvervangend) Directeur-Generaal en directeur).

3 Bron: EVD-rapportage 2003.

4 Bron: EVD-rapportage 2003.

Overzicht instrumenten
InstrumentOmschrijving
Opbouwen en onderhouden van een netwerkBezoeken afleggen en ontvangsten organiseren met en voor officiële autoriteiten en leidinggevende functionarissen van internationaal opererende bedrijven, internationale organisaties en niet gouvernementele organisaties, in samenwerking met het postennetwerk van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Handelsmissies van en naar het buitenlandHet bestendigen en waar mogelijk verbeteren van de relaties en het oplossen van conflicten en knelpunten waarmee het bedrijfsleven in het internationale verkeer wordt geconfronteerd.
Deelname multilaterale vergaderingenBevorderen dat besluiten worden genomen in lijn met het Nederlands beleid, voorkomen dat besluiten worden geno- men welke schadelijk zijn voor de Nederlandse economie.

Het budget 2005 voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om deze doelstelling te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Versterken van de economische bilaterale relatie met de nieuwe buren van de EU

Er zal in 2005 speciale aandacht bestaan voor de relatie met Roemenië en Bulgarije, zowel in EU-kader als ook via intensivering van bilaterale contacten. Beide landen bieden in toenemende mate kansen (zowel op het gebied van export als investeringen) voor het Nederlandse bedrijfsleven. Toetreding tot de EU zal een centraal onderwerp vormen met speciale aandacht voor sectoren die voor Nederland belangrijk zijn zoals bijvoorbeeld staal, energie en dienstverlening. In het PSO-accessie-programma zal onder andere een accentverschuiving ten gunste van deze landen plaatsvinden.

Ook de officiële relaties met Turkije zullen op een hoger niveau worden gebracht, omdat eventuele toetreding tot de EU van dit land voor Nederland belangrijke positieve economische effecten kan hebben.

Daarnaast zal de relatie met de Westelijke Balkan, Oekraïne en Rusland worden versterkt. Een toename van handelsstromen en buitenlandse investeringen vervult een belangrijke rol bij het streven naar een duurzame stabiliteit. Dit is met name van groot belang voor de Westelijke Balkan. EZ zal ondernemers die actief willen worden in deze regio extra stimuleren door het organiseren van een handelsmissie. In 2005 zal er ook een handelsmissie naar Rusland worden georganiseerd. De betrekkingen met de centraal-aziatische landen en dan met name Kazachstan zullen gezien hun strategische belang voor de olie- en energiesector worden geïntensiveerd.

Versterken van de economische relatie van Nederland met Azië

De economische relatie met Azië in het algemeen en India en China in het bijzonder, zal verder worden versterkt. Dit vanwege hun vooraanstaande rol in de WTO-onderhandelingen en de omvangrijke kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven op het terrein van export, import, investeringen en internationale samenwerking.

Dit zal onder andere gebeuren door versterking van de officiële contacten, via minimaal één handelsmissie en twee ministeriële bezoeken aan deze regio. De betrekkingen met Japan krijgen extra aandacht door de Nederlandse bijdrage aan de wereldtentoonstelling in Aichi in 2005.

Versterken van de economische relatie van Nederland met ontwikkelde markten

De Verenigde Staten, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Italië, België en Spanje blijven zeer belangrijk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Circa 80% van onze export en ook een groot deel van onze directe investeringen gaat naar deze landen. Met deze belangrijke handelspartners van Nederland zullen de relaties worden uitgebouwd door onder andere een aantal handelsmissies1, met name bedoeld om het MKB te stimuleren gebruik te maken van onbenutte kansen op de Europese markt.

Ook de versterking van de transatlantische betrekkingen tussen bedrijven zal worden gestimuleerd, gezien de omvang van de economie van de Verenigde Staten en de grote kansen die er voor het Nederlandse bedrijfsleven liggen, onder andere op het terrein van innovatiesamenwerking.

Operationeel doel B. Verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer en versterking van de internationale economische rechtsorde

Om in een open economie als de Nederlandse, duurzame economische groei te realiseren richt EZ zich op het terugdringen van internationale handels- en investeringsbelemmeringen. Dit leidt op termijn tot een efficiëntere internationale arbeidsverdeling en daarmee tot productiviteitsverbetering en economische groei.

Ook bestrijding van internationale concurrentievervalsing en tegengaan van internationale marktverstoringen, niet alleen binnen de EU maar ook daarbuiten, zijn wezenlijke elementen van het EZ-beleid. Deze moeten in belangrijke mate worden verwezenlijkt via versterking van de internationale economische rechtsorde. De vrijmaking van het handels- en investeringsverkeer levert op zichzelf al een bijdrage aan (een aantal van) bovengenoemde doelstellingen. De kansen op zo'n versterking nemen in 2005 toe.

Zo wordt in WTO-verband gewerkt aan een raamwerk («het speelveld») waarbinnen afspraken («de spelregels») over zowel verdere handelsliberalisatie als bestaande regels afgedwongen kunnen worden. Daarbij gaat het behalve om striktere (toepassing van) WTO-regels voor anti-dumping, subsidie, vrijwaring en geschillenbeslechting ook om harmonisatie van regulering voor handelsfacilitatie en de reikwijdte van het GATS-raamwerk voor dienstenliberalisatie. Landbouw blijft nog het meest heikele onderwerp. De inzet om op alle drie de pijlers, binnenlandse steun, exportsteun en markttoegang, voortgang te bereiken, staat hierbij voorop.

Niet alleen in de WTO, maar ook in OESO-verband levert EZ een bijdrage aan het versterken van de internationale rechtsorde, bijvoorbeeld op het gebied van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. In UNCTAD-verband worden onder andere de verdere mogelijkheden van technische assistentie voor ontwikkelingslanden bekeken.

Daarnaast wordt op het terrein van exportcontrole de regelgeving versterkt. In 2005 zal een tweetal versterkingen (nog in najaar 2004 te realiseren via een algemene maatregel van bestuur respectievelijk een ministeriële regeling) van kracht zijn.

Ten eerste geldt de huidige meldplicht voor doorvoerzendingen van kleine wapens dan voor alle militaire goederen van de bijlage bij het In- en Uitvoerbesluit Strategische goederen. Dit dient om inzicht te krijgen in de positie die Nederland inneemt als doorvoerland.

Daarnaast zullen de ontvangers van een zogenoemde «catch all»-beschikking verplicht zijn om EZ te informeren over de verblijfplaats van de betrokken goederen en over eventuele voornemens om deze binnen de EU van de hand te doen. Deze maatregel moet helpen voorkomen dat goederen via een omweg de niet wenselijk geachte bestemming bereiken.

In het kader van een algehele herziening van de In- en uitvoerwet, die per 1 januari 2006 haar beslag moet hebben gekregen, zal tevens worden gekeken naar controle op de overdracht van technische kennis (anders dan in het kader van een goederentransactie).

Binnen noodzakelijke grenzen (onder andere bepaald door veiligheidsbelangen en vitale bedrijfsbelangen) tracht EZ het vergunningenbeleid zo transparant mogelijk te maken om een democratische controle op dat beleid te bevorderen. Met de Kamer is inmiddels afgesproken om gegevens over exportvergunningen voor militaire goederen via een publiek toegankelijke website bekend te maken. Bezien zal worden in hoeverre dat ook mogelijk is voor exportvergunningen voor zogenoemde «dual use» goederen

In navolging van de rapportage aan de Kamer over de Nederlandse exporten van militaire goederen zal EZ nu ook periodiek gaan rapporteren over de exporten van «dual use» goederen.

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht instrumenten
InstrumentOmschrijving
Deelname aan comité 133 in Brussel en GenèveVoorbereiding, interdepartementale coördinatie en inbreng van Nederlands standpunt
Inbreng in EU-regelgevingVoorbereiding en beleidsmatige inbreng voor nieuwe dan wel aanpassing van bestaande EU-regelgeving
Vertegenwoordiging Nederland in WTO-comitésInterdepartementale voorbereiding en inbreng Nederlandse standpunt voor de WTO-onderhande- lingen
Internationale strategie duurzame ontwikkelingBetrokken bij de interdepartementale coördinatie van de internationale strategie voor duurzame ontwikkeling en inbreng in de OESO-werkgroep Handel & Milieu
Deelname in OESO-comitésOESO-comités voor handel, investeringen en hun werkgroepen
Nationaal Contact PuntOESO- richtlijnenAls Nationaal Contact Puntde effectieve toepassing van de OESO-richtlijnen bevorderen
ExportcontroleDeelname in nationale en internationale fora voor exportcontrolebeleid en aansturing uitvoerende diensten
Bilaterale investerings-overeenkomsten (IBO's)Bijdragen aan de totstandkoming van nieuwe IBO's en aan de interpretatie en toepassing van bestaande verdragen. Dit met het doel maximale bescherming te verkrijgen van de belangen van Nederlandse bedrijven die in derde landen hebben geïnvesteerd

Het budget 2005 voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten en bijdragen aan internationale organisaties zoals de WTO.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om dit operationeel doel te realiseren, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Intensivering van de WTO-onderhandelingen

In 2005 wordt een intensivering van de WTO-onderhandelingen voorzien. Na de teleurstellende uitkomst van de ministeriële conferentie in Cancún in september 2003, en de daarna moeizaam verlopen opstartperiode gedurende de eerste helft van 2004, is er nu weer vooruitgang geboekt. In de laatste week van juli 2004 zijn de WTO-leden in Genève bijeengekomen. Hierbij is een akkoord bereikt over een onderhandelingsraamwerk voor het verdere verloop van de ronde. Het akkoord bevat een raamwerk voor verdere onderhandelingen in de WTO Doha-ronde voor de onderwerpen landbouw (met daarbij speciale aandacht voor katoen), markttoegang voor industriegoederen, handelsfacilitatie en de ontwikkelingsdimensie van de Doha-ronde. Daarnaast was er specifieke aandacht voor het belang van diensten, waarbij een datum is genoemd voor het indienen van (verbeterde) aanbiedingen (mei 2005). Bovendien is besloten dat de eerstvolgende ministeriële conferentie in december 2005 in Hong Kong gehouden zal worden.

De belangrijkste punten in de landbouwparagraaf zijn afspraken over de manier waarop handelsverstorende binnenlandse steun aan de landbouwsector moet worden verminderd vooral door ontwikkelde landen, dat alle exportsubsidies zullen worden afgeschaft. Tevens zullen exportkredieten voor een termijn langer dan zes maanden worden afgeschaft. Exportkredieten voor minder dan zes maanden zullen aan disciplines worden onderworpen. Daarnaast is afgesproken om de markttoegang voor landbouwproducten te vergroten, maar dat er uitzonderingen mogelijk zijn voor «gevoelige producten». Voor ontwikkelingslanden zijn daarnaast op alle gebieden specifieke uitzonderingsmogelijkheden vastgelegd.

Op het gebied van markttoegang voor industrieproducten zijn de parameters neergelegd voor de verdere afbouw van tarieven, met ook hier weer de mogelijkheid van speciale en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden. Er zal ook speciale aandacht zijn voor zorgen van ontwikkelingslanden wat betreft erosie van tariefpreferenties. Tenslotte is afgesproken over handelsfacilitatie te gaan onderhandelen. Over de andere drie Singapore Issues, investeringen, mededinging en transparantie in overheidsaanbesteding, zal niet worden onderhandeld. Deze onderwerpen blijven wel onderdeel van de reguliere WTO-agenda.

Dit raamwerk zal in de aanloop naar de WTO-top in Hong Kong verder uitonderhandeld worden, te beginnen met technische besprekingen over de precieze invulling van dit raamwerk. Deze besprekingen zullen dit najaar aanvangen. Na het verlies aan momentum vanwege Cancún, kan nu de blik weer naar de toekomst gericht worden. Nederland streeft naar een spoedige succesvolle afronding van de Doha-ronde. Waar in 2004, om de onderhandelingen weer vlot te trekken, de onderhandelingsagenda beperkt was tot de onderwerpen landbouw, markttoegang voor industriegoederen, de Singapore issues en enkele ontwikkelingsaspecten van de ronde, zal in 2005 weer de brede Doha-agenda aan de orde komen. Voor Nederland belangrijke onderwerpen als diensten, regels over antidumping en subsidies, geschillenbeslechting en de relatie tussen handel en milieu zullen weer meer prominent op de agenda staan.

Doel van de Doha-ronde is een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling door middel van verdere liberalisering van het internationale verkeer van industriegoederen, diensten en landbouwproducten, die de wereldeconomie een broodnodige impuls kan geven. Ook voor de EU en Nederland zelf heeft verdergaande multilaterale handelsliberalisering reële economische voordelen.

Daarnaast wordt gestreefd naar versterking van het multilaterale handelssysteem en verdere integratie van ontwikkelingslanden daarin met in het bijzonder de minst ontwikkelde. Het belang van het in juli 2004 bereikte akkoord mag ook in dit verband niet onderschat worden. Hoewel het raamwerkakkoord slechts algemene parameters bevat en daadwerkelijke liberalisering afhangt van de invulling van cijfers, termijnen en producten, staat de ontwikkelingsdimensie hierin centraal. Een juiste invulling hiervan is één van de aandachtspunten in het Nederlandse handelspolitieke beleid. Het akkoord is bovendien tot stand gekomen in het licht van de nieuwe geopolitieke verhoudingen, waarin ontwikkelingslanden steeds volwaardiger onderhandelingspartners worden. De grotere ontwikkelingslanden, verenigd in de G-20 met als belangrijkste vertegenwoordigers Brazilië en India, hebben hierin het voortouw genomen. Ook is duidelijk geworden dat ontwikkelingslanden niet meer over één kam geschoren kunnen worden. Tussen ontwikkelingslanden bestaan grote verschillen, die tot uiting komen in verschillende onderhandelingsposities. In zijn beleid ten aanzien van de WTO-onderhandelingen zal Nederland, ook voor wat betreft zijn inbreng in het EU-proces, daarmee rekening houden en speciale aandacht geven aan de belangen van de armste ontwikkelingslanden.

In overleg met andere betrokken departementen, zal EZ de Nederlandse inbreng in het onderhandelingsproces verzorgen. De Tweede Kamer zal in 2005 regelmatig worden geïnformeerd over het verloop van de onderhandelingen.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

De Tweede Kamer wordt in 2005 geïnformeerd over de voortgang van de implementatie van de MVO-criteria in het export- en investeringsinstrumentarium.

Op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen over de grens stimuleert EZ het Nederlandse bedrijfsleven door:

– De OESO-richtlijnen bekend te maken en implementatie ervan te faciliteren door onder meer het Nationaal Contact Punt.

– Het agenderen van onderwerpen als de strafbaarstelling van buitenlandse omkoping in Nederland, het respecteren van mensenrechten en transparantie in de delfstoffenindustrie.

– In samenwerking met BZ/OS uitvoering geven aan private-sectorontwikkeling in ontwikkelingslanden, ondernemen in conflictgebieden en investeren voor ontwikkeling.

– Toetsing van het beleidsinstrumentarium voor export en investeringen aan milieu en sociale arbeidsnormen.

Operationeel doel C. Bevorderen van internationaal ondernemen

Internationaal ondernemen is van oudsher de motor van de Nederlandse economie, die een open en sterk internationaal georiënteerd karakter heeft en daarmee van groot belang voor het herstel van de structurele economische groei in Nederland.

Internationaal ondernemen is meer dan export alleen. Naast export worden ook import, directe buitenlandse investeringen en internationale samenwerkingsverbanden, zoals strategische allianties, tot internationaal ondernemen gerekend. Zo is import van groot belang in verband met de positie van Nederland als distributieland. Een andere variant van internationaal ondernemen is het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland, ook wel aangeduid met de term offshoring. Deze verplaatsing van activiteiten kan op korte termijn leiden tot banenvernietiging in het binnenland en het verdwijnen van (delen van) sectoren. Het behoort echter tot de normale dynamiek van het economisch proces, omdat in plaats van deze bedrijfsverplaatsingen ook weer nieuwe activiteiten ontstaan.

Op dit moment is er echter geen volledig beeld van de aard en omvang van internationale verplaatsing van bedrijfsactiviteiten door Nederlandse bedrijven en de effecten voor de Nederlandse economie. Daarom voert het Ministerie van Economische Zaken op dit moment een onderzoek uit, waarvan de uitkomsten in het najaar van 2004 te verwachten zijn.

De focus binnen het instrumentarium is in de afgelopen jaren komen te liggen op het stimuleren van internationaal ondernemerschap. Dit betekent bijvoorbeeld aandacht voor betere informatievoorziening en handelsvaardigheden van MKB-bedrijven met onbenut exportpotentieel.

Het beleid is er op gericht transactiekosten voor bedrijven bij het internationaal ondernemen omlaag te brengen, conform de noties van het in 2003 verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid «Nederland Handelsland: het perspectief van de transactiekosten». Transactiekosten blijken naast de valutakoersen en het vermogen om concurrerende goederen en diensten voort te brengen, een belangrijke factor voor de (structurele) handelspositie van een land. Transactiekosten omvatten de kosten van het handelen zelf en de investeringen in «handelskapitaal», die het gemakkelijker en goedkoper maken om handelstransacties tot stand te brengen. Voorbeelden hiervan zijn het vergaren van kennis over buitenlands (handels)recht en het vergaren van informatie over potentiële zakenpartners. Handelstransacties komen vaak niet tot stand door een gebrek aan kennis van en vertrouwen tussen de handelspartijen.

Hier is dus een duidelijk rol voor de overheid weggelegd. Het EZ-instrumentarium richt zich vooral op het verlagen van de transactiekosten die verbonden zijn aan het tot stand brengen van duurzame handels- en investeringsrelaties. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan informatieverstrekking over de te benaderen markt via de EVD en het postennetwerk, maar ook bijvoorbeeld het programma PESP dat haalbaarheidsonderzoeken voor export en investeringen op niet-OESO-markten financiert. Ook de ondersteuning bij individuele en collectieve marktbewerking, zoals het zoeken naar partners en het organiseren van handelmissies, behoort tot het EZ-beleid.

Indicatoren en streefwaarden
 Indicator (voornamelijk output)StreefwaardeHuidige waarde
AlgemeenAantal MKBbedrijven dat exporteert14%13%
EVDalgemeenEVD Bereik (op basis van exporterende en potentieel exporterende bedrijven)120%18%
EVDParticipatie2Klanttevredenheid33.1
 Internationalisatie332.6
EVDOriëntatie4Klanttevredenheid33.4
 Internationalisatie533.2
PSB6Bereik500510
 Starters40%51%
 Bijdrage aan internationalisatie50%50%
PESPSuccesratio33%27%
 Exportmultiplier25267
PSOSuccesratio80%75–80%8
PUM9Aantal projecten52058710

1 EVD bereik wordt op dit moment gemeten bij exporterende bedrijven (23%). Vanaf 2005 wordt ook het bereik onder potentieel exporterende bedrijven onder deze indicator meegenomen.

2 De scores voor klanttevredenheid en bijdrage tot internationalisatie vallen in een schaal van 1–4 (klanttevredenheid: 1 = slecht, 2 = matig, 3 = voldoende, 4 = goed; bijdrage aan internationalisatie: 1 = niet, 2 = in beperkte mate, 3 = in redelijke mate, 4 = in hoge mate).

3 Hieronder wordt verstaan in hoeverre de activiteit heeft bijgedragen aan marktverkenning en marktconsolidatie.

4 De scores voor klanttevredenheid en bijdrage tot internationalisatie vallen in een schaal van 1–4 (klanttevredenheid: 1 = slecht, 2 = matig, 3 = voldoende, 4 = goed; bijdrage aan internationalisatie: 1 = niet, 2 = in beperkte mate, 3 = in redelijke mate, 4 = in hoge mate).

5 Hieronder wordt verstaan praktische bruikbaarheid, betrouwbaarheid en actualiteit van de informatie die de EVD verstrekt over internationaal ondernemen.

6 Op basis van de herziening PSB eind 2004 zal bezien worden in hoeverre nieuwe streefwaarden opgesteld zullen worden.

7 2003.

8 Periode 1993–2001.

9 Lagere streefwaarde vanwege projecten in verre landen. 2003 scoorde hoog door de gunstige wisselkoers en de nabije projecten.

10 2003.

Overzicht instrumenten

Instrumenten die de transactiekosten verlagen in de voorfase van handel vormen op dit moment een belangrijk deel van het instrumentarium in de fase van:

Marktverkenning/oriëntatie

Dit gebeurt enerzijds door het beschikbaar stellen van betrouwbare informatie via EVD en/of postennetwerk. Anderzijds door instrumenten die bijvoorbeeld haalbaarheidsstudies, proefprojecten of samenwerkingsprojecten ondersteunen. Dit instrumentarium is per 1 april 2004 ondergebracht bij de nieuwe organisatie EVD internationaal ondernemen en samenwerken, een fusie van de EVD en Senter Internationaal.

InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
EVD internationaal ondernemen en samenwerkenDit agentschap informeert Nederlandse bedrijven over buitenlandse markten en ondersteunt deze bedrijven bij het selecteren en bewerken van die markten.€ 33,7 mln
PostennetwerkAmbassades, consulaten-generaal en economische steunpunten spelen een belangrijke rol bij het vergaren en verstrekken van informatie, en ook bij het ondersteunen van het Nederlandse bedrijfsleven dat actief is of wil worden op de betreffende markt.Apparaat1
Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP)Het PESP ondersteunt bedrijven bij haalbaarheidsstudies naar de mogelijkheden van export en investeringen naar niet OESO-markten.€ 11,1 mln
Programma Starters Buitenland (PSB)PSB heeft als doel ondernemers, die nog niet of relatief weinig exporteren, te stimuleren tot internationaal ondernemen via ondersteuning in de vorm van advies en begeleiding bij het opstellen en uitvoeren van een exportplan.€ 7,3 mln
Programma Samenwerking Oost-Europa(PSO)PSO bevordert internationaal ondernemen van het Nederlandse bedrijfsleven in Midden en Oost-Europavia samenwerkingsprojecten in die landen, en beoogt daarmee tevens een bijdrage te leveren aan de economische transitie in die landen.€ 51,3 mln
Programma Uitzending Managers (PUM)PUM biedt assistentie en kennisoverdracht aan bedrijven in niet-EU-landen in Oost-Europa door uitzending van Nederlandse gepensioneerde managers en experts.€ 2,4 mln

1 Het budget voor de economische versterking van het postennetwerk staat op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Financieringsondersteuning bij een transactie

Dit gebeurt door garantiestelling ten behoeve van investeringsfinanciering en daaraan te relateren technische assistentie (managementondersteuning en scholing).

InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
FOMDit instrument dat zal ontstaan uit de samenvoeging van IFOM en TA-OM biedt de mogelijkheid tot financiering van investeringen in combinatie met technische assistentie.€ 5,5 mln

Verzekering van een transactie

Het gaat om de verzekering van risico's die op de markt niet, of tegen prohibitieve voorwaarden verzekerbaar zijn: exportkredietverzekering en investeringsverzekering. EZ heeft een tweetal faciliteiten in aanvulling op de reguliere exportkredietverzekering, waarvoor Financiën primair verantwoordelijk is. Deze twee faciliteiten zullen in 2005 worden herzien.

InstrumentOmschrijvingBeleidsbudget 2005
SENODeze faciliteit is bedoeld om betalingsrisico's verbonden aan leveranties aan Oost-Europese afnemers af te kunnen dekken.  
Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM)De GOM biedt herverzekering aan voor het commercieel gefinancierde deel dat is verbonden aan een ORET/MILIEV-transactie.€ 6,9 mln1

1 Dit betreft het budget ten behoeve van schadebetalingen.

Acties 2005

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium om deze doelstelling te realiseren worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Implementatie Actieprogramma Internationaal Ondernemen waaronder instelling Dutch Trade Board

EZ lanceert dit najaar met het Actieprogramma Internationaal Ondernemen een pakket aan acties om internationaal ondernemen te bevorderen. Het actieprogramma is er op gericht de private sector, en met name MKB-bedrijven, verder te stimuleren internationaal actief te worden, maar ook om publiek-private samenwerking op het terrein van internationaal ondernemen te versterken. Door de activiteiten beter op elkaar af te stemmen, zullen zowel de inspanningen van de overheid, als die van het bedrijfsleven tot betere resultaten leiden. Zo zal een Dutch Trade Board worden opgericht om de afstemming tussen publieke en private handelsbevorderende organisaties te versterken. Daarnaast is EZ van plan in toenemende mate publiek-private samenwerkingsverbanden op thematisch niveau te bevorderen, zoals van het «Nederlands samenwerkingsverband voor de financiële sector».

In het kader van het actieprogramma zal ook worden gestreefd naar een meer thematische opzet van handelsmissies. Voorbeelden hiervan zijn de komende missies naar het Verenigd Koninkrijk (vrouwenmissie), Finland (innovatie), Marokko (allochtoon ondernemerschap) en Boston (innovatie en technologische samenwerking). Ook zullen, in vervolg op een succesvolle missie naar Duitsland, accenten op Dutch design in toekomstige handelsmissies naar ontwikkelde markten worden voortgezet.

Versterkte samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken

In samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal uitvoering worden gegeven aan de in 2004 verschenen notities over ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven, Afrika en handel en Ondernemen in conflictgebieden, ter versterking van de private sectorontwikkeling in en de bilaterale economische relaties met deze landen. Nederlandse investeringen in en handel met landen in opbouw kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de private sectorontwikkeling in deze landen. In dat licht zullen ook de instrumentaria van de ministeries van EZ en Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking beter op elkaar worden afgestemd. Gezien de belangrijke rol van ambassades en consulaten, onder andere bij het ten uitvoer leggen van het Actieprogramma Internationaal Ondernemen, zal verder worden geïnvesteerd in de versterking van het postennetwerk op economisch terrein, alsmede in meer uniforme dienstverlening door de posten.

5.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 5 Internationale economische betrekkingen (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)208,7167,7133,2133,0133,4133,4133,4
Programma-uitgaven158,7126,292,492,292,692,692,6
Operationeel doel A: Europese Interne markt (oud)       
–Bijdrage Benelux3,0      
Operationeel doel B: Vrijmaking internationale handels- en investeringsverkeer       
–Bijdrage aan diverse organisaties (o.a. WTO)4,43,93,93,93,93,93,9
Operationeel doel C: Bevorderen van internationaal ondernemen       
–Exportfinanciering BSE2,1      
–Herverzekering SENO/GOM55,17,06,96,67,07,07,0
–PESP9,811,111,111,111,111,111,1
–PSB6,68,67,37,37,37,37,3
–Instrumentele uitgaven EVD1,43,03,03,03,03,03,0
–Exportfinanciering ODA 2,3     
–TA-OM7,86,85,55,55,55,55,5
–IFOM7,94,50,00,00,00,00,0
–PSO54,467,651,451,551,551,551,5
–Trustfunds1,52,0     
–PSI ODA0,0      
–Managementtraining4,22,42,42,42,42,42,4
–Overig 3,0     
Algemeen       
–Beleidsondersteuning0,51,00,90,90,90,90,9
–NL voorzitterschap EU2004 3,0     
        
Apparaatuitgaven50,041,540,840,840,840,840,8
–Personeel BEB7,67,77,17,17,17,17,1
–Bijdrage DGBEB aan EVD126,324,524,524,524,524,524,5
–Bijdrage DGBEB aan EVD voor regelingen in het kader van Internationaal ondernemen216,19,39,29,29,29,29,2
        
Uitgaven (totaal)182,5155,7135,5128,8124,4125,3125,1
        
Ontvangsten (totaal)13,21,81,81,81,81,81,8
–Ontvangsten gemengde kredieten0,30,70,70,70,70,70,7
–Ontvangsten uit garanties9,4      
–Diverse ontvangsten BEB3,61,11,11,11,11,11,1

1 Betreft apparaatuitgaven voor taken zoals informatie, collectieve en individuele marktbewerking (beurzen en handelsmissies) en economische Holland-promotie.

2 Betreft apparaatuitgaven ten behoeve van de uitvoering van de regelingen voor Internationaal Ondernemen. Voorafgaand aan de samenvoeging per 1 januari 2004 van de EVD en Senter Internationaal werden deze middelen toebedeeld aan Senter.

Artikel 5 Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG BEB148,664,4148,664,5107,266,7

Per 1 september 2004 is een deel van het DG BEB overgegaan naar het nieuwe DG EP.

5.4 Budgetflexibiliteit

Artikel 5: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1 000)
 2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven135 456 128 782 124 447 125 256 125 139 
2.Waarvan appaatuitgaven40 849 40 765 40 756 40 768 40 044 
3.Dus programma uitgaven94 607 88 017 83 691 84 488 85 095 
4.Waarvan juridisch verplicht82 60288%49 02356%20 70125%9 49411%12 10414%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten4 7655%4 7525%4 7526%4 7526%4 7526%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden2 1622%11 66713%17 35021%11 49614%5 1196%
7.Waarvan beleidsmatige reserveringen5 0785%22 57526%40 88848%58 74669%63 12074%
8.Totaal94 607100%88 017100%83 691100%84 488100%85 095100%

Juridisch verplicht zijn de meerjarige uitgaven die horen bij in het verleden aangegane verplichtingen. Bijdragen aan instituten omvatten de contributies aan internationale organisaties zoals de WTO en de OESO. Voor een deel van het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) heeft EZ zich bestuurlijk gebonden. Voor dit gedeelte bestaan namelijk memories of understanding met Rusland, Oekraïne, Bulgarije en Roemenië. Onder de categorie «bestuurlijk gebonden» vallen tevens de schade-uitgaven op de garantieregeling SENO/GOM waarvoor in de jaren 2005 tot en met 2009 verplichtingen worden aangegaan. Onder de categorie «beleidsmatige reserveringen» vallen een aantal (gepubliceerde) subsidieregelingen en opdrachtenprogramma's. De budgetflexibiliteit hiervan is bij gelijkblijvend beleid gering.

5.5 Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
afgeronde evaluaties:      
CPSO     
CIFOM     
CTA-OM     
lopende evaluaties:      
CPESP     
geplande evaluaties:      
OD A Vorm en inhoud geven aan de economische diplomatie     
OD B Verdere vrijmaken v/h internationale handels- en investeringsverkeer en versterking vd internationale economische rechtsorde     
BMVO     
OD C Bevorderen van internationaal ondernemen     
CPSB     
CPUM     
CSENO-GOM     
CPSO     
CFOM     

6 VITALE BELANGEN TEN TIJDE VAN CRISES

Dit beleidsartikel is opgeheven met ingang van de begroting 2005. In dit artikel waren algemene crisisbeheersing, oliecrisisbeleid en crisismanagement telecommunicatie en post verenigd. Genoemde elementen zijn nu toegevoegd aan de respectievelijke artikelen 3, 4 en 10, waar ze inhoudelijk thuishoren (crisisbeheersing op de betreffende beleidsvelden). In de bijlage is een uitgebreide was-wordt-tabel opgenomen.

7 BEHEER BODEMSCHATTEN

Dit beleidsartikel is opgeheven met ingang van de begroting 2005. Alle elementen van dit artikel (met name gasbaten) zijn opgenomen in artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding. In de bijlage is een uitgebreide was-wordt-tabel opgenomen.

8 ECONOMISCHE ANALYSES EN PROGNOSES

8.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het Centraal Planbureau (CPB) wil een breed vertrouwde bron van beleidsrelevante economische analyse zijn.

8.2 Operationele doelstelling

In de praktijk betekent dit dat het CPB onafhankelijke economische analyses en prognoses maakt die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn en die relevant zijn voor het beleid van de regering, het parlement en andere maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen en bedrijfsleven.

De inhoudelijk onafhankelijke positie van het CPB is geregeld in de Wet voorbereiding van de vaststelling van een Centraal Economisch Plan en het Protocol voor de planbureaufunctie van CPB, RIVM, RPB en SCP.

Onderstaand overzicht geeft een vertaling van de operationele doelstelling met de daaraan verbonden prestatie-indicatoren en streefwaarden.

Tabel 8.2a: Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorNorm
1. Een goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB1.a Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een visitatiecommissie1.a Elke 5 à 6 jaar onderzoek door (inter- nationale) visitatiecommissie. De vorige visitatie heeft in 2003 plaatsgevonden
 1.b Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een toetsgroep van beleidsmakers1.b Elke 5 à 6 jaar onderzoek door toetsgroep van beleidsmakers. De vorige toets heeft plaatsgevonden in 2001
2. Een goede beoordeling van CPB- producten2.a Projectevaluatie van elk project > 3 maanden2.a Oordeel goed, evenwicht tussen inzet en resultaat
 2.b Aantallen publicaties die aan wetenschappelijke standaarden voldoen2.b 10 Discussion papers en 9 wetenschappelijke artikelen
3. Zowel specifieke klanten als het brede publiek bedienen met voor hen relevante ramingen en analyses3.a Mate van tevredenheid van CPC en CEC1 over het CPB-werkplan en de CPB-jaarrapportage3.a Goedkeuring werkplan en jaarrapportage op hoofdlijnen
 3.b Percentage persberichten bij CPB-publicaties3.b Persberichten bij 90% van de CPB-publicaties
 3.c Aandacht in de landelijke pers n.a.v. CPB-persberichten3.c Artikelen in tenminste twee landelijke dagbladen bij tenminste 75% van de CPB-persberichten
 3.d Aandacht in de landelijke pers3.d Tenminste 1x per maand expertrol van CPB terugzien in publiciteit
 3.e Leesbaarheid van publicaties en persberichten voor klanten d.m.v. onderzoek onder journalisten3.e Oordeel goed
 3.f Jaarlijkse groei aantal bezoekers Internetsite3.f Minimaal gelijk aan jaarlijkse groei Internetgebruik in Nederland

1 Centrale Plancommissie en Centraal Economische Commissie.

Ook laat de taak van het CPB zich vertalen naar de volgende activiteiten met de daaraan gekoppelde inzet van FTE's, aantallen en daarmee gemoeide apparaatkosten.

Tabel 8.2b: Overzicht activiteiten
(apparaatkosten in € 1000)Realisatie 2003Raming 2004Raming 2005
Activiteiten   
1.Centraal Economisch Plan (aantal)111
–apparaatkosten925651633
–aantal FTE's10,57,37,2
2.Macro Economische Verkenning(aantal)111
–apparaatkosten623627609
–aantal FTE's7,07,07,0
3.CPB Report (aantal)4
–apparaatkosten266
–aantal FTE's3,0
4.Onderzoeksprojecten (aantal)404040
–apparaatkosten5 2647 4747 225
–aantal FTE's66,286,485,4
5.Aanvullende projecten (aantal)241918
–apparaatkosten2 4061 6861 499
–aantal FTE's20,51414
6.Notities i.h.k.v. beleidsondersteuning (aantal)878080
–apparaatkosten1 149625608
–aantal FTE's13,07,06,9
7.Overige publicaties   
*Nieuwsbrieven (aantal)44
*CPBdocuments (aantal)161515
*Discussion papers (aantal)101010
*Speciale publicaties (aantal)555
*Wetenschappelijke artikelen (aantal)1199
–apparaatkosten3 1662 3272 263
–aantal FTE's35,826,025,8
    
Totaal   
 13 799*13 390*12 837*
 156,0*147,7*146,3*

* Inclusief aanvullende projecten (projecten in opdracht van andere overheidsorganisaties).

In 2003 zijn twee kabinetsrondes geweest. Hierdoor lagen de apparaatkosten voor notities in het kader van beleidsondersteuning op een relatief hoog niveau

8.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Artikel 8: Economische analyses en prognoses (bedragen in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)13,813,511,511,511,511,511,5
ApparaatuitgavenCPB13,813,511,511,511,511,511,5
Uitgaven (totaal)14,013,511,511,511,511,511,5
Ontvangsten (totaal)1,31,30,00,00,00,00,0
Artikel 8: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
CPB – personeel156,068,7147,769,5132,369,9
CPB – materieel156,019,8147,721,7132,317,4

De raming van de bezetting in 2005 is relatief laag, doordat geen rekening is gehouden met aanvullende taken.

8.4 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatuitgaven van het CPB. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel.

8.5 Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
geplande evaluaties:      
Onafhankelijke economische analyses en prognoses    

9 VOORZIEN IN MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE AAN STATISTIEKEN

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is verantwoordelijk voor de statistische beschrijving van relevante maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland.

De werkzaamheden die het CBS op hoofdlijnen uitvoert, worden eens in de vijf jaar omschreven in een Meerjarenprogramma. Dat wordt jaarlijks ingevuld in een meer gedetailleerd werkprogramma1. Het lopende Meerjarenprogramma betreft de periode 2004–2008 en is goedgekeurd door de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS). De toenemende vraag naar nieuwe statistische informatie brengt met zich mee dat CBS en CCS steeds kritisch naar de bestaande productie kijken.

De externe verzelfstandiging van het CBS tot zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid is per 3 januari 2004 doorgevoerd. Met de externe verzelfstandiging zijn de taken en bevoegdheden van de bij het CBS betrokken bestuursorganen opnieuw vastgelegd. De Directeur-Generaal is belast met de dagelijkse leiding en de CCS met de vaststelling van het programma en het toezicht op de taakvervulling. De methodologie en de publicaties van het CBS vallen onder de professionele verantwoordelijkheid van de Directeur-Generaal van het CBS. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor het in stand houden van de voorwaarden voor een onafhankelijke en publieke productie van kwalitatief goede en betrouwbare statistieken en voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de publieke gelden die daarmee gemoeid zijn.

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

De taak van het CBS is vastgelegd als: «Het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken». Bovendien is het CBS op nationaal niveau belast met de productie van communautaire statistieken2. Daarmee is het CBS een nationale instantie als bedoeld in de Europese statistical law3.

De algemene beleidsdoelstelling kan worden uitgesplitst in een aantal operationele doelstellingen:

1. Het hebben van een modern productieproces

2. Het zijn van een toonaangevend kennisinstituut

3. Het in kunnen spelen op de vraag naar beleidsinformatie

4. Het op orde zijn van de bedrijfsvoering

1. Het hebben van een modern productieproces

De gegevensverzameling door het CBS vormt een bijzonder punt van aandacht. De kwaliteit en de kosten daarvan blijken onder druk te staan gegeven de responspercentages voor de persoonsenquêtes en de enquêtedruk (administratieve lasten) voor het bedrijfsleven. De noodzaak om de administratieve lasten te verlichten vloeit mede voort uit het Regeerakkoord. Daarom is het van belang het statistisch gebruik van gegevens uit registraties te vergroten. De CBS-wet creëert daarvoor de nodige instrumenten, evenals voor het handhaven van de responsverplichting voor statistieken waar de gegevens uit registraties niet voldoende uitkomst bieden. Bijzondere gebruiksaspecten in dit kader zijn de tijdigheid van de informatie en de validiteit van de uitkomsten.

2. Het zijn van een toonaangevend kennisinstituut

Het CBS streeft een positie na als toonaangevend kennisinstituut. Binnen het CBS wordt onder meer een duaal carrièrestelsel geïntroduceerd om het behoud en aantrekken van hoogwaardige en specialistische inhoudelijke expertise zonder directe managementtaken mogelijk te maken. Het CBS houdt het innovatief vermogen mede op peil door voldoende jonge academische instroom en toetst zich voortdurend met voldoende gepubliceerde artikelen in niet-CBS media. Rond 2005 zal het CBS een benchmark uitvoeren teneinde de positie ten opzichte van vergelijkbare organisaties te kunnen vaststellen.

3. Het in kunnen spelen op de vraag naar beleidsinformatie

Het CBS produceert en publiceert zijn statistieken met het oog op het maatschappelijk gebruik ervan. Alle publicabele output van het CBS wordt opgenomen in een via het Internet gratis voor iedereen toegankelijke database, StatLine. Een beoogde groei van het gebruik, althans de raadpleging, van statistieken moet dan ook blijken uit een groeiend aantal raadplegingen van deze database. De centrale intermediair tussen het CBS en zijn gebruikers is voor de meest actuele resultaten de pers. De pers moet derhalve in het bijzonder voldoende interesse blijven tonen in de persberichten van het CBS. Daarnaast is het gebruik van statistische gegevens bij de politieke besluitvorming van belang. Vandaar dat in 2005 zal worden gekeken hoe vaak het CBS in Kamerstukken wordt geciteerd. Door het gebruik over de verschillende statistieken te differentiëren ontstaat een zeker – maar beslist niet volledig – beeld van de gebruiksrelevantie. Uiteindelijk wordt de klanttevredenheid bepaald door een enquête onder gebruikers.

4. Het op orde zijn van de bedrijfsvoering

De kwaliteit van de productieprocessen wordt geborgd door interne audits. Jaarlijks wordt daartoe een programma opgesteld en uitgevoerd, onder auspiciën van de CCS. Het betreft hier steeds interne audits van deelprocessen. De uitvoering van de uit deze audits voortvloeiende aanbevelingen behoort eveneens tot de factoren waarop het CBS zich afrekent. In de aanloop naar de verzelfstandiging van het CBS is veel aandacht besteed aan de bedrijfsvoering. Verbetering daarvan blijft echter verdergaande aandacht vergen.

Tabel 9.2: Overzicht prestatiegegevens
Op. DoelExterne stuurvariabele IndicatorOmschrijvingStreefwaarde 2005
1.1Administratieve lasten1aEnquêtedrukEnquêtedrukmeter (EDM)4% verlaging per jaar, uitgaande van € 23,5M voor 2002
1.2Respons1bRealisatie normresponsStatistiek buitenlandse handelBedrijfsenquêtes 65%
  1cRealisatie normresponsEnquête beroepsbevolkingPersoonsenquêtes 58%
1.3Gebruik registers1dBronneninventarisatie per statistiekCentrale inventarisatieToename CBS statistieken op basis van registerdata met 1%-punt per jaar, uitgaande van 30% voor 2003
1.4Tijdigheid1eLeveringen aan EurostatLevering conform geplande agenda1%-punt groei per jaar uitgaande van 80% in 2003
  1fPersberichtenLevering conform geplande agenda1%-punt groei per jaar uitgaande van 75% in 2003
  1gPublicaties in StatLineLevering conform geplande agenda100%
1.5Validiteit1hAfwijking tussen voorlopige en definitieve cijfers voor de economische groeiHet aantal keer dat de eerste kwartaalramingen van de economische groei meer dan 0,75 %-punt afwijken van de definitieve cijfers. De economische groei wordt uitgedrukt in procentuele volumemutatie bruto binnenlands product (BBP) tegen marktprijzen ten opzichte van het overeenkomstige kwartaal van het voorgaande jaarDe indicator is «veilig» als het aantal grote afwijkingen maximaal één en «onveilig» als het aantal groter dan één is.
  1iAfwijking tussen voorlopige en definitieve cijfers voor de internationale handelHet aantal keren dat de 5-wekenversie van de maandcijfers (EU invoer, EU uitvoer, niet-EU invoer en niet-EUuitvoer) meer dan 4% afwijkt van de definitieve maandcijfersDe indicator is «veilig» is als het aantal keer dat de drempel wordt overschreden kleiner is dan 20%.
2.1Kennisniveau2aBenchmark Positief oordeel
3.1Mate van gebruik3aDekkingspercentage van persberichtenOvername van persberichten in gedefinieerde verza- meling dagbladenHandhaven dekkingspercentage op tenminste 70.
  3bGebruik StatLineAantal maal dat externe gebruikers via Internet data uit een StatLine tabel hebben opgevraagd20% groei per jaar, uitgaande van 2 000 000 in 2003
  3cCBS in KamerstukkenAantal maal dat het CBS in Kamerstukken wordt geciteerd1% groei per jaar, uitgaande van 2004
3.2Klanttevredenheid3dGebruikersenquêteVoldoende beoordelingPositief oordeel van geënquêteerden
4.1Bedrijfsvoering4aFinancieel beheer op orde Een goedkeurende accoun- tantsverklaring bij de jaar- rekening
  4bEfficiency Een exploitatieresultaat van ten minste 0
4.2Kwaliteitszorg4cAantal interne audits 6 uitgevoerde en opgevolgde audits van deelprocessen per jaar

9.3 Budgettaire gevolgen voor het beleid

Artikel 9: Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken (bedragen in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)189,8186,0164,1163,9164,0163,5163,4
Bijdrage aan CBS189,8186,0164,1163,9164,0163,5163,4
Uitgaven (totaal)189,8186,0164,1163,9164,0163,5163,4
Ontvangsten (totaal)13,1      

9.4 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatuitgaven van het CBS. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in zeer beperkte mate flexibel.

9.5. Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
geplande evaluaties:      
Statistisch onderzoek t.b.v. de praktijk, beleid en wetenschap      

10 ELEKTRONISCHE COMMUNICATIE EN POST

Overzicht

Beleid

Algemene doelstellingOperationele doelstellingen
EZ schept de voorwaarden voor ontwikkeling en toepassing van een hoogwaardig aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie en postA. Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt
B. Waarborgen van publieke belangen; veilig, betrouwbaar, toegankelijk en transparant
C. Stimuleren dat de markt voorzieningen, producten en diensten ontwikkelt en dat burgers, bedrijven en overheden die benutten

Grafieken

Aandeel artikel 10 in totale EZ-uitgaven 2005 (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-21.gif

Onderverdeling artikel 10 naar operationele doelen (verplichtingen x € 1 mln)

kst-29800-XIII-2-22.gif

Verloop ramingen 2003–2009 x € 1 mln

kst-29800-XIII-2-23.gif

Ontvangsten 2003–2009 x€ 1 mln

kst-29800-XIII-2-24.gif

10.1 Algemene doelstelling, beleidsprogramma en acties 2005

Algemene doelstelling

EZ schept de voorwaarden voor de ontwikkeling en toepassing van een hoogwaardig aanbod van netwerken en diensten voor elektronische communicatie en post.

Een samenleving zonder elektronische communicatie is ondenkbaar. Bedrijven, burgers en overheden benutten steeds intensiever de mogelijkheden die informatie- en communicatienetwerken bieden. Waar nodig zal EZ innovatie en benutting stimuleren. Dit leidt tot beter economisch presteren, grotere efficiëntie en betere dienstverlening.

Omdat de samenleving ook steeds afhankelijker is van deze netwerken moeten deze betrouwbaar en veilig zijn en blijven.

De algemene beleidsdoelstelling kan worden opgesplitst in de volgende operationele beleidsdoelstellingen:

A. Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

B. Waarborgen van publieke belangen; veilig, betrouwbaar, toegankelijk en transparant

C. Stimuleren dat de markt voorzieningen, producten en diensten ontwikkelt en dat burgers, bedrijven en overheden die benutten

Schets van de marktontwikkelingen

Na de financiële moeilijkheden en de daaruit voortvloeiende heroriëntering en herstructurering groeide de Europese telecommunicatie- en IT-sector in 2003 licht. De groei in Nederland volgt het Europese gemiddelde. Investeringen in ICT-infrastructuur en uitgaven aan ICT per hoofd van de bevolking daalden in 2003.

Internationaal is de positie van Nederland goed. Dit wordt vooral veroorzaakt door de toegankelijkheid van internet en de aanwezigheid van kwalitatief goede infrastructuur. Penetratie van diverse infrastructuren is hoog, met name voor vaste en mobiele telefonie, kabel- en breedbandinternet. In 2003 was er sprake van een sterke groei van het aantal breedbandinternetaansluitingen. Nederland scoort minder goed op het gebied van gebruik van ICT (o.m. door overheden) en wettelijke regelingen rondom transacties op internet.

KPN behoudt ondanks de toegenomen concurrentie een groot marktaandeel in de markt voor vaste en mobiele telefonie en ADSL. Op de markt voor vaste telefonie nam het marktaandeel van KPN af door concurrentie van carrier preselect-aanbieders en substitutie door mobiele telefonie. Bij het aanbod van mobiele telefonie was KPN in 2003 de grootste aanbieder, gevolgd door Vodafone. Op de markt voor breedband internettoegang (kabel en ADSL) was KPN in 2003 eveneens de grootste aanbieder. Vooral door de groeiende beschikbaarheid van ADSL werd UPC (kabel) in 2003 voorbijgestreefd.

De tarieven voor vaste telefonie, breedband internettoegang en huurlijnen lagen in 2003 op een (relatief) laag niveau. De tarieven voor mobiele telefonie lagen op een gemiddeld niveau.

Door het groeiende gebruik van internet groeit ook het aantal internetgebruikers dat te maken krijgt met problemen zoals virussen en spam. Bescherming hiertegen wordt geregeld in o.a. de nieuwe Telecommunicatiewet en door diverse veiligheidsmaatregelen. De bestrijding van spam staat hoog op de internationale agenda.

De internationalisering in de postsector neemt toe, zowel door uitbreiding van activiteiten van TPG binnen en buiten Europa, als door toenemende activiteiten van buitenlandse postbedrijven in Nederland. In 2003 had TPG op de meeste binnenlandse deelmarkten een groot marktaandeel, ondanks de aanwezigheid van meerdere partijen op enkele van de deelmarkten. Vooral in de deelmarkten voor pakketten had TPG in 2003 concurrentie van Deutsche Post. Het aantal in het binnenland vervoerde zendingen door TPG nam af in 2002, terwijl het volume brievenpost van en naar het buitenland in 2002 en 2003 toenam. (Bron: Netwerken in cijfers 2004)

Beleidsprogramma Balkenende II

Het actieplan Breedband is in 2004 aangescherpt en vastgelegd in de Breedbandnota. Met de uitvoering van de breedbandnota wordt een impuls gegeven aan een toekomstvaste ICT-infrastructuur en de benutting daarvan op terreinen als zorg, onderwijs, verkeer en vervoer en veiligheid. In de Rijksbrede ICT-agenda is de daarbij noodzakelijke interdepartementale samenwerking vastgelegd. Voor de reductie van de administratieve lasten wordt de wet- en regelgeving voor post en elektronische communicatie aangepast en wordt gewerkt aan ICT-toepassingen zodat bijvoorbeeld eenmalige gegevensverstrekking gerealiseerd kan worden.

Met de implementatie van de Rijksbrede ICT-agenda, het actieplan Breedband en de aanpassing van wet- en regelgeving voor post en elektronische communicatie moet de kwaliteitsverbetering van de dienstverlening er toe leiden dat in 2007 post (2002, 8ste plaats), vaste telefonie (2002, 11de) en mobiele telefonie (2002, 9de) in de top 5 van Europa staan.

Overzicht acties 2005
Operationele doelenBelangrijkste acties 2005Budget operationeel doel 2005
A. Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt• Implementatie nieuwe Telecommunicatiewet • Implementatie beleidsregels voor de OPTA • Nota Frequentiebeleid• Herziening postwet • Reductie van de administratieve lasten • Evaluatie universele dienstverlenings-verplichting door Europese Commissie€ 5,7 mln
   
B. Waarborgen van publieke belangen; veilig, betrouwbaar, toegankelijk en transparant• Consumentenbescherming  
• World Summit on the Information Society over bestrijding spamMiddelen komen uit Beleids-voorbereiding en evaluatie.
   
C. Stimuleren dat de markt voorzieningen, producten en diensten ontwikkelt en dat burgers, bedrijven en overheden die benutten• Uitvoeren Rijksbrede ICT-agenda (plus Nationaal Actieplan Elektronische Snelweg) • Programma ICT & Administratieve Lasten (ICTAL) • Afschakelplan (TV) analoog naar digitaal • Uitgifte frequentievergunningen voor commerciële digitale radio • Publieke locatiegebonden dienstverlening • Betalen via nieuwe media (Internet, mobiel)€ 33,2 mln

10.2. Operationele doelstellingen

Operationeel doel A. Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt

EZ wil bereiken dat de markten voor elektronische communicatie en postvoorzieningen zich zo ontwikkelen dat consumenten en bedrijven een zo groot mogelijke keuzevrijheid hebben ten aanzien van aanbieders en dat er een veelzijdig aanbod is tegen een redelijke prijs-kwaliteitverhouding.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorenStreefwaardeHuidige waarde
Positie Nederland t.o.v. van een aantal benchmarklanden m.b.t. toegang tot internet via kabel, adsl en wireless1.Nederland handhaaft positie ten opzichte van deze benchmarklandenHuidige situatie: begin 2003 op tweede plaats in benchmark EU
   
Marktwerking1:   
1) Concurrentie tussen en op infrastructuren.1) Evenwichtige ontwikkeling van het gebruik van verschillende infrastructuren en groei van nieuwe aansluitingen voor breedband1) Vaste telefonie-aanslui- tingen stabiliseert, wel een verschuiving richting digitale (ISDN) aansluitingen. Mobiele aansluitingen stijgen sterk. Breedband internetaansluitingen groeien sterk, evenwichtige verdeling tussen kabel en ADSL.
   
2) Concentratiegraden deelmarkten telecom (HHI = Herfindahl Hirschman Index)2) Daling richting HHI van 1 800. Beneden deze waarde zijn er geen partijen met een dominante marktpositie.2) Vaste telefonie HHI 6 200 in 2002, mobiele telefonie HHI 2 500 in 2003, breedband inter- nettoegang HHI 3 250 in 2003.
   
3) Breedband als toegangstechnologie; tarieven per 100 kbits/s als % van maandelijks inkomen3) NL bij de landen met de laagste breedbandtarieven3) NL ligt per medio 2003 met een percentage van 0,18% beduidend onder het gemiddelde.
   
Gedeeld gebruik van frequenties210% meer gedeeld gebruik van frequentiebanden in 200510% meer gedeeld gebruik ten opzichte van de situatie in 2001
   
Mate van vergunningvrij gebruik220% meer frequentie-ruimte beschikbaar voor vergunningvrij gebruik in 200520% meer vergunningvrij gebruik ten opzichte van de situatie in 2001.
   
Reductie administratieve lasten in sectoren Telecom en Post325% minder administratieve lasten in 2006Administratieve lasten in 2002 bedroegen € 65 mln voor telecom en € 7 mln voor Post

1 (bron: Netwerk in Cijfers, 2004)

2 (bron: Agentschap Telecom)

3 (bron: EIM)

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijving
TelecommunicatiewetDoor de implementatie van de nieuwe Telecommunicatiewet de belangen van de consumenten veiligstellen en concurrentiebevorderen.
FrequentiebeleidOm te bereiken dat netwerken kwalitatief hoogwaardig zijn, is het noodzakelijk dat de nieuwste technologieën worden gebruikt. Om gebruik van die technologieën mogelijk te maken, is een flexibele(r) inrichting van de frequentieruimte nodig zodat de markt snel kan inspelen op nieuwe technologieën en de burgers meer innovatieve diensten kunnen afnemen.
PostwetDe postwet is gericht op een goede postale dienstverlening binnen Nederland en van of naar gebieden buiten Nederland, te verrichten.

Het budget 2005 voor de instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel bestaat uit apparaatkosten.

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium, worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Implementatie voorstellen administratieve lasten

De voorstellen om tot de reductie van de administratieve lasten in de Telecommunicatie en Postsector te komen worden geïmplementeerd

Implementatie beleidsregels voor de OPTA (motie Atsma/Blok)

In 2004 is de nieuwe Wet Telecommunicatie van kracht geworden. In het verlengde hiervan zijn n.a.v. de motie Atsma/Blok beleidsregels voor de OPTA opgesteld. In 2005 zal bepaald worden of deze in de praktijk werken, en of aanpassingen wenselijk zijn.

Evaluatie van de universele dienstverleningsverplichting

De Europese Commissie zal een evaluatie van de universele dienstverleningsverplichting uitvoeren. Het gaat om de vraag van modernisering van deze diensten en om de vraag welke diensten nog als universele dienst moeten worden aangemerkt. Indien een dienst als universele dienst is aangewezen, moet een of meer marktpartijen die dienst op verzoek van eindgebruikers leveren. Eventuele wijzigingen zullen in wet- en regelgeving hun vertaling krijgen

Nota Frequentiebeleid

Een nieuwe nota Frequentiebeleid wordt uitgebracht. Belangrijke onderwerpen hierin zijn het vergunningenbeleid, de efficiënte benutting van het frequentiespectrum en de flexibilisering van de ether, zodat de overheid sneller kan aansluiten bij en faciliterend is voor technologische ontwikkelingen en bewegingen in de markt.

Postwet

In 2006 zal het nog bestaande monopolie voor de brievenpost worden teruggebracht naar brieven tot 50 gram. Per 2007 wordt de postmarkt waarschijnlijk volledig geliberaliseerd. Dit moet leiden tot meer keuzemogelijkheden, lagere prijzen en/of betere kwaliteit van postdiensten voor de eindgebruiker. In 2005 wordt hiertoe gewerkt aan een nieuwe postwet. Hierin zullen de rechten en plichten van alle op de markt opererende partijen worden vastgelegd en zal tevens de universele dienst wettelijk worden gewaarborgd. Een concept van de nieuwe Postwet wordt eind 2005 aan de Kamer voorgelegd.

Operationeel doel B. Waarborgen van publieke belangen: veilig, betrouwbaar, toegankelijk en transparant

Betrouwbaarheid en beschikbaarheid van ICT en vertrouwen in de diensten en toepassingen die daarover worden aangeboden, is de basis voor een goede benutting van ICT. Daarnaast dient te worden voorkomen dat ICT wordt misbruikt als middel voor georganiseerde criminaliteit richting het bedrijfsleven en particulieren en ten behoeve van terroristische activiteiten.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorenStreefwaardeHuidige waarde
Het aantal bezoekers van de website waarschuwingsdienst.nl1Gemiddeld 60 000 bezoekers per maand in 2005Het gemiddeld aantal bezoekers per maand in 2003 bedroeg 35 227
   
Het aantal leden van de mailinglist van de waarschuwingsdienst.nl155 000 leden van de mailinglist eind 2005In 2003 bedroeg het aantal leden 33 146.
   
Aantal aanbieders van open- bare telecommunicatie-net- werken en -diensten dat aan de wettelijk vastgelegde aftapverplichtingvoldoet2Alle aanbieders van openbare telecom-muni- catienetwerken en -dien- sten voldoen aan de aftapverplichting uiterlijk eind 2005Begin 2003: de 5 open- bare telefonie aanbieders en 6 (grote) internetserviceproviders voldoen aan de verplichting
   
Aantal postkantoren in relatie tot wettelijke marges1Woonkern met meer dan 5 000 inwoners 1 post- kantoor binnen straal van 5 km; in stedelijke gebieden met meer dan 50 000 inwoners per elk 50 000 inwonertal een postkantoor extra. Daarnaast zijn er regels voor gebieden buiten de woonkernenEr wordt voldaan aan de wettelijke norm

1 (bron: Netwerk in Cijfers, 2004).

2 (bron: Agentschap Telecom).

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijving Budget operationeel doel 2005
Surf op Safe; Waarschuwingsdienst; programma KWINTProgramma's gericht op het vergroten van de bewustwording van burgers en bedrijfsleven omtrent de kwetsbaarheden van ICT-systemen en wat zij hiertegen kunnen doen.€ 1,65 mln
Nationaal Continuïteitsplan TelecommunicatieBorgen van beschikbaarheid en continuïteit elektronische communicatie netwerkenApparaat
Nationaal AntennebeleidUitrol UMTS-netwerken conform de doelstelling en uitgangspunten voor volksgezondheid, leefmilieu en veiligheid.Apparaat
TelecommunicatiewetHet stelsel van zelfregulering voor informatienummers wordt verlaten en het voornemen is het toezicht bij de OPTA onder te brengen. Doel is een verbeterde rechtspositie voor de consument via verbeterde transparantie van tarieven en een mogelijkheid voor laagdrempelige geschillenbeslechting.Apparaat
Beleidskader en wettelijke regeling voor communicatie, gas, elektriciteit, water, riolering, buisleidingen en defensienetVerplichte informatie-uitwisseling over de ligging van kabels en leidingen. Hierdoor wordt de veiligheid rond graafactiviteiten en de continuïteit van de kabel- en leidingnetwerken op een (nog) hoger peil gebracht.Apparaat

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Consumentenbescherming

De consumentenbescherming zal verbeterd worden door bijvoorbeeld de verplichting voor aanbieders van Carrier Preselectie op het gebied van transparantie op hetzelfde peil te brengen als voor de reguliere telefoondienst. Verder zal uitbreiding van de verplichting tot aansluiting bij geschillencommissies tot in ieder geval kabel en internet plaatsvinden.

Actieplan World Summit on the Information Society

In VN kader moet internationale overeenstemming komen over het internetbeheer (veiligheid, domeinnamen) en de bestrijding van spam, waaraan ook onder andere in OESO-kader wordt gewerkt.

Operationeel doel C. Stimuleren dat de markt voorzieningen, producten en diensten ontwikkelt en dat burgers, bedrijven en overheden die benutten

Nederland moet de mogelijkheden van ICT beter benutten om er meer economisch en maatschappelijk rendement uit halen. De ICT-infrastructuur is een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat. Nederland behoort qua ICT-netwerken tot de top van de wereld. De inzet van het kabinet is om deze unieke positie van Nederland te behouden en te versterken.

2005 is een belangrijk jaar voor de uitvoering van de Nota Breedband. Nederland behoort nu tot de wereldtop op het terrein van (tele)communicatie in het algemeen en breedband in het bijzonder. Deze positie staat echter onder druk, andere landen zitten niet stil. Een belangrijke impuls voor de verdere uitrol en opwaardering van breedband zijn innovatieve diensten die een bijdrage leveren aan het oplossen van problemen in de zorg, het onderwijs, de veiligheid en het verkeer. Het project Kenniswijk is een belangrijke experimenteeromgeving om de mogelijkheden van breedbandige infrastructuur en diensten op economisch en maatschappelijk aspecten te verkennen.

Indicatoren en streefwaarden
IndicatorenStreefwaardeHuidige waarde
Aantal actieve breedbandaansluitingen (minimaal 10 mb/s symmetrisch) en diensten in Kenniswijk15 000 actieve breedbandaansluitingen in Kenniswijk en 100 nieuwe diensten in 2004130 actieve breedbandaansluitingen (minimaal 10 mb/s) en 3 diensten in Kenniswijk op 01-01-2003
   
ICT-uitgaven als percentage van het BBP28% in 20057,3% in 2003
   
Aantal representatieve ontwikkelingsprojecten met publiek belang in zorg, onderwijs, veiligheid en verkeer3In 2005 twee projecten afgerond. Vier projecten in ontwikkeling, waarvan drie nieuwe projecten en een project doorlopend uit 2004Eind 2004: drie ontwikkelingsprojecten voltooid

1 bron: B.V. kenniswijk

2 bron: Netwerken in cijfers 2004

3 bron: Senter en N.V. Rede

In onderstaande tabel staan alle instrumenten ten behoeve van dit operationeel doel.

Overzicht Instrumenten
InstrumentOmschrijvingBudget operationeel doel 2005
Rijksbrede ICT-agendaVia samenwerking tussen departementen op efficiënte wijze de toepassings-mogelijkheden van ICT door de overheden beter benutten.Apparaat
Nationaal Actieplan Elektronische SnelwegMet het verschijnen van de Rijksbrede ICT-agenda is het doel van het NAP verschoven (van stimulering van nieuwe diensten via de elektronische snelweg) naar bevordering van toepassing van ICT in maatschappelijke domein (als de zorg, onderwijs en veiligheid) en speerpunten als eenmalige gegevensuitvraag, open standaarden en open source, toepassing van breedband en randvoorwaarden bij benutting (veiligheid en privacy).€ 20,1 mln
KenniswijkKenniswijk is het experiment in de regio Eindhoven waar de komende jaren een groot aantal consumenten toegang krijgt tot nieuwe elektronische diensten die deels zullen worden aangeboden via een breedbandige infrastructuur.€ 1,0 mln
BreedbandBreedband is van strategisch belang voor de economische en maatschappelijke ontwikkeling van NL en geeft een impuls aan de kenniseconomie. Een voortvarende ontwikkeling van breedband biedt NL een kans om internationaal koploper op het gebied van ICT te blijven. Ook in maatschappelijk opzicht is breedband van groot belang. De mogelijkheden en voordelen van breedbandinfrastructuren en -toepassingen zijn cruciaal voor sociaal-maatschappelijke terreinen als zorg, onderwijs, veiligheid, mobiliteit en cultuur. Het biedt de mogelijkheid op een andere manier te werken en in de behoeften van burgers en bedrijven te voorzien€ 13,3 mln, deels via het NAP.
Uitgifte frequentievergunningen voor commerciële digitale radioDoor middel van digitale radio via de ether (TDAB) kunnen meer programma-aanbieders een plek krijgen in het frequentiespectrum. Daarnaast biedt digitale radio kansen om nieuwe soorten van (innovatieve) dienstverlening toe te passen.Apparaat

Naast de inzet van het reguliere instrumentarium worden in 2005 de volgende specifieke acties ondernomen.

Acties 2005

Interdepartementale samenwerking in het kader van de Rijksbrede ICT agenda:

1. In samenwerking met Justitie zullen belemmeringen die een groei van online dienstverlening in de weg staan wegnomen of voorkomen worden. Het gaat hierbij over terreinen als privacy, auteurrecht, intellectueel en industrieel eigendom, grensoverschrijdende geschillenbeslechting, grondrechten en internationaal privaatrecht.

2. Samen met o.a. BZK, VWS, OCW en Financiën ontwikkeling van basisadministraties inclusief één burger service nummer, authenticatie («digitale handtekening»), overheidstoegangsvoorziening en overheidstransactiepoort.

3. ICT in gezondheidszorg: opstarten demonstratieprojecten, bundelen en verspreiden van best practices, organiseren van werkconferenties, onderzoek naar nieuwe financieringsstructuren en realiseren van een convenant met VWS.

4. Afronding van het programma Open Standaarden en Open Source Software (OSOSS), om de overheid minder afhankelijk te maken van softwareleveranciers (i.s.m. BZK en andere overheden).

5. ICT in verkeer en vervoer: bijdrage Europees programma Global System Telematics, ontwikkeling digitale mobiele diensten, grootschalig demoproject in regio Haaglanden (betere stedelijke bereikbaarheid) en opzetten ICT in havens (betere concurrentiekracht van havens), uitvoeren convenant met V&W.

6. ICT in onderwijs: opzetten demonstratieprojecten met breedbanddiensten en inventariseren best practices en kansen i.s.m. OCW.

Programma ICT & Administratieve Lasten (ICTAL)

Via het slim inzetten van ICT dalen de administratieve lasten voor bedrijven en wordt de informatievoorziening van de overheid aan ondernemers beter. Om daaraan invulling te geven zijn binnen het programma ICTAL een aantal generieke ICT-voorzieningen ontwikkeld o.a. Basis Bedrijvenregister, Bedrijvenloket en Overheidstransactiepoort. Eerste versies van deze voorzieningen zijn inmiddels operationeel en zullen in 2005 verder worden doorontwikkeld. Daarnaast zal de nadruk in 2005 vooral liggen op het bevorderen van het (grootschalig) gebruik van de voorzieningen. Tevens zullen maatregelen worden genomen ten behoeve van het toekomstig beheer. Een apart aandachtspunt is de wettelijke verankering van het Basis Bedrijvenregister. Het streven is dat een daartoe strekkend voorstel van wet medio 2005 bij de Tweede Kamer wordt ingediend.

Publieke locatiegebonden dienstverlening

Uitwerken samenwerkingsovereenkomst tussen overheidsinstanties voor nieuwe locatiegebonden mobiele diensten o.a. voor calamiteitenberichten en verkeersinformatie.

Afschakelplan «van analoog naar digitaal»

In 2005 worden begonnen met een naar regio en tijd gefaseerde omschakeling van analoge naar digitale ethertelevisie (DVBT). In die regio's zullen de publieke omroepen dan niet meer analoog via de ether (= niet-kabel en niet-satelliet) te ontvangen zijn. Dit zal zoveel mogelijk in de pas lopen met de, eveneens gefaseerde, invoering van commerciële digitale televisie (Digitenne).

Radio en televisie

De etherruimte wordt efficiënter ingericht door introductie van digitale technieken (i.p.v. analoge). Concreet zal in 2005 zal de uitgifte van digitale radiofrequenties (TDAB) plaatsvinden.

Betalen nieuwe media

Met je mobiel parkeergeld betalen en pinnen via internet. Twee voorbeelden die in de nabije toekomst mogelijk worden. De ambitie is dat er uiteindelijk een infrastructuur zal ontstaan die veilig, gemakkelijk en efficiënt is voor gebruikers. In 2005 zullen samen met marktpartijen demonstratieprojecten worden gestart.

10.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 10: Elektronische communicatie en post (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)73,075,760,349,549,248,548,5
Programma-uitgaven58,961,445,435,335,034,334,3
Operationeel doel A: Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt       
–Bijdrage Internationale Organisaties3,41,92,22,22,22,22,2
–Bijdrage aan OPTA7,24,53,53,53,53,53,5
–NL voorzitterschap EU2004 0,5     
Operationeel doel B: Waarborg publieke belangen       
–Subsidies Kerktelefonie 0,10,0    
Operationeel doel C: Stimuleren voorzieningen, producten en diensten       
–Nationaal Actieplan Electronische snelwegen18,122,020,120,120,120,120,1
–ICT- flankerend beleid en administratieve lasten7,311,112,13,03,02,32,3
–Demonstraties/pilots (Kenniswijk)2,24,01,00,2   
Algemeen       
–Beleidsvoorbereiding en evaluatie20,717,36,56,36,26,26,2
        
Apparaatuitgaven14,114,414,914,214,214,214,2
–Personeel DGTP7,69,59,18,48,48,48,4
–Transitiekosten DGTP1,3      
–Materieel DGTP0,10,0     
–Bijdrage agentschap Telecom5,14,75,85,85,85,85,8
        
Uitgaven (totaal)40,783,875,768,549,449,547,4
        
Ontvangsten (totaal)39,323,914,914,01,01,01,0
–Personeel DGTP0,20,90,90,90,90,90,9
–Diversen Telecom4,50,60,30,00,00,00,0
–Kenniswijk2,413,113,512,9   
–Ontvangsten OPTA5,06,30,20,20,20,20,2
–Overige ontvangsten27,12,9     

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen, waarvoor in bijlage 7 extra informatie is opgenomen. Deze begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 10: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG TP113,966,6140,468,4140,464,2

De hogere formatie vanaf 2004 wordt veroorzaakt door de overkomst van de directie ICT van DGI.

10.4 Budgetflexibiliteit

Artikel 10: Budgetflexibiliteit (bedragen in € 1000)
(bedragen in € 1 000)2005 2006 2007 2008 2009 
1.Totaal geraamde kasuitgaven75 660 68 502 49 413 49 531 47 372 
2.Waarvan appaatsuitgaven14 857 14 232 14 232 14 232 14 232 
3.Dus programma uitgaven60 803 54 270 35 181 35 299 33 140 
4.Waarvan juridisch verplicht37 68462%26 32049%5 63916%4 33312%00%
5.Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten5 6609%5 66010%5 66016%5 66016%5 66017%
6.Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden9 78716%11 75122%10 99331%12 41735%14 59144%
7.Waarvan beleidsmatige reserveringen7 67213%10 53919%12 88937%12 88937%12 88939%
8.Totaal60 803100%54 270100%35 181100%35 299100%33 140100%

Uit de tabel blijkt dat 62% van de voor 2005 geraamde programma-uitgaven aangehouden wordt ter financiering van verplichtingen die tot en met 2004 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is derhalve niet flexibel. De uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2005 aan te gane verplichtingen, zijn in structureel opzicht voor ongeveer € 6 mln benodigd voor instellingen en instituten (contributie aan ITU en UPU, de bijdrage aan Agentschap Telecom en de bijdrage aan OPTA).

Binnen de categorie «bestuurlijk gebonden» is het reeds in afspraken belegde deel van de uitgavenraming voor het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelweg opgenomen (NAP). Daarnaast zijn de uitgavenramingen voor het project Kenniswijk, het actieprogramma Breedband en ICTAL in deze categorie opgenomen.

In het kader van de veiligheid zijn de uitgaven die vallen onder het kabinetsbrede actieprogramma terrorismebestrijding, eveneens in de categorie «bestuurlijk gebonden» opgenomen. Hieronder valt ondermeer de campagne «Surf op Safe» (voorlichtingscampagne van EZ over veilig internetten) en de uitgaven voor de waarschuwingsdienst op het gebied van internetveiligheid.

10.5 Evaluatieparagraaf

Evaluatieplanning200420052006200720082009
afgeronde evaluaties:      
AFrequentiebeleid     
CMTR Kenniswijk     
lopende evaluaties:      
AOPTA    
AAftapbeleid    
ATTP-beleid    
geplande evaluaties:      
OD A «Efficiënt werkende communicatie-postmarkt»     
APost (in EU verband)     
OD B «Waarborgen van publieke belangen»     
BNationaal Antennebeleid     
OD C «Stimuleren van voorzieningen, producten en diensten»     
CKenniswijk     

In 2004 zijn een drietal evaluaties gestart welke doorlopen tot in 2005. Het gaat hier om de evaluatie van de OPTA, het Aftapbeleid en TTP-beleid. In 2005 start alleen de evaluatie Nationaal Antenne Beleid.

2.3 DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

21 ALGEMEEN

Op dit artikel worden de apparaatuitgaven geraamd die niet zijn toegerekend aan de beleidsartikelen. Het betreft de personele en materiële uitgaven van de stafdiensten (inclusief algemene leiding), de centrale personeelsuitgaven en de facilitaire overhead van het kernministerie. Naar hun aard hebben deze uitgaven een slechts indirecte relatie met de activiteiten en uitgaven zoals geraamd op de beleidsartikelen. Om deze reden wordt de voorkeur gegeven aan raming op dit niet-beleidsartikel. Niet minder belangrijk is dat daarmee de aansluiting wordt behouden met de interne sturing en beheersing van deze uitgaven.

Ook de apparaatuitgaven voor de interdepartementale projectdirectie Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) zijn in dit artikel opgenomen.

Professioneel Inkopen en Aanbesteden

Het project Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) is verlengd tot 1 juni 2006. PIA kent drie hoofddoelstellingen:

– meer samenwerking bij het inkopen en aanbesteden;

– gebruik van elektronisch aanbesteden;

– betere toepassing van de Europese Aanbestedingsregels door de (rijks)overheden.

Het Programma Inkoop Taakstelling is opgezet om de taakstelling PIA uit het Regeerakkoord Balkende II te realiseren. Door middel van professioneel inkopen en aanbesteden via een bestuurlijk vernieuwende aanpak zal € 150 mln structureel worden bespaard, waarvan inmiddels € 30 mln structureel is verdeeld over de departementen. Deze aanpak kenmerkt zich door gecoördineerde inkoop voor de volgende acht productgroepen: ICT, energie, drukwerk, huisvesting, communicatie, kantoorbenodigdheden en -inrichting, dienstauto's en post. Uitgangspunt van gecoördineerde inkoop is «(interdepartementale) samenwerking, tenzij». Het Programma Inkoop Taakstelling is een van de onderdelen uit het Programma Andere Overheid.

In het Actieplan Professioneel Inkopen en Aanbesteden uit 1999 wordt elektronisch aanbesteden genoemd als instrument om eenvoudiger Europees aan te besteden. Het systeem voor elektronisch aanbesteden impliceert de inzet van moderne informatie- en communicatietechnologie gedurende het gehele aanbestedingstraject.

Tabel 21.1: Effectindicatoren PIA
EffectindicatorStreefwaardeHuidige waarde
Programma Inkoop Taakstelling:  
Realisatie van de inkooptaakstelling € 150 mln besparing ultimo 2007€ 30 mln is inmiddels verdeeld over de departementen
   
Elektronisch aanbesteden:  
gebruik elektronisch systeem voor aanbesteden wordt gemeengoed bij overheidOperationeel systeem voor EU geschikt voor alle publieke instellingenDrie diensten

Budgettair overzicht

Artikel 21: Algemeen (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)124,2132,687,786,694,291,194,6
Personeel Algemeen       
–Personeel stafdienst32,331,732,732,232,132,132,3
–PIA2,64,81,0    
–Centraal Personeel budget14,311,610,111,59,99,79,6
–Sociaal Plan 2,23,52,92,72,2 
–Personeel buitenland2,52,52,52,52,52,52,5
–Wachtgeld1,23,73,63,32,92,52,2
–Post actief personeel4,22,62,32,32,32,32,3
–Personeel adviescollege 0,10,10,10,10,10,1
–Afwikkeling oude verplichtingen       
Materieel Algemeen       
–ICT11,18,77,49,112,011,811,8
–Inhuur Auditdienst0,30,20,20,20,20,20,2
–Materieel Auditdienst       
–Materieel diversen3,30,70,20,20,20,20,2
–Materieel Communicatie8,68,84,64,64,54,54,5
–Materieel kernministerie43,749,617,720,931,125,826,2
–Huisvesting       
–Materieel WJZ 1,61,51,51,51,51,5
–Afwikkeling oude verplichtingen       
–Parkeerpost 3,80,2– 4,8– 7,8– 4,41,2
        
Uitgaven (totaal)113,1115,5107,097,995,592,193,4
        
Ontvangsten (totaal)9,36,06,67,47,47,47,4
–Diverse ontvangsten personeel6,13,02,92,92,92,92,9
–Diverse ontvangsten materieel0,7      
–Ontvangsten pc-privé0,00,20,20,20,20,20,2
–Commissie vergoeding vacatie0,00,20,20,20,20,20,2
–Diverse ontvangsten (buiten)diensten0,41,62,12,52,52,52,5
–Afdracht Senter2,10,91,21,51,51,51,5

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. Ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid zijn de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. Voor deze jaren wijkt de presentatie derhalve af van de formele begrotingen 2003 en 2004. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 21: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2003raming 2004raming 2005
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Stafdiensten personeel1561,061,0614,454,7606,755,5
Materieel kernministerie231 457,839,91 488,635,51 474,233,7

1 Algemene Leiding, AEP (tot en met 2004), AD, FEZ, IZ, DC, WJZ, POI, Herijkingsdienst en PIA (vanaf 2005).

2 Betreft materiële uitgaven die betrekking hebben op kerndepartement: centrale opleidingen, ICT, materieel diversen, voorlichting, materieel kerndepartement.

3 Betreft personeel DG's en stafdiensten.

22 NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Op dit niet-beleidsartikel zijn ramingen opgenomen voor de volgende typen uitgaven:

Loonbijstelling

Prijsbijstelling

Onvoorzien

Nog te verdelen posten

De loonbijstelling en prijsbijstelling betreffen middelen die meestal bij Voorjaarsnota worden toegedeeld aan de EZ-begroting voor de jaarlijkse ophoging van loongevoelige en prijsgevoelige budgetten op de EZ-begroting. De loonbijstelling en prijsbijstelling worden vervolgens verdeeld binnen de EZ-begroting.

De post onvoorzien wordt aangehouden voor relatief bescheiden onvoorziene uitgaven die niet elders op de EZ-begroting kunnen of mogen worden ingepast.

De nog te verdelen posten betreffen (positieve of negatieve) reeksen die reeds aan de EZ-begroting zijn toegevoegd, maar waarvan nog niet duidelijk is op welke beleidsartikelen zij uiteindelijk zullen worden verwerkt. In dit geval gaat het om:

– het restant van de apparaattaakstellingen van de kabinetten Balkenende I en II

– het restant (€ 20 mln structureel) van de op de EZ-begroting geparkeerde rijksbrede taakstelling Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA)

– de bij begrotingsvoorbereiding 2005 opgelegde aanvullende efficiencytaakstelling

– de aanvullend op de EZ-begroting geparkeerde rijksbrede taakstelling Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA).

– De Vpb-taakstelling die in afwachting van een nadere verdeling over betrokken departementen op de EZ-begroting is geparkeerd.

Budgettair overzicht

Artikel 22: Nominaal en onvoorzien(in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal) 0,4– 42,0– 186,0– 253,1– 253,0– 253,0
–Loonbijstelling 0,8     
–Prijsbijstelling       
–Budget onvoorzien 0,30,40,40,40,40,4
–Nog te verdelen posten – 0,6– 42,4– 186,4– 253,5– 253,0– 253,0
        
Uitgaven (totaal) 0,4– 42,0– 132,0– 235,1– 251,0– 253,0

23 AFWIKKELING OUDE VERPLICHTINGEN

Op dit niet-beleidsartikel worden uitgaven en ontvangsten geraamd van met name in het verleden aangegane verplichtingen betreffende NedCar, de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp en de garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen.

NedCar

Na het tekenen van de overeenkomsten tussen Volvo, NedCar en de Staat bestaat de financiële relatie nog uit de volgende twee elementen (in de ontvangstenraming):

• Terugbetaling door NedCar van de in het verleden verstrekte renteloze lening.

• Het recht van de Staat op betalingen uit hoofde van de verkoop van onderdelen voor de Volvo-400-serie door Volvo tot en met 2016.

Regeling Bedrijfsbeëindigingshulp

Met de inwerkingtreding van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) per 1 juli 1987, is de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) gesloten voor nieuwe toetreders. Derhalve is sprake van bestandsafbouw, waardoor de raming een trendmatige daling vertoont.

Budgettair overzicht

Artikel 23: Afwikkeling oude verplichtingen (in € mln)
 2003200420052006200720082009
Verplichtingen(totaal)3,84,64,23,83,83,53,0
–Afwikkeling BBH-regeling3,84,64,23,83,83,53,0
Uitgaven (totaal)4,54,64,23,83,83,53,0
Ontvangsten (totaal)115,5131,03,22,21,61,20,9
–Ontvangsten Nedcar115,5131,03,22,21,61,20,9

3. BEDRIJFSVOERING

Inleiding

De bedrijfsvoering van het ministerie maakt, mede als gevolg van de taakstellingen uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnen Akkoord, belangrijke veranderingen door. Met als oogmerk een efficiënter en beter functionerend Economische Zaken dat is toegerust op de huidige en toekomstige vraagstukken, worden zowel processen als organisatie aangepast. Werd de besluitvorming daartoe in 2004 afgerond, 2005 zal het eerste volledige jaar zijn waarin de effecten daarvan zichtbaar worden.

Daarnaast zullen ook de recent uitgevoerde interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO) naar de controletoren en het verzelfstandigingsbeleid en het Project Andere Overheid (PAO), afhankelijk van de uitkomsten en de besluitvorming hierover, effect hebben op de inrichting van de bedrijfsvoering van het ministerie. Tenslotte zal de verdere implementatie van het risicomanagement als instrument voor de sturing en beheersing van het ministerie in 2005 zijn beslag krijgen.

Stroomlijning agentschappen

Als uitvloeisel van het Strategisch Akkoord werd het ministerie geconfronteerd met onder andere een volumetaakstelling. Deze situatie is aangegrepen om te bezien of een thematische herschikking van een drietal agentschappen van het ministerie zou kunnen bijdragen aan een verdere verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening en tegelijkertijd een vergroting van de efficiency van de uitvoering. Dit heeft geleid tot de vorming van een agentschap voor duurzame innovatieve ontwikkeling (SenterNovem) en een agentschap voor internationaal ondernemen (EVD). De besluitvorming daarover werd begin 2004 afgerond, waarna aangevangen werd met de implementatie.

Voor SenterNovem, waar sprake is van een fusie tussen een bestaand agentschap (Senter) en een tijdelijk agentschap (Novem), geldt dat de nieuwe organisatie als tijdelijk agentschap van start is gegaan. In 2005 zal de implementatie van de fusie volledig totstandkomen, waaronder het agentschaptraject gericht op het verkrijgen van de definitieve agentschapstatus per 1 januari 2006.

Herinrichting staffuncties

De taakstellingen uit het Strategisch Akkoord vormden niet alleen aanleiding tot stroomlijning van de uitvoeringsorganisaties van EZ, maar hebben tevens geleid tot voorstellen om de staffuncties van het ministerie op een andere manier te organiseren. Naast een aantal kleinere organisatorische aanpassingen van staffuncties van het ministerie, gericht op verdere vergroting van kwaliteit en efficiency, vond begin 2004 besluitvorming plaats over de splitsing van de directe Personeel, Organisatie en Informatiemanagement (POI) in aparte directies voor HRM en I&A. Met de vorming van de HRM-directie wordt niet alleen beoogd een grotere doelmatigheid van de HRM-functie te bereiken maar wordt tevens voorgesorteerd op de ontwikkeling van het Rijksbrede shared service centre HRM waar EZ per 1 januari 2006 op zal aansluiten. Met de vorming van de I&A-directie worden alle ICT functies van het kerndepartement geconcentreerd in een centrale directie, hetgeen zal bijdragen aan een doelmatiger en meer integrale benadering van ICT binnen EZ. Was 2004 het jaar waarin de implementatie hiervan tot afronding kwam, 2005 zal het eerste volledige jaar zijn waarin volgens de nieuwe structuren en werkwijzen zal worden gewerkt.

Reorganisatie DG's

In 2004 heeft EZ ook de structuur van de beleidskern vernieuwd. De inrichting in DG's is per 1 september jl. als volgt: Economische Politiek, Ondernemen & Innovatie, Buitenlandse Economische Betrekkingen, Energie en Telecommunicatie & Post. Deze structuur sluit beter aan op de vraagstukken waar EZ zich nu en in de komende jaren voor gesteld ziet; versterking van de synergie tussen organisatieonderdelen en een grotere efficiency. Daarmee wordt ook een bijdrage geleverd aan een deel van de taakstellingen uit het Hoofdlijnen Akkoord.

P-Direkt

Een belangrijke en ingrijpende ontwikkeling op het terrein van de bedrijfsvoering is de vorming van het Rijksbrede shared service centre HRM (SSC-HRM): P-Direkt. Met het oogmerk om per 1 januari 2006 bij P-Direkt aan te sluiten, vonden in de afgelopen periode voorbereidende werkzaamheden plaats. Ook in de komende periode zal de voorbereiding nog aanzienlijke inspanningen vergen om een soepel verlopende overgang te waarborgen.

Uit externe audits die tot op heden gedurende het proces zijn uitgevoerd, blijkt dat de uitgangspositie van EZ op dit terrein een goede is en dat de aanpak vertrouwen wekt. De basis daarvoor is gelegd in de afgelopen jaren waarin het ministerie zowel het HRM-beleid als de ondersteunende (geautomatiseerde) processen reeds had aangepakt en gemoderniseerd.

Relatie beleid en uitvoering

Sinds een aantal jaren wordt binnen EZ systematisch een organisatorisch onderscheid gemaakt tussen beleidsontwikkeling en de uitvoering daarvan. Deze filosofie heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de professionalisering van de uitvoering van beleid.

Inmiddels voert een deel van deze organisaties niet langer alleen EZ-beleid uit, maar vindt door hen ook uitvoering van beleid van andere departementen plaats. Ondanks deze positieve ervaringen, heeft het onderscheid tussen beleid en uitvoering in een aantal gevallen geleid tot een te grote afstand tussen beleid en uitvoering. Medio 2004 is daarom een aanpak vastgesteld om deze afstand te verkleinen en de synergie tussen beide te versterken.

AGENTSCHAPPEN

SENTERNOVEM

1. Missie

SenterNovem is ontstaan uit een fusie per 1 mei 2004 van Senter en Novem. Ten tijde van het opstellen van dit document (mei 2004) is de organisatie bezig om haar missie en doelstellingen te (her)formuleren. Voorlopig wordt gewerkt met de volgende missie.

SenterNovem is een dienst die een baten- en lastenstelsel voert en in opdracht van overheden op het terrein van innovatie en duurzame ontwikkeling – in nationaal en internationaal verband – beleid uitvoert in de brede zin des woord. SenterNovem heeft de ambitie op zijn werkterrein een excellente organisatie te zijn met een leidende positie en een positief imago bij de doelgroepen, opdrachtgevers en eigenaar.

2. Taken en producten en/of diensten

SenterNovem voert als uitvoeringsorganisatie van de overheid beleid uit dat gericht is op het stimuleren van innovatie en duurzame ontwikkeling van de samenleving, zowel in Nederland als daarbuiten. Deze taak bestaat uit een uitwerking van het beleid in concrete programma's en opdrachten, die bijdragen aan het realiseren van doelstellingen van het genoemde innovatie- en duurzaamheidsbeleid.

SenterNovem richt zich daarbij op het bieden van ondersteuning aan de gehele beleidscyclus: van bijdragen aan beleidsontwikkeling, via beleidsuitvoering en programmering tot en met monitoring.

Deze programma's en opdrachten zijn veelal een combinatie van concrete instrumenten (bijv. subsidieverlening, sluiten convenanten) en meer interventiegerichte activiteiten (bijv. advisering, ontwikkelen van duurzaamheidsprogramma's, stimuleren van innovatie-onderzoek, opbouwen netwerken, bevorderen van samenwerking).

De volgende clusters van producten en diensten worden onderkend:

• Beleidsadvisering, zoals het in opdracht ontwikkelen van strategieën, methodieken, programma's en beleidsinstrumenten

• Stimuleringsregelingen voorbereiden en uitvoeren, zoals subsidie-, krediet- en fiscale regelingen. Het betreft uitvoering in de brede zin: juridische vormgeving, communicatie, inhoudelijke beoordeling, rapportages inzake monitoring van effecten, administratie, financiën en controle

• Ondersteunen en faciliteren transitiemanagement

• Stimuleren en coördineren van onderzoek en technologieontwikkeling

• Netwerken opbouwen en onderhouden (nationaal en internationaal)

• Stimuleren, coördineren en faciliteren van samenwerking (makelen en schakelen)

• Kennisopbouw en kennisuitwisseling

3. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De doelmatigheid en doeltreffendheid van SenterNovem wordt bewaakt door het gebruik van de Balanced Score Card (BSC) methode. Hierbij worden aan de doelstellingen een aantal Kritische Succes Factoren gekoppeld, welke periodiek worden getoetst aan de hand van meetbare prestatie-indicatoren. In het kader van het instellingstraject tot het verkrijgen van een definitieve status van een dienst die een baten- en lastenstelsel voert, heeft SenterNovem de BSC herijkt. Hieronder is de versie opgenomen die ook zal worden ingediend voor het instellingstraject.

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
DoelgroepenStreefwaarde 2005
KlanttevredenheidKlanttevredenheidsonderzoek: totaal kwalificatie 7,5
Doorlooptijden1 Netto doorlooptijd declaraties
 ≤ 14 dagen (declaraties tot 50% van subsidiebedrag)
 ≤ 30 dagen (declaraties > 50 % van het subsidiebedrag)
 2 Netto doorlooptijd aanvragen: 100% binnen wettelijke termijn
 3 Bruto doorlooptijd bezwaarschriften: 100% binnen wettelijke termijn
BekendheidExterne bezoeken internetsite:
 – gemiddeld 2 250 bezoekers per dag
 – Klanttevredenheidsonderzoek: totaal kwalificatie 7,5
ToegankelijkheidTelefonische bereikbaarheid: 90% van de telefoontjes binnen 15 sec. opnemen.
Reductie van administratieve lastenInzet E-government door bieden mogelijkheid van indiening subsidieaanvragen via internet:
 a. 90% van de lopende regelingen (indien opdrachtgever akkoord gaat met indiening via internet)
 b. 10%–20% van totaal aantal ingediende aanvragen
OpdrachtgeversStreefwaarde 2005
Realiseren beleidsdoelstellingenAantoonbaar maken van resultaatgerichte output:
 A. Plan voor effectmeting en monitoring vastgelegd met de opdrachtgever:
 1. EZ: 100% van de opdrachten
 2. Niet-EZ: voor zover gewenst door opdrachtgever
 B. Effecten bekend van tenminste 80% van de SenterNovem opdrachten (gewogen naar fte)
 C. Effectgegevens opgenomen in jaarverslag: 25 opdrachten
 D. Methodiek ontwikkeld voor inzicht in effecten van bundeling van SenterNovem opdrachten voor beleidsthema's
Lage uitvoeringskostenOntwikkeling gemiddeld gewogen tarief:
 tariefdaling van 0,5% (mutatie tov 2004) bij een inflatie van 0,75%.
Kwaliteit dienstverleningKlanttevredenheidsonderzoek: totaal kwalificatie 7,5
Eigenaar (EZ)Streefwaarde 2005
Resultaat (financieel)Netto jaarresultaat (na taakstellingen): 1% van de omzet
EfficiencyProductiviteit (directe uren/werkbare uren): 74,9%
Kwaliteit1 Financiële foutpercentage ≤ 0,5%
 2 Formele foutpercentage ≤ 5,0%
 3 Percentage toegewezen bezwaarschriften ≤ 15,0 %
IntegriteitInbreuken integriteitsbeleid: geen
Interne organisatieStreefwaarde 2005
Flexibele bezettingVerhouding Ambtenaar/Inhuur: 78/22
Deskundig en gemotiveerd personeel1 Opleidingskosten als % loonsom: 2,0%
 2 Ziekteverzuim: < 4,6 %

4. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieSuppletore begrotingGeactualiseerd     
Baten        
Omzet moederdepartement53 58352 88250 13047 67047 93048 21049 06049 970
Omzet VROM22 51722 75924 40032 79033 32033 84034 44035 070
Omzet overige departementen15 3648 6388 5807 8607 9908 1108 2508 410
Omzet overige opdrachtgevers1 8562 7702 9502 9402 9903 0303 0903 140
Overige baten5913 2772 9301 5001 0001 0001 0001 000
Rentebaten504504000000
Buitengewone baten00000000
Totaal baten94 41590 37689 03092 76093 23094 19095 84097 590
         
Lasten        
Apparaatkosten        
*personele kosten70 76067 65167 04070 94071 01072 08073 65075 260
*materiële kosten14 37417 51515 80016 10016 16016 22016 28016 400
Rentelasten24300100   00
Afschrijvingskosten        
*materieel4 5004 2053 9103 9403 8203 8503 5103 530
Vrijval egalisatierekening– 589– 710– 710– 710– 550– 550– 190– 190
Dotatie voorzieningen1 5410500500300100100100
Dekking interne projecten– 1 3160000000
Buitengewone lasten3 7100000000
Totaal lasten93 00388 96186 64090 77090 74091 70093 35095 100
         
Saldo van baten en lasten1 4121 4152 3901 9902 4902 4902 4902 490
Taakstelling efficiency + inhuur– 250*– 1 530– 1 530– 1 990– 2 490– 2 490– 2 490– 2 490
Taakstelling stroomlijning agentschappen00– 1 33000000
         
Saldo van baten en lasten na taakstellingen1 162– 115– 47000000

* Naast deze betaling (250) is met EZ nog een bedrag van 601 verrekend via de resultaatuitkering over 2002

Toelichting

Algemeen

In de meerjarenbegroting is de realisatie over 2003 en de ontwerpbegroting 2004 een optelling van de baten en lasten van de afzonderlijke organisaties.

De geactualiseerde begroting 2004 is gebaseerd op de meest recente inschatting van de eindejaarsverwachting van de baten en lasten in 2004.

Baten

Algemeen

De omzet wordt beïnvloed door de volgende ontwikkelingen:

1. taakstellingen:

SenterNovem heeft te maken met de volgende taakstellingen:

• Taakstelling efficiency en inhuur externen. Deze taakstelling moet leiden tot lagere kosten voor de opdrachtgevers, waarbij het activiteitenniveau gelijk blijft. Dit wordt bereikt door efficiënter te werken en de inhuur van externen te verminderen. Voor 2005 betreft dit een bedrag van bijna 2,0 mln;

• Volume-effect subsidietaakstelling. Als gevolg van de inkrimping en vermindering van het subsidie-instrumentarium van EZ worden minder opdrachten van EZ verwacht. Voor 2005 betreft dit een omzetbedrag van 0,5 mln;

• Stroomlijning Agentschappen. Dit komt voort uit de invulling van de volumetaakstelling voor EZ. De uitvoeringsstructuur van EZ is herzien wat ondermeer heeft geresulteerd in de fusie van Senter en Novem. De hieraan gekoppelde taakstelling dient bij SenterNovem een besparing van 35 fte's (1,75 mln) op te leveren.

Daarvan moet 75% (1,33 mln) in 2004 gerealiseerd worden, welke eenmalig in de vorm van een resultaatafdracht wordt afgedragen. Vanaf 2005 moet deze taakstelling voor de volle 100% zijn gerealiseerd.

2. volumeontwikkeling:

Naar verwachting worden vanaf 2005 voor VROM de nieuwe opdrachten Afval en Bodem uitgevoerd (90 fte). Omdat de omzettoename door de opdrachten Afval en Bodem de omzetafname door de overgang van opdrachten naar de EVD niet volledig compenseert is van EZ een garantstelling ontvangen. Voor 2005 is een bedrag van 0,5 mln begroot, ter compensatie van de leegstand en de onderdekking op de kosten.

3. tariefontwikkeling:

De tariefontwikkeling is een resultante van de gewogen stijging van de personele- en materiële kosten en de daling als gevolg van de effecten van de taakstellingen. Voor 2005 bedraagt de geraamde stijging van de kosten 2,0%. Dit betreft toenemende rentelasten, inflatie en reguliere periodieke salarisverhoging. De taakstelling «stroomlijning agentschappen» en de taakstelling «efficiency en inhuur externen» leidt in 2005 tot een kostendaling van 2,5%. Per saldo wordt voor 2005 een daling van het tarief van 0,5% verwacht.

Omzet moederdepartement

Door de overgang van de opdrachten van Senter op internationaal terrein naar de EVD per 1 april 2004 is bij EZ voor 2005 sprake van een volumedaling van de omzet. Het aandeel van EZ in de omzet daalt van 56% in 2004 tot circa 51% in 2005.

Omzet VROM

De omzetstijging in 2005 bij VROM is het gevolg van de nieuwe opdrachten Afval en Bodem (8,4 mln). Daardoor neemt het aandeel van VROM in de omzet toe naar circa 35% in 2005.

Omzet overige departementen

De «omzet overige departementen» betreft de uitvoering van opdrachten voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Door de overgang naar de EVD van de internationale opdrachten die worden uitgevoerd voor het ministerie van Buitenlandse Zaken daalt de omzet in 2005 ten opzichte van 2004.

Overige opdrachtgevers

De «omzet overige opdrachtgevers» betreft de omzet die buiten de Rijksoverheid wordt gerealiseerd. Deze heeft met name betrekking op opdrachten voor de Europese Unie en provincies. Bij de omzet overige opdrachtgevers is uitgegaan van een stabiel omzetverloop.

Overige baten

Na de fysieke overgang naar de EVD van de opdrachten op internationaal terrein blijft een aantal stafdiensten (interne controle, juridische zaken) diensten leveren. De hiervoor te ontvangen vergoeding is opgenomen onder de overige baten. Voor 2005 is daarnaast het ingeschatte bedrag (0,5 mln) van de garantstelling van EZ opgenomen.

Rentebaten

Vanaf 2005 worden geen rentebaten verwacht. Door een andere wijze van financiering zal gebruik gemaakt worden van de aanwezige liquide middelen en de leenfaciliteit.

Lasten

Algemeen

Om de hiervoor genoemde drie taakstellingen te kunnen realiseren dient SenterNovem de indirecte personele kosten aanzienlijk te reduceren. De taakstellingen moeten leiden tot een reductie van de ontstane dubbele functies in de staf. Het moederdepartement neemt de uitvloeiingskosten (sociaal plan) voor zijn rekening.

De maatregelen die SenterNovem neemt om deze taakstellingen te realiseren betreffen het gebruik maken van natuurlijk verloop, een reductie van het indirecte personeelsbestand en een besparing op de materiële kosten door gebruik te maken van schaalvoordelen.

Opgemerkt wordt dat het voor SenterNovem lastig zal worden om de taakstellingen tijdig te realiseren. Vanwege de fusie is sprake van extra benodigde integratiecapaciteit, welke met name in de staven leidt tot extra werkzaamheden.

Personele kosten

De hoogte van de personeelskosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkeling voor 2005 bedraagt voor SenterNovem 2,2% en heeft volledig betrekking op reguliere periodieke salarisverhogingen. Volgens het CPB zal geen CAO-verhoging plaatsvinden. Het percentage voor reguliere periodieke salarisverhogingen is gebaseerd op de werkelijke kostenstijging bij SenterNovem van de afgelopen twee jaren. Als gevolg van het jonge personeelsbestand zijn de gevolgen van een beloningsronde relatief omvangrijker dan het gemiddelde bij de rijksoverheid. De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een afname van het personeelsbestand als gevolg van de taakstellingen.

Voor 2005 wordt het aantal FTE's geraamd op 1 083 (857 ambtenaren, 226 inhuurkrachten). Dit is 33 fte's hoger dan de raming voor 2004. De verklaring daarvoor is de overname van Afval en Bodem (+ 90 fte), het effect van de overgang van opdrachten naar de EVD (– 22 fte, 1e kw 2004) en de invulling van de taakstellingen (– 35 fte). De gemiddelde loonkosten bedragen per FTE voor ambtenaren circa € 63 900 (2004: € 61 700) en voor inhuurkrachten € 61 600 (2004: € 61 400). Hierbij wordt opgemerkt dat de inhuurkrachten zich met name in de lagere loonschalen bevinden.

Materiële kosten

Volgens het CPB bedraagt voor 2005 de prijsstijging van de materiële kosten 0,75%.

De huisvestingskosten betreffen de grootste post binnen de totale materiële kosten. De huur- en exploitatiekosten in 2005 van de huisvesting in Den Haag, Sittard, Utrecht en Zwolle bedragen circa € 7,8 mln per jaar.

Rentelasten

In 2004 wordt gebruik gemaakt van de leenfaciliteit ter financiering van de activa die Novem bij de start van het agentschap van Novem BV heeft overgehouden. De hiermee verband houdende begrote rentelasten zijn gebaseerd op een looptijd van de lening van 6 jaar en een rentepercentage van 3,61% (conform opgave van het ministerie van Financiën).

Afschrijvingskosten

In 2005 bedragen de afschrijvingskosten € 3,9 mln. Deze bestaan uit afschrijvingen op huisvesting (€ 0,6 mln), meubilair (€ 0,6 mln), hardware (€ 1,3 mln), software (€ 1,2 mln) en overig (€ 0,2 mln). De afschrijvingstermijnen bedragen tien jaar voor bouwkundige zaken en installaties, vijf jaar voor meubilair/overig en drie jaar voor hardware/software.

Een deel van de investeringen in de Haagse vestiging zijn gefinancierd vanuit de in het verleden gevormde egalisatierekening. In de meerjarenbegroting is zichtbaar dat de hiermee gemoeide afschrijvingskosten worden gefinancierd door middel van een overeenkomstige vrijval van de egalisatierekening (€ 0,7 mln in 2005). Deze vrijval loopt in afnemende mate door tot 2012.

Dotatie voorzieningen

De dotatie betreft de toevoeging aan de voorziening assurantie eigen risico wachtgelden. SenterNovem draagt zelf de lasten van de (wachtgeld)uitkering na ontslag.

Saldo van baten en lasten

Het resultaat van baten en lasten na taakstellingen laat vanaf 2005 een saldo van nihil zien. Dit is overeenkomstig de beleidslijn om kostendekkende tarieven in rekening te brengen bij de opdrachtgevers.

5. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van SenterNovem.

Tabel 3 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1000)
 2003200420052006200720082009
1Eigen vermogen per 1 januari*6 2805 6053 7893 7893 7893 7893 789
2Saldo van baten en lasten1 4122 3901 9902 4902 4902 4902 490
3Directe mutaties in het eigen vermogen:       
3auitkering aan moederdep.– 2 087– 3 690– 1 990– 2 490– 2 490– 2 490– 2 490
3bbijdrage moederdep. ter versterking EV0000000
3coverige mutaties0– 51600000
        
Eigen vermogen per 31/12**5 6053 7893 7893 7893 7893 7893 789

* Inclusief verdeeld resultaat en afdracht taakstelling 2002 en 2003 in beginstand van 2003 en geactualiseerd 2004, overige beginstanden inclusief verwachte resultaten.

** Inclusief verdeeld resultaat en en afdracht taakstelling 2003 in eindstand 2003, overige eindstanden inclusief verwachte resultaten.

SenterNovem stelt de jaarrekening op voor resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. In 2004 bestaat de uitkering aan het moederdepartement uit de af te dragen taakstellingen (€ 2,9 mln) en de resultaatsafdracht 2003 (€ 0,8 mln). Vanaf 2005 bestaat de uitkering aan het moederdepartement uit de taakstelling «efficiency en inhuur externen».

Als gevolg van de overgang van de opdrachten naar de EVD, is per 1 april 2004 ook een evenredig deel van de exploitatiereserve van Senter per 31 december 2003 overgegaan naar de EVD. Dit betreft een bedrag van € 0,52 mln dat is opgenomen onder de overige mutaties.

6. Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Tabel 4 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1000)
 2003200420052006200720082009
 Realisatie      
1.Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 1 januari35 00942 8501 374– 3444058231 501
        
2.Totaal operationele kasstroom14 400– 33 3704 2214 2216 7586 6696 719
        
3a.-/- totaal investeringen– 4 472– 3 900– 3 949– 3 800– 3 850– 3 501– 3 499
3b.+ totaal boekwaarde desinvesteringen0000000
3.Totaal investeringskasstroom– 4 472– 3 900– 3 949– 3 800– 3 850– 3 501– 3 499
        
4a.-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 2 087– 3 690– 1 990– 2 490– 2 490– 2 490– 2 490
-/- eenmalige uitkering reserve aan EVD – 516     
4b.+ eenmalige storting door moederdepartement0000000
4c.-/- aflossing op leningen0000000
4d.+ beroep op leenfaciliteit06 976 0000
4.Totaal financieringskasstroom– 2 087– 4 206– 1 990– 2 490– 2 490– 2 490– 2 490
        
5.Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 31 december42 8501 374– 3444058231 5012 231

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal. In 2004 is de operationele kasstroom negatief omdat, conform afspraak met de Accountantsdienst, de eindbalans 2003 van Novem is geschoond van de posten die betrekking hebben op beleidsgelden.

Investeringskasstroom

De voor 2005 geraamde investeringen (€ 4,0 mln) hebben met name betrekking op investeringen op het gebied van hardware en software die het gevolg zijn van de fusie. Daarnaast is sprake van reguliere vervangingsinvesteringen in meubilair en overige activa. De totale omvang van de investeringen is nagenoeg gelijk aan het niveau van voorgaand jaar.

Financieringskasstroom

Uitgaande van het geraamde saldo van baten en lasten en de maximale exploitatiereserve (5% van de gemiddelde omzet van drie jaren) zal in 2005 geen reguliere resultaatuitkering plaatsvinden aan het moederdepartement. De uitkeringen aan het moederdepartement betreffen de af te dragen taakstellingen «efficiency en inhuur externen» en «stroomlijning agentschappen».

EVD

1. Missie

Door de thematische herschikking tussen Senter, Novem en EVD is de missie van de EVD uitgebreid tot een breder spectrum op het gebied van internationalisatie. Naast het stimuleren van internationaal ondernemen maakt nu ook het bevorderen van internationale samenwerking deel uit van de missie. De EVD richt zich hiertoe, naast het Nederlandse bedrijfsleven, tevens op het buitenlandse bedrijfsleven alsmede op Nederlandse en buitenlandse (semi) overheidsinstanties. De nieuwe missie is als volgt geformuleerd:

«De EVD is de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor het faciliteren en stimuleren van internationaal ondernemen en internationale samenwerking».

2. Taken en producten en/of diensten

De EVD zet, conform de opdrachten die het van het ministerie van Economische Zaken en andere (semi)overheidsinstanties ontvangt, een breed en samenhangend scala van producten en diensten in om aan bovenstaande missie invulling te geven. De belangrijkste instrumenten en/of producttypes zijn:

• informatieverstrekking en voorlichting;

• het initiëren en ondersteunen van promotionele activiteiten, die vooral bedoeld zijn om de internationale participatie van het (Nederlandse) bedrijfsleven te verhogen;

• internationale programma's, zowel gericht op het Nederlandse en buitenlandse bedrijfsleven als op Nederlandse en buitenlandse (semi) overheidsinstanties. Het doel van de programma's is het bevorderen van internationale samenwerking binnen de private en publieke sector. Naast financiële ondersteuning wordt ook ondersteuning in de vorm van kennisoverdracht geboden.

De EVD laat jaarlijks een uitgebreid pakket van evaluaties van de aangeboden producten, diensten en programma's uitvoeren. Primair doel hiervan is het verkrijgen van inzichten in de mate waarin de beleidsvoornemens zijn/worden bereikt. Dit wordt veelal gemeten in termen als bereik, tevredenheid en bijdrage aan de internationalisatiedoelstellingen.

3. Doelmatigheid en doeltreffendheid

Tabel 1 Doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
 realisatie 2003doelstelling 2005
Vergroting van de spontane bekendheid13 procent15 procent
Vergroting van de geholpen bekendheid50 procent60 procent
Groter bereik van de doelgroep18 procent22 procent
waarvan bereik onder exporterende bedrijven27 procent30 procent
Vergroten aantal klantcontacten1 993 3542 420 000
Gelijk houden % effectieve klantcontacten (tevredenheid)94 procent85 procent
Vergroten aantal effectieve klantcontacten1 873 7522 040 000

Toelichting

Bovenstaande cijfers houden nog geen rekening met de effecten die door de integratie van de EVD met Senter Internationaal zijn te verwachten. Op korte termijn ligt het accent vooral op het integratieproces. In de ontwerpbegroting 2006 zullen indicatoren worden opgenomen van de «nieuwe» EVD.

De EVD stelt zich ten doel om de effectiviteit van zijn dienstverlening de komende jaren steeds verder te verhogen. Bij dit streven ligt de nadruk op:

• een steeds gerichter bereik van de doelgroep met maatwerkdienstverlening, mede gebaseerd op informatie en kennis van de diverse doelgroepsegmenten;

• verdergaande samenwerking met netwerkpartners zoals de Kamer van Koophandel en posten van buitenlandse diensten;

• het verhogen van de kwaliteit van de organisatie door te bouwen aan een goede informatie- en kennishuishouding, alsmede een geavanceerde HRM-aanpak, informatieverstrekking en voorlichting, met name gericht op het Nederlandse bedrijfsleven ter stimulering en facilitering.

In 2003 was sprake van een explosieve stijging van het aantal klantcontacten. Deze stijging komt voor rekening van de elektronische media, met name door het gebruik van de internetsite (www.evd.nl). Daarnaast is het bereik onder de doelgroep toegenomen en de geholpen naamsbekendheid gestegen. Voor de komende jaren wordt verwacht dat een weliswaar afvlakkende maar nog steeds substantiële groei van het aantal klantcontacten realiseerbaar is.

De spontane naamsbekendheid is in 2003 gehandhaafd op 13%. Uit onderzoek blijkt dat de bekendheid van de EVD in het «handelsbevorderende netwerk» op de derde plaats staat, na de Kamers van Koophandel en de banken. Dit is in vergelijking met de naamsbekendheid van andere organisaties vrij groot. Het is de afgelopen jaren niet eenvoudig gebleken om dat percentage verder te laten stijgen, doordat een deel van de klantcontacten via samenwerking met derden wordt gelegd.

Het geregistreerde bereik onder de doelgroep (circa 80 000 exporteurs en 50 000 potentieel exporterende bedrijven) is in 2003 gegroeid. Eind 2003 stonden 23 443 bedrijven als klant in het EVD-bestand geregistreerd. Hierbij moet worden aangetekend dat de gebruikers van de internetsites vanwege het anonieme karakter van internet niet expliciet worden geregistreerd en het feitelijke bereik van de EVD derhalve aanzienlijk hoger ligt. Voor het bereik onder de doelgroep wordt evenals bij het aantal klantcontacten gestreefd naar een substantiële groei, met name binnen de categorie «exportpotentieel».

De klanttevredenheid is gemeten aan de hand van de mening van klanten over de betrouwbaarheid, actualiteit en praktische bruikbaarheid van de dienstverlening. Daarbij wordt aangetekend dat de metingen betrekking hebben op de informatietaak van de EVD en niet per definitie maatgevend zijn voor de totale dienstverlening van de EVD. De tevredenheidmeting wordt momenteel uitgebreid naar andere vormen van dienstverlening.

4. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Begroting van baten en lasten voor het jaar 2005 EVDBedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Baten        
opbrengst moederdepartement22 98329 12228 67630 61730 61730 61730 61730 617
opbrengst overige departementen2 9185 9235 2986 1076 1076 1076 1076 107
opbrengst derden846526682682682682682682
Rentebaten13660604040404040
buitengewone baten169
Exploitatiebijdrage
Totaal baten27 05235 63134 71637 44637 44637 44637 44637 446
         
Lasten        
Apparaatkosten        
*personele kosten9 96214 87114 87116 41316 41316 41316 41316 413
*materiële kosten15 67618 99318 56019 06918 91218 91218 91218 912
Rentelasten514844131109886752
Afschrijvingskosten        
*materieel273830521740740740740740
*immaterieel
dotaties voorzieningen946302302475475475475475
buitengewone lasten
Totaal lasten26 86235 14434 29836 82836 64936 62836 60736 592
         
Saldo van baten en lasten190487418618797818839854
Taakstelling efficiency en inhuur– 190– 418– 643– 618– 775– 775– 775– 775
Saldo van baten en lasten na taakstellingen069– 225022436479

Toelichting

De actuele cijfers 2004 zijn gebaseerd op de opdrachten 2004, zoals die zijn overeengekomen met de opdrachtgevers. Deze wijken af van de eerste suppletore begroting 2004 als gevolg van voortschrijdend inzicht, gebaseerd op de realisatiecijfers van 2003. Daarnaast is voor de actuele cijfers 2004 rekening gehouden met de definitieve aanvraag voor de leenfaciliteit. Dit heeft effect op de rente- en afschrijvingskosten.

De stijging van de omzet en de kosten ten opzichte van 2003 wordt veroorzaakt door de thematische herschikking tussen Senter, Novem en EVD per 1 april 20041. Het jaar 2005 is het eerste waarin het effect voor de baten en lasten van een heel jaar wordt weergegeven

Baten

Opbrengst moederdepartement

Onderstaand wordt nadere inkleuring gegeven van baten, lasten en kostprijzen per deelprogramma:

Tabel 2a Omzet moederdepartement deelprogramma Internationale oriëntatie Bedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale kosten (€ 1 000)12 53913 14712 75212 85212 85212 85212 85212 852
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)253183222222222222222222
Kostprijs per product (€)108 724109 86493 25694 02994 02994 02994 02994 029
Kostprijs per klantcontact (€)6,29,26,96,96,96,96,96,9

Toelichting «Internationale oriëntatie»

Het deelprogramma Internationale oriëntatie heeft als doelstelling het vergroten van de internationale oriëntatie van het Nederlandse bedrijfsleven door het leveren van betrouwbare, actuele en relevante informatie over buitenlandse markten en de praktijk en kansen van het internationaal zakendoen.

In 2005 zal de reeds ingezette verbreding van de dienstverlening tot alle aspecten van het internationaal ondernemen en samenwerken verder vorm krijgen.

Vooral de «internetsite www.evd.nl» werd in 2003 door veel door klanten bezocht. Deze ontwikkeling was nog niet zichtbaar bij het opstellen van de begroting 2004. De ramingen voor 2005 en verder zijn gebaseerd op de voor 2004 ontvangen opdracht, waarin wel rekening is gehouden met de structurele toename van het aantal bezoeken op de «internetsite www.evd.nl».

Tabel 2b Omzet moederdepartement deelprogramma Internationale participatie Bedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale kosten (€ 1 000)7 8057 6388 0928 1548 1548 1548 1548 154
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)541343410410410410410410
Kostprijs per product (€)7 1073 7518 3688 4368 4368 4368 4368 436
Kostprijs per klantcontact (€)2 2591 4951 5761 5891 5891 5891 5891 589

Toelichting «Internationale participatie»

Het doel van het deelprogramma Internationale participatie is het bevorderen van de presentie van Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten. Op twee manieren tracht de EVD hieraan invulling te geven:

1) Door het aanbieden van assistentie gericht op het verkennen en bewerken van enige specifieke markten, met name op individuele basis (individuele marktbewerking).

2) Door bedrijven concreet te helpen bij het doen van marktverkenning en marktbewerking in collectief verband, al dan niet onder leiding van een bewindspersoon.

De stijging van de kostprijs per product ten opzichte van 2003 wordt met name veroorzaakt doordat missies onder leiding van bewindspersonen en/of hoge ambtenaren meer «op maat» worden ingericht naar sector en/of doelgroep. Daarnaast zijn de missies langer geworden en is de omvang van de missies uitgebreid. De belangstelling van het bedrijfsleven is hierdoor toegenomen. Dit leidt tot een lagere kostprijs per klantcontact.

Tabel 2c Omzet moederdepartement deelprogramma Economische Holland promotieBedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale kosten (€ 1 000)1 7471 9682 0422 0582 0582 0582 0582 058
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)100505050505050
Kostprijs per product (€)217 17947 999181 091182 545182 545182 545182 545182 545
Kostprijs per klantcontact (€)47444444

Toelichting «Economische Holland promotie»

Het onderdeel Economische Holland promotie is gericht op een adequate informatievoorziening over de Nederlandse economie en industrie onder het buitenlandse relatiepatroon van het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven. Daarmee wordt beoogd een gezonde voedingsbodem te creëren voor het leggen van internationale handelscontacten door het Nederlandse bedrijfsleven.

De kostprijs per product daalt ten opzichte van 2003. Voor 2005 zijn ten opzichte van 2003 meer sectorspecials gepland. Dit leidt weliswaar tot hogere kosten, maar per product valt dit gemiddeld voordeliger uit.

Tabel 2d Omzet moederdepartement deelprogramma Starters op buitenlandse markten Bedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale kosten (€ 1 000)537641478481481481481481
Kostprijs product(€)536 999641 437478 000481 497481 497481 497481  497481 497
Kostprijs klantcontact (€)1 0511 283956963963963963963

Toelichting «Starters op buitenlandse markten»

Het programma Starters op buitenlandse markten (PSB) beoogt ondernemers, die niet of in beperkte mate beschikken over exportervaring, te ondersteunen bij het betreden van nieuwe buitenlandse markten. De ondersteuning bestaat voor een belangrijk deel uit een subsidie in de vorm van financiering van advies en begeleiding bij het opstellen van een exportplan. Daarnaast wordt een financiële tegemoetkoming geboden in de kosten van een aantal instrumenten voor de uitvoering van het plan.

Het PSB beoogt jaarlijks 500 ondernemers daadwerkelijk door middel van ondersteuning een exportdoelstelling te laten realiseren. De aandacht is gericht op kwaliteit (zo veel mogelijk daadwerkelijke exportgroei).

Op basis van de realisatiecijfers over 2003 en in verband met aflopende werkzaamheden voor de afhandeling van de oude PSB-regeling zijn de actuele cijfers voor 2004 en de cijfers voor 2005 neerwaarts bijgesteld.

Tabel 2e Omzet moederdepartement deelprogramma Postennetwerk en beleidsondersteuning en opdrachten van andere onderdelen van het Ministerie van Economische ZakenBedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale kosten (€ 1 000)1 1591 176916927927927927927

Toelichting «Postennetwerk en beleidsondersteuning en opdrachten van andere onderdelen van EZ»

Dit deelprogramma bevat het instrument «postennetwerk», zijnde de handelsbemiddeling door de Nederlandse Kamers van Koophandel in het buitenland, SBU, Hermes en handelsbevorderende activiteiten door de posten van de dienst Buitenlandse Zaken. Tevens is het onderdeel beleidsondersteuning opgenomen. Tot slot zijn hierin (kleine) opdrachten van andere onderdelen van het Ministerie van Economische Zaken opgenomen. De omzetdaling is met name het gevolg van het afbouwen van de uitbesteding van de overheidsopdracht aan buitenlandse Kamers van Koophandel.

Tabel 2f Omzet moederdepartement RegelingenBedragen in € 1 000
 200320042004 geactua-liseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Totale opbrengsten (€ 1 000)n.v.t.5 0785 0786 8276 8276 8276 8276 827

Toelichting «regelingen»

De «omzet regelingen» betreft de uitvoering van opdrachten die passen binnen de doelstellingen en het werkgebied van de EVD ten aanzien van internationaal ondernemen en samenwerken. De cijfers van 2004 hebben betrekking op negen maanden. Het eerste kwartaal maakten deze opdrachten nog deel uit van de omzet van Senter. De cijfers van 2005 hebben betrekking op het gehele jaar.

Tabel 2g Omzet overige departementen per productgroepBedragen in € 1 000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
 Realisatie       
Postennetwerk2 9183 6403 0153 0383 0383 0383 0383 038
Regelingenn.v.t.2 2832 2833 0693 0693 0693 0693 069

Toelichting «Opbrengst overige departementen»

De omzet van de productgroep «postennetwerk» betreft de uitvoering van opdrachten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het betreft zowel de opdracht voor de inrichting van een aantal steunpunten in het buitenland voor de bevordering van de internationale handel (€ 2,9 mln) als de opdracht voor het beheer van het informatiesysteem Hermes.

De omzet van de productgroep «regelingen» betreft opdrachten die in het kader van de thematische herschikking van Senter, EVD en Novem per 1 april 2004 via de EVD verlopen. De cijfers van 2004 hebben betrekking op negen maanden. Het eerste kwartaal maakten deze opdrachten nog deel uit van de omzet van Senter. De cijfers van 2005 hebben betrekking op het gehele jaar.

Onder de omzet van de productgroep «regelingen» vallen de opdrachten die worden uitgevoerd voor het ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief Ontwikkelingssamenwerking € 2,6 mln), het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (€ 0,1 mln) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (€ 0,4 mln).

Opbrengst derden

De opbrengst derden betreft de omzet die buiten de Rijksoverheid wordt gerealiseerd, te weten bijdragen van bedrijven en instellingen aan promotionele voorlichtingsactiviteiten en de opbrengsten uit verkoop van voorlichtingsmateriaal.

Rentebaten

Door het realiseren van nieuwe huisvesting zal het saldo aan liquide middelen dalen. Vandaar dat voor de komende jaren lagere rentebaten worden verwacht dan voorgaande jaren. Hierbij is een gemiddeld rentepercentage gehanteerd van circa 2,0%.

Lasten

Personele kosten

De hoogte van de personele kosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. Gerekend is met 0% prijsstijging. De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een toename van het personele bestand als gevolg van de thematische herschikking van Senter, EVD en Novem per 1 april 2004.

Voor 2005 wordt het aantal FTE's geraamd op 281 (207 ambtenaren en 74 inhuurkrachten). De gemiddelde loonkosten bedragen per FTE circa € 56 500 voor ambtenaren en € 55 900 voor inhuurkrachten. Er zijn relatief veel inhuurkrachten in lagere schalen ingedeeld. De loonkosten voor een inhuurkracht vallen normaliter hoger uit dan de loonkosten voor een ambtenaar.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn onder te verdelen in directe en indirecte materiële kosten. Direct zijn de materiële kosten ten behoeve van de uitvoering van de opdrachten en daaronder vallende producten. Hiertoe behoren onder andere kosten ten behoeve van de exploitatie van de NBSO's, kosten in verband met het bevragen van externe databanken, kosten van standbouw, drukkosten en dergelijke. Gerekend is met 0,75% prijsstijging. In 2005 worden de directe materiële kosten op € 13,4 mln geraamd.

Indirecte materiële kosten zijn kosten die niet direct aan een product zijn toe te rekenen. In 2005 worden de indirecte materiële kosten op € 5,7 mln geraamd (2004 € 3,3 mln).

De stijging wordt met name veroorzaakt door de forse personele uitbreiding in verband met de thematische herschikking van Senter, EVD en Novem per 1 april 2004. In verband met deze uitbreiding zal de EVD in 2005 een nieuw pand betrekken.

De grootste post binnen de indirecte materiële kosten betreft huisvestingskosten (€ 2,2 mln). De huurprijs van het pand bedraagt circa € 1,4 mln.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragend vermogen. De EVD maakt gebruik van de leenfaciliteit in 2004 voor investeringen in het nieuw te betrekken pand (4,1% rente), aanpassing ICT-infrastructuur (2,5% rente) en inrichting werkplekken nieuwe huisvesting (3,1% rente).

Afschrijvingskosten

In 2005 bedragen de afschrijvingskosten € 0,7 mln. Deze bestaan uit afschrijvingen op gebouwen en verbouwingen (€ 0,2 mln), hard- en software (€ 0,3 mln) en meubilair en overige materiële vaste activa (€ 0,2 mln). De afschrijvingstermijnen bedragen tien jaar voor bouwkundige zaken en installaties, drie jaar voor hard- en software en vijf jaar voor meubilair/overig.

Dotaties voorzieningen

Geraamd is een jaarlijkse dotatie aan de voorziening voor personele kosten. Deze voorziening is bedoeld voor de opvang van personele risico's, zoals wachtgeld.

Saldo van baten en lasten

Het resultaat van baten en lasten na taakstellingen laat zien dat de EVD de komende jaren te maken heeft met smalle marges. Uitgangspunt hierbij is om de tarieven zo laag mogelijk te houden en te voldoen aan de resultaatuitkeringen uit hoofde van de efficiency- en inhuurtaakstelling.

5. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van de EVD.

Tabel 3 Overzicht Vermogensontwikkeling EVDBedragen in € 1000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
1Eigen vermogen per 1 januari*1 2531 2531 2531 5441 5441 5661 6091 673
         
2Saldo van baten en lasten190487418618797818839854
         
3aUitkering aan moederdepartement– 190– 418– 643– 618– 775– 775– 775– 775
3bBijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen        
3cOverige mutaties 516516     
3Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 19098– 127– 618– 775– 775– 775– 775
         
4Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)1 2531 8381 5441 5441 5661 6091 6731 752

* inclusief onverdeeld resultaat

De EVD stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1 januari bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31 december bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar.

In het risicobeleid van de EVD wordt aangeven welke risico's de EVD dekt uit de voorzieningen en welke risico's worden gedekt uit de exploitatiereserve.

Met de overgang van opdrachten van Senter naar de EVD per 1 april 2004 is op de overdrachtsdatum ook een evenredig deel van de exploitatiereserve van Senter per 31 december 2003 overgegaan naar de EVD (€ 0,5 mln).

6. Kasstroomoverzicht

Tabel 4 Kasstroomoverzicht 2005 EVDBedragen in € 1000
 200320042004 geactualiseerd20052006200720082009
Realisatie        
1.Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)3 7528 4608 4608 3997 3166 5135 8145 728
         
2.Totaal operationele kasstroom5 0851 4051 0275771 0121 0331 4791 594
         
3a.-/- totaal investeringen– 103– 4 624– 3 825– 400– 400– 400– 400– 400
3b.+ totaal boekwaarde desinvesteringen00 00000
3.Totaal investeringskasstroom– 103– 4 624– 3 825– 400– 400– 400– 400– 400
         
4a.–/– eenmalige uitkering aan moederepartement– 190– 418– 643– 618– 775– 775– 775– 775
4b.+ eenmalige storting door moederdepartement00000000
4c.-/- aflossing op leningen– 84– 270– 220– 642– 640– 557– 390– 320
4d.beroep op leenfaciliteit04 3943 60000000
4.Totaal financieringskasstroom– 2743 7062 737– 1 260– 1 415– 1 332– 1 165– 1 095
         
5.Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito)8 4608 9478 3997 3166 5135 8145 7285 827
(=1+2+3+4) (maximale roodstand 0,5 mln euro)        

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De voor 2005 geraamde investeringen (€ 0,4 mln) hebben betrekking op vervangingsinvesteringen in hardware en overige activa. Vanwege de investeringen in het nieuw te betrekken pand in 2004 zijn de investeringen in 2005 en verder relatief laag.

Financieringskasstroom

Reguliere investeringen worden gedekt uit de operationele kasstroom. De incidentele investeringen in 2004 als gevolg van de herhuisvesting van de EVD worden gefinancierd door een beroep op de leenfaciliteit. De hiermee verband houdende aflossingen zijn gelijk aan de omvang van de afschrijvingskosten van de met leningen gefinancierde investeringen. De uitkeringen aan het moederdepartement zijn resultaatuitkeringen en vloeien voort uit de efficiency- en inhuurtaakstelling.

BUREAU VOOR DE INDUSTRIËLE EIGENDOM

1. Missie

Het Bureau I.E. wil een spilfunctie vervullen bij de uitvoering van innovatiebeleid, gericht op het bevorderen van de concurrentiekracht van Nederland. Dit gebeurt via kennisbescherming, maar ook via verspreiding van kennis door het ontsluiten van de aanwezige kennis in verleende c.q. niet-verleende nationale en internationale octrooien. Deze taken wil het Bureau I.E. op een professionele manier verrichten. Centrale ambitie daarbij is om het kenniscentrum te zijn voor alle aan octrooien gerelateerde zaken. Dit leidt tot de volgende missie van het Bureau:

«Het leveren van een optimale bijdrage aan het innovatief vermogen in ons land door een efficiënte en professionele uitvoering van de nationale en internationale octrooiregelgeving, door een klantvriendelijke ontsluiting on-line van alle aanwezige kennis op het terrein van de industriële eigendom en met name met betrekking tot octrooien, door daarover voorlichting te geven en door zich daarbij te ontwikkelen tot hét nationale kennis- en informatiecentrum ten behoeve van opdrachtgever en klanten.»

2. Taken, producten en/of diensten

Concreet voert het Bureau I.E. de volgende taken uit:

– het op een efficiënte en professionele wijze uitvoeren van de Rijksoctrooiwet (ROW);

– het zijn van nationaal voorportaal in het kennisbeschermingstraject bij het Europese Octrooibureau (EOB);

– het verzamelen, analyseren en toegankelijk maken voor derden van alle relevante octrooi-informatie;

– het ontsluiten van alle opgeslagen informatie met betrekking tot de diverse vormen van industriële eigendomsrechten en het klantvriendelijk beschikbaar stellen daarvan;

– het mede hiertoe actief aanbieden van moderne zoeksystemen aan de onderscheiden doelgroepen;

– het ontwikkelen en uitvoeren van trajecten voor de overdracht van kennis;

– het meewerken aan de verdere opzet en uitvoering van een Gemeenschapsoctrooi;

– het via een systeem van kennisontsluiting en beleidsinteractie onder meer leveren van input voor de beleidsvoorbereiding op het gebied van innovatie;

– het participeren in internationale organen. Dit in nauwe samenwerking met het moederdepartement.

Het Bureau I.E. onderscheidt de volgende productgroepen:

• De behandeling van octrooiaanvragen;.

• Het beheer van octrooien;

• Informatieverstrekking;

• Bevordering van het octrooibewustzijn;

• Bijdragen aan beleidsvoorbereiding en overleg;

• Kennisontsluiting en Beleidsinteractie.

Het project «Innovatie door Octrooi-Informatie (IOI)» dat in samenwerking met Syntens wordt uitgevoerd, is gestart in 2001. De effectmeting die in 2004 is gehouden bij de deelnemers laat zien dat het project voor een laagdrempelige structuur zorgt en dat de octrooi-informatie daadwerkelijk wordt gebruikt. Het project zal in gewijzigde vorm worden voortgezet tot tenminste 1 juli 2006.

3. Doelmatigheid en doeltreffendheid

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
Kritische succesfactoren KlantenPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Goede kwaliteit van diensten1 Inschrijving nieuwe wetaanvragen in het Octrooiregister binnen 19 maanden na indieningdatum.99,4%100%
 2 Behandeling nieuwheidsonderzoek binnen 10 maanden.99,0%100%
Landelijk informatiepunt industriële eigendomsrechten (met name octrooien)1 Percentage binnen tijdsperiode beschikbaar gestelde informatiebronnen en beantwoorden klantvragen.99,0% 100%
Optimale communicatie met klanten1 Elektronisch octrooiaanvragen mogelijk maken in overleg met EOB.Project start 2004Afsluiting voorjaar 2005
Kritische succesfactoren OpdrachtgeverPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Uitstekende uitvoerder van de Rijksoctrooiwet1 Percentage van adviezen dat door de rechter wordt overgenomen.100%100%
 2 Foutenpercentage van mutaties in Octrooiregister.0,5%Max. 1%
Lage uitvoeringskosten1 Verwerking taakstelling/efficiencymaatregelen in opdrachtsom.€ 0,7 mln (tot en met 2003)€ 3,1 mln (tot en met 2005)
Kritische succesfactoren EigenaarPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Goed functionerend agentschap1 Accountantsverklaring en toezichtverslag FEZ.Beide goedgekeurdBeide goedgekeurd
Efficiënte uitvoering1 Reële tariefontwikkeling (rekeninghoudend met inflatie).0,9% daling ten opzichte van 2002reële daling van 4% ten opzichte van 2004 (inclusief verwerking taakstelling)
 2 Financieel resultaat ≥ 0€ 169 000€ 63 000
Kritische succesfactoren PersoneelPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Aantrekkelijke en marktconcurrerende werkgever zijn door professioneel Human Resource Management en moderne middelen1 Persoonlijke ontwikkelingsplannen voor alle medewerkersMet alle mede-werkers zijn afspraken gemaakt over ontwikkeling/opleiding in 200490%
 2 Opleidingskosten als percentage van de loonsom1,9%2,0%
 3 Ziekteverzuim5,7%Max. 5%

4. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Begroting van baten en lasten voor het jaar 2005 het Bureau I. E.(bedragen in € 1 000
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactua-liseerd     
Baten        
Opbrengst moederdepartement16 40416 35515 50714 33114 24114 08314 26414 448
Taakstelling– 353– 442– 442– 442– 442
 16 40416 35515 50713 97813 79913 64113 82214 006
Opbrengst derden185314300200200100100100
Rentebaten8370583535353535
Buitengewone baten329
Mutatie onderhanden werk47 
Dekking uren intern project archief292 
Totaal baten17 01416 73915 89414 21314 03413 77613 95714 141
         
Lasten        
Apparaatkosten        
*personele kosten8 7428 6998 0617 1186 7806 4876 5846 683
*materiële kosten5 9806 7286 3065 9415 9325 9645 9966 029
Rentelasten231723112610611579
Afschrijvingskosten        
*materieel6959047638309701 0651 1001 200
*immaterieel
Dotaties voorzieningen1 142100442250250100100100
Buitengewone lasten 
Totaal lasten16 58216 44815 59514 15013 95813 72213 89514 091
         
Saldo van baten en lasten4322912996376546250

Toelichting

Baten

Opbrengst moederdepartement

Het Bureau I. E. verkrijgt zijn opbrengsten voornamelijk uit de opdrachten van DG Ondernemen en Innovatie. De opbrengst is als volgt over de productgroepen verdeeld.

Tabel 2a Omzet moederdepartement per productgroep Bureau I. E.(bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerpbegrotingGeactualiseerd     
Activiteiten in verband met de behandeling van octrooi-aanvragen6 7725 8185 4375 0515 0194 9645 0285 092
Activiteiten in verband met het beheer van octrooien3 4403 4372 8552 4532 4382 4112 4422 473
Activiteiten in verband met informatieve taken2 3882 1181 5701 5871 5771 5601 5801 600
Bevorderen octrooibewustzijn3 0734 3234 3843 8963 8723 8293 8783 928
Bijdragen aan beleids-voorbereiding en overleg8068191 4211 4441 4341 4181 4361 454
Totaal producten16 47916 51515 66714 43114 34014 18214 36414 547
Overige opbrengst95 
Verrekening van de omzet van derden– 170– 160– 160– 100– 100– 100– 100– 100
Totaal16 40416 35515 50714 33114 24114 08314 26414 448

De lagere omzet met ingang van 2005 is voornamelijk het gevolg van het beëindigen van de werkzaamheden in het kader van de ROW 1910 (behandelen octrooiaanvragen) en een tariefsverlaging als gevolg van de efficiencytaakstelling.

Opbrengst derden

Dit betreft enerzijds aan klanten van het Bureau I. E. in rekening gebrachte diensten met betrekking tot fotokopieën, prints van octrooiliteratuur en de opbrengst van abonnementen op het Hoofd-en het Bijblad bij De Industriële Eigendom. Anderzijds betreft dit voor € 0,1 mln de vergoeding van de opdracht voor het uitvoeren van werkzaamheden voor het Engelse Octrooibureau (UKPO).

Rentebaten

De renteopbrengst is berekend op basis van het gemiddelde saldo op rekening courant (1,2%) en het uitstaande depositosaldo (1,9%) bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB), tegen de rentepercentages en tarieven per 1 april 2004 van het Ministerie van Financiën.

Lasten

Personele kosten

Door afname van de activiteiten zoals in tabel 2 onder «Opbrengst moederdepartement» is vermeld en als gevolg van de reorganisatie daalt de ambtelijke bezetting van het Bureau I. E. in 2005 met 8 fte. Bij de berekening van de loonkosten is uitgegaan van een indexering in verband met CAO-ontwikkelingen van 0% ten opzichte van 2004. Wel is rekening gehouden met een beperkte stijging (met 1,5%) als gevolg van medewerkers, die nog niet aan het maximum van hun salarisschaal zitten. Het aantal fte binnen het Bureau I. E. in 2005 is circa 130 ambtenaren. De gemiddelde loonkosten per fte zijn afgerond € 0,055 mln. Als gevolg van de huidige reorganisatie zal het personeelsbestand in 2006 verder afnemen, waarna in 2007 een structureel niveau bereikt wordt van 115 fte.

Materiële kosten

Bij de berekening van de materiële kosten is uitgegaan van een indexatie van de prijzen van 0,75%.

De materiële kosten bestaan voor ongeveer 2/3 deel uit directe kosten ten behoeve van de opdracht van DG Innovatie en Ondernemingsklimaat.

Het Bureau I. E. is gehuisvest in het pand van het EOB. Voor het gebruik van het pand worden huur- en servicekosten in rekening gebracht. De huisvestingskosten van het Bureau I. E. in 2005 zullen ten opzichte van 2004 afnemen door de afname van het aantal fte binnen het Bureau I.E. in het kader van de reorganisatie. Ruimten die niet meer gebruikt worden zullen worden teruggeven aan het EOB. Bij het EOB bestaan plannen om het huidige pand te vervangen door nieuwbouw. Als gevolg hiervan zal het Bureau I. E. vanaf 2006 geconfronteerd worden met hogere huisvestingskosten (inclusief inrichting).

Tabel 3 Huisvestingskosten (bedragen in € 1 000)
Huur550
Servicekosten huisvesting EOB753
Overige huisvestingskosten75
Totaal1 378

Rentelasten

De rentelasten betreffen de lasten, die voortvloeien uit de in 2002 afgesloten lening bij het ministerie van Financiën ad € 0,66 mln. De lening is verdeeld in twee bedragen: € 0,318 mln met een looptijd van drie jaar en een rentepercentage van 3,35% en € 0,342 mln met een looptijd van vijf jaar en een rentepercentage van 3,72%. Hierin zijn ook de rentelasten verwerkt, die optreden bij een mogelijk beroep op de leenfaciliteiten in 2006 en 2007.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingstermijn van de materiële vaste activa is gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa. Voor software is de economische levensduur geschat op max. drie jaar, voor hardware is onderscheid gemaakt tussen een economische levensduur van drie jaar (voor PC's, printers) en vijf jaar (voor mainframes). Inventaris en technische installaties worden afgeschreven in vijf jaar.

Tabel 4 Afschrijvingskosten per groep materiële vaste activa (bedragen in € 1 000)
Inventaris en technische installaties139
Hardware478
Software213
Totaal830

Dotaties voorzieningen

De dotatie in 2005 ad € 0,25 mln betreft enerzijds een voorziening arbeidsongeschiktheidskosten als gevolg van een op de balansdatum bestaande verplichting tot het doorbetalen van loonkosten aan medewerkers, die (gedeeltelijk) langdurig ziek zijn. Anderzijds betreft dit kosten die samenhangen met de gevolgen van de reorganisatie.

Saldo van baten en lasten

Het positieve saldo van baten en lasten wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve met een maximum van 5% van de gemiddelde omzet over de afgelopen drie jaar. Het saldo boven het maximum wordt verplicht afgedragen aan het moederdepartement.

5. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van het Bureau I. E.

Tabel 5 Overzicht Vermogensontwikkeling het Bureau I. E.(bedragen in € 1 000)
 2003200420052006200720082009
1Eigen vermogen per 1 januari*738996841785736700696
2Saldo van baten en lasten4322996376546250
3aUitkering aan moederdepartement– 174– 454– 119– 125– 90– 66– 49
3bBijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen       
3cOverige mutaties       
3Totaal directe mutaties in eigen vermogen       
4Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)*996841785736700696697

* Inclusief afdracht aan moederdepartement in verband met maximum exploitatiereserve.

6. Kasstroomoverzicht

Tabel 6 Kasstroomoverzicht 2005 het Bureau I. E.(bedragen in € 1 000)
 2003200420052006200720082009
 Realisatie      
1.Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)3 6685 0733 5132 4752 8452 6501 364
        
2.Totaal operationele kasstroom2 2862032557116347931 091
        
3a.-/- totaal investeringen– 533– 1 135– 1 000– 1 200– 1 900– 1 000– 1 000
3b.+ totaal boekwaarde desinvesteringen
3.Totaal investeringskasstroom– 533– 1 135– 1 000– 1 200– 1 900– 1 000– 1 000
        
4a.-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 174– 454– 119– 125– 90– 66– 49
4b.+ eenmalige storting door moederdepartement
4c.-/- aflossing op leningen– 174– 174– 174– 216– 739– 1 013– 1 180
4d.+ beroep op leenfaciliteit0001 2001 90000
4.Totaal financieringskasstroom– 348– 628– 2938591 071– 1 079– 1 229
        
5.Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito)5 0733 5132 4752 8452 6501 364226
(=1+2+3+4) (maximale roodstand 0,5 mln euro)       

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringen in 2005 hebben voornamelijk betrekking op de aankoop van hardware en software (€ 0,75 mln) en de herinrichting van werkplekken (€ 0,25 mln). De hogere investeringen in 2006 en 2007 hebben betrekking op de inrichting van mogelijk nieuwe huisvesting. Vanaf 2008 zullen de investeringen weer op het normale niveau liggen.

Financieringskasstroom

Voor de financiering van de investeringen in 2005 wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit. In 2006 en 2007 verwacht het Bureau I. E. wel een beroep te doen op de leenfaciliteit in verband met de nieuwbouw in Rijswijk. Uit oogpunt van goed kasbeheer zal getracht worden dit zoveel mogelijk uit eigen middelen te financieren.

De uitkeringen aan het moederdepartement zijn enerzijds resultaatuitkeringen die voortvloeien uit de efficiency- en inhuurtaakstelling. Met ingang van 2005 worden taakstellingen verwerkt in de tarieven en niet meer aan het moederdepartement uitgekeerd. Anderzijds betreft het afroming van het eigen vermogen teneinde binnen de 5% normering van het eigen vermogen te blijven.

TELECOM

1 Missie

De missie van Agentschap Telecom luidt als volgt:

Het verruimen en optimaliseren van het elektronische communicatiedomein

Onder verruimen en optimaliseren van het elektronische communicatiedomein wordt primair het opheffen van schaarste verstaan en secundair het redelijk verdelen van de resterende schaarste.

2. Taken, producten en diensten

Binnen het kader van de missie vervult Agentschap Telecom de volgende hoofdtaken:

• het creëren van frequentieruimte;

• het toewijzen van frequentieruimte;

• het beschermen van frequentieruimte;

• uitvoering van het Nationaal Antennebeleid.

De producten van het Agentschap Telecom bestaan voornamelijk uit het verlenen van vergunningen (ruim 110 000 in 2005) voor het gebruik van het frequentiespectrum en hiertoe behorende apparatuur. De meeste vergunningen worden verleend voor mobiele communicatie (65%). Daarnaast worden examens afgenomen (12 600 in 2005), verklaringen, keuringen en erkenningen afgegeven (19 in 2005) en randapparatuur verstrekt (83 000 in 2005).

3. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De doelmatigheid en doeltreffendheid van Agentschap Telecom zijn zichtbaar door de ontwikkeling in de tijd van de volgende prestatie-indicatoren (tabel 1).

Tabel 1 Doelmatigheid en doeltreffendheid
Kritische succesfactoren klantenPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Goede kwaliteit van diensten 1 Doorlooptijden vergunningverlening binnen wettelijke termijnen95%100%
 2 Doorlooptijden buitenlandse coördinatieverzoeken binnen wettelijke termijnen100%
 3 Reactietijd storingsklachten binnen wettelijke termijnen   
 a. klachten van levensbelang100%100%
 b. klachten van maatschappelijk/economisch belang100%100%
 c. klachten van individueel belang100%100%
 4 Nalevingmetingen   
 a. ATIS*82%80%
 b. EMC**n.v.t.80%
 c. R&TTE***31%80%
 d. Pleziervaartn.v.t.80%
 5 % calls antennebeleid afgehandeld binnen vijf werkdagen95%95%
 6 Klanttevredenheid6,7****7
Kritische succesfactoren opdrachtgeverPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Uitstekende uitvoerder van het telecommunicatiebeleid1 Tevredenheid opdrachtgever7
Kritische succesfactoren eigenaarPrestatie-indicatorRealisatie 2003Doelstelling 2005
Goed functionerend agentschap1 Goedkeurende accountantsverklaring en positief toezichtverslag FEZ.GerealiseerdGerealiseerd.
Efficiënte uitvoering2 Kostendekking van 100% in meerjarig perspectief97%100%
Kritische succesfactoren interne organisatiePrestatie-indicatorRealisatie 2003 Doelstelling 2005
Deskundig en gemotiveerd personeel1 Persoonlijke ontwikkelingsplannen voor alle medewerkers90%100%
 2 Opleidingskosten als percentage van de loonsom1,9%3%
 3 Ziekteverzuim5,7%max 5%

* Automatic Transmitter Identification System

** Elektromagnetische Comptabiliteit

*** Radio Terminal Telecommunication Equipment

**** De klanttevredenheid is in 2002 gemeten en wordt weer in 2005 gemeten.

4. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Begroting van baten en lasten voor het jaar 2005 Agentschap Telecom(bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerpbegrotingGeactualiseerd     
Baten        
Opbrengst productgroepen24 81626 63623 25723 72224 19724 68125 17425 678
Opbrengst moederdepartement5 9444 2534 2525 3515 3515 3515 3514 883
Rentebaten1672271002525252525
Diversen1 390113883770770770770770
Overige opbrengsten611       
Totaal Baten32 92831 22928 49229 86830 34330 82731 32031 356
         
Lasten        
Apparaatkosten        
*personele kosten20 01518 54318 36718 38417 60017 75018 00018 384
*materiële kosten9 3478 8288 0308 0738 1037 9047 9047 904
Rentelasten478718604703710733538538
Afschrijvingskosten        
*materieel3 5663 3483 4554 0214 0614 1933 8213 821
*immaterieel 1 082      
Dotaties voorzieningen1 208200161161161161161161
Totaal lasten34 61432 72030 61731 34230 63530 74130 42430 808
         
Saldo van baten en lasten– 1 686– 1 491– 2 125– 1 474– 29286896548

Baten

Opbrengst productgroepen

De opbrengst is als volgt onderverdeeld naar productgroepen:

Tabel 3 Omzet naar productgroep (bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerpbegrotingGeactualiseerd     
         
Vaste verbindingen2 1022 7541 8641 9011 9391 97820182 058
Mobiele communicatie10 30011 5018 2898 4558 6248 7968 9729 152
Mobiele openbare telefonie1 6341 8941 6381 6711 7041 7381 7731 808
Radiodeterminatie371560398406414422431439
Radiozendamateurs930670599611623636648661
Omroep4 8516 0105 5745 6855 7995 9156 0336 154
Examens226303278284289295301307
Verlengingen  151154157160163167
Afgifte verklaringen, keuringen en erkenningen4188666667
Randapparatuur2 3872 7572 4072 4552 5042 5542 6052 658
         
New Skies Satellites105 100102104106108110
Defensie1 341 1 3411 3681 3951 4231 4521 481
Luchtvaartverkeersleiding NL456 456465474484494503
Korps Landelijke Politiediensten109 120122125127130132
BZK (C 2000)  363737383940
         
Totaal24 81626 63623 25723 72224 19724 68125 17425 678

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement bestaat met name uit een bijdrage in de kosten van bezwaar en beroep, repressieve handhaving, bevoegd aftappen, het Nationaal Antennebureau (NaBu) en compensatie van de rente die moet worden betaald voor het beroep op de leenfaciliteit. Deze kosten mogen wettelijk niet worden doorgerekend in de tarieven. De realisatie in 2003 was hoger door met name de vergoeding voor de kosten in verband met de herverdeling van omroepfrequenties. In de raming vanaf 2005 zijn opdrachten voor beleidsondersteunende activiteiten meegenomen (€ 1,3 mln).

Rentebaten

Over het saldo van Agentschap Telecom op de rekening courant bij het Ministerie van Financiën wordt rente ontvangen. In deze begroting is uitgegaan van een rentepercentage van 2,0%.

Diversen

De diverse baten bestaan uit opbrengsten in het kader van aan New Skies Satellites (NSS) doorbelaste kosten die de International Telecommunications Union (ITU) maakt voor het verkrijgen en registreren van frequentieruimte voor satellietnetwerken.

Lasten

Personele kosten

De mogelijke effecten van het reorganisatietraject zijn nog niet geheel inzichtelijk. Vooralsnog wordt de verwachte gemiddelde bezetting voor 2005 geraamd op het niveau van 2004: 340 FTE (329 FTE ambtelijk personeel en 11 FTE inhuur). De gemiddelde loonkosten per FTE zullen in 2005 € 49 500 bedragen. De gemiddelde loonkosten voor inhuur zijn begroot op circa € 72 000 per FTE.

Materiële kosten

De materiële kosten hebben betrekking op de huisvesting en andere algemene kosten die Agentschap Telecom maakt voor de uitvoering van het beleid. Deze kosten zullen in 2005 nagenoeg gelijk blijven aan het niveau van 2004 waarbij vooralsnog onduidelijk is wat de hoogte van de huisvestingskosten zal zijn. Lopende het jaar 2004 worden reorganisatiebesluiten genomen die mogelijk effect hebben op de huidige locaties. De huisvestingskosten in 2005 bedragen circa € 2,2 mln.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de vergoeding die Agentschap Telecom betaalt voor leningen bij het Ministerie van Financiën om de investeringen in vaste activa te financieren. In deze begroting is uitgegaan van een rentepercentage van 4,5%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten worden onderverdeeld in materiële en immateriële afschrijvingskosten. Het immateriële gedeelte heeft betrekking op software ontwikkeld in eigen beheer. Als gevolg van bezuinigingen en gewijzigde uitgangspunten voor activering worden geen immateriële afschrijvingskosten verwacht voor de komende jaren.

De afschrijvingstermijnen zijn:

Inrichtingen en verbouwingen 10 jaar

Apparatuur 4 tot 10 jaar

Kantoorinventaris 5 tot 10 jaar

Hard- en software 3 tot 4 jaar

Vervoermiddelen 5 jaar

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen bestaan uit voorzieningen garantieverplichtingen, dubieuze debiteuren en de assurantie eigen risico.

Saldo van baten en lasten

Over de komende jaren worden negatieve resultaten voorzien. De negatieve resultaten worden ten laste van het eigen vermogen gebracht. Daarmee wordt invulling gegeven aan het beleid van het Ministerie van Financiën het eigen vermogen af te bouwen tot een maximum van 5% over de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren. In 2005 zal aan de opdracht voldaan zijn. Vanaf dat jaar zullen de lasten in lijn moeten lopen met de opbrengsten. Hiertoe worden al in 2004 de nodige maatregelen genomen. Deze maatregelen behelzen onder andere het doorvoeren van een reorganisatie en uitvoeren van een onderzoek naar mogelijke toekomstige financieringsvormen van de taken van Agentschap Telecom.

5. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in het begrote verloop van het vermogen van Agentschap Telecom.

Tabel 4 Overzicht vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactua-liseerd     
         
1Eigen vermogen per 1 januari5 6032 4083 9171 792318261121 008
         
2saldo van baten en lasten*– 1 686– 1 491– 2 125– 1 474– 29286896548
         
3directe mutaties in het eigen vermogen:        
3auitkering aan moederdepartement        
3bbijdrage moederdepartement ter versterking EV        
3coverige mutaties        
         
Eigen vermogen per 31 december**3 9179171 792318261121 0081 556

* Inclusief onverdeeld resultaat.

** Inclusief verdeeld resultaat 2002 en 2003 in beginstand van 2003 en geactualiseerd 2004, overige beginstanden inclusief verwachte resultaten.

Agentschap Telecom stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1 januari bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31 december bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar.

In het risicobeleid van Agentschap Telecom wordt aangeven welke risico's Agentschap Telecom heeft geïnventariseerd, welke beheersmaatregelen hiervoor zijn getroffen waarbij onder andere financiële dekking uit voorzieningen dan wel exploitatiereserve is gecreëerd.

6. Kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Tabel 5 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1 000)
 20032004200420052006200720082009
 RealisatieOntwerp-begrotingGeactua-liseerd     
         
1.Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 1 januari (incl. deposito)7 9842 8725 3574 4352 9482 8212 8553 540
         
2. Totaal operationele kasstroom1 6783 4891 8802 0973 8194 3294 7674 419
         
3a.-/- totaal investeringen– 1 761– 5 185– 6 258– 4 995– 4 000– 4 300– 4 300– 4 300
3b.+ totaal boekwaarde desinvesteringen        
3.Totaal investeringskasstroom– 1 761– 5 185– 6 258– 4 995– 4 000– 4 300– 4 300– 4 300
         
4a.-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement        
4b.+ eenmalige storting door moederdepartement        
4c.-/- aflossing op leningen– 2 544– 3 000– 2 802– 3 584– 3 946– 4 295– 4 082– 4 081
4d.+ beroep op leenfaciliteit 5 1856 2584 9954 0004 3004 3004 300
4. Totaal financieringskasstroom– 2 5442 1853 4561 411545218219
         
5. Rekening courant RIC en overige liquide middelen per 31 december (incl. deposito)5 3573 3614 4352 9482 8212 8553 5403 878

Toelichting

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

In 2005 zal naar verwachting circa € 5,0 mln worden geïnvesteerd in materiële vaste activa. De investeringen hebben vooral betrekking op hard- en software, apparatuur en vervoermiddelen. Voor hard- en software geldt dat het grootste deel besteed wordt aan de vervanging van specifieke automatiseringssystemen

Financieringskasstroom

• Aflossing op leningen

Naar aanleiding van omzetting van het eigen vermogen in vreemd vermogen is in 2000 een lening verstrekt door het Ministerie van Financiën ad € 9,4 mln, met een totale looptijd van 8 jaar. De laatste aflossing vindt derhalve plaats in 2007. Op de lening is in 2000, 2001, 2002 en 2003 in totaal € 7,4 mln afgelost. In 2005 wordt een bedrag van € 0,4 mln afgelost.

De aflossing van de investeringsleningen, variërend van 4 tot 10 jaar, zal € 3,2 mln bedragen in 2005. De in rekening gebrachte rentepercentages variëren van 3,55% tot 5,00%.

• Beroep op leenfaciliteit

Voor 2005 is een lening van € 5,0 mln noodzakelijk om de benodigde investeringen te kunnen verrichten. Zonder deze lening zal het rekening courant een negatief saldo vertonen.

5. VERDIEPINGSBIJLAGE

In deze verdiepingsbijlage bij de EZ-begroting 2005 vindt u per beleidsartikel een toelichting op de majeure beleidsmatige mutaties, voorzover deze niet reeds zijn opgenomen in de eerste suppletore begroting 2004. Als uitgangspunt voor de toe te lichten mutaties worden de verplichtingenmutaties genomen omdat het EZ-beleid in eerste instantie tot uitdrukking komt in het aangaan van verplichtingen. De kasuitgaven zijn daarna volgend, waarbij kasbetalingen veelal gespreid over meerdere jaren plaatsvinden. Hierdoor bestaat er meestal een verschil tussen de verplichtingenmutatie en de uitgavenmutatie. Tevens worden de belangrijkste ontvangstenmutaties toegelicht.

Zoals in de leeswijzer is aangegeven, is de artikelstructuur met ingang van 2005 gewijzigd. In de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» die zijn opgenomen in de beleidsartikelen, zijn ten behoeve van de meerjarige inzichtelijkheid de beleidsbudgetten voor de jaren 2003 en 2004 ook herrekend naar de nieuwe artikelstructuur. In deze verdiepingsbijlage wordt voor de jaren 2003 en 2004 voor de volledigheid echter aangesloten bij de desbetreffende formele begrotingen. Een uitgebreide was-wordt-tabel vindt u in de bijlage.

Artikel 1 Goed funcionerende economie en markten in Nederland en Eurpa

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  90 93690 07985 51485 09385 093 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  12 213– 4 426– 4 217– 3 784– 3 409 
Nieuwe mutaties  1 332– 20 377– 14 644– 14 994– 14 994 
1.Uitbreiding Nma  6742 7006 8006 8006 800 
2.BudgetoverhevelingStadsverwarmingsprojecten   – 29 500– 29 500– 29 500– 29 500 
3.Budgetoverhevelingpersoneel en O&O van AEP en EIS   4 6535 0134 6684 668 
4.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  6581 7703 0433 0383 038 
Stand ontwerp-begroting 200532 76697 093104 48165 27666 65366 31566 69067 052
Waarvan nog te betalen18 94392 532104 24465 00066 38266 04466 44066 829
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 92 65089 61585 55485 05985 198 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 12 409– 4 426– 4 217– 3 784– 3 409 
Nieuwe mutaties 1 359– 21 549– 14 913– 14 886– 14 957 
Stand ontwerp-begroting 2005102 804106 41863 64066 42466 38966 83267 258
w.v. Algemeen9 3797 85712 51514 07313 67313 79214 098
w.v. C. Versterken van concurrentie op Nederlandse markten57 91852 74150 84151 33451 29151 35051 412
w.v. D. Versterken van de positie van de consument  2841 0171 4251 6901 748
w.v. Bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren(oud)34 52845 400     
w.v. Verlagen van administratieve lasten(oud)979420     
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 118 753118 137118 137118 137118 137 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 782– 53 218– 73 218– 83 218– 83 218 
Nieuwe mutaties – 75 00050 00025 000   
5. Boetes Nma – 75 00050 00025 000   
Stand ontwerp-begroting 2005120 36444 535114 91969 91934 91934 91924 919

Toelichting mutaties

1. Vanwege extra taken door (Europese) regelgeving en de wens van de Tweede Kamer om de handhaving van de mededingingswet verder te versterken, wordt de NMa uitgebreid. Daarnaast is versterking van de juridische capaciteit noodzakelijk vanwege de toename van rechtszaken ten gevolge van NMa-boetes.

2. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van de tegemoetkoming stadsverwarmingsprojecten van artikel 1 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

3. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel en onderzoeks- en ontwikkelingsbudgetten van de directies Algemene Economische Politiek (AEP, voorheen artikel 21) en Europese Integratie en Strategie (EIS, voorheen artikel 5) in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

5. Een deel van de oorspronkelijk voor 2004 geraamde ontvangsten wordt nu in 2005 en 2006 geraamd.

Artikel 2 Bevorderen van innovatiekracht

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  418 475372 893366 724386 832384 750 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  293 0986 04637 14473 65893 976 
Nieuwe mutaties  16 63348 46046 24324 89811 236 
1.Kennisenveloppe   23 95029 72412 576– 5 124 
2.Fes-bijdrage Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten  9 8129 8129 8129 8129 812 
3.Vermogensnormering NIVR   4 6094 5164 4034 280 
4.Scholingsimpuls   3 586    
5.Pensioenen EOB  1 2001 6002 1002 6003 200 
6.Apparaattaakstelling Balkenende II    – 2 500– 2 500– 2 500 
7.NLR  2 130     
8.BudgetoverhevelingScholingsimpuls   – 3 586    
9.BudgetoverhevelingNML, Employability   – 1 064– 876– 874– 874 
10.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  3 4919 5533 467– 1 1192 442 
Stand ontwerp-begroting 20051 004 625495 426728 206427 399450 111485 388489 962488 552
Waarvan nog te betalen891 875466 430713 590415 657439 386472 507476 654475 974
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 506 484484 380448 216468 551445 869 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 – 10 87515 89768 517111 090121 579 
Nieuwe mutaties 11 10028 89914 849– 6 273– 17 494 
Stand ontwerp-begroting 2005552 602484 509529 176531 582573 368549 954551 786
w.v. Algemeen46 64647 25247 76245 92347 02652 65747 768
w.v. A. Kennisbescherming  2 62319 95017 95018 29618 642
w.v. B. Meer starters die technologische kennis ontwikkelen en benutten  6 32413 11525 54731 24730 556
w.v. C. Meer toepassing van kennis in het MKB  11 13838 55237 73438 11637 691
w.v. D. Meer ontwikkeling en benutting technologische kennis door bedrijven  8 83730 76069 74786 54285 601
w.v. E. Versterken gezamenlijke kennisbasis  56 918167 529199 916225 178236 668
w.v. Infrastructuur voor innovatie(oud)164 995144 094143 99853 98044 59421 59817 458
w.v. Ontwikkeling van innovatie in de markt (oud)254 909275 491249 983161 693130 78975 76277 402
w.v. Excellente basis ICT(oud)86 05217 6721 5938065558 
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 124 25397 43891 17086 46283 770 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 37 05720 86034 63636 55127 946 
Nieuwe mutaties – 13 06417 0769 0769 0769 076 
11.Twinning – 15 882     
12.Fes-bijdrage Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten 9 0759 0769 0769 0769 076 
13.Kasschuif – 8 0008 000    
14.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties 1 743     
Stand ontwerp-begroting 2005183 689148 246135 374134 882132 089120 792142 157

Toelichting mutaties

1. De bij Voorjaarsnota 2004 toegevoegde middelen voor de kennisenveloppe worden aangewend voor beleid ter vergroting van het aantal nieuwe bedrijven dat technologische kennis ontwikkelt en benut en voor de smartmix. Om voor de toegezegde beleidsactiviteiten verplichtingen te kunnen aangaan, is het noodzakelijk verplichtingenbudget naar voren te halen uit latere jaren.

2. en 12. Vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (Fes) is een bijdrage voor de periode 2004 tot en met 2008 verleend voor de regeling Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten (IS). Het betreft de meerjarige doorwerking van een toezegging uit de Investeringsimpuls 1998 voor het EET-programma dat in de IS-regeling is opgegaan.

3. Bij Voorjaarsnota 2004 heeft het kabinet in het kader van een rijksbrede actie tot afroming van vermogens van ZBO's besloten het Revolving Fund van het NIVR met € 20 mln af te romen. Dit betreft een administratieve aangelegenheid die de beleidsruimte van het NIVR ongemoeid laat. Het bedrag komt inclusief rentevergoeding verdeeld over een periode van 5 jaar terug op de EZ-begroting en blijft beschikbaar voor lucht- en ruimtevaartbeleid.

4. Voor de regeling scholingsimpuls worden in toenemende mate goede projectvoorstellen ingediend. Voor de laatste tenders in 2005 worden daarom middelen uit voorgaande jaren beschikbaar gesteld. Hierdoor kunnen meer branches gebruik maken van de mogelijkheid tot innovatieve scholingstrajecten en wordt het effect van de regeling vergroot.

5. Op grond van de Pension Regulations krijgen alle gepensioneerde medewerkers van het Europees Octrooibureau (EOB) de door hen betaalde belasting terug. De in Nederland wonende oud-medewerkers krijgen derhalve de aan de Nederlandse Belastingdienst afgedragen belasting terug. Omdat het EOB inmiddels circa 25 jaar bestaat en het aantal gepensioneerden vanwege het ouder wordende personeelsbestand navenant stijgt, nemen de uitgaven toe.

6. Door de reorganisatie van het Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE) dalen de uitvoeringskosten van het BIE. Hiermee wordt een deel van de apparaattaakstellingen van het kabinet Balkenende II ingevuld.

7. Met ingang van het jaar 2004 zal de opdrachtverlening aan hetNederlands Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) voorafgaand aan het uitvoeringsjaar worden verstrekt. In verband hiermee is in 2004 eenmalig een dubbel verplichtingenbudget benodigd. De mutatie is derhalve technisch en heeft geen beleidsmatige gevolgen.

8. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van de Scholingsimpuls van artikel 2 naar artikel 3 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

9. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van NML en Employability van artikel 2 naar artikel 3 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

11. Uit hoofde van de overdracht van het beheer van de staatsdeelneming Twinning aan het Ministerie van Financiën worden de ontvangsten Twinning niet meer op de begroting van EZ geraamd.

13. De voorgestelde mutatie houdt verband met een bijstelling van het verwachte betaalritme op basis van de huidige voortgang van de projecten in het kader van het Besluit subsidies investering en kennisinfrastructuur (Bsik).

Artikel 3 Een concurrerend ondernemingsklimaat

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  556 013559 692564 143582 694586 894 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  119 00279 2719 749– 251– 251 
Nieuwe mutaties  1 930148 041– 16 009– 29 857– 28 576 
1. Verplichtingen GSB in 2005 aangaan   150 600– 19 000– 32 900– 32 900 
2. Spreiding procesgeld GSB   – 8 000200020002000 
3. BudgetoverhevelingScholingsimpuls   3 586    
4. BudgetoverhevelingPIA   – 1 026    
5. BudgetoverhevelingNML, Employability   864676674674 
6. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  1 9302 0173153691 650 
Stand ontwerp-begroting 20051 710 617601 193676 945787 004557 883552 586558 067556 881
Waarvan nog te betalen655 967268 401238 061347 967187 725182 397186 424185 271
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 318 898260 764223 196223 224227 071 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 29 42628 0867 0507321 777 
Nieuwe mutaties – 18 745– 8 7034 50216 65126 813 
Stand ontwerp-begroting 2005333 847329 579280 147234 748240 607255 661248 914
w.v. Algemeen34 92630 97924 23523 84723 65522 19121 276
w.v. A. Zorgen voor aantrekkelijke regio's en steden om te kunnen ondernemen221 376206 033182 477168 432185 610204 790199 614
w.v. B. Meer en beter ondernemerschap34 15325 91923 27021 24719 88221 26920 138
w.v. C. Aantrekken van buitenlandse investeringen43 39266 64840 16511 22211 4607 4117 886
w.v. D. Bevorderen van een Level Playing Field  10 00010 000   
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 27 87624 31519 62315 74518 145 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 4 4082 5002 5002 5002 500 
Stand ontwerp-begroting 200541 58432 28426 81522 12318 24520 64520 645

Toelichting mutaties

1. Net als bij de eerste convenantperiode voor het Grote Steden Beleid, zal ook het budget voor de tweede convenantperiode (2005 tot en met 2010) in één keer worden verplicht aan de steden aan het begin van de periode. De totale verplichtingenruimte voor de tweede convenantperiode wordt derhalve naar 2005 verschoven.

2. Bij de totstandkoming van het EZ Beleidskader GSB is besloten om per jaar € 2 mln van het totaalbudget te reserveren als «procesgeld» voor bijzondere initiatieven, bijvoorbeeld kansen binnen de steden. Met deze mutatie worden de in 2005 beschikbare middelen gespreid over de jaren 2005 tot en met 2009.

3. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van de Scholingsimpuls van artikel 2 naar artikel 3 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

4. De mutatie betreft de budgetoverheveling van PIA van artikel 3 naar artikel 21 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

5. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van NML en Employability van artikel 2 naar artikel 3 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energiehuishouding

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  331 026153 538132 890135 574170 020 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  – 26 71446– 5 748– 646– 539 
Nieuwe mutaties  9 823131 402116 300119 310119 203 
1.Actualisatie/ombuiging JI  8 98721 8272 952 – 107 
2.Voorraadheffing aardolieproducten   – 10 000– 6 000   
3.BudgetoverhevelingCOVA artikel 6   81 99881 99881 99881 998 
4.BudgetoverhevelingStadsverwarmingsprojecten artikel 1   29 50029 50029 50029 500 
5.Budgetoverhevelingpersoneel en materieel SodM artikel 7   4 0863 9323 8033 803 
6.BudgetoverhevelingO&O Bodembeheer artikel 7   2 2102 2102 3052 305 
7.Budgetoverhevelingpersoneel Energie artikel 7   1 2281 2211 2211 221 
8.BudgetoverhevelingMijnschadestichting artikel 7   91919191 
9.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  836462396392392 
Stand ontwerp-begroting 2005492 428229 026314 135284 986243 442254 238288 684256 238
Waarvan nog te betalen293 077162 550305 239277 405238 098248 639282 984250 549
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 179 831190 916185 148194 836309 451 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 – 45 230– 32 914– 30 27611 515– 14 513 
Nieuwe mutaties 59 49395 134106 139106 9703 143 
Stand ontwerp-begroting 2005197 095194 094253 136261 011290 291298 081315 350
w.v. Algemeen72 76190 99642 62135 81934 98440 35145 966
w.v. A. Optimale ordening en werking van de energiemarkten  29 50029 50029 50029 50029 500
w.v. B. Duurzameenergiehuishouding124 334103 098101 580112 411136 560138 983150 637
w.v. C. Handhaving niveau voorzieningszekerheid  79 43583 28189 24789 24789 247
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 11 49511 49511 49511 49511 495 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 3 511– 5 205– 3 681– 3 696– 5 191 
Nieuwe mutaties – 2 0002 617 3592 327 3592 128 3592 216 359 
10.Aanpassing raming aardgasbaten  380 000264 000263 000234 000 
11.Voorraadheffing aardolieproducten  – 10 000– 6 000   
12.Kasschuif BSIK – 2 0002 000    
13.Ontvangstoverheveling aardgasbaten, mijnwinning en Gasunie artikel 7  3 650 0003 350 0003 000 0003 200 000 
14.Ontvangstoverheveling bijdrage Fes artikel 7  – 1 488 0001 364 000– 1 218 000– 1 301 000 
15.Ontvangstoverheveling ontvangsten COVA artikel 6  81 99881 99881 99881 998 
16.Ontvangstoverheveling Zoutwinning  1 3611 3611 3611 361 
Stand ontwerp-begroting 200544 01313 0062 623 6492 335 1732 136 1582 222 6632 374 152

Toelichting mutaties

1. Dit betreft de actualisatie van de raming voor Joint Implementation en een neerwaartse aanpassing van de raming vanwege een lagere prijs per ton CO2-reductie (van € 10 naar € 6).

2. en 11. Dit betreft het besluit tijdelijke verlaging van de voorraadheffing op aardolieproducten. Het besluit geeft uitvoering aan de mogelijkheid van artikel 22 van de wet Voorraadvorming aardolieproducten 2001 om de voorraadheffing bij algemene maatregel van bestuur te verlagen. Reden voor de verlaging vormt de begroting van de Stichting centraal orgaan voorraadvorming aardolie (COVA), waaruit blijkt dat de inkomsten uit de voorraadheffing hoger zijn dan de uitgaven.

10. Deze mutatie betreft een ophoging van de raming ontvangsten uit aargasbaten vanwege gewijzigde inzichten. Een eerdere aanpassing van de raming aardgasbaten vanwege gewijzigde inzichten staat op artikel 7 waar de aardgasbaten waren geraamd voor de wijzigingen van de begrotingsindeling.

12. De voorgestelde mutatie houdt verband met een bijstelling van het verwachte betaalritme op basis van de huidige voortgang van de projecten in het kader van het Besluit Subsidies Investering Kennisinfrastructuur (Bsik).

De mutaties 3, 4, 5, 6, 7, 8, 13, 14 en 15 betreffen budget- en ontvangstoverhevelingen in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 5 Internationale economische betrekkingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  151 289140 628140 718140 709140 709 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  16 087– 4 913– 5 250– 4 843– 4 843 
Nieuwe mutaties  2 359– 2 469– 2 470– 2 470– 2 470 
1.Inzet eindejaarsmarge HGIS voor Aichi  2 000     
2.Budgetoverhevelingpersoneel en O&O EIS   – 2 130– 2 130– 2 130– 2 130 
3.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  359– 339340– 340– 340 
Stand ontwerp-begroting 2005665 382210 740169 735133 246132 998133 396133 396133 396
Waarvan nog te betalen226 727139 082152 625118 842118 804118 595117 914117 803
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 147 899134 089128 222126 453127 114 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 7 7382 9972 990408532 
Nieuwe mutaties 2 094– 1 630– 2 430– 2 414– 2 390 
Stand ontwerp-begroting 2005184 604157 731135 456128 782124 447125 256125 139
w.v. Algemeen10 78513 5808 0168 0538 0088 0088 113
w.v. B. Vrijmaking internationale handels- en investeringsverkeer4 7174 1384 0833 8523 8523 8523 852
w.v. C. Bevorderen van internationaal ondernemen166 109140 013123 357116 877112 587113 396113 174
w.v. Europese interne markt(oud)2 993      
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 1 8151 8151 8151 8151 815 
Stand ontwerp-begroting 200513 2211 8151 8151 8151 8151 8151 815

Toelichting mutaties

1. Uit de eindejaarsmarge 2003 van het non-ODA HGIS-budget wordt € 2 mln beschikbaar gesteld voor de financiering van de Nederlandse bijdrage aan de Wereldtentoonstelling 2005 in Aichi.

2. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel en onderzoeksbudget van de directie Europese Integratie en Strategie (EIS) van artikel 5 naar artikel 1 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 6 Vitale belangen ten tijde van crises

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  82 45882 45882 45882 45882 458 
Nieuwe mutaties  – 3 997– 82 458– 82 458– 82 458– 82 458 
1.Voorraadheffing aardolieproducten  – 4 000     
2.BudgetoverhevelingCOVA   – 81 998– 81 998– 81 998– 81 998 
3.Budgetoverhevelingpersoneel crisisbeheersing  – 264– 264– 264– 264– 264 
4.Budgetoverhevelingalgemene crisisbeheersing  – 200– 200– 200– 200– 200 
5.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  4674444 
Stand ontwerp-begroting 2005907 90089 30978 461     
Waarvan nog te betalen27689 30978 461     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 82 42682 45882 45882 45882 458 
Nieuwe mutaties – 3 874– 82 426– 82 458– 82 458– 82 458 
Stand ontwerp-begroting 200589 46278 55232    
w.v. Algemeen (oud)268263     
w.v. Algemene crisesbeheersing (oud)32629132    
w.v. Oliecrisisbeheersing(oud)88 86877 998     
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 8199881998819988199881998 
Nieuwe mutaties – 4 000– 81 998– 81 998– 81 998– 81 998 
6.Voorraadheffing aardolieproducten – 4 000     
7.Ontvangstoverheveling COVA  – 81 998– 81 998– 81 998– 81 998 
Stand ontwerp-begroting 200588 86877 998     

Toelichting mutaties

1. en 6. Dit betreft het besluit tijdelijke verlaging van de voorraadheffing op aardolieproducten. Het besluit geeft uitvoering aan de mogelijkheid van artikel 22 van de wet Voorraadvorming aardolieproducten 2001 om de voorraadheffing bij algemene maatregel van bestuur te verlagen. Reden voor de verlaging vormt de begroting van de Stichting centraal orgaan voorraadvorming aardolie (COVA), waaruit blijkt dat de inkomsten uit de voorraadheffing hoger zijn dan de uitgaven. Voor 2005 en 2006 is de verhoging verwerkt op artikel 4.

2. en 7. Deze mutaties betreffen de uitgaven- en ontvangstoverheveling van COVA van artikel 6 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

3. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel crisisbeheersing van artikel 6 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

4. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van algemene crisisbeheersing van artikel 6 naar artikel 3 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 7 Beheer bodemschatten

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  7 6607 6267 4687 4367 436 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  455555 
Nieuwe mutaties   – 7 631– 7 473– 7 441– 7 441 
1.Budgetoverhevelingpersoneel en materieel SodM   – 4 086– 3 932– 3 803– 3 803 
2.BudgetoverhevelingO&O Bodembeheer   – 2 210– 2 210– 2 305– 2 305 
3.Budgetoverhevelingpersoneel Energie   – 1 228– 1 221– 1 221– 1 221 
4.Budgetoverhevelingbeheer Mijnschadestichting   – 91– 91– 91– 91 
5.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties   – 16– 19– 21– 21 
Stand ontwerp-begroting 20053 0548 3767 705     
Waarvan nog te betalen3 0548 3097 705     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 7 6267 4687 4367 4367 436 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 455555 
Nieuwe mutaties 1 181– 7 197– 7 441– 7 441– 7 441 
Stand ontwerp-begroting 20059 9408 852276    
w.v. Algemeen (oud)1 3361 235     
w.v. Veiligheid, gezondheid en milieu (oud)4 0374 125     
w.v. Beheer bodemschatten(oud)4 5673 492276    
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 2 017 3611 666 3611 636 3611 753 3611 753 361 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 87 89188 437    
Nieuwe mutaties 292 109– 1 754 798– 1 636 361– 1 753 361– 1 753 361 
7.Actualisatie raming aardgasbaten 292 109408 563351 00030 000147 000 
8.Ontvangstoverheveling aardgasbaten  – 3 650 000– 3 350 000– 3 000 000– 3 200 000 
9.Ontvangstoverheveling bijdrage Fesaardgasbaten  1 488 0001 364 0001 218 0001 301 000 
10.Ontvangstoverheveling Zoutwinning  – 1 361– 1 361– 1 361– 1 361 
Stand ontwerp-begroting 20052 395 6352 397 361     

Toelichting mutaties

1. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel en materieel SodM van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

2. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van het onderzoeksbudget Bodembeheer van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

3. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel Energie van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

4. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van het beheer van de Mijnschadestichting van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

7. Deze mutatie betreft een ophoging van de raming ontvangsten uit aardgasbaten op basis van gewijzigde inzichten. Een nadere aanpassing van de raming voor 2005 en later is opgenomen bij artikel 4 omdat deze plaatsvond na overheveling van de ontvangsten naar dat artikel.

8. Deze mutatie betreft de ontvangstoverheveling van de aardgasbaten van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

9. Deze mutatie betreft de ontvangstoverheveling van de bijdrage Fes aardgasbaten van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

10. Deze mutatie betreft de ontvangstoverheveling van Zoutwinning van artikel 7 naar artikel 4 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 8 Economische analyses en prognoses

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  11 44111 36611 29811 29811 298 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  66518181818 
Nieuwe mutaties  1 366161159159159 
Stand ontwerp-begroting 200528313 79913 47211 54511 47511 47511 47511 475
Waarvan nog te betalen28313 79913 47211 54511 47511 47511 47511 475
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 11 44111 36611 29811 29811 298 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 66518181818 
Nieuwe mutaties 1 409161159159159 
Stand ontwerp-begroting 200514 03913 51511 54511 47511 47511 47511 475
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 20049074343434343 
Nieuwe mutaties 1 215     
Stand ontwerp-begroting 20051 3071 2584343434343

Artikel 9 Maatschappelijke behoefte aan statistieken

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  180 282156 344155 492154 949154 432 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  3 9173 9173 9173 9173 917 
Nieuwe mutaties  1 8293 8744 5065 1035 194 
Stand ontwerp-begroting 20051189 834186 028164 135163 915163 969163 543163 382
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004       
Stand ontwerp-begroting 200513 103      

Artikel 10 Elektronische communicatie en post

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  57 36145 03843 66343 35443 354 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  16 3631 9771 9771 9771 977 
Nieuwe mutaties  2 01413 2743 8523 8523 152 
1.Bijdrage OPTA  2 0002 0002 0002 0002 000 
2.ICTAL   9 500700700  
3.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  141 7741 1521 1521 152 
Stand ontwerp-begroting 200537 30096 00075 73860 28949 49249 18348 48348 483
Waarvan nog te betalen36 57587 77874 07959 12848 34848 03947 33947 339
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 39 23646 54849 02440 79042 985 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 42 51719 74411 9604 6523 346 
Nieuwe mutaties 2 0149 3687 5183 9713 200 
Stand ontwerp-begroting 200540 68983 76775 66068 50249 41349 53147 372
w.v. Algemeen17 50920 2536 5326 3066 2136 2136 213
w.v. Apparaatsuitgaven DGTP14 37014 36614 85714 23214 23214 23214 232
w.v. A. Efficiënt werkende communicatie- en postmarkt6 2637 1715 6605 6605 6605 6605 660
w.v. B. Waarborgen van publieke belangen1505117    
w.v. C. Stimuleren dat de markt voorzieningen, producten en diensten ontwikkelt2 39741 92648 59442 30423 30823 42621 267
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 12 79711 89010 1841 0401 040 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 11 1093 0003 772   
Stand ontwerp-begroting 200539 33023 90614 89013 9561 0401 0401 040

Toelichting mutaties

1. De OPTA houdt toezicht op de markt voor telecommunicatie en post. De OPTA wordt bekostigd door marktpartijen, behalve voor de kosten van bezwaar en beroep. Deze kosten mogen niet aan de markt worden doorberekend en moeten daarom door de staat worden betaald. Onder andere door de scherpere concurrentie tussen marktpartijen zijn partijen eerder geneigd bezwaar of beroep aan te tekenen. Daardoor zijn deze kosten aanzienlijk toegenomen.

2. Voor verdere uitvoering van het programma ICT en administratieve lasten (ICTAL) is in totaal € 10,9 mln nodig. Hierdoor kunnen ondernemers via slimme inzet van ICT gemakkelijker aan de informatievraag van de overheid voldoen en kan de verschafte informatie beter worden benut. Het programma ICTAL draagt bij aan de kabinetsbrede prioriteit vermindering van de administratieve lasten. Vermindering van de administratieve lasten is belangrijk voor het groeivermogen van de Nederlandse economie.

Artikel 21 Algemeen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  101 25496 77797 11099 24197 804 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  11 4934 7692 651– 482– 1 730 
Nieuwe mutaties  17 732– 13 854– 13 177– 4 514– 4 976 
1.Verschuiving van verplichtingenraamcontracten  21 400– 10 800– 10 600   
2.Temporisatie verplichtingen  – 5 070– 3 545– 1 824– 533– 437 
3.Budgetoverheveling personeel en materieel AEP   – 2 523– 2 883– 2 538– 2 538 
4.BudgetoverhevelingPIA   1 026    
5.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  1 4021 9882 130– 1 443– 2001 
Stand ontwerp-begroting 200519 967124 125130 47987 69286 58494 24591 09894 629
Waarvan nog te betalen18 451117 813130 44487 66686 58494 23591 09894 629
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 102 87396 71296 96999 46697 837 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 10 4735 7342 651– 482– 1 730 
Nieuwe mutaties 1 3394 534– 1 752– 3 504– 3 979 
Stand ontwerp-begroting 2005113 294114 685106 98097 86895 48092 12893 421
w.v. Personeel54 89756 98156 47853 68053 11952 13647 816
w.v. Materieel58 39757 70450 50244 18842 36139 99245 605
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 5 8596 6067 3537 3537 353 
Nieuwe mutaties 100     
Stand ontwerp-begroting 20059 3275 9596 6067 3537 3537 3537 353

Toelichting mutaties

1. EZ heeft in 2004 alle EZ-brede raamcontracten op materieel gebied vastgelegd. Dit leidt tot een verschuiving van verplichtingen van 2005 en 2006 naar 2004. De mutatie heeft geen kasgevolgen.

2. Omdat reeds in 2002 en 2003 diverse langlopende contracten zijn afgesloten op facilitair gebied is de meerjarige verplichtingenraming neerwaarts bijgesteld.

3. Deze mutatie betreft de budgetoverheveling van personeel en onderzoeksbudget van de directie Algemene Economische Politiek (AEP) van artikel 21 naar artikel 1 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

4. De mutatie betreft de budgetoverheveling van PIA van artikel 3 naar artikel 21 in het kader van de nieuwe begrotingsindeling.

Artikel 22 Nominaal en onvoorzien

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  – 93 817– 39 767– 62 696– 68 026– 68 159 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004  51 52530 19331 95820 99521 178 
Nieuwe mutaties  42 731– 32 441– 155 228– 206 114– 206 016 
1.Vpb-taakstelling    – 107 000– 122 000– 122 000 
2.PIA-taakstelling   – 35 000– 50 000– 100 000– 100 000 
3.Invulling PIA-taakstelling  19 11028 40328 40328 40328 403 
4.Efficiencytaakstelling   – 2 172– 3 254– 4 337– 4 337 
5.Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  23 621– 23 672– 23 377– 8 180– 8 082 
Stand ontwerp-begroting 2005  439– 42 015– 185 966– 253 145– 252 997– 252 997
Waarvan nog te betalen  439– 42 015– 185 966– 253 145– 252 997– 252 997
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 – 63 817– 54 767– 77 696– 68 026– 68 159 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 51 52530 19331 95820 99521 178 
Nieuwe mutaties 12 731– 17 441– 86 228– 118 114– 204 016 
Stand ontwerp-begroting 2005 439– 42 015– 131 966– 235 145– 250 997– 252 997
w.v. Loonbijstelling 761     
w.v. Onvoorzien 314449449449449449
w.v. Nog te verdelen posten – 636– 42 464– 132 415– 235 594– 251 446– 253 446

Toelichting mutaties

1. De subsidies aan bedrijven worden gekort om een deel van de verlaging van de vennootschapsbelasting (Vpb) te kunnen compenseren. In afwachting van een nadere verdeling over de betrokken departementen is deze Vpb-taakstelling vooralsnog op de EZ-begroting geparkeerd.

2. De nieuwe taakstelling op Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) loopt op tot € 100 mln structureel. Deze rijksbrede taakstelling is op de EZ-begroting geparkeerd en zal aan de hand van een nog vast te stellen verdelingsvoorstel bij Voorjaarsnota 2005 over alle departementen worden verdeeld.

3. De PIA-taakstelling van het kabinet Balkenende II bedraagt € 20 mln in 2004, € 30 mln in 2005 en € 50 mln structureel. Deze taakstelling is destijds geparkeerd op de EZ-begroting. Inmiddels is een groot deel van de taakstelling (€ 30 mln structureel) over de departementen verdeeld, waarvan € 1,6 mln bij EZ neerslaat en derhalve achterblijft op de EZ-begroting.

4. Het kabinet heeft bij begrotingsvoorbereiding een nieuwe efficiencytaakstelling opgelegd. In afwachting van invulling is de taakstelling op dit artikel geparkeerd.

5. De overige mutaties betreffen met de name de uitdeling van loon- en prijsbijstelling en een technische correctie die verband houdt met het bij eerste suppletore begroting ingevulde restant van de subsidietaakstelling. Deze laatste mutatie is neutraal en heeft geen kasgevolgen.

Artikel 23 Afwikkeling oude verplichtingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20022003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004  4 5744 2113 8483 8483 485 
Stand ontwerp-begroting 20058463 8404 5744 2113 8483 8483 4852 985
Waarvan nog te betalen6143 8404 5744 2113 8483 8483 4852 985
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 4 8244 3433 8483 8483 485 
Nieuwe mutaties – 250– 132    
Stand ontwerp-begroting 20054 4544 5744 2113 8483 8483 4852 985
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2003200420052006200720082009
Stand ontwerp-begroting 2004 133 7455 1283 6303 6303 630 
Mutatie 1e suppl. begroting 2004 – 2 745– 1 922– 1 382– 2 047– 2 440 
Stand ontwerp-begroting 2005115 461131 0003 2062 2481 5831 190872

6 BIJLAGE NIEUWE BEGROTINGSINDELING

In onderstaande tabellen worden voor alle met ingang van 2005 gewijzigde instrumentensubs op twee manieren aangegeven wat er gewijzigd is. Eerst in de volgorde van de oude indeling en daarna in de volgorde van de nieuwe indeling.

Was-wordt-tabel uitgaven
WasWordt
ARTODSUBArtikelsubnaamARTODSUBArtikelsubnaam
Artikel 1     
0101010PERS. MARKTORDENING0101010PERSONEEL EP
0101810O&O MARKTORDENING0101810O&O EP
    0140030KENNISCENTRUM AANBESTEDEN
    0150010TOEZICHTHOUDER CONSUMENT
0101820O&O MARKTORDENING0101820O&O KENNISCENTRUM
0120020COMP. DEMK/STADSVERW0405010COMP. DEMKOLEC/STADSVERWARM.
Artikel 2     
0210010BIJDR. DGI AAN BIE0255010BIJDRAGE DGI AAN BIE
0210020BIJDRAGE AAN WIPO0255020BIJDRAGE AAN WIPO
0210030BIJDR. PENSIOENEN0255030BIJDRAGE PENSIOENEN EOB
0210040ADVIEZEN DOOR EOB0255010BIJDRAGE DGI AAN BIE
0210110BIJDRAGE AAN TOPINST0245020BIJDRAGE AAN TOPINSTITUTEN
0210120BIJDRAGE AAN STW0245030BIJDRAGE AAN STW
0210130BIJDRAGE AAN TNO0245010BIJDRAGE AAN TNO
0210140BIJDRAGE INSTITUTEN0245100BIJDRAGE AAN NIVR
    0245110BIJDRAGE AAN NLR
0210210INNOV. ONDERNEMERSCHAP0245300ACTIEPLAN LIFE SCIENCES/BIOPARTNER
    0235020SKE
0210290BIJDR. DIV.INSTITUT.0245120BIJDRAGE AAN MARIN
    0245130BIJDRAGE AAN WL/HYDROLICS
    0301813BIJDRAGE AAN NML EN NDL
0210300KENNISENVELOPPE0235010TECHNOPARTNER ALGEMEEN
    0235020SKE
    0235030SEED-REGELING
    0245500SMARTMIX
0210410INNOV. ONDERZ.PROGR.0245040INNOVATIEVE ONDERZOEKSPROGRAMMA'S
0210510TECHNOL. VERNIEUWING0245050KENNISIMPULS ACTIELIJN 1
    0245400KATALYSE
    0320220ONDERNEMERSCHAP
    0245900DIVERSEN TECHN. VERNIEUWING
    0245140BIJDRAGE AAN OVERIGE INSTITUTEN
0220030INT. RUIMTEVAARTPRO.0245600INTERNATIONALE RUIMTEVAART
0220060CIV. VLIEGTUIG ONTW.0245620CIVIELE VLIEGTUIG ONTWIKKELING
0220070BIJDRAGE AAN SYNTENS0225010BIJDRAGE AAN SYNTENS
0220100INNOVATIEVE SAMENWERKINGSPROJECTEN0215010INNOVATIEVE SAMENWERKINGSPROJECTEN
0220120BTS OPKOM. MARKTEN0215050BTS OPKOMENDE MARKTEN
0220310KENNISOVERDR.INSTR.0225020SKO
    0225030SKB
0220400MICRO-ELEKTRO STIMULERING0245200MICRO-ELEKTRONICA STIMULERING
0220500OVERIG ICT-BELEID0245220ICT-KENNIS EN -INNOVATIE
0220600BSIK0245060BSIK
Artikel 3     
0301011PERSONEEL PIA2110015PIA
0301130OPDRACHTEN AAN NOVEM0301110BIJDRAGE DGO AAN AGENTSCHAPPEN
0301200PIA2110015PIA
0310310BIJDRAGE WTO0310310BIJDRAGE WTO EN EVD
0310500FYS. STADSECONOMIE0310510STADSECONOMIE
0310510NIET-FYS. STADSECON.0310510STADSECONOMIE
0320090BIJDR. AAN DIV. INST0320090BIJDRAGE AAN INSTITUTEN
    0301813BIJDRAGE AAN NML EN NDL
0320110BIJDR. BEDR. CALAM.0301820VERNIEUWINGSPROGRAMMA'S
0330200BIJDR SCHEEPSBOUWIND0340100BIJDRAGE SCHEEPSBOUWINDUSTRIE
0330300CODEMA-REGELING0340200CODEMA-REGELING
Artikel 4     
0401130BIJDR. M&E AAN NOVEM0401110BIJDRAGE AAN AGENTSCHAPPEN
0401220BIJDR AAN DIV. INST.0450050BIJDRAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
0401400BIJDRAGE AAN ECN0440400BIJDRAGE AAN ECN
Artikel 5     
0501010PERSONEEL BEB0501010PERSONEEL BEB
    0101010PERSONEEL EIS
0501510BELEIDSONDERSTEUNING0501510BELEIDSONDERSTEUNING
    0101810O&O EP
Artikel 6     
0601010PERSONEEL ENERGIE0401010PERSONEEL ENERGIE
0610010ALG. CRISESBEHEERSIN0301812ALGEMENE CRISISBEHEERSING
0620010DOORSL.COVA-HEFFING0450010DOORSLUIS COVA-HEFFING
0620020LENINGEN COVA0450020LENINGEN COVA
Artikel 7     
0701010PERSONEEL ENERGIE0401010PERSONEEL ENERGIE
0730010PERSONEEL SODM0450060PERSONEEL SODM
0730020MATERIEEL SODM0450070MATERIEEL SODM
0740010BEH.MIJNSCHADESTICHT0450030BEHEER MIJNSCHADESTICHTINGEN
0740810O&O BODEMBEHEER0450040O&O BODEMBEHEER
Artikel 21     
2110010PERSONEEL STAFDIENST2110010PERSONEEL STAFDIENST
    0101010PERSONEEL AEP
2120040MATERIEEL AEP2120040MATERIEEL AEP
    0101810O&O EP
Artikel 22     
2210010LOONBIJSTELLING2210010LOONBIJSTELLING
2220010PRIJSBIJSTELLING2220010PRIJSBIJSTELLING
2230010BUDGET ONVOORZIEN2230010BUDGET ONVOORZIEN
2240010SA 20032240010SA 2003
2240020RA20042240020RA 2004
Was-wordt-tabel ontvangsten
WordtWas
ARTODSUBArtikelsubnaamARTODSUBArtikelsubnaam
Artikel 1     
0190010DIV. ONTVANGSTEN MARKTW0190010DIVERSE ONTVANGSTEN EP
Artikel 3     
0320010ONTVANGSTEN RUIMT. ECON. BELEID0390010DIVERSE ONTVANGSTEN O
Artikel 6     
0610010ONTVANGSTEN COVA0450010ONTVANGSTEN COVA
Artikel 7     
0710010AARDGASBATEN MOR GRO0451010AARDGASBATEN MOR GRO
0710020AARDGASBATEN VIA EBN0451020AARDGASBATEN VIA EBN
0710030OPBRENGSTEN MIJNWETGEVING0451030OPBRENGSTEN MIJNWETGEVING
0710040DIVIDEND GASUNIE VIA EBN0451040DIVIDEND GASUNIE VIA EBN
0710050DIVIDEND GASUNIE0451050DIVIDEND GASUNIE
0710060BIJDRAGE AAN HET FES0451060BIJDRAGE AAN HET FES
0720010DIVIDEND EBN/AARDGAS0451070DIVIDEND EBN/AARDGAS
0730010ONTVANGSTEN ZOUTWINNING04060010ONTVANGSTEN ZOUTWINNING
Wordt-was-tabel uitgaven
WordtWas
ARTODSUBArtikelsubnaamARTODSUBArtikelsubnaam
Artikel 1     
0101010PERSONEEL EP0101010PERS. MARKTORDENING
    0501010PERSONEEL BEB
    2101010PERSONEEL STAFDIENST
0101810O&O EP0101810O&O MARKTORDENING
    0501510BELEIDSONDERSTEUNING
    2120040MATERIEEL AEP
0101820O&O KENNISCENTRUM0101820O&O MARKTORDENING
0140030KENNISCENTRUM AANBESTEDEN0101810O&O MARKTORDENING
0150010TOEZICHTHOUDER CONSUMENT0101810O&O MARKTORDENING
Artikel 2     
0215010INNOVATIEVE SAMENWERKINGSPROJECTEN0220100INNOVATIEVE SAMENWERKINGSPROJECTEN
0215050BTS OPKOMENDE MARKTEN0220120BTS OPKOMENDE MARKTEN
0225010BIJDRAGE AAN SYNTENS0220070BIJDRAGE AAN SYNTENS
0225020SKO0220310KENNISOVERDRACHTSINSTRUMENTEN
0225030SKB0220310KENNISOVERDRACHTSINSTRUMENTEN
0235010TECHNOPARTNER ALGEMEEN0210300KENNISENVELOPPE
0235020SKE0210210INNOVATIEF ONDERNEMERSCHAP
    0210300KENNISENVELOPPE
0235030SEED-REGELING0210300KENNISENVELOPPE
0245010BIJDRAGE AAN TNO0210130BIJDRAGE AAN TNO
0245020BIJDRAGE AAN TOPINSTITUTEN0210110BIJDRAGE AAN TOPINSTITUTEN
0245030BIJDRAGE AAN STW0210120BIJDRAGE AAN STW
0245040INNOVATIEVE ONDERZOEKSPROGRAMMA'S0210410INNOVATIEVE ONDERZOEKSPROGRAMMA'S
0245050KENNISIMPULS ACTIELIJN 10210510TECHNOLOGISCHE VERNIEUWING
0245060BSIK0220600BSIK
0245100BIJDRAGE AAN NIVR0210140BIJDRAGE INSTITUTEN LUCHT- EN RUIMTEVAART
0245110BIJDRAGE AAN NLR0210140BIJDRAGE INSTITUTEN LUCHT- EN RUIMTEVAART
0245120BIJDRAGE AAN MARIN0210290BIJDAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
0245130BIJDRAGE AAN WL/HYDROLICS0210290BIJDAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
0245140BIJDRAGE AAN OVERIGE INSTITUTEN0210510TECHNOLOGISCHE VERNIEUWING
0245200MICRO-ELEKTRONICA STIMULERING0220400MICRO-ELEKTRONICA STIMULERING
0245220ICT-KENNIS EN -INNOVATIE0220500OVERIG ICT-BELEID
0245300ACTIEPLAN LIFE SCIENCES/BIOPARTNER0210210INNOVATIEF ONDERNEMERSCHAP
0245400KATALYSE0210510TECHNOLOGISCHE VERNIEUWING
0245500SMARTMIX0210300KENNISENVELOPPE
0245600INTERNATIONALE RUIMTEVAART0220030INTERNATIONALE RUIMTEVAART
0245620CIVIELE VLIEGTUIG ONTWIKKELING0220040CIVIELE VLIEGTUIG ONTWIKKELING
0245900DIVERSE TECHN. VERNIEUWING0210510TECHNOLOGISCHE VERNIEUWING
0255010BIJDRAGE DGI AAN BIE0210010BIJDRAGE DGI AAN BIE
    0210040ADVIEZEN DOOR EOB
0255020BIJDRAGE AAN WIPO0210020BIJDRAGE AAN WIPO
0255030BIJDRAGE PENSIOENENEOB0210030BIJDRAGE PENSIOENENEOB
Wordt-was-tabel uitgaven
WordtWas
ARTODSUBArtikelsubnaamARTODSUBArtikelsubnaam
Artikel 3     
0301110BIJDRAGE DGO AAN AGENTSCHAPPEN0301110BIJDRAGE DGO AAN SENTER
    0301130OPDRACHTEN AAN NOVEM
0301812ALGEMENE CRISISBEHEERSING0610010ALGEMENE CRISISBEHEERSING
0301813BIJDRAGE AAN NML EN NDL0320090BIJDRAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
    0210290BIJDRAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
0301820VERNIEUWINGSPROGRAMMA'S0301820VERNIEUWINGSPROGR AMMA'S
    0320110BIJDRAGE BEDRIJVEN CALAMITEITEN
0310100BEDRIJVENTERREINEN0310100BEDRIJVENTERREINENWOTIPP
0310200GEBIEDSGERICHTE REGION. ONDERSTEUNING0310200REON-KOMPAS NOORDEN
0310300BIJDRAGE NBTC0310300BIJDRAGE TRN
0310310BIJDRAGE WTO EN EVD0310310BIJDRAGE WTO
0310510STADSECONOMIE0310500FYSIEKE STADSECONOMIE
    0310510NIET-FYSIEKE STADSECONOMIE
0320030ACTIEPLAN VEILIG ONDERNEMEN0320030VEILIG ONDERNEMEN
0320220ONDERNEMERSCHAP0210510TECHNOLOGISCHE VERNIEUWING
0340100BIJDRAGE SCHEEPSBOUWINDUSTRIE0330200BIJDR SCHEEPSBOUWINDUSTRIE
0340200CODEMA-REGELING0330300CODEMA-REGELING
Artikel 4     
0401010PERSONEEL ENERGIE0401010PERSONEEL ENERGIE
    0601010PERSONEEL ENERGIE
    0701010PERSONEEL ENERGIE
0401110BIJDRAGE AAN AGENTSCHAPPEN0401110BIJDRAGE DGM&E AAN SENTER
    0401130BIJDRAGE M&E AAN NOVEM
0405010COMP. DEMKOLEC/STADSVERWARM.0120020COMP. DEMKOLEC/STADSVERWARM.
0440400BIJDRAGE AAN ECN0440400BIJDRAGE AAN ECN
    0401400BIJDRAGE AAN ECN
0450010DOORSLUIS COVA-HEFFING0620010DOORSLUIS COVA-HEFFING
0450020LENINGEN COVA0620020LENINGEN COVA
0450030BEHEER MIJNSCHADESTICHTINGEN0740010BEHEER MIJNSCHADESTICHTINGEN
0450040O&O BODEMBEHEER0740810O&O BODEMBEHEER
0450050BIJDRAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN0401220BIJDRAGE AAN DIVERSE INSTITUTEN
0450060PERSONEEL SODM0730010PERSONEEL SODM
0450070MATERIEEL SODM0730020MATERIEEL SODM
Artikel 9     
40910010BIJDRAGE AAN CBS0910010PERSONEEL CBS
    0910020MATERIEEL CBS
    0910030CONCENTRATIE CBS
Artikel 21     
2110015PIA0301011PERSONEEL PIA
    0301200PIA
Wordt-was-tabel ontvangsten
WordtWas
ARTODSUBArtikelsubnaamARTODSUBArtikelsubnaam
Artikel 1     
0190010DIVERSE ONTVANGSTEN EP0190010DIV. ONTVANGSTEN MARKTWERKING
Artikel 3     
0390010DIVERSE ONTVANGSTEN O0390010DIVERSE ONTVANGSTEN O
    0320010ONTVANGSTEN RUIMT. ECON. BELEID
Artikel 4     
0450010ONTVANGSTEN COVA0610010ONTVANGSTEN COVA
0451010AARDGASBATEN MOR GRO0710010AARDGASBATEN MOR GRO
0451020AARDGASBATEN VIA EBN0710020AARDGASBATEN VIA EBN
0451030OPBRENGSTEN MIJNWETGEVING0710030OPBRENGSTEN MIJNWETGEVING
0451040DIVIDEND GASUNIE VIA EBN0710040DIVIDEND GASUNIE VIA EBN
0451050DIVIDEND GASUNIE0710050DIVIDEND GASUNIE
0451060BIJDRAGE AAN HET FES0710060BIJDRAGE AAN HET FES
0451070DIVIDEND EBN/AARDGAS0720010DIVIDEND EBN/AARDGAS
0460010ONTVANGSTEN ZOUTWINNING0730010ONTVANGSTEN ZOUTWINNING

7 BIJLAGE WETTELIJKE GRONDSLAG VOOR SUBSIDIEVERLENING

In de diverse tabellen budgettaire gevolgen van beleid bij de beleidsartikelen 1, 2, 3, 4 en 10 zijn bedragen aan subsidieverplichtingen opgenomen waarvoor hieronder extra informatie is opgenomen. Onderstaande begrotingsvermelding vormt voor de betreffende subsidieverleningen de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 1
 Maximaal subsidiebedrag 2005 in € 1 000
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan Raad deskundigen Nationale Standaarden voor advies over het beheer en de verwezenlijking van nationale standaarden.35
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) voor het ontwikkelen van normen en waarden ten behoeve van door het Nederlandse bedrijfsleven geproduceerde goederen.1 000
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan de Raad voor Accreditatie voor het bewerkstellingen van vrijwillige accreditatie van instellingen voor conformiteitsen kwaliteitsbeoordeling op basis van de NEN45 000-serie.250
Artikel 2
 Maximaal subsidiebedrag 2005 in € 1 000
Bijdrage aan Topinstituten 
Subsidie aan Stichting Dutch Polymer Institute voor financiering van bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau op het gebied van polymeren.10 286
Bijdrage aan Topinstituten 
Subsidie aan Stichting Topinstituut Voedselwetenschappen voor financiering van bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau op het gebied van voeding.7 948
Bijdrage aan Topinstituten 
Subsidie aan Stichting Telematica Instituut Subsidie voor financiering van bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau op het gebied van telematica.4 999
Bijdrage aan Topinstituten 
Subsidie aan Netherlands Institute for Metals Research voor financiering van bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau op het gebied van metalen.5 932
Diversen technologische vernieuwing 
Subsidie aan de Stichting Toekomstbeeld der Techniek voor het verkennen van nieuwe thema's op het grensvlak van techniek en maatschappij.200
TechnoPartner 
Subsidie aan het TechnoPartner Platform voor de inventarisatie van knelpunten van technostarters en het bieden van informatie en expertise.1 800
Overig ICT-beleid 
Subsidie aan de Stichting Media Plaza, een demonstratie- en expertisecentrum voor de elektronische snelweg.250
Artikel 3
 Maximaal subsidiebedrag 2005 in € 1 000
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan Stichting Koning Willem I voor de jaarlijkse uitreiking van de aanmoedigingsprijs voor het meest belovende bedrijf.150
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan Vereniging Nederland Distributieland (NDL). EZ subsidieert samen met LNV en V&W een jaarlijks programma om knelpunten in de distributiesector binnen Nederland op te lossen.225
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan EIM voor progamma-onderzoek MKB en ondernemerschap. De subsidie is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie.3 000
Technologische vernieuwing 
Subsidie aan Investors in People Nederland voor het stimuleren van bedrijven en instellingen om de employability van hun medewerkers te verhogen, door middel van het keurmerk Investors in People.500
Bijdrage aan diverse instituten 
Subsidie aan Nederland Maritiem Land (NML) voor financiering van innovatieconsulenten en innovatief onderzoek op maritiem gebied.364
Artikel 4
 Maximaal subsidiebedrag 2005 in € 1 000
Diverse programma-uitgaven Energie 
Bijdrage aan de Hoge Flux Reactor (HFR) van Euratom voor de ontwikkeling van nucleaire geneeskunde en onderzoek naar het veilig gebruik van kernenergie. De verplichting aan de Hoge Flux Reactor wordt eens in de vier jaar aangegaan. In 2005 is het maximale subsidiebedrag nihil.0
Artikel 10
 Maximaal subsidiebedrag 2005 in € 1 000
Flankerend ICT-beleid 
Subsidie aan ECP.NL voor de ontwikkeling van eNederland. ECP.NL biedt een platform waarbij deelnemende bedrijven en instellingen worden gestimuleerd om kennis te delen op het gebied van de ontwikkeling en toepassing van ICT.400

8 BIJLAGE INZAKE ZBO'S EN RWT'S

De onderstaande ZBO's en RWT's vallen onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken:

Naam ZBO en/of RWTBijdrage uit departementale begrotingBedrag 2005 (in € 1 000)
Centraal Bureau voor de StatistiekArtikel 9163 360
Centrale Commissie voor de StatistiekGeen bijdrage
Kamers van KoophandelGeen bijdrage
Stichting COVAArtikel 681998
NIVRArtikel 23 972
NMiArtikel 114 616
WaarborgHolland (voorheen Waarborg Gouda)Geen bijdrage
Edelmetaal Waarborg Nederland (voorheen Waarborg Joure)Geen bijdrage
OPTAArtikel 103 458
TenneT (alleen voor het publieke deel in het kader van de wettelijke taken die voortvloeien uit de wet Milieukwaliteit Energieproductie)Geen bijdrage

9 BIJLAGE MOTIES EN TOEZEGGINGEN

Moties

IndienerOmschrijvingVindplaatsStand van Zaken
Akker, van denBij evaluatie van de Mededingingswet aangeven hoe MEZ de werk- zaamheden van de Nma op hoofdlijnen kan sturen.TK 2001–2002, 27 639, nr. 51De motie is meegenomen met het antwoord op de Motie Heemskerk, waarin o.m. een visie op de verhou- ding tussen beleid en markttoezicht- houders wordt gegeven. (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 50).
    
AptrootRichtsnoeren op te stellen opdat er geen sprake is van financiële betrok- kenheid van lokale overheden of andere publieke instellingen bij investeringen in telecom-infrastruc- turenTK 2003–2004, 24 095, nr. 166Door MEZ gevraagd om motie aan te houden tot na de publicatie van de richtsnoeren uit het ICM-traject.
    
AptrootDe regering wordt verzocht andere financieringsmogelijkheden voor Digitenne te onderzoeken en vooralsnog geen toestemming te verlenen voor vergroting van het aandeel van KPN in Digitenne.TK 2003–2004, 27 088, nr. 38Motie is aangehouden, Minister heeft toegezegd deze bedrijfsinformatie bij KPN en Digitenne op te vragen en de verkregen informatie medio augustus vertrouwelijk aan de Kamer te doen toekomen.
    
AptrootVerzoekt het kabinet om alle tegen- strijdigheden in regels uiterlijk 31 december 2004 te hebben weggenomen.TK 2003–2004, 29 515, nr. 11De EZ-website over tegenstrijdige regelgeving heeft een update gehad, waardoor nu concrete oplossingen zijn te vinden voor knelpunten die door ondernemers op het meldpunt zijn aangegeven. Eind juli 2004 zijn de eerste resultaten van de werkgroep bekend. In het najaar van 2004 volgen aanbevelingen en een uitrol- strategie. Hierna zal de staatssecretaris de Tweede Kamer nader informeren.
    
AptrootDe evaluatie van de PBO's mede gebruiken om beleid te heroverwegen en een moratorium in te stellen voor het oprichten van nieuwe PBO's.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 12De Tweede Kamer is op 20 oktober 2003 door SZW geïnformeerd dat er een moratorium is ingesteld en dat volgend jaar herbezinning plaatsvindt (TK 2003–2004, 29 200 XIII nr. 25).
    
Aptroot c.s.Verzoekt de regering om de evaluatie van het EIM voor 1 juli 2004 te doen plaatsvinden. En daarna, indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, de subsidiering van het EIM te heroverwegen en de Kamer hierover te informeren.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 10Medio juli 2004 heeft de laatste vergadering van de EIM-evaluatiecommissie plaatsgevonden. Haar evaluatie en advies zijn vervol- gens aan de staatssecretaris voorge- legd. De staatssecretaris zal de Tweede Kamer voor de EZ-begro- tingsbehandeling informeren.
    
Aptroot c.s.Verzoekt de regering om het toerisme- en recreatiebeleid te heroverwegen in goed overleg met het bedrijfsleven en in dat kader inzichtelijk te maken tot welke resultaten de inzet van de door de overheid beschikbare middelen leidt, daarbij naast TRN ook de toekomst van de VVV's te betrekken.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 11In de Vernieuwde Toeristische Agenda (VTA) verwoordt de staatssecretaris het nieuwe toeristische beleid (TK 2003–2004, 26 419, nr. 11). In het prestatiecontract van EZ en het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (O/REB/Best 4043802.b21) zijn de gewenste resultaten van de inzet van het Rijk neergelegd. Met VVV-Nederland wordt nog gesproken over de toekomst. Resultaat wordt verwerkt in de aangekondigde VTA jaarraportage, die de staatssecretaris in december 2004 aan de Tweede Kamer zal zenden.
    
Aptroot cs.Verzoekt de regering een meer gericht MKB-beleid te voeren door de subsidieregelingen voor innovatie zo aan te passen dat de middelen toegankelijker worden voor het midden- en kleinbedrijf, hierbij expliciet de rol van het HBO betrekkend en subsidie mogelijk te maken voor zowel de onderzoeksfase als voor de uitvoeringsfaseTK, 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 9EZis bezig een meer MKB-gericht innovatie-beleid vorm te geven. Reeds in 2003 is gewerkt aan het MKB-vriendelijker maken van het subsidie-instrumentarium op het gebied van innovatie. Zie kamerstuk TK 2003–2004, 29 540, nr. 28. Deze ingezette trend zal daar waar moge- lijk worden doorgezet. Voorbeelden zijn de innovatievouchers en een onderzoek naar mogelijkheden van een SBIR-regeling. Het HBO wordt betrokken bij de pilot met innovatievouchers.
    
Aptroot en SmeetsNalevingskosten van wet- en regelgeving moeten worden gemeten en er moeten reductiedoelstellingen worden vastgesteld. Het kabinet wordt verzocht hiertoe binnen een half jaar voorstellen te doen (TK 2003–2004, 29 515, nr. 18).TK 2003–2004, 29 515, nr. 16De Tweede Kamer zal hier vóór januari 2005 over worden geïnformeerd.
    
Aptroot en SmeetsDe regering wordt verzocht zich hard te maken voor een coördinerend Europese Commissaris belast met AL en regelgeving en een Europees programma vermindering AL en regelgeving (TK 2003–2004, 29 515, nr. 19).TK 2003–2004, 29 515, nr. 16De Tweede Kamer zal hier in de tweede helft van 2004 over worden geïnformeerd.
    
AtsmaMotie om niet gebruikte lokale frequentieruimte te benutten voor vrije radio en radiopiraten d.m.v. zendvergunningenTK 2003–2004, 24 095, nr. 159Per brief is op 28 mei 2004 aan de Tweede Kamer gemeld dat de Minister EZ nog geen mogelijkheden ziet de motie uit te voeren. Eerst dienen de gevolgen voor het omroepbeleid in kaart te worden gebracht.
    
AtsmaMotie Atsma: de regering wordt verzocht op korte termijn in overleg te treden met de kabelsector ten- einde te komen tot de introductie van het vastrechtmodel als basis voor de tariefstructuurTK 2003–2004, 27 088, nr. 37De minister treedt in overleg met de kabelsector
    
AtsmaOpstellen van bijzonder afwegingskader voor sport t.a.v. mededin- gingrecht en, in afwachting van deze «status aparte», bij NMa aandringen op opschorting besluitvorming m.b.t. televisierechten.TK 2002–2003, 28 877, nr. 4De Tweede Kamer wordt geïnformeerd zodra een definitief Europees standpunt is ingenomen.
    
AtsmaVersteviging van de uitvoering van de Mededingingswet in relatie tot voorstellen voor uitbreiding van bevoegdheden van de NMa.TK 2002–2003, 28 244, nr.32Motie is meegenomen in het Kabi- netsstandpunt evaluatie Mededin- gingswet aan de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 272, nr. 1).
    
Bakker c.s.Verzoekt de film-cv-regeling op korte termijn te evalueren, zowel wat betreft het economisch effect, als wat betreft de culturele betekenis en vóór dat moment geen definitieve besluiten te nemen. En op Prinsjesdag 2003 duidelijkheid te scheppen omtrent de toekomst van de rege- ling ter stimulering van de Nederlandse speelfilm, in het licht van de resultaten van de evaluatie.TK 2002–2003, 28 880, 28 929, nr. 94Het evaluatierapport van de filmre- geling is op 17 september 2003 door de staatssecretarissen van EZ, OC&W en Financiën aan de Tweede Kamer gezonden (TK 2003- 2004, 25 434, nr. 18). Daarbij is tevens ingegaan op de beleidsmatige conclusies die het kabinet aan dit rapport verbindt.
    
BolhuisBij de evaluatie van de Mededin- gingswet, voorstellen doen tot aanscherping van deze wet m.b.t. opsporings- en sanctiemogelijkhe- den bij misbruik van economische machtspositie en/of feitelijk afge- stemde gedragingen.TK 2001–2002, 27 639, nr. 53De motie is meegenomen in het Kabinetsstandpunt evaluatie Mededingingswet aan de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 272, nr. 1).
    
BolhuisBij de evaluatie van de Mededin- gingswet een analyse geven over het waarborgen van het publiek belang, en het doen van voorstellen in relatie daartoe.TK 2001–2002, 27 639, nr. 54De motie Is meegenomen in het Kabinetsstandpunt evaluatie Mededingingswet aan de Tweede Kamer (TK 2003–2004, 29 272, nr. 1).
    
BrulsImplementeren van EU Richtlijn voor overheidsopdrachten voor 1.1.2005, zodat deelname voorbehouden kan worden aan sociale werkplaatsen.TK 2003–2004, 29 225, nr. 13Tweede Kamer wordt na zomerreces over uitvoering van deze motie geïnformeerd.
    
CroneMEZ komt voor 1 juni met een notitie over: 1) handhaving REB 36i of niet en 2) eisen van reciprociteit bij import van groencertificatenTK 2002–2003, 28 665, nr. 36De Tweede Kamer is op 16 september 2003 per brief geinformeerd (TK 2003–2004, 28 665, nr. 41)
Dam, vanSpam/opt-in regime ook voor zakelijke gebruikers laten geldenTK 2003–2004, 28 851, nr. 51VNO-NCW werkt hard aan een gedragscode B2B in dit verband. Wij wachten dit af tot na de zomer (september) en indien dan geen resultaat is bereikt dat voldoet aan de invulling van de motie van Van Dam zal een wetswijzigingtraject moeten worden opgestart.
    
Dam, van c.sVerzoekt de regering om de opvatting van de kamer (inzake software-octrooi) over te brengen aan de andere lidstaten; Verzoekt de regering om bij de verdere behande- ling van het Raadsvoorstel vanuit deze opvatting op te treden en om met ingang van heden haar steun aan het huidige Raadvoorstel te onthouden.TK, 2003–2004, 21 501–30, nr. 52Momenteel wordt gekeken hoe uitvoering te geven aan motie. Nederland zal bij formele aanname van richtlijntekst een verklaring toevoegen waarin Nederlands standpunt wordt toegelicht.
Dam, van cs.Verzoekt de regering een voorstel te doen om het fiscale instrumentarium ter bevordering van innovatie uit te breiden en extra uitgaven daarvoor te dekken uit het schrappen van subsidieregelingen en het besparen op de uitvoeringskostenTK, 2003–2004, 27 406, nr. 15Brief gestuurd aan Tweede Kamer (TK 2003–2004, 27 406, nr. 23)
    
Dam, van en DittrichVerzoekt de regering de Kamer een plan te presenteren waarin de rol van de overheid als «launching customer» inhoud wordt gegevenTK, 2003–2004, 27 406, nr. 16Wordt meegenomen in de industriebrief.
    
DittrichVerzoekt de regering om een over- zicht te geven van het tijdspad en de onderwerpen waarover het innova- tieplatform zal adviseren en de relevante nota's hierop af te stem- men, zonder dat dit leidt tot een onacceptabele vertraging.TK, 2003–2004, 27 406, nr. 19Zie kamerstuk Tweede Kamer, verga- derjaar 2003–2004, 27 406, nr. 26
    
Dittrich cs.Verzoekt de regering een analyse te maken van bovenstaande problematiek en voorstellen te presenteren voor een innovatiebeleid gericht op de dienstensectorTK, 2003–2004, 27 406, nr. 18Wordt meegenomen in de industriebrief
    
DoumaVerzoekt de regering de Kamer een voorstel te doen voor het beleid ten aanzien van de ondersteuning en verdere ontwikkeling van deze sterke netwerken van bedrijven en kennisinstellingen, ook wel aangeduid als «backing winners»TK, 2003–2004, 27 406, nr. 17Backing winners is een van de pijlers van de Innovatiebrief. Zie kamerstuk, TK 2003–2004, 27 406, nr. 4, en wordt verder uitgewerkt in Industriebrief
    
GerkensVerzoekt de regering, een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden en de kosten van het gebruik van draadloze technologieën als optie voor de aansluiting van de eindge- bruiker, en verzoekt de resultaten van dit onderzoek naar de Kamer te zendenTK 2003–2004, 24 095, nr. 165Bij brief van 1 juli 2004 is de Kamer geïnformeerd over de huidige stand van zaken met betrekking tot het onderzoek naar de marktpotentie van het gebruik van LMDS-frequenties.
    
GerkensVerzoek om voor 1 december onderzoeksresultaten van NMa en OPTA m.b.t. de kabel, aan de kamer toe te sturenTK 2003–2004, 27 088, nr. 33Voor 1 december wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over onderzoeksresultaten.
    
Gerkensbevorderen dat, cf. EC Richtsnoer, er beleidsregel komt met uitleg over voorwaarden voor uitzonderingspositie.TK 2003–2004, 29 276, nr. 20Het overzetten van de bekendmaking art. 81 lid 3 met als doel het bieden van houvast mbt toepassing 6 lid 3 voor het bedrijfsleven is in voorbereiding.
    
GiskesVerzoekt de regering om de inleiding in het ondernemen vast onderdeel te maken van het economieonderwijs op middelbare scholen.TK, 2002–2003, 28 600 XIII, nr. 35Wordt uitgewerkt in het actieprogramma «Ondernemerschap en Onderwijs», (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 54.)
    
Haan, deVerzoek aan de regering om via de Europese raad weeffout in de richtlijn te herstellen zodat geen octrooi kan worden verleend op (delen van) het menselijk lichaamTK, 2001–2002, 26 568, nr. 35Het standpunt over deze motie is in februari 2004 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2003/04, 26 568 (R 1638) nr. 45).
    
HeemskerkInventariseren van positionering, juridische instrumenten en kosten en baten van toezichthouders. Innemen van een helder standpunt over de functie en verantwoordeljkheden van (bestaande) toezichthouders.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 5Inventarisatie is op 29 juni 2004 aan de Tweede Kamer gestuurd. (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 50).
    
Hessels cs.1) Instrumentarium voor stimulering van innovatieactiviteiten in zijn geheel opnieuw te bezien op basis van een viertal ijkpunten. 2) Te komen tot een overzichtelijke regeling gebaseerd op het gericht bereiken van de Lissabondoelstellin- gen en daarmee de verbetering van de arbeidsproductiviteit van het Nederlands bedrijfsleven.TK 2002–2003 28 600 XIII, nr. 28Meegenomen in de brief «In actie voor Innovatie». Zie kamerstuk, Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 27 406, nr. 4,
    
Hessels cs.Verzoekt de regering vóór de behandelingen van de begrotingen van de ministeries van Financiën en Economische Zaken over 2005 een overzicht aan de Kamer te doen toekomen, waarin per op innovatie gerichte subsidie- en belastingregeling de rentabiliteit wordt toegelichtTK, 2003–2004, 27 406, nr. 13De Kamer krijgt voor de behandeling van de begroting 2005 van het ministerie van Economische Zaken het gevraagde overzicht.
    
Hessels cs.Verzoekt de regering in het innovatiebeleid meer aandacht te schenken aan de kennistransfer tussen kleine en middelgrote ondernemingen en mbo/hbo-instellingenTK, 2003–2004, 27 406, nr. 14Wordt beschouwd als ondersteuning van het beleid.
    
Hoopen, tenOp kortst mogelijke termijn komen met een voorstel tot wijziging gaswet gebaseerd op uitgangspunten (mn voldoende bevoegdheden om publiek belangen te kunnen borgen) en dit naar de Tweede Kamer te sturen.TK 2002–2003, 28 600-XIII, nr. 26Motie is besproken tijdens de behan- deling van de VROM begroting. In 2005 komt er een EPR met een budget van 20 mln. Daarvan wordt 13 mln. besteed aan Gebouwgebonden Duurzame energie, de rest aan subsidiering van het Energie Presta- tie Advies. Van Geel zal de Kamer informeren over de vorderingen.
    
Hoopen, ten c.s.Verzoekt de regering om de wetgeving zodanig te wijzigen dat bedrijfspanden niet door krakers kunnen worden bewoond. Daarnaast wordt de regering verzocht een effectieve regeling op te zetten voor het verhalen van de kosten en schade.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 6De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer in een brief van 6 juli een reactie gegeven (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 53). Daarbij heeft ze aangegeven dat zij binnenkort een handleiding zal publiceren over de wijze waarop bedrijven kunnen omgaan met de problematiek van het kraken.
    
Hoopen, ten c.s.Verzoekt het kabinet om voor 1 januari 2004 drie projecten te benoemen die, op basis van PPS-financiering, een nieuwe impuls geven aan de Nederlandse econo- mie en de Kamer voor 1 juni 2004 te informeren over de voortgang.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 7Op 20 februari heeft de minister in een brief (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 43) aangegeven dat hij met de minister van V&W heeft afgesproken dat de beantwoording van de Motie Ten Hoopen c.s. (TK 2003–2004 29 200 XIII, nr. 7) samen wordt genomen met de Motie Hofstra c.s. (TK 2003–2004, 29 200 XII, nr. 38). Vervolgens heeft de staatssecretaris tijdens het Algemeen Overleg op 9 juni 2004 over het EZ-Financieel Jaarverslag 2003 aangegeven, dat de minister van V&W de gehele beant- woording van beide moties voor haar rekening zal nemen.
    
Hoopen, ten c.s.Verzoekt het kabinet om een visie te ontwikkelen op de positie en rol van familiebedrijven.TK 2002–2003, 28 600 XIII, nr 25De motie is meegenomen bij de beleidsbrief «In actie voor ondernemers!» die de staatssecretaris op 8 december 2003 aan de Tweede Kamer heeft gezonden (TK 2003–2004, 29 200-XIII, nr. 36).
    
Hoopen, ten c.s.Verzoekt het kabinet om specifieke aandacht te besteden aan deeltijdontslag, reserveren voor ontslagkosten en successiewetgeving.TK 2002–2003, 28 600 XIII, nr. 25De motie is meegenomen bij de beleidsbrief «In actie voor ondernemers!» die de staatssecretaris op 8 december 2003 aan de Tweede Kamer heeft gezonden (TK 2003–2004, 29 200-XIII, nr. 36).
    
Kortenhorst, Snijder-HazelhoffVerzoekt de regering naar middelen te zoeken, binnen de door de EU geboden ruimte, voor het nemen van maatregelen om een level playing field te handhaven.TK 2003–2004, 29 505, nr. 7Het kabinet heeft in het kader van de Voorjaarsnota besloten € 70 mln. voor de scheepsbouw ter beschikking te stellen. Op 16 april 2004 heeft de Minister de Tweede Kamer hierover een brief gezonden (TK 2003–2004, 29 505, nr. 6).
    
Kortenhorst, Snijder-HazelhoffVerzoekt de regering om op uiterlijk 1 februari 2004 aan te geven hoe naar een opzet voor een financie- ringsfaciliteit voor de Nederlandse scheepsbouw wordt gewerkt.TK 2003–2004, 21 501–30, nr. 32De minister heeft de Tweede Kamer in een brief van 2 februari 2004 een reactie gegeven, waarbij hij is inge- gaan op de financieringsproblema- tiek in de scheepsbouwsector (TK 2003–2004, 21 503–30, nr. 34).
    
Krom, de/HesselsOnderzoeken op welke wijze de duurzameenergie-doelstelling zo kostenefficiënt mogelijk kunnen worden behaald. Daartoe de kosten en baten van WOS afzetten tegen alternatieve vormen van duurzame energie. Voor elk van alternatieven in kaart brengen wat de consequenties zijn voor rentabiliteit, VZZH, milieu en RO alvorens wordt besloten tot verdere uitbouw van WOSTK 2003–2004, 29 575, nr. 2Aangenomen, afronding is voorzien einde eerste kwartaal 2005
    
Krom, de/HesselsHet bieden van inzicht in de kosten van wind op zeeTK 2003–2004, 28 241/25 026, nr. 14Is afgedaan middels aanbieding rapport Innovatie in het energiebeleid op 29 april 2004
    
Krom, de/SpiesVerdeling middelen over het energie-onderzoekTK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 41Is afgedaan middels aanbieding rapport Innovatie in het energiebeleid op 29 april 2004
Laan, van derUiterlijk 31 oktober inzicht verschaffen in de mogelijkheden om de financiele steun aan zonne-energie via de EPR intact te laten danwel alternatieven hiervoor aan te dragenTK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 12Motie is aangehouden en onder de aandacht van Staatssecretaris Van Geel gebracht. EPR voor zonne-energie is aan de orde geweest bij behandeling VROM-begroting (Kamerstukken II, 2003–2004, Handelingen, nr. 24, pag. 1643–1660).
    
Laan, van der cs.Verzoekt het kabinet de middelen voor onderzoek en innovatie aan te wenden in lijn met de nog op te stellen integrale kennis- en innova- tiestrategie (door het innovatieplatform) zonder dat vertraging optreedt in de implementatie van de door het kabinet gewenste prioritei- ten, alsmede deze strategie zo snel mogelijk aan de Kamer te doen toekomenTK, 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 13IP heeft over de invulling van de totale Smart Mix een advies gegeven. Zie TK 2003–2004, 27 406, nr. 26
    
Netelenbos cs.1) Subsidietrajecten terugbrengen tot enkele grote subsidietrajecten 2) Kenniscentra en intermediaire organisaties overeenkomstig stroomlijnenTK 2002–2003 28 600 XIII, nr. 21Meegenomen in de brief «In actie voor Innovatie». Zie kamerstuk, Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 27 406, nr. 4,
    
Samson/Vendrikactieplan duurzame energie technologie in NederlandTK 2003–2004, 28 241/25 026, nr. 10Is afgedaan middels aanbieding rapport Innovatie in het energiebeleid op 29 april 2004
    
Slob c.s.Verzoekt de regering om een Indus- triebrief uit te brengen waarin per industriële sector aandacht wordt besteed aan de kansen en bedreigingen en hoe hierop door de overheid in samenwerking met bedrijfsleven en de kennisinstellingen zal worden ingespeeld.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 15Naar verwachting zal het kabinet de Industriebrief eind augustus/begin september 2004 aan de Tweede Kamer zenden.
    
Slob c.s.Verzoekt de regering om zich in te spannen ook na 2006 de uitvoering van de Langman-afspraken met de drie noordelijke provincies in financiële zin mogelijk te maken.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 16De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer in een brief van 17 oktober 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 23)) geïnformeerd over de positie van het kabinet: nu geen besluiten over de financiën na 2006. Eerst worden het IBO, GEP en de discussie over structuurfondsen afgewacht. Het IBO Regionaal Economisch Beleid en GEP («Pieken in de Delta») zijn op 12 juli naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2003–2004, 29 697, nr. 1). In 2005 neemt het kabinet een besluit.
    
StellingwerfVoorstellen in EG-verband doen over wijziging richtlijn, zodat menselijke lichaamsdelen zoals gensequenties niet octrooieerbaar zijnTK, 2001–2002, 26 568, nr. 33Het standpunt over deze motie is in februari 2004 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2003/04, 26 568 (R 1638) nr. 45).
    
VendrikVerzoekt de regering om haar ambitie van 2% van de jaarverslagen over MVO in 2002 opwaarts bij te stellen.TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 12Deze motie is n.a.v. het AO over MVO op 19 december 2001 voorgelegd aan de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ). Het adviestraject van de Raad voor de Jaarverslaglegging is eind 2003 afgerond, d.m.v. een brief aan de Tweede Kamer d.d. 7 oktober 2003 (TK 2003–2004, 26 485, nr. 23).Vanaf 2005 wordt de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van maatschappelijke jaarverslaglegging gebenchmarkt.
    
VosOntwikkel een TTI Duurzame (Energie) TechnologieTK 2003–2004, 27 406, nr. 20Ingelost met Kabinetsstandpunt op het rapport Commissie Wijfels
    
Vroonhoven-Kokanalyse werkverhoudingen NMa en Belastingdienst.TK 2003–2004, 28 244, nr. 75De Tweede Kamer is, mede namens de Staatssecretarisvan Financiën, schriftelijk geïnformeerd dat de motie voor het eind van het zomerreces uitgevoerd wordt. (TK2003–2004, 28 244, nr. 80)
    
Vroonhoven-Kok en Dezentjé Hammingverzoekt de regering de toegankelijkheid van de WBSO-regeling te bevorderen door te snijden in de aanvullende regels die gemoeid zijn met het aanvragen en genieten van de regeling.TK, 2003–2004, 29 210, nr. 84Beantwoording van de motie wordt meegenomen in de werkgroep «stroomlijning WBSO»

Toezeggingen

ToezeggingVindplaatsStand van zaken
Bezien of een Dutch Trade Board ingesteld kan worden (publiek-private samenwerking op het gebied van handelsbevordering)TK 2003–2004, 29 200 XIII nr. 41De Tweede Kamer zal dit najaar geïnformeerd worden over de uitwerking van een Dutch Trade Board.
   
Meldplicht invoeren voor doorverkoop van goederen waarop een catch all beschikking ligt;TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 49Invoering meldplicht is voorzien rond oktober.
   
Het verlenen van technische assistentie ook onder meenemen bij de herziening van de In- en Uitvoerwet;TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 49Herziening van de In- en Uitvoerwet loopt.; Inwerkingtreding is voorzien voor januari 2006.
   
Bezien hoe informatie over dual use-vergunningen transparanter kan worden gepresenteerd.TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr.49Streven is om dit najaar e.e.a. te operationaliseren
   
Uitvoeren van een «economic impact study» naar gevolgen van wapenexportbeleid voor defensie-industrie;TK 2003–2004, 22 054 nr. 79, TK 2003–2004, VAO d.d. 2 december 2003 nr. 31, blz. 2182–2185.Jaarrapportage compensatiebeleid 2002–2003. (verstuurd aan de Kamer op 16 juli 2004) gaat beknopt in op de door de Nederlandse defensie-industrie ervaren effecten van het wapenexportbeleid.;
   
Verstrekken van overzicht van alle uitvoervergunningen over periode 2000-heden;TK 2003–2004, 22 054 nr. 79, TK 2003–2004, VAO d.d. 2 december 2003 nr 31, blz. 2182–2185.Voorzien is dat in september-oktober een website de lucht in zal gaan met een overzicht van alle uitvoervergunningen over periode 2000-heden.
   
Meldplicht naar doorvoer uitbreiden naar álle militaire goederen van het In; en Uitvoerbesluit.TK 2003–2004, 22 054 nr. 79, TK 2003–2004, VAO d.d. 2 december 2003 nr. 31, blz. 2182–2185.Naar verwachting zal de AMvB voor de verbreding van de meldplicht rond oktober van kracht kunnen worden.
   
De regering zal vergunningverlenende instanties in het buitenland nader informeren over de Nederlandse doorvoerregelingTK 2002–2003, 22 054, nr. 66Evaluatie van de doorvoerregeling is in juli 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd. Na overleg met de Kamer wordt de regeling nu aangepast. Daarna zullen buitenlandse instanties geïnformeerd worden.
   
Doorvoer militaire goederen betrekken bij jaarrapportage 2002.TK 2001–2002, 22 054, nr. 61Is gebeurd bij laatste jaarrapportage. TK 2003–2004, 22 054, nr. 74
   
Bezien waar mogelijk de subcategorieën A10 en B10 bij wapenexportbeleid op te splitsen dan wel te specificeren zijn.TK 2001–2002, 22 504, nr. 61Is gebeurd bij laatste jaarrapportage. TK 2003–2004, 22 054, nr. 74
   
Beleidsregel voorrang gastransport artikel 51a GaswetEK 2002–2003, 28 174, nr. 110bIn plaats van beleidsregels is besloten een wetswijziging door te voeren op dit onderwerp. Deze wetswijziging is gerealiseerd in de I&I-wet die op 14 juli 2004 werd gepubliceerd in het Staatsblad.
   
De interventiewet wordt met grote spoed voorbereid en voorgelegd aan de MinisterraadEK 2002–2003, 28 174, nr. 110cDe I&I-wet is op 15 december 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2003–2004, 29 372 nr. 1) en op 29 juni 2004 door de EK aangenomen. Op 14 juli 2004 is de wet gepubliceerd in het Staatsblad
   
In de interventiewet wordt het amendement Kortenhorst op de OEPS – dat ziet op de relatie BW en de Gas en Elektriciteitswet gecorrigeerdEK 2002–2003, 28 174, nr. 110cDe I&I-wet is op 15 december 2003 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2003–2004, 29 372 nr. 1) en op 29 juni 2004 door de EK aangenomen. Op 14 juli 2004 is de wet gepubliceerd in het Staatsblad
   
Bij de vaststelling van de subsidiebedragen MEP voor 2006 zal een voorstel worden gedaan voor het aantal jaren zekerheid voor grootschalige verwerking van zuivere biomassa. Tevens wordt bezien welke rende- mentseis en welk subsidiebedrag nodig zijn om zoveel mogelijk duurzame elektriciteit uit afval op te wekken.HEK 2002–2003 26 793Opdracht voor onderbouwing subsidiebedra- gen 2e helft 2006 aan ECN gegeven. Op basis daarvan zal voorstel voor aantal jaren zeker- heid worden gedaan. Dit voorstel is meege- nomen in de MEP-evaluatiebrief
   
De heer Hofstede heeft over de vissterfte gesproken. Ik zou hem graag willen toezeggen dat ik op korte termijn in overleg treed met exploitanten van waterkrachtcentrales en andere betrokken partijen.HEK 2002–2003 26 793De Tweede Kamer is door de minister van LNV, mede namens de Staatssecretaris van V en W en de minister van EZ, per brief van 11 november 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XIV, nr. 54) geinformeerd over de voortgang van het overleg en het vervolg. De toezegging is hiermee afgehandeld.
   
Extra aandacht voor de Europese groene markt op de agenda zetten.HEK 2002–2003, 26 793Maakt deel uit van voorzitterschapsprioriteit Duurzame Energie
   
MEP. De subsidiebedragen voor 2004 en 2005 zullen nog dit jaar worden bekendgemaakt. Het streven is om in de daaropvolgende jaren de subsidies anderhalf jaar van te voren bekend te maken. Bezien of een versnelling van de bekendmaking van de bedragen voor 2006 en verdere jaren mogelijk is.HEK 2002–2003, 26 793Per brief van 23 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 665, nr. 42) is het voorstel voor de subsi- dietarieven voor MEPduurzame energie in 2004 en 2005 en WKK in 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd en goedgekeurd. De defini- tieve subsidietarieven 2004–2005 zijn vervol- gens op 29 dec. 2003 in de Staatscourant gepubliceerd. De subsidietarieven voor de eerste helft van 2006 zijn na goedkeuring door de TK op 7 juli 2004 in de Staatscourant gepubliceerd. De subsidietarieven voor de tweede helft van 2006 en voor 2007 worden, voor zover mogelijk met medeneming van de resultaten van de tussenevaluatie, in het najaar van 2004 voor goedkeuring naar de Tweede kamer gezonden.
   
Blijven monitoren van de effecten van de systematiek van de vollasturen. Als de effecten bij de monitoring anders zijn – op een jaarlijkse basis en niet alleen maar één keer – dan zal de noodzakelijke aanpassing plaats- vinden. In het kader van de monitoring bijzonder aandacht schenken aan de ontwik- keling van het nominaal vermogen in relatie tot de specifieke opbrengst. Monitoring wordt toegezonden aan de Kamer.HEK 2002–2003, 26 793Vollasturensytematiek wordt bij de eerste evaluatie van MEP meegenomen. Zie toezegging TK 2002–2003, 28 665, nr. 27. Is in brief tussenevaluatie MEPmeegenomen.
   
Operationeel hebben van mechanische WKK uiterlijk op 1 januari. De hiermee samenhangende meeteisen lopen gelijk mee met de meeteisen voor de toepassing van de CO-2-index. HEK 2002–2003, 27 815Is meegenomen en vastgelegd in de MR kooldioxide index warmtekrachtkoppeling, die per 1-7-04 in werking is getreden.
   
AmvB permanent vergunningsstelsel levering gasHTK 1999–2000, 63 4424, gas: staatsblad 2003, 234; electriciteit: staatsblad 2003, 207art.45-AMvB staat in Staatscourant. Vergunningen kunnen worden aangevraagd; verbod op gaslevering aan kleinverbruikers zonder deze vergunning is van kracht vanaf 1 juli 2004, datum marktopening. Voor Elektri- citeit is de beleidsregel ingetrokken en is een art. 95-AMvB van kracht
   
Opstellen beleidsnota over beschikbaarheid van tot 2010HTK 2000–2001, 29 2519In het actieplan Biomassa (TK 2003–2004, 28 241, nr. 7) is hierp ingegaan; in principe is er tot en met 2010 voldoende aanbod van bio- massa in Nederland.
   
Toezicht en investeringsklimaat energie: regeling straffen en belonen kwaliteit netwerken, monitoring energiemarkt uitbreiden, maatregelen om investeringen in productiecapaciteit te stimuleren en snellere en betere storingsregistratie. Scherpere unbundling energiesector.HTK 2003–2004, nr. 10, pag. 493–514; HTK 2003–2004, nr. 11, pag. 578–617Monitoring uitbreiden en maatregelen om investeringen in productiecapaciteit te stimu- leren. Deze toezegging bestaat uit drie delen: het netwerkdeel is ingelost via I&I-wet. Deel productiecapaciteit is ingelost via toezegging 38. Unbundlingsdeel is ingelost via kamerbrief van 31 maart (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 18) en de daaruit voortvloeiende acties en is meegenomen in de I&I-wet die op 14 juli is gepubliceerd in het Staatsblad
   
Omstreeks de jaarwisseling wordt de integrale visie op privatisering van energienetwerken naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierbij wordt ingegaan op zowel de private als publieke belangen.HTK 2003–2004, nr. 10, pag. 493–514; HTK 2003–2004, nr. 11, pag. 578–617Deze toezegging is afgehandeld middels de Kamerbrief van 31 maart 2004 (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 18)
   
Bij een volgend overleg met de Tweede Kamer een overzicht van de stand van zaken over liberalisering en privatisering in andere lidstaten presenteren.HTK 2003–2004, nr. 10, pag. 493–514; HTK 2003–2004, nr. 11, pag. 578–617Is dezelfde toezegging als gedaan tijdens AO Energievoorziening en leveringszekerheid 1/10/03 (nr. 37) Deloitte & Touche rapport heeft als input gediend voor de privatise- ringsbrief die 31 maart is uitgegaan naar de TK (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 18)
   
Evaluatietermijn besluit leveringszekerheid Gaswet verkort tot 2,5 jaar (was oorspronkelijk 5 jaar)HTK 2003–2004, nr. 78 pag. 5053–5075Besluit wordt januari 2007 geëvalueerd
   
Off-shore windproject van E-connection kan eventueel een bijdrage krijgen voor monitoring van natuur, milieu en veiligheidsaspecten.HTK 27 041 nr. 6Toezegging betrof bijdrage voor onderdelen die buiten de vergunning vallen. Nu is gehele monitoring en evaluatieprogramma onder- deel van de vergunning. EZ financiert gedeelte voor NSW; V&W doet dit voor de nulmeting mbt Q7.
   
Kamer inlichten over de mogelijke effecten op de groenstroommarkt als gevolg van volle- dige afschaffing van de REB 36i per 2005, alsmede aangeven hoe een soepele overgang van vraag- naar aanbodstimulering is te waarborgen, in de zin dat negatieve effecten op de groenestroommarkt zoveel mogelijk beperkt worden.motie nr. 87 uit de behandeling van het belastingplan, dossier 29 210.TK 2003–2004,TK 23–1557 (12–11–2003)Is meegenomen bij Tussenevaluatie MEP; (verschijnt na de zomerreces van 2004)
   
TK periodiek informeren over stand van zaken rond vervroegde liberaliseringTK 1999–2000, 26 898, nr. 7;TK 2002–2003, 28 174, nr.54Liberaliseringsdatum is verschoven van 1/1/04 naar 1/7/04. Er is op 28 november 2003 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2002–2003, 28 982, nr. 9) Verder nog brieven op: 6 november 2003, 12 november 2003, 6 januari 2004, 3 maart 2004, 15 maart 2004, 5 april 2004, 13 april 2004, 23 april 2004, 29 april 2004, 26 mei 2004. Resp. Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 5, 7, 13, 16, 17, 19, 21, 22,24 en 26)
   
De Tweede Kamer nader informeren over werkwijze Dte bij first-mover – problematiekTK 2000–2001, 25 097, nr. 52Is meegenomen in de vastgestelde tarievencode van de Dte dd. 16/12/2003, 100 804/134.
   
Versterking toezicht door EC naleving voorraadverplichtingTK 2000–2001, 27 170, nr. 188d. De verwachting is dat de EC het voorstel gaat intrekken. Dit wordt door NL geagendeerd tijdens de High Level van 21 september a.s.
   
Energierapport: terugkomen op mogelijkheden om CO2-index te gebruiken om duurzame energie te stimuleren.TK 2001–2002, 25 097 en 26 898De regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling is van kracht vanaf 1-7-04. In het kader van de tussenevaluatie van de MEP, wordt in het najaar van 2004 bezien of CO2- index bruikbaar is voor duurzameenergie-toepassingen.
   
Informeren bij LNV naar evt. problemen t.a.v. afval en mineralenbeleid bij duurzaam geproduceerd gas (bijv. stortgas).TK 2001–2002, 25 097 en 26 898 nr. 55In het actieplan Biomassa (TK 2003–2004, 28 241, nr. 7) is aangegeven dat er een werk- groep van deskundigen, met daarin VROM, LNV, Expertisecentrum LNV, NOVEM, PDE, PBE en EZ, is gestart met de inventarisatie van knelpunten rondom co-vergisten in relatie tot de mestwetgeving in Nederland. Indien er aanleiding is het beleid aan te passen, zal LNV i.s.m. VROM en EZ een beleidsbrief opstellen.
   
MAP: De Tweede Kamer zal z.s.m. worden geinformeerd over de resultaten van het rechtmatigheidsonderzoek 1997–2000.TK 2002–2003, 28 153, nr. 3De Kamer is hier inmiddels over geinformeerd.
   
Eind 2003 evaluatie van de effecten van de MEP naar de Tweede Kamer sturen, waaronder in ieder geval ingegaan wordt op de effecten van MEP op investeringsbeslissingenTK 2002–2003, 28 665, nr. 27Het eindrapport is per brief aan TK aangeboden in augustus 2004.
   
Grootschalige campagne liberaliseringTK 2002–2003, 28 241, nr 5Eind 2003 is de website «Kiesenergie.nl» in de lucht gegaan. In het najaar 2003 zijn ook de TV- en radiocommercials voor MKB van start gegaan, in het voorjaar gevolgd door commercials voor de consumenten. Tevens zijn er advertenties in dagbladen geplaatst en is er een huis-aan-huiskrant bezorgd. Ook hebben er MKB roadshows' plaatsgevonden teneinde de MKB afdoende te informeren over de marktopening.
   
In toegezegde brief over leveringszekerheid begin 2003 wordt ook ingegaan op kwaliteit samenwerking toezichthoudersTK 2002–2003, 28 388, nr. 3De brief (TK 2003–2004, 29 023, nr.) is op 03-09-2003 verstuurd aan de Tweede Kamer.
   
Beleidsregels toegang interconnector voorleggen aan de TKTK 2002–2003, 28 388, nr. 3Na de zomer 2004 gaat er een brief naar TK over algemeen interconnectiebeleid. Er is een Europees crossborder verordening die in werking treedt. Deze verordening geeft algemene richtlijnen voor interconnectiebeleid waardoor de beleidsregel waarschijnlijk niet meer nodig is. Dit is onderdeel geworden van de leveringszekerheidbrief die 9 juni naar de TK is verzonden en tijdens het AO op 30 juni is besproken.
   
De minister bereidt wetgeving voor over warmtelevering (gecoordineerd met het initiatief wetsvoorstel van Ten Hoopen).TK 2002–2003, 29 048, nr. 2 en nr. 3, TK 2003–2004, 29 048, nr. 4 en nr. 5Na advisering door de RvS op het CDA initiatief wetsvoorstel ligt er thans een Nota van Wijziging. Kamerleden konden tot 1 juli hun inbreng leveren. Overleg van EZ met het CDA zal gepland worden.
   
Aanbod om met de vaste commissie te overleggen over energiebeleid en de Ruslanddialoog (vaste commissie gaat eind augustus op werkbezoek naar Rusland)TK 2003–2004, 21 501-33 22 112 nr. 61)Gedachtenwisseling zal plaatsvinden tijdens het AO ter voorbereiding van de VTE-raad 29 november. Dan zal ook de Ruslandtop hebben plaatsgevonden.
   
Informeren van de Kamer over de voortgang van de energietransitie en daarbij ook de samenhang met het huidige beleid voor duurzame energie, energiebesparing en innovatieTK 2003–2004, 28 241 nr. 8Rapport is aangeboden aan de Kamer met brief ME/ESV/4027912 op 29 april 2004; (Kamerstukken 2003–2004, 29 575 nr. 1)
   
Inzicht in de wijze waarop duurzame energie wordt bevorderd, incl. begrotingstechnische cijfers en rentabiliteit van windmolens a.g.v. 36i operatieTK 2003–2004, 28 782, nr. 15Per brief van 24 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 782, nr. 16) zijn de vragen uit het wetge- vingsoverleg beantwoord.
   
Brief aan de Kamer over de problematiek van windmolens op zee, incl. de vergunningprocedures, RO-systematieken etc. Daarnaast zal in de herfstreces-brief ook ingegaan worden op wat we gaan doen voor wind op land.TK 2003–2004, 28 782, nr. 15Per brief van 24 oktober 2003, de zogenaamde herftsrecesbrief (TK 2003–2004, 28 782, nr. 16) is ingegaan op wind op land. Per brief van 28 oktober 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 29) is ingegaan op het interim-beleid wind offshore.
   
Verzending MEP-tarieven 2004/2005 voor 15–10 en interimregeling windTK 2003–2004, 28 782, nr. 15Per brief van 23 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 665, nr. 42) is het voorstel voor de subsi- dietarieven voor MEPduurzame energie in 2004 en 2005 en WKK in 2004 naar de Tweede Kamer gestuurd. Per brief van 28 oktober 2003 (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 29) is ingegaan op het interim-beleid wind offshore.
   
Nadere cijfermatige verklaring van de verhouding van de kosten verbonden aan wind- en biomassa energie, tot de kosten die zijn verbonden aan zonne-energie, waar een factor tien wordt verondersteldTK 2003–2004, 28 782, nr. 15Per brief van 24 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 782, nr. 16) zijn de vragen uit het wetgevingsoverleg beantwoord.
   
T.a.v. structuur energiedistributie: komt de minister met een overzicht van de situatie in de overige lidstatenTK 2003–2004, 28 982, nr. 6Deloitte & Touche rapport is op 3 november 2003 (ME/EM/3058097) aan de Kamer gestuurd en heeft als input gediend voor de privatiseringsbrief die 31 maart is uitgegaan naar de TK (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 18)
   
Voor 1 juli 2004 komt de minister met een brief over de piekcapaciteitTK 2003–2004, 28 982, nr. 6Dit is onderdeel geworden van de brief «leveringszekerheid in een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt» die 9 juni naar de TK is verzonden en tijdens het AO op 30 juni is besproken (Kamerstukken 2003–2004, 29 023, nr. 4)
   
Z.s.m. zal coordinatievraagstuk over de verantwoordelijkheid van kabels onder de grond naar de Kamer komenTK 2003–2004, 28 982, nr. 6Na de zomer 2004 wordt de TK geïnformeerd
   
Onderzoek Berenschot naar o.a. klachten van de consument over klachtenafhandeling DteTK 2003–2004, 28 982, nr. 6Het rapport is op 14 november 2003 naar de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr. 8)
   
Toezending ontwerp-besluit leveringszekerheid gaswet aan Raad van StateTK 2003–2004, 29 023 nr. 2Ontwerp-besluit is inmiddels definitief besluit geworden (Staatsblad 2004, 170).
   
Duurzame ontwikkeling zal tijdens het Eurekavoorzitterschap van Nederland (2e helft 2004–1e helft 2005) op de agenda komen.TK 2003–2004, 29 200 XI, nr. 106Tijdens het NL Eureka-voorzitterschap wor- den drie brockerages op gebied van automo- tiv, duurzame energie en witte biotechnologie. Dit zijn internationale evenementen die tot doel hebben bedrijven met elkaar in contact te brengen ten einde te komen tot projectgeneraties.
   
Evaluatie van de MEP in juli naar de KamerTK 2003–2004, 29 540 nr. 113Aangeboden aan de Kamer in augustus
   
Fraude bij windenergie: met stas Wijn de Kamer z.s.m. informeren over berichten over mogelijke fraudeTK 2003–2004, 29 540 nr. 113;Daar het vooral de belastingtechnische kant van de EIA betreft, ligt het voortouw bij Financien. Er zijn inmiddels schriftelijke vragen gesteld door de Kamerleden Samson en Heemskerk. Financien heeft de lead in beantwoording ervan.
   
Cijfers MEP n.a.v. vragen Hessels/CDA (huidige budgettaire plaatje)TK 2003–2004, 29 575 nr. 3Is meegenomen bij Tussenevaluatie MEP(verschijnt na de zomer van 2004)
   
Stavaza evt. speciale categorie Buggenum in MEP, Hessels/CDA.TK 2003–2004, 29 575 nr. 3Is meegenomen bij Tussenevaluatie MEP (verschijnt na de zomerreces van 2004)
   
Tussenevaluatie MEP gaat na vakantie van MEZ naar de TK dus na eind juliTK 2003–2004, 29 575 nr. 3Tussenevaluatie verschijnt na de zomerreces van 2004
   
Concreet maken van MEP subsidiebedragen DE in 1e helft 2006, deze blijven gelijk omdat kostenstijgingen en dalingen in balans zijnTK 2003–2004, 29 575 nr. 3Is meegenomen bij Tussenevaluatie MEP; (verschijnt na de zomerreces van 2004)
   
Brief over zon-pv, plannen, vooruitzichten, rentabiliteit t.o.v. windenergie etc.TK 2003–2004, 29 575 nr. 3Brief in voorbereiding. Verschijnt in oktober 2004.
   
Kabinet reageert op advies van de AER-VROM-raad over transitie, bij voorkeur bij begroting EZ ( maar is afhankelijk van uitbrengen van het advies).TK 2003–2004, 29 575 nr. 3Advies AER-VROM-raad nog niet ontvangen
   
Import groene stroom, (wat was import voorheen en wat is het nu; hoe is toezicht op groene stroommarkt nu geregeld, stroometikettering).TK 2003–2004, 29 575 nr. 3;Is meegenomen bij Tussenevaluatie MEP; (verschijnt na de zomerreces van 2004)
   
Uitstel AmvB's van marktopeningsdatum z.s.m. na zomerreces naar TK (voorhang)AO liberalisering 19/06/03 (28 982, nr. 4)Er is een wijzigingswet gestuurd naar de Eerste Kamer op 8 september 2003 (EK 29044305/1) AmvB is op 23 december in het Staatsblad gepubliceerd.
   
De vraag over het kolenconvenant + RIVM wordt schriftelijk beantwoordAO Energievoorziening en leveringszekerheid01/10/03Bezien wordt of deze vraag door VROM kan worden beantwoord.
   
De minister informeert de Kamer eind december over de voortgang die distributiebedrijven maken om hun facturering op orde te brengenAO Energievoorziening en leveringszekerheid01/10/03De Tweede Kamer is geinformeerd bij brief van 6 januari 2004 (TK 2003–2004, 28 982, nr. 13)
   
Hoeveel geld investeren wij in het bevorderen van de technologie. Bij de eerste evaluatie van de MEP (2004), kunnen wij die balans bestu- deren. Ondertussen zullen wij met het Innovatieplatform aan de gang gaan. Innovatie in relatie tot duurzaamWGO 06-10-03Dit is opgenomen in de Herfstrecesbrief (TK 2003–2004, 28 782 nr. 16
   
Minister zal kijken hoe de transparantie nader kan worden bevorderd door streefcijfers, plannen en de jaarlijkse op het vlak van energie en van energiebesparing gezette stappen op een meer gestructureerde wijze in de begroting van EZ op te nemen, zodat we weten hoe we ervoor staan. VBTB vraag.WGO 06-10-03in huidige begroting verwerkt
   
De minister komt in september met een brief, waarin hij op het volgende ingaat: a) wat zijn call options precies en waarom kiest de minister daar niet voor?, b) wat vindt de minister van reactie TU-Delft dat de cijfers van Tennet over de beschikbaarheid van decentraal vermogen niet juist zijn, c) wat is de import/exportsituatie in de andere EU-lidsta- ten, en d) welke mate van zelfvoorziening is volgens de minister tenminste nodig?AO liquiditeit 30-6-2004In september wordt een rapportage hierover aan de Kamer gestuurd
   
De minister komt in het najaar met een wetsvoorstel en een brief over de splitsing. Bij de brief zal ook een plan van aanpak/planning worden gevoegd. AO liquiditeit 30-6-2004In het najaar zullen brief en wetsvoorstel over unbundling naar de Kamer gestuurd worden.
   
De minister stuurt in 2005 een analyse van c.q. visie op de gasmarkt naar de Tweede Kamer.AO liquiditeit 30-6-2004In voorbereiding. Wordt in 2005 naar de Tweede Kamer gestuurd.
   
Terugkomen op opname in wetgeving dat Groningenveld niet als commercieel monopolie wordt geëxploiteerd.Plenaire begrotingsbehandeling EZ, 7/8 okt. 2004, 2e termijn: Handelingen 2003–2004, nr. 11,TK pag. 578–617In de brief van 15 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 109, nr. 5) is ingegaan op de motie Ten Hoopen en het Groningenveld.
   
Brief aan de Tweede Kamer sturen over de herijking van het generieke consumentenbeleid.Begrotingsbehandeling EZ 2004.Afgerond. Het «Strategisch Actieplan – een versterkte consumentaliteit» is op 21-6-04 naar de TK gestuurd. (TK2003–2004, 27 879, nr. 9)
   
Nma bevoegdheden en boetes: Meenemen uitbreiding onderzoeks-bevoegdheden NMa en verhoging boetes op niet-meewerken in wetsvoorstel Modernisering Europees Mededingingsrecht.HTK 2003–2004 nr. 52 p. 3464In een brief aan de Tweede Kamer (TK2003–2004, 29 276, nr. 9) wordt medegedeeld dat met spoed een apart wetsvoorstel wordt gemaakt. Uitbreiding van bevoegdheden wordt na het zomerreces besproken. verho- ging van boetes is meegenomen bij het wetsvoorstel Modernisering Europees Mededingingsrecht.
   
Dhr. Van der Vlies een gesigneerd exemplaar van de studie van prof. Bovenberg toezendenHTK 2003–2004, nr. 10, pag. 493–514; HTK 2003–2004, nr. 11, pag. 578–617Het rapport is op 13 november 2003 naar de Tweede Kamer verzonden.
   
Nma beziet (opnieuw) of nieuw onderzoek naar mededinging Vinex opportuun is.HTK 2002–2003, 784408.De Tweede Kamer is hierover per brief van de Minister van EZgeïnformeerd (ez03000729).
   
Waarborgwet: 2 jaar na inwerkingtreding evalueren; bezien of meerdere aanbieders bestaan en evt. consequenties voor wijze tariefvaststelling.HTK 1999–2000, nr. 64 p. 4465De wet is in maart 2002 in werking getreden. Resultaten van de evaluatie worden eind 2004/begin 2005 verwacht.
   
Waarborgwet en edelmetaal: Kamer informeren over ontwikkeling concept EU-richtlijn edelmetaal.HTK 1999–2000, nr. 64, p. 4463De Tweede Kamer wordt geinformeerd zodra zich in Brussel nieuwe ontwikkelingen voor- doen.
   
Kamer informeren over ontwikkeling concept richtlijn edelmetaal.HTK 1999–2000, nr. 64, blz. 4De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief van de Minister van EZ over de Raad van het Concurrentievermogen (TK2003–2004, 21 501-30).
   
Vrijstelling Combinatie-overeenkomsten: evaluatie en aanvullend onderzoek.HTK 2002–2003, nr. 78 p. 4408De evaluatie van de NMa is in februari aan de Tweede Kamer gestuurd. In een brief aan de Tweede Kamer heeft de Minister van EZaan- vullend onderzoek toegezegd (TK 2003–2004, 28 244, nr. 72). Het resultaat daarvan wordt dit najaar verwacht. Wijzigingsvoorstellen volgen volgend voorjaar.
   
Voetbal, tv-rechten en mededinging: 1) onderzoeken stavaza in andere landen + EU + solidariteit uitwerken. 2) in sept 2003 tussen- stand geven van onderhandelingen met KNVB/uitwerken van het onderwerp solidariteit.HTK 2002–2003, nr. 83 p. 4825De Tweede Kamer wordt geïnformeerd zodra een definitief Europees standpunt is ingenomen.
   
Verschaffen van een nadere toelichting op de Nederlandse standpuntbepaling in Europese discussie over consumentenbeleid.HTK 2003–2004, 53 3496–3504Afgerond. (TK 2003–2004, 27 879 nr. 6);
   
AMvB met betrekking tot consumentenbelang uitgewerkt voor de gasmarkt:Staatscourant 2003, 207 pag. 15 + brieven ME/EM 3059055 en ME/EM 3061341AmvB is gepubliceerd in het Staatsblad van 13 april 2004
   
Keurmerken: Aan rapportage over het onderzoek over keurmerken zal een standpunt worden toegevoegd.TK 2001–2002, 27 879, nr. 4De onderzoekrapportage is in juni 2002 naar de Tweede Kamer gestuurd (ez02000335; 25 juni 2002). In het najaar 2004 volgt een brief aan de Tweede Kamer met oplossingsrichtingen.
   
Voor de begrotingsbehandeling een brief over de positie van de consumentTK 2002–2003, 28 982, nr. 4Op 6 oktober is de brief naar de TK gestuurd (Kamerstukken 2003–2004, 28 982, nr 5)
   
Reikwijdte EU richtlijn facturering schriftelijk uiteenzetten.TK 2003–2004, 28 982, nr. 27Vraag gesteld bij AO van 14 april 2004. Brief met antwoord op 23 april naar Kamer gegaan (Kamerstukken 2003–2004, 28 982 nr. 22)
   
Op 26 april nader schriftelijk informeren over factureringsproblematiekTK 2003–2004, 28 982, nr. 27Twee brieven naar Kamer: 29 april en 26 mei resp. Kamerstukken 2003–2004 28 982 nr. 25 en 26
   
De staatssecretaris zal vóór het zomerreces de Tweede Kamer een brief zenden met de onderbouwing van de gekozen keuringsdrempels inzake de Waarborgwet, alsmede een overzicht hoe dit in andere landen is geregeld.TK 2003–2004, 29 515, nr. 7;De staatssecretaris heeft deze brief op 11 juni naar de Tweede Kamer gezonden (TK 2003–2004, 29 515, nr. 13).
   
De staatssecretaris zal de Tweede Kamer vóór het zomerreces van 2004 een groslijst met reductievoorstellen van de Gemeende Commissie, inclusief de voorstellen die het niet gehaald hebben, zenden.TK 2003–2004, 29 515, nr. 7;De staatssecretaris zal de groslijst reductievoorstellen Gemengde Commissie in augustus 2004 aan de Tweede Kamer zenden.;
   
Cultuur en economie: De Tweede kamer zal binnen afzienbare tijd een gezamenlijke notitie van EZ en OCW over cultuur en economie ontvangen.TK 2003–2004, 27 406, nr. 22De notitie wordt begin 2005 aan de Tweede Kamer gezonden.
   
Certificatie & accreditatie: Toezenden voortgangsbrief aan TK, incl. – Infrastructuur in licht EU ontwikkelingen; Tariefstelling accred./level playing field – Administratieve lasten – Betrokkenheid overheid bij (Centrale) College's van Deskundigen – Toepasselijkheid wet Awb – Verstrekken concessie voor publieke accreditatie(concessiewet) – Opschonen huidige certificatieregelingenTK2003–2004, 29 304, nr. 2De voortgangsbrief wordt begin 2005 aan de Tweede Kamer toegestuurd.
   
I.s.m. Justitie uitwerken vragen Hessels over consumentenbescherming + staatscommissie privaatrecht.AO liberalisering 19/06/03 & EK 2002–2003, 28 174, nr. 110cDe reactie op de vragen is verstuurd op 6 oktober 2003 (TK 2003–2004, 28 982, nr. 5)
   
Dienstenrichtlijn: toesturen aan de Tweede Kamer van een een notitie over de dienstenrichtlijn. Ter bespreking na het zommerreces.AO Raad v.h. Concurrentievermogen, 30–6-2004De notitie wordt voor eind augustus aan de Tweede Kamer gestuurd.
   
Meer transparante rapportage in jaarverslag 2003 over afz. prestaties instrumenten voor duurzameontwikkeling.TK 2002–2003, 28 880, nr. 99Wordt meegenomen in het jaarverslag van 2003.
   
M.b.t. Biotechstarters: Gekeken zal worden naar de uitvoerbaarheid van de regels om te bezien hoe deze concreet kunnen uitwerken.Handelingen 2003–2004, nr. 15,Problematiek van de uitvoerbaarheid van regelgevingop het gebied van de biotechnologie wordt aangepakt in kader interdepartementale werkgroep Wet- en regelgevingbiotechnologie o.l.v. Justitie. Streven is voortgangsnotitie voor prinsjesdag 2004.
   
Duurzaamheid is voor mij een centraal begrip in het innovatiebeleid. Wij zullen dan ook aan de slag gaan met sociale innovatie.HEK 2003–2004, nr. 15,Beantwoord in groeibrief met acties op het gebied van slimmer werken; (TK 2003–2004, n.n.b.)
   
Gekeken wordt naar de mogelijkheid om tot een forse reductie in octrooitaksen te komen.HEK 2003–2004, nr. 15;PM
   
Invoeren van een vernieuwd, uniform aanbestedingskader voor alle overheidsopdrachten.HTK 2002–2003, nr. 78 p. 4408. Afgerond. Het Visiedocument Aanbesteden is op 15 juli 2004 naar de Tweede Kamer gezonden.
   
Komen met een novelle ter correctie van amendement nr. 11 Dit amendement beoogde planten en dieren niet voor octrooi vatbaar te doen zijn.;n.n.b.Novelle is inmiddels verzonden.
   
De minister heeft Het Actieplan op hoofdlijnen «Van Raad naar daad» van de Regieraad Bouw op 1 juni mede namens VROM en V&W aan de TK verzonden met als opmerkingen: De Regieraad zal dit plan, in samenwerking met vertegenwoordigers uit de bouwsector, verder concretiseren tot snel zichtbare projecten die moeten leiden tot bruikbare resultaten voor de gehele sector. Tijdens een congres in november 2004 zal de Regieraad de eerste resultaten van de korte termijnacties presenteren. O/B 4033929;Regieraad is bezig voorbeeldprojecten te identificeren. Congres is gepland op 23 november. MEZ zal daar spreken.
   
Onderzoek naar structuurkenmerken in de bouw.HTK 2002–2003, 78 4408De uitkomsten van dit onderzoek zijn meege- nomen in de visienota «Perspectief voor de Bouw» (ez03000705), die in december 2003 aan de Tweede Kamer is verstuurd.
   
Opstellen Actieplan Facility SharingTK 1999–2000, 26 628, nr. 3Facility Sharing wordt opgenomen in de SKE- regeling, welke een onderdeel vormt van het actieplan Technopartner. Introductie van de SKE-regeling vindt plaats in het najaar van 2004.
   
De motie van GL/PvdA (Vendrik/Bolhuis) over aanvullende voorstellen om meer bedrijven over te laten gaan tot maatschappelijke jaarverslaggeving voorleggen aan Raad voor de Jaarverslaggeving.TK 2001–2002; 26 485, nr. 20Het adviestraject van de Raad voor de Jaar- verslaglegging is eind 2003 afgerond. Vanaf 2005 wordt de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van maatschappelijke jaarver- slaglegging gebenchmarkt (TK 2003–2004, 26 485, nr. 23).
   
Reactie Brussel na melding incident door Overijssel t.z.t. aan de Tweede Kamer meldenTK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 52De Europese Commissie is momenteel bezig met de eindafrekeningen van de structuurfondsprogramma's over de periode 1994–1999. In principe kan de Commissie reageren zolang de eindafrekeningen niet definitief zijn vastgesteld. Tot op heden heeft de Commissie niet gereageerd op de melding.
   
Resultaten benchmark Gemeentelijk ondernemingsklimaat aan TK sturen.TK 2001–2002,; 26 419, nr. 7In 2005 zal de staatssecretaris de Kamer informeren over de uitkomsten van de eind- meting van de benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat (2000–2004). Daar bij worden de resultaten van de benchmark 2002 (tussenmeting) ter vergelijking meegezon- den.
   
Toezegging/1 mei oproep aan bouwbedrijven om informatie over te dragen aan NMa (i.h.k.v. schoon schip actie).TK 2001–2002, 27 879, nr. 4Afgerond. De Tweede Kamer is geïnformeerd over het aantal bouwbedrijven dat informatie heeft aangeleverd bij de NMa. (TK2003–2004, 28 244, nr. 73
   
De Tweede Kamer informeren over de schriftelijke uitvoering van de mondelinge afspraken met de provincies Noord-Brabant en Limburg over een verschuiving in de verhouding van het aandelenkapitaal in de BOM en het LIOF tussen Rijk en genoemde provincies.TK 2001–2002,; 26 570, nr. 18Dit specifieke punt wordt, als onderdeel van de beleidslijn om op middellange of lange termijn tot een meer evenredige aandelenverhouding bij alle ROM's te komen, meege- nomen in de komende evaluatie over de ROM's. Over die evaluatie zal de Tweede Kamer in september 2004 worden geïnformeerd.
   
Proberen om in de vervolgrapportage ruimtevaart, die in december 2003 kan worden verwacht, nog scherper de VBTB in kaart te brengen;TK 2002–2003, 24 446, nr. 20Deze toezegging is ingevuld in de 2e status- rapportage ruimtevaart, die op 20 februari 2004 aan de Tweede Kamer is toegezonden. TK 2003–2004, 24 446, nr. 23
   
Terugkomen op het profiel van Syntens en prestatie-indicatoren;TK 2002–2003, 26 143, nr. 59;Hierbij wordt verwezen naar artikel 2, onder operationele doelstelling C van de EZ-begro- ting 2005.
   
In de loop van 2003 de Tweede Kamer informeren over de resultaten van het onderzoek naar de toeristenbelasting.TK 2002–2003, 28 600 XIII nr. 2De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 11 november 2003 een brief gezonden met de toegezegde aanvulling op de VTA en het onderzoek naar de toeristenbelasting (TK 2003–2004, 26 419, nr. 13).
   
De staatssecretaris zal ter vergroting van de kennisoverdracht en van het draagvlak voor maatschappelijk verantwoord inkopen en aanbesteden een plan van aanpak laten opstellen door een interdepartementale werkgroep. Aan deze werkgroep zullen zowel beleidsmedewerkers als inkopers deelnemen. Het plan zal naar verwachting halverwege 2003 gereed zijn. De Tweede Kamer zal hierover t.z.t. worden geïnformeerd.TK 2002–2003, 28 600 XIII, nr. 2Momenteel wordt samen met de andere departementen gewerkt aan een plan van aanpak voor verantwoord inkopen door de overheid. Naar verwachting zal het plan in het najaar van 2004 aan de Tweede kamer worden gezonden.
   
De Tweede Kamer informeren over plannen inzake het Grotestedebeleid.TK 2002–2003, 28 600 XIII, nr. 2De minister van BVK heeft het integraal beleidskader GSB, mede namens de overige betrokken bewindslieden en de 30 GSB-steden, op 26 april 2004 aan de Tweede kamer aangeboden (TK 2003–2004, 21 062, nr. 116).
   
Bekijken of de bijdrage aan universiteiten voor technostarters beter op de TTi's kan aansluitenTK 2002–2003, 28 600 XIII, nr. 51;Universiteiten kunnen samen met andere stakeholders, zoals TTI's, via de SKE-regeling (onderdeel van het Actieplan Technopartner) subsidieverzoeken in dienen om het geza- menlijke technostarters-beleid op te zetten en/of uit te bouwen. De SKE-regeling bevor- dert zo de samenwerking en afstemming op het gebied van technostarterstussen universiteiten en TTI's.
   
SBIRaanpak bezien, voor- en nadelen op een rij zetten. Hierop zal in de industriebrief nader worden ingegaan.TK 2003–2004, Innovatie subsidiesZie brief «meer actie voor ondernemers» voor acties EZ op het gebied van SBIR (TK 2003–2004, 29 200 XIII, nr. 51.) Zal meegenomen worden in de industriebrief.
   
In IP bespreken van mogelijkheden voor innovatorenrs om evt. terug te keren in hun oude baan.TK 2003–2004, Innovatie subsidiesWordt geagendeerd in het Innovatieplatform. Bezien zal worden in welke mate de institutio- nele pijler van het Actieplan Technopartner hier een rol in kan spelen.
   
De staatsecretaris zal de Tweede Kamer medio maart een brief zenden over de scheepsbouwsector waarin wordt ingegaan op o.a. financie- ring en innovatie, ook in relatie tot eventuele EU-initiatieven (Leadership 2015).TK 2003–2004, 21 501–30, nr. 33Op 16 april heeft de minister een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin hij uitge- breid verslag doet van zijn visie op de scheepsbouwsector, het beleid terzake en het besluit van het Kabinet om € 70 miljoen voor de sector ter beschikking te stellen (TK 2003–2004, 29 505, nr. 6).
   
In februari zendt de staatssecretaris een eerste ideevorming rond een mogelijk financieringsinstrument voor de scheepsbouwsector aan de Tweede Kamer.TK 2003–2004, 21 501–30, nr. 33Op 2 februari 2004 heeft de minister een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin hij nader ingaat op de financieringsproblematiek in de sector en aangeeft welke stappen hij verder zal ondernemen (TK 2003–2004, 21 501-30, nr. 34).
   
De minister zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk informeren na het gesprek op 15 maart 2003 met de Scheepsbouwsector.TK 2003–2004, 21 501-30, nr. 40Op 15 maart heeft een Ronde tafel bijeenkomst plaatsgevonden met stakeholders van de sector. De brief van de minister is op 1 april aan de Tweede Kamer gezonden (TK 2003–2004, 21 501–30, nr. 41). Op 5 april heeft een gesprek met de sector plaatsgevonden. Op 16 april heeft de minister opnieuw een brief aan de Tweede Kamer gezonden (TK 2003–2004, 29 505, nr. 6).
   
Staatsecretaris Van Geel heeft een brief van VROM en EZ toegezegd over carcinogene stoffen.TK 2003–2004, 21 501–30, nr. 40Op 23 april 2004 heeft de minister de toege- zegde brief aan de Tweede Kamer gezonden (TK 2003–2004, 21 501, nr. 43).
In het najaar van 2004 zal de Kamer verder worden geïnformeerd over de evaluatie en actualisatie van het Regeringsstandpunt Luchtvaartcluster 1997, hierbij zal tevens worden ingegaan op de rol van de overheid ten aanzien van het lucht- en ruimtevaartcluster.TK 2003–2004, 24 446 en 25 820, nr. 24De essentie van de actualisatie regeringsstandpunt luchtvaartcluster wordt opgenomen in de Industriebrief. Na de Industriebrief zal het evaluatieonderzoek met een begelei- dende brief aan de Kamer worden toegezonden, met een nadere uitwerking van boven- staande. Planning is dat deze brief in oktober verzonden wordt.
   
De PEP-regeling zal op termijn worden omgezet in een AmvB om hiermee tevens recht te doen aan het budgetrecht van de kamer.TK 2003–2004, 24 446, nr. 22Na afronding van de tender 2004 zal het NIVR een evaluerende notitie opstellen die de basis zal zijn voor de omzetting in een AmvB. Planning is november 2004.
   
Bekeken zal worden hoe parlementaire vertegenwoordigers uit de VCEZ betrokken kunnen worden bij activiteiten op het gebied van Ruimtevaart.TK 2003–2004, 24 446, nr. 22Wordt bezien bij overleg met de TK over het actieplan Ruimtevaartdat in komend najaar aan de TK zal worden toegezonden
   
Komen samen met de Minister van OCW tot een actieplan van alle partijen voor de RuimtevaartTK 2003–2004, 24 446, nr. 22Actieplan wordt najaar 2004 aan de TK gezonden.
   
Het aspect van Publiek-Private samenwerking binnen Galileo zal onderdeel uitmaken van de uitwerking van het actieplan RuimtevaartTK 2003–2004, 24 446, nr. 22Dit aspect is inmiddels uitgewerkt in het kabinetsstandpunt over de exploitatie fase van Galileo. Dit standpunt staat geagendeerd voor de MR in sept. 2004.
   
De Tweede Kamer wordt na het zomerreces geïnformeerd over het financiële en inhoudelijke verloop van de ICES/KIS 2-impuls in het geheel en van de 12 ICES/KIS-2 projecten in het bijzonder.TK 2003–2004, 25 017, nr. 48Het evaluatieonderzoek gaat in september 2004 van start. De resultaten hiervan zullen medio 2005 aan Tweede Kamer worden toegezonden.
   
De Tweede Kamer zal jaarlijks worden geïn- formeerd over de inhoudelijke en financiële voortgang van de ICES/KIS-3 programma's. De eerste rapportage zal medio 2005 aan de Tweede Kamer worden toegezonden.TK 2003–2004, 25 017, nr. 48Zal te zijner tijd aan worden voldaan.
   
Waar reeds concrete IPR-bijdragen zijn verstrekt ten behoeve van de R&D-functie van Philips Drachten zal de minister, in het gesprek dat hij heeft met de heer Kleisterlee, informeren naar de invulling die deze vestiging van Philips tot nu toe aan die bijdragen heeft gegeven en naar de eventuele compensatie voor afnemende werkgelegenheid. Hierna zal hij de Tweede Kamer hierover berichten.TK 2003–2004, 25 017, nr. 50De Minister zal de Tweede kamer eind 2004 informeren.
   
De minister zegt toe de vraag van Kamerlid Kortenhorst over de goederenstromen via Veendam door te geleiden naar de minister van Verkeer en Waterstaat. De minister zegt toe de vraag van Korstenhorst over de ontmanteling van de legerplaats in het Duitse Seedorf onder de aandacht te brengen van de minister van Defensie.TK 2003–2004, 25 017, nr. 50De Tweede Kamer is op 21 juni door middel van een brief van de minister van V&W geïnformeerd (kenmerk: DGG/TR/04/003388-fvh).;
   
De minister zal in het gesprek, dat hij in Rotterdam heeft met vertegenwoordigers van de Nederlandse scheepsbouw, de vraag hoe om te gaan met het recent genomen WTO- besluit om het zogenoemd contemporary defence mechanism met een jaar te verlengen inbrengen. Over de bevindingen zal de minister de Tweede Kamer zo snel mogelijk bij brief informeren.TK 2003–2004, 25 017, nr. 50Het kabinet heeft in het kader van de Voor- jaarsnota besloten €70 mln. voor de scheeps- bouw ter beschikking te stellen. Op 16 april 2004 heeft de Minister de Tweede Kamer hierover een brief gezonden (TK 2003–2004, 29 505, nr. 6).
   
De minister zal zich met de staatssecretaris van SZW verstaan over de manier waarop de ESF-gelden optimaal kunnen worden benut.TK 2003–2004, 25 017, nr. 50SZW en EZ hebben gezamenlijk een pilot gestart om ESF-aanvragen te stimuleren.
   
De staatssecretaris zendt binnen drie weken een appendix bij de VTA aan de Kamer. Hierin worden een tijdpad voor de acties alsmede de bijbehorende actoren weergegeven. Tevens wordt ingegaan op de kwaliteit van de kust- plaatsen en de segmenten waarop het toeristische beleid zich richt.TK 2003–2004, 26 419, nr. 12De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 11 november 2003 een brief gezonden met de toegezegde aanvulling op de VTA en het feitenonderzoek toeristenbelasting. Daar- bij wordt tevens ingegaan op de kwaliteit van de kustplaatsen (TK 2003–2004, 26 419, nr. 13).;