29 800 XII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het jaar 2005

nr. 66
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juni 2005

Op grond van het kabinetsstandpunt «Handhaven op niveau» (kamerstuk TK 1999–2000, 26 800 VI, nr. 67) doe ik u hierbij, mede namens de Minister van Justitie, alsmede de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mijn brief aan de waterkwaliteitsbeheerders toekomen1. De ministerraad heeft hier 27 mei 2005 mee ingestemd.

Deze brief heeft tot doel om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het eind vorig jaar aan u toegestuurde ontwerp tot wijziging van het Bouwstoffenbesluit (kamerstukken 2004–2005, 29 800-XI, nr. 96), de meest urgente knelpunten voor het gebruik van bouwstoffen in oppervlaktewater (inclusief waterbodem) op te lossen.

Daartoe wordt conform het landelijke beleid de waterkwaliteitsbeheerders verzocht om, met in achtneming van de in bijgevoegde brief opgenomen overwegingen, alsmede de gebruikelijke materiële en formele vereisten, in individuele gevallen een gedoogbeschikking te verlenen.

Hiermee wordt het enkel om wetstechnische redenen bestaande verschil tussen enerzijds gebruik van bouwstoffen in oppervlaktewater en anderzijds het gebruik van bouwstoffen op of in de landbodem rechtgetrokken en is wederom sprake van een uniform juridisch kader voor gebruik van bouwstoffen.

Voor een uitgebreidere uiteenzetting van de aard en achtergrond van het genoemde verzoek aan de waterkwaliteitsbeheerders treft u aan in de bijgevoegde brief.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven