29 800 X
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2005

nr. 82
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2005

INLEIDING

De koers van Defensie voor de komende jaren is uitgezet in de Prinsjesdagbrief en Personeelsbrief van september 2003. De krijgsmacht voert thans één van de grootste reorganisaties uit haar geschiedenis door, die moet resulteren in structureel betaalbare, volledig inzetbare strijdkrachten voor expeditionaire taken en bijdragen aan de nationale veiligheid. Daartoe zal bij een reductie van de omvang van de krijgsmacht en het aantal hoofdwapensystemen, de inzetbaarheid van militairen en de effectiviteit van wapensystemen worden vergroot.

Deze veranderingen hebben ook gevolgen voor de reservist in de Nederlandse krijgsmacht, die een belangrijke aanvulling op de parate capaciteit vormt voor zowel bijdragen aan de nationale veiligheid als aan expeditionaire taken. In deze brief wordt het reservistenbeleid zoals beschreven in de «Nota Reservistenbeleid 1996» geactualiseerd en wordt ingegaan op de gewijzigde inzetmogelijkheden alsmede de positie van reservisten binnen de Nederlandse krijgsmacht. Daarmee doe ik de toezegging gestand tijdens het notaoverleg personeelsbeleid van 22 november 2004. Deze nota is tot stand gekomen in samenhang met de nota «Defensie en nationale veiligheid» die uw Kamer binnenkort wordt toegezonden.

HOOFDTAKEN VAN DEFENSIE EN RESERVISTEN

De hoofdtaken van de krijgsmacht uit de Defensienota 2000 blijven ongewijzigd. Wel is de wijze van uitvoering van de hoofdtaken in de afgelopen jaren gewijzigd. De dreiging van een grootschalige conventionele aanval op Navo-grondgebied is niet langer aan de orde. In plaats hiervan komt het voorkomen en afweren van nieuwe dreigingen: terrorisme, massavernietigingswapens en de gevaren die voortkomen uit gebrekkige of mislukte staatsvorming. Deze dreigingen beïnvloeden de taakuitoefening van Defensie op verschillende manieren. Zo kan de bestrijding van terrorisme aan de bron vereisen dat in falende staten, zoals Afghanistan, wordt opgetreden. Ook de gevaren van massavernietigingswapens kunnen met zich meebrengen dat operaties in het buitenland ondernomen worden.

Dit nieuwe dreigingsbeeld verandert zowel de behoefte aan beroepsmilitairen als aan reservepersoneel. Defensie heeft door het opheffen van de mobilisabele eenheden afscheid genomen van de «klassieke» taak voor reservisten: het vervullen van gevechtsfuncties ter verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied. De inzet in het buitenland, uit hoofde van de eerste of de tweede hoofdtaak, vereist onder meer specifieke deskundigheden die niet permanent binnen Defensie beschikbaar zijn. Daarom is er naast beroepspersoneel dat het merendeel van de expeditionaire taken verricht, ook behoefte aan de inzet van reservisten met een specifieke deskundigheid.

Bij inzet op het eigen grondgebied wint de derde hoofdtaak, de handhaving van de nationale rechtsorde en de ondersteuning van de civiele autoriteiten, aan betekenis, getuige onder meer het convenant Civiel-Militaire Bestuursafspraken (CMBA) dat op 3 maart van dit jaar is getekend door de ministers van BZK, Justitie en Defensie en de binnenkort aan uw Kamer toe te zenden nota «Defensie en nationale veiligheid». Bij de uitvoering van de nationale taken van Defensie, in het bijzonder de militaire bijstand bij de handhaving van de rechtsorde en de openbare orde, leveren reservisten individueel of in eenheidsverband een waardevolle bijdrage bij onder meer de bewaking en beveiliging van militaire en civiele objecten.

DE INZET VAN RESERVISTEN

Defensie onderscheidt twee soorten taken voor reservisten. Ten eerste, militaire taken op nationaal grondgebied op het gebied van steunverlening en militaire bijstand alsmede ceremoniële taken, waarvoor een militaire basisopleiding vereist is. Deze reservist wordt aangeduid als Reservist Militaire Taken (RMT). Ten tweede, specialistische taken bij internationale crisisbeheersingsoperaties, en soms bij de ondersteuning van de civiele en militaire autoriteiten in Nederland, waarbij een beroep wordt gedaan op de specifieke deskundigheid van deze reservist. De Reservist Specifieke Deskundigheid (RSD) die wordt ingezet bij internationale crisisbeheersingsoperaties, moet naast een militaire basisopleiding veelal ook een missiegerichte opleiding volgen.

Ofschoon rechtspositioneel slechts sprake is van één categorie reservisten, is er een wezenlijk verschil tussen de vereiste opleiding en de beschikbaarheid van de Reservist Militaire Taken en de Reservist Specifieke Deskundigheid.

Wat zijn meer precies de gevolgen van bovenbeschreven ontwikkelingen voor de inzet van reservisten? In het convenant over CMBA is bepaald dat Defensie de beschikbaarheid garandeert van 3000 militairen voor de ondersteuning van civiele autoriteiten bij rampen en incidenten. De desbetreffende militairen zijn afkomstig van eenheden van de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht inclusief reservisten. De inzet van reservisten kent enige beperkingen. Zo is bij het bestrijden van terroristische dreigingen voor reservisten een bescheiden rol weggelegd, aangezien bij acute dreigingen van terrorisme met een hoge intensiteit goed getraind specialistisch personeel nodig is dat in staat is buitengewoon snel en effectief op te treden. In aanvulling hierop kunnen reservisten wel een waardevolle bijdrage leveren bij onder meer de bewaking en beveiliging van militaire en civiele objecten. Defensie kan in het geval van een grootschalige calamiteit of een ramp waarvan de gevolgen zich gedurende lange tijd voordoen ook nog extra militaire capaciteiten beschikbaar stellen door opleidings- en trainingsactiviteiten van militaire eenheden op te schorten. Dit heeft echter nadelige gevolgen voor de continuïteit van de inzet van deze eenheden bij crisisbeheersingsoperaties in het buitenland.

De inzet van de Reservist Militaire Taken (RMT) beperkt zich tot het nationaal grondgebied en omvat de volgende taken:

• bewaking en beveiliging van militaire en civiele objecten;

• leveren van liaison- en adviescapaciteit aan civiele autoriteiten;

• steunverlening zonder bijzondere bevoegdheden zoals «hand- en spandiensten»;

• gastlandsteun of logistieke ondersteuning van buitenlandse eenheden in Nederland;

• ceremoniële taken.

Daarnaast kunnen, in aanvulling op de expertise bij parate eenheden, reservisten (RSD) worden ingezet voor specialistische taken bijvoorbeeld op het gebied van rampengeneeskunde onder verantwoordelijkheid van civiele autoriteiten.

Naast de inzet van reservisten ter ondersteuning van civiele en/of militaire taken binnen Nederland, kunnen reservisten worden ingezet voor specialistische taken bij grotere crisisbeheersingsoperaties. Het betreft hier reservisten met een specifieke deskundigheid waaraan slechts incidenteel binnen de krijgsmacht behoefte bestaat en waarvoor geen of onvoldoende parate capaciteit in de krijgsmacht aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn chirurgische teams, deskundigen op maritiem gebied bij het begeleiden van en liaison met de civiele zeescheepvaart en deskundigen op het gebied van Cimic. In toenemende mate worden reservisten (RSD) ingezet voor stabilisatietaken en wederopbouwactiviteiten. In verband met de eigen, maar ook andermans veiligheid is een militaire status en opleiding vaak een vereiste voor inzet in crisisgebieden.

Behoeftestelling

Reservisten vormen een defensiebrede capaciteit ter ondersteuning en aflossing van eenheden van beroepspersoneel. De behoefte hieraan wordt jaarlijks geëvalueerd en zonodig aangepast. De huidige behoefte aan reservisten militaire taken (RMT) omvat:

• Reservisten voor bewakings- en beveiligingstaken, steunverlening, gastlandsteun, liaisontaken naar civiele autoriteiten en ceremoniële taken, die afkomstig zijn van de Natres en de Koninklijke luchtmachtreserve (ongeveer 3600 personen);

• Reservisten van de Koninklijke marechaussee als buffercapaciteit voor de staande organisatie ten behoeve van politietaken bij calamiteiten of verhoogde dreiging (ongeveer 900 personen);

• Cavalerie Ere Escorte en het Ere Escorte Koninklijke marechaussee voor de protocollaire ondersteuning van staatsevenementen (ongeveer 110 personen).

De huidige behoefte aan reservisten specifieke deskundigheid (RSD) is vastgesteld op ongeveer 1000 personen en omvat:

Medisch specialistisch personeel dat vanuit het Instituut samenwerking Defensie en Relatieziekenhuizen (IDR) geneeskundige hulp verleent bij crisisbeheersingsoperaties en individuele medische specialisten die geneeskundig personeel binnen Defensie opleiden en trainen, en die bovendien op individuele basis kunnen worden uitgezonden of in Nederland kunnen worden ingezet ter ondersteuning bij rampen.

Functionele specialisten ten behoeve van de ontplooiing van eenheden en de ondersteuning van operaties in crisisgebieden, zoals geologen, weg- en waterbouwkundigen, operationeel analisten, veterinaire deskundigen, landbouwkundigen en IT-ers;

Zeeverkeersspecialisten die de begeleiding van en de interactie met de civiele zeescheepvaart verzorgen;

Deskundigen op het gebied van Civiel-Militaire Samenwerking (CIMIC) die tijdens crisisbeheersingsoperaties activiteiten ontplooien met de lokale bevolking, overheidsorganisaties en NGO's.

Cimic

De afgelopen jaren heeft Civiel-Militaire Samenwerking (Cimic) aan belang gewonnen bij crisisbeheersingsoperaties. Daaruit is een nieuwe behoefte aan Cimic-deskundigen voortgekomen die ten dele met reservisten specifieke deskundigheid (RSD) kan worden ingevuld. Cimic-activiteiten – zoals de samenwerking met het lokale bestuur, herstel van infrastructuur en in bepaalde gevallen humanitaire hulp – zijn primair gericht op het slagen van de militaire missie en de veiligheid van uitgezonden eenheden. Genoemde activiteiten dragen bij aan het verkrijgen van steun en sympathie van de lokale bevolking (hearts and minds). Daarnaast kunnen Cimic-activiteiten als brug fungeren naar latere wederopbouwinspanningen (zie nota «Beleidskader Civiel-Militaire Samenwerking», van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, 19 mei 2003).

Bij de voorbereiding van een militaire operatie worden mogelijke Cimic-taken geïnventariseerd. Met het ministerie van Buitenlandse Zaken, en waar nodig met het ministerie van Economische Zaken, wordt vervolgens vastgesteld welke Cimic-activiteiten daadwerkelijk worden ontplooid. Voor specifieke deskundigheid wordt in de regel gebruik gemaakt van «functioneel specialisten». Voor de werving en selectie van deze specialisten wordt onder meer nauw samengewerkt met het Platform Defensie Bedrijfsleven (VNO/NCW/MKB).

Wederopbouw

Wederopbouw is noodzakelijk voor het bereiken van duurzame stabiliteit in de post-conflictsituatie. Steun aan het wederopbouwproces draagt bij aan het creëren van een situatie waarin op een verantwoorde wijze de militaire presentie beëindigd kan worden (zie nota «Wederopbouw na gewapend conflict» van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, de staatssecretaris van Economische Zaken, 23 maart 2005).

De feitelijke wederopbouw na een conflict vergt een gezamenlijke inspanning van lokale autoriteiten en (internationale) donoren. Defensie kan onder meer met de inzet van reservisten bij opleidings- en trainingsactiviteiten in het kader van de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van strijdgroepen (DDR) en de hervorming van de veiligheidssector (SSR) een bijdrage leveren aan de bevordering van duurzame stabiliteit.

ARBEIDSRELATIE RESERVISTEN

Reservisten gaan op basis van vrijwilligheid een arbeidsrelatie aan met het ministerie van Defensie. Zij zijn incidenteel voor een korte periode werkzaam voor de krijgsmacht en beschikken voor de duur van die inzet over een militaire status. In feite zijn het tijdelijke werkkrachten die gedurende hun werkzaamheden voor Defensie de rechten en de verplichtingen van een militair hebben.

Een reservist is aangesteld als militair ambtenaar bij de krijgsmacht, om niet-doorlopend in werkelijke dienst te zijn.

Centraal in deze omschrijving staan de volgende componenten:

Aangesteld. Er is sprake van een publiekrechtelijke aanstelling, waarbij de rechtspositie van de militair zoals die is vastgelegd in algemeen verbindende voorschriften (Militaire ambtenarenwet, Algemeen Militair Ambtenaren reglement, Inkomstenbesluit Militairen) op betrokkene van toepassing wordt verklaard. Het is geen contract of arbeidsovereenkomst en daardoor kan over de inhoud van de rechtspositie door betrokkene niet worden onderhandeld. Het aangaan van deze rechtsverhouding geschiedt op vrijwillige basis. De wettelijke verplichting waarmee voorheen op grond van de Dienstplichtwet een persoon tot het reservepersoneel werd gerekend, behoort tot het verleden. Omdat de rechtspositie van de reservist, waaronder ook de bezoldiging begrepen is, wordt geïntegreerd in de Militaire ambtenarenwet, zal de Wet voor het reservepersoneel der Krijgsmacht worden ingetrokken.

Als militair ambtenaar. De rechtspositie van de militair in werkelijke dienst is van toepassing zodra en voor zo lang hij in werkelijke dienst is. In zijn algemeenheid geldt evenwel dat duuraanspraken, zoals vakantie, slechts naar evenredigheid kunnen worden toegepast. Ook het militaire straf- en tuchtrecht is van toepassing telkens en voor zo lang de reservist in werkelijke dienst is.

Bij de krijgsmacht. Reservisten krijgen evenals beroepspersoneel een aanstelling bij de krijgsmacht en worden naar behoefte bij een krijgsmachtdeel ingedeeld. Dat betekent ook dat een reservist in voorkomend geval, en bij voorkeur met zijn instemming, bij verschillende krijgsmachtdelen kan worden tewerkgesteld en ingedeeld. Afgezien van de reservisten die minder gespecialiseerde taken op het gebied van militaire bijstand of hulpverlening verrichten, gaat het immers om een schaarse capaciteit waaraan bij de krijgsmacht behoefte bestaat. Het is niet doelmatig deze capaciteit voor één krijgsmachtdeel te reserveren.

Om niet-doorlopend in werkelijke dienst te zijn. Kenmerkend voor reservisten is dat de rechtsverhouding wordt gekenmerkt door een beschikbaarheid en dat de feitelijke werkzaamheidbeperkt blijft tot korte perioden, die kunnen variëren van het volgen van een cursus van enkele dagen tot en met een uitzending voor de duur van een aantal maanden. Overigens bouwt de reservist evenals de beroepsmilitair een pensioenaanspraak op, gerelateerd aan het aantal dagen dat hij werkelijk dienst heeft verricht.

Het in werkelijke dienst komen van reservisten geschiedt niet meer op grond van een wettelijke verplichting die gebaseerd was op de dienstplichtgedachte, maar op een door de reservist uit vrije wil bij zijn sollicitatie naar een aanstelling als militair ambtenaar aangegane verplichting. Wat de invulling van deze verplichting tot werkelijke dienst betreft, maakt de reservist in het kader van de aanstellingsprocedure na overleg met zijn civiele en maatschappelijke omgeving (werkgever, maatschap, gezin) kenbaar wat de omvang en perioden van jaarlijkse beschikbaarheid voor Defensie zou kunnen zijn. Aan deze beschikbaarheid is vanuit de behoefte van Defensie een ondergrens gesteld en vanuit de bereidheid van betrokkene (en diens civiele omgeving) een bovengrens. Bij aanstelling wordt deze beschikbaarheid als een verplichting opgelegd aan de reservist en kan hij aan zijn beschikbaarheid worden gehouden. Deze verplichting is niet minder bindend dan ten tijde van de dienstplichtwet, alleen is nakoming thans geregeld in de rechtspositie en niet in het strafrecht. Dit brengt met zich mee dat nakoming niet in dezelfde mate afdwingbaar is als ten tijde van de dienstplichtwet. Daarom is er in de behoeftestelling rekening mee gehouden dat er een voldoende «reservoir» aan reservisten voor aflossing beschikbaar is. Ook worden reservisten slechts voor korte tijd ingezet om de maatschappelijke belasting niet te groot te maken.

Wanneer op een bepaald moment behoefte is aan de inzet van reservisten, zal Defensie allereerst een keuze maken uit de in die periode beschikbare reservisten en deze oproepen. Indien de omstandigheden een langere inzet van de krijgsmacht nodig maken, zullen ter aflossing andere reservisten worden opgeroepen of zullen eenheden van beroepspersoneel worden ingezet.

Voor de reservist is de status van militair ambtenaar bepalend voor de arbeidsrelatie tussen Defensie en de betrokken reservist. Voor bepaalde reservisten, zoals het medisch specialistisch personeel dat werkzaam is in de relatieziekenhuizen, bestaat er ook een contractuele relatie tussen Defensie en de civiele werkgever. In de overige gevallen is geen sprake van een dergelijke relatie en bijgevolg ontvangt de civiele werkgever geen vergoeding voor de perioden waarin de reservist voor Defensie werkzaam is. Werkgevers hebben geen wettelijke verplichting om reservisten in de gelegenheid te stellen om actief te zijn als reservist. Wel maakt reservist van tevoren afspraken over zijn beschikbaarheid met zijn werkgever (verlof, vakantiedagen, verroostering etc). Onvoorziene omstandigheden op zijn werk kunnen ertoe leiden dat een reservist onverhoopt niet beschikbaar is. Daarmee is in de behoeftestelling rekening gehouden.

Het risico van arbeidsongeschiktheid is in de arbeidsrelatie tussen Defensie en de reservist afdoende geregeld. De civiele werkgever van de reservist ontvangt geen vergoeding van Defensie bij arbeidsongeschiktheid van de reservist. Indien deze arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door fouten van Defensie, dan heeft de civiele werkgever wel de mogelijkheid een schadeclaim bij Defensie in te dienen. Deze benadering strookt volledig met die van andere vrijwilligerswerkzaamheden ten behoeve van het algemeen belang, zoals de vrijwillige brandweer of de reservepolitie, waarbij de civiele werkgever evenmin een vergoeding ontvangt.

TOEKOMSTIG RESERVISTENBESTAND

In het verleden was sprake van een gewaarborgde instroom van reservisten in de krijgsmacht, eerst op grond van de Dienstplichtwet en daarna doordat het beroepspersoneel bij beëindiging van het dienstverband werd aangesteld bij het reservepersoneel. In de toekomstige situatie staat de specifieke behoefte aan reservisten RMT en reservisten RSD centraal. Dit heeft gevolgen voor de samenstelling van het reservistenbestand. Nagegaan wordt welke reservisten die thans nog in het bestand voorkomen in de toekomstige defensieorganisatie een bijdrage als Reservist Specifieke Deskundigheid (RSD) of Reservist Militaire Taken (RMT) kunnen en willen leveren. Daartoe worden de volgende initiatieven ontplooid:

• Enquête onder huidige reservisten om de belangstelling en mogelijkheden voor opname in het nieuwe reservistenbestand vast te stellen;

• Werving RSD onder andere via het Platform Defensie Bedrijfsleven (VNO/NCW/MKB);

• Werving door Defensie op de civiele arbeidsmarkt;

• Gebruik maken van relevante netwerken zoals de reservistenverenigingen;

• Regelmatig evalueren van de behoeftestelling reservisten in relatie tot het militaire optreden en de consequenties daarvan voor het gewenste reservistenbestand (reservistenbestand moet aan gewijzigde behoefte worden aangepast).

Naar verwachting zal de omvang van het reservistenbestand afnemen. Daar staat tegenover dat het toekomstig reservistenbestand bestaat uit daadwerkelijk benodigde reservisten op wie Defensie een beroep kan doen. Door middel van genoemde enquête kunnen reservisten kenbaar maken of zij deel wensen uit te maken van het toekomstig reservistenbestand. Indien niet, dan wordt aan deze reservist ontslag verleend. Na de beëindiging van de formele arbeidsrelatie met Defensie behoudt de ontslagen reservist zijn status van gewezen militair en in voorkomend geval die van veteraan.

In de toekomst zal aan iedere beroepsmilitair die de defensieorganisatie verlaat, onder meer als gevolg van de invoering van het flexibel personeelssysteem, worden gevraagd om als reservist voor Defensie actief te blijven.

OPLEIDING EN TRAINING VAN RESERVISTEN

Als werkgever stelt Defensie eisen aan militairen die samenhangen met de noodzaak onder alle omstandigheden te kunnen functioneren. Deze eisen hebben betrekking op de fysieke, zintuiglijke en geestelijke vermogens die voor operationele inzet vereist zijn opdat de militair geen risico vormt voor zichzelf of de eenheid waartoe hij behoort. Het militaire keurings-, opleidings- en trainingstraject is afgestemd op deze eisen. Aan reservisten worden geen andere eisen gesteld dan aan beroepsmilitairen. In november 2004 is dit door de chef Defensiestaf bekrachtigd met een aanwijzing over het optreden van militairen in crisisbeheersingsoperaties. In deze aanwijzing wordt bepaald dat beroepsmilitairen en reservisten de initiële opleiding, de vereiste functieopleiding en, voorafgaand aan inzet in een missiegebied, de missiegerichte opleidingen voltooid moeten hebben.

Reservisten worden getraind in een aantal generieke vaardigheden waaronder «zelfhulp en kameradenhulp», «nucleair biologische chemische oorlogsvoering» en «gebruik van het persoonlijk wapen». In de initiële opleiding wordt reservisten verder elementaire kennis van gedragscodes, de organisatie, militair recht en algemeen militair optreden aangereikt. Dit is van belang omdat reservisten doorgaans niet meer kunnen terugvallen op militaire ervaring die zij hebben opgedaan als beroepsmilitair. Na de initiële opleiding moeten reservisten de vereiste functieopleidingen voltooien. Militairen die worden uitgezonden krijgen voorafgaand aan inzet in een missiegebied verplicht de vastgestelde Missie Gerichte Informatie (MGI) of Missie Gerichte Opleiding (MGO). In deze opleiding wordt onder andere ingegaan op de rules of engagement (ROE), informatie betreffende het missiegebied, stress en trauma, werken met een tolk, macht en ethiek.

Reservisten militaire taken van de Koninklijke marechaussee, het Ere Escorte Koninklijke marechaussee en het Cavalerie Ere Escorte worden alleen nationaal ingezet en hebben een zeer specifieke taakvervulling. Derhalve volgen zij een daarop aangepaste opleiding en training. Daarnaast worden de zeeverkeersspecialisten in Nederland en België gezamenlijk opgeleid voor de Zeeverkeersorganisatie, die door Nederland en België ingezet wordt voor de bescherming van de koopvaardij en het controleren van civiel-maritieme activiteiten.

BEHEERASPECTEN EN AANSTURING

In het kader van de bestuursvernieuwing wordt momenteel invulling gegeven aan de herinrichting van de defensieorganisatie. Voor reservisten betekent dit dat het beleid en de behoeftestelling die tot op heden bij de krijgsmachtdelen waren ondergebracht, gecentraliseerd worden bij de bestuursstaf. De behoeftestelling komt tot stand in nauw overleg met de Operationele Commando's. Het personeelsbeheer, de opleiding, training en gereedstelling van reservisten worden de verantwoordelijkheid van de Operationele Commando's. Met deze benadering wordt invulling gegeven aan een verdere (stapsgewijze) verbetering van de doelmatigheid door de centralisering en de bundeling van expertise op het gebied van personeelsbeheer van reservisten.

In het verleden vervulde het Nationaal Commando van de Koninklijke landmacht de brugfunctie tussen Defensie en de civiele autoriteiten. Inmiddels is dit commando opgeheven en zijn de taken en de Regionale Militaire Commando's (RMC) ondergebracht bij het Operationele Commando van de Koninklijke landmacht (in de toekomst het Commando Landstrijdkrachten, CLAS). Met hun geografische spreiding en regionale indeling vormen deze RMC's een belangrijk aanspreekpunt voor lokale en regionale autoriteiten tijdens de voorbereiding en planning van inzet bij calamiteiten en dreigingen. In dit kader zijn onderstaande maatregelen voorzien:

• Het Defensie Operatiecentrum onder de chef Defensiestaf fungeert als centraal aanspreekpunt voor verzoeken tot militaire steun of bijstand. Er komen draaiboeken en operatieplannen die een tijdige inzet van de toegezegde capaciteiten garanderen. Daarnaast ontwikkelt Defensie een regeling die erin voorziet binnen twee uur liaison- en adviescapaciteit vanuit de Regionale Militaire Commando's aan de civiele autoriteiten te leveren. Reservisten die goed bekend zijn met het lokale bestuur kunnen deze liaison- en adviesfunctie vervullen en zo een intermediair vormen tussen Defensie en lokale autoriteiten.

• De Regionale Militaire Commando's worden conform de Koninklijke marechaussee georganiseerd in regio's die volledig aansluiten op de toekomstige civiele indeling van veiligheidsregio's. De regionale commando's ondersteunen de lokale en regionale civiele autoriteiten met specialistische kennis en advies voor de ontwikkeling en beoefening van rampenplannen.

• De ministeries van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontwikkelen een gezamenlijk opleidings- en trainingsbeleid en een jaarlijks oefenplan voor het bij de rampenbestrijding betrokken civiele en militaire personeel (beroepsmilitairen en reservisten).

Door het afschaffen van reserve-eenheden is veel materieel beschikbaar gekomen om reservisten die bewakings- en beveiligingstaken uitvoeren beter uit te rusten voor hun taak. Al eerder is hun persoonlijke uitrusting (inclusief het wapen) gelijk getrokken met die van de beroepsmilitair. Daarnaast is de mobiliteit verder verbeterd door de invoering van lichte terreinwagens en vrachtwagens. De materieelbehoefte van reservisten zal voortaan worden meegewogen bij relevante materieel vervangingstrajecten. Daarmee wordt zeker gesteld dat de reservisten afdoende uitgerust zijn voor hun toekomstige taken.

TOT BESLUIT

Het nieuwe reservistenbeleid kenmerkt zich in de eerste plaats door de verschuiving van de inzet van reservisten voor de invulling van de eerste hoofdtaak tijdens de Koude Oorlog (bondgenootschappelijke verdediging) naar de inzet voor de tweede en derde hoofdtaak (internationale crisisbeheersingsoperaties en ondersteuning van civiele autoriteiten). Reservisten krijgen geen aanstelling meer bij een krijgsmachtdeel, maar worden wel ingedeeld bij een krijgsmachtdeel. Zij vormen een defensiebrede capaciteit voor militaire bijstand en steunverlening alsmede specialistische steunverlening aan civiele en militaire autoriteiten in Nederland en voor specialistische taken bij internationale crisisbeheersingsoperaties. Het nieuwe reservistenbeleid berust op de vrijwillige aanmelding als reservist en een vrijwillig aangegane verplichting tot inzet.

Defensie gaat de huidige reservisten aanschrijven om de belangstelling en de mogelijkheden voor opname in het nieuwe reservistenbestand vast te stellen. Daarnaast worden initiatieven ontplooid om nieuwe reservisten te werven op de civiele arbeidsmarkt met behulp van het Platform Defensie Bedrijfsleven. Ook de netwerken van reservisten, zoals de reservistenverenigingen, kunnen daarbij een nuttige functie vervullen.

De Staatssecretaris van Defensie,

C. van der Knaap

Naar boven