nr. 67
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 maart 2005
INLEIDING
Hierbij bied ik u aan het onderzoeksrapport van de Audit Dienst Defensie
(ADD) met de doorrekening van de financiële modellen van de studie Grote
Oppervlakteschepen Koninklijke marine (GOSKM)1.
Bij de behandeling van de defensiebegroting voor 2005 heeft de Tweede
Kamer de motie-Van Baalen aangenomen over de doorrekening van de GOSKM-studie
door de Algemene Rekenkamer (ARK) (Kamerstuk 29 800 X, nr. 37). Op 17 december
2004 (Kamerstuk 29 800 X, nr. 57) hebben de staatssecretaris en ik u
geïnformeerd over de wijze waarop wij deze motie zouden uitvoeren. Wat
de voorfinanciering betreft hebben wij u laten weten daartegen overwegende
bezwaren te houden, omdat financiering via de schatkist goedkoper is dan financiering
door derden. Extra kosten van voorfinanciering zouden hoe dan ook door Defensie
moeten worden betaald en daarom hebben wij deze optie niet laten doorrekenen.
Op 30 december jl. (Kamerstuk 29 800 X, nr. 59) hebben wij de Tweede
Kamer gemeld dat de ARK het verzoek om de doorrekening had afgewezen en had
gesuggereerd in haar plaats de ADD daarvoor te benaderen. Hierop heeft Defensie
inderdaad onverwijld de ADD gevraagd de GOSKM-studie door te rekenen.
VERZOEK AAN DE ADD
Wij hebben de ADD evenals de ARK gevraagd zich bij de doorrekening te
richten op de relevante opties, te weten 4-6-0 en 4-4-4. In het bijzonder
hebben wij de ADD gevraagd of het bedrag van 480 miljoen euro dat bij een
keuze voor de 4-4-4-optie versneld zou moeten worden geïnvesteerd, kan
worden bevestigd, en of de meerkosten van de 4-4-4-optie gerekend over tweeëntwintig
jaar ongeveer 80 miljoen euro bedragen, oplopend tot ongeveer 120 miljoen
euro indien in die periode de huidige M-fregatten de kustwachttaken
zouden uitvoeren met een geringere bemanning. Het verzoek is zo geformuleerd
dat, met uitzondering van de voorfinanciering, alle elementen van het gehanteerde
rekenmodel die tijdens de begrotingsbehandeling aan de orde zijn geweest erin
zijn vervat. Met deze vragen hebben wij de GOSKM-studie aan de ADD gezonden.
De vaste commissie voor Defensie heeft 1 februari jl. (uw kenmerk
02-def-2005) enige aanvullende documenten naar Defensie gestuurd met het verzoek
deze bij het ADD-onderzoek te betrekken. Vragen in deze documenten met betrekking
tot de doorrekening van de desbetreffende onderdelen van de GOSKM-studie zijn
ook in het onderzoek van de ADD aan de orde geweest. Daarentegen zijn vragen
over financiële aspecten die verder strekken dan de beoogde doorrekening
en die dus buiten het bestek van de motie-Van Baalen vallen, niet alsnog bij
het onderzoek van de ADD betrokken. De motie vraagt de regering immers niet
(onderdelen van) de GOSKM-studie over te doen. Vragen over andere dan financiële
aspecten, ten slotte, zoals politiek-bestuurlijke en operationele afwegingen,
zijn evenmin alsnog bij de doorrekening door de ADD betrokken. Dergelijke
overwegingen zijn al uitgebreid uiteengezet en toegelicht in de aanbiedingsbrief
bij de studies van 21 september jl. en tijdens de begrotingsbehandeling.
CONCLUSIES ADD
Alvorens in te gaan op de onderzoeksvragen, plaatst de ADD een kanttekening
bij het gebruik van modellen voor beslissingsdoeleinden. In het geval van
de GOSKM-studie beperken de tijdhorizon, de (onzekere) ontwikkeling van de
veiligheidssituatie en van de techniek en veranderingen in strategische concepten
de waarde van de uitkomst van het model, aldus de ADD. Hier staat echter tegenover,
en dat onderstreep ik graag in dit verband, dat een rekenmodel een algemeen
geaccepteerd hulpmiddel is om verschillende opties (beter) met elkaar te kunnen
vergelijken. Om deze reden was het ministerie van Financiën voorstander
van de modelbenadering in de GOSKM-studie. Het is bovendien een methode die
goed aansluit bij de aanbevelingen die de commissie-Duivesteijn onlangs heeft
gedaan.
In antwoord op de onderzoeksvragen komt de ADD tot de conclusie dat de
uitgangspunten en veronderstellingen in de GOSK-studie een redelijke basis
vormen voor de bepaling van het netto investeringsbedrag. Het bedrag waartoe
de ADD zelf komt, 491 miljoen euro, wijkt niet significant af van het investeringsbedrag
van 480 miljoen euro in de GOSKM-studie. Hoewel de ADD het verschil van 80
miljoen euro in de netto contante waarde tussen de opties 4-6-0 en 4-4-4,
doorgaans aangeduid als de meerkosten van de 4-4-4 optie in tweeëntwintig
jaar, niet met voldoende zekerheid kan bevestigen, komt de dienst bij de doorrekening
van het model niet tot een wezenlijk andere uitkomst. De ADD komt zelf tot
een iets hoger bedrag dan in de GOSKM-studie. Het bedrag van 40 miljoen euro,
ten slotte, dat volgens de GOSKM-studie in dezelfde periode kan worden verdiend
als de huidige M-fregatten met een geringere bemanning zouden gaan varen,
wordt door de ADD bevestigd. Ook verder blijkt uit de berekeningen en de toelichtingen
van de ADD dat Defensie niet naar zichzelf heeft toegerekend in de studie.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de bouwprijzen van de M-fregatten die Defensie
in de studie heeft gehanteerd en voor het aantal benodigde NH-90 helikopters.
TEN SLOTTE
De doorrekening van de ADD noopt niet tot aanpassingen in de conclusies
van de GOSKM-studie, zo blijkt uit het rapport dat u hierbij toegaat, en geeft
als zodanig dan ook geen aanleiding het kabinetsstandpunt over de samenstelling
van de combattantenvloot te herzien. Ik roep hierbij in herinnering dat het
besluit af te zien van de verwerving van korvetten nadrukkelijk berust op
defensiebrede afwegingen. Hetzelfde geldt, zo heb ik bij de begrotingsbehandeling
verklaard, voor de aanvullende studie naar aanleiding van de motie-Kortenhorst
(Kamerstuk 29 800 X, nr. 34). De Kamer kan hierover binnenkort een brief
tegemoet zien.
De Minister van Defensie,
H. G. J. Kamp