Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29800-VIII nr. 251 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29800-VIII nr. 251 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juli 2005
Hij vraagt zich hooguit af of deze leerstrategieën wel zo efficiënt zijn. Soms gaat het allemaal zo traag, zo'n les waarin leerlingen alles zelf moeten opzoeken en antwoordbladen raadplegen om hun antwoorden te checken. En dan al die opdrachten waarover ze eindeloos met elkaar moeten overleggen. «Maar misschien moet je ze ook niet opjagen», mijmert hij, «en misschien is dat «met elkaar» wel heel belangrijk. En hoe efficiënt was het vroeger eigenlijk? Toen had je wel als docent het gevoel dat je alles onder controle had, terwijl je nu geen idee hebt wat de leerlingen opsteken. Vaak vind ik dat ik er zelf weinig aan heb gedaan, maar als ik dan na drie weken een toets geef, blijkt dat ze het snappen. Dat verbaast me nog steeds.»
Uit: Robert Anker, Hajar en Daan. Amsterdam, 2004
Het onderwijs innoveert. Tal van scholen en instellingen werken aan vernieuwing van hun onderwijs, in een beweging van onderop. Deze innovatiebeweging vertoont een grote diversiteit. Zo zijn er initiatieven waarbij sprake is van een compleet herontwerp van het primaire proces. Maar er zijn ook scholen en instellingen die stapsgewijs vernieuwen via een benadering die meer als schoolontwikkeling dan als innovatie kan worden gekenschetst. Wat bij veel scholen en instellingen centraal staat is dat ze in hun aanpak uitgaan van een herbezinning op het leren van jongeren, en vertrouwde routines loslaten. Ik acht deze beweging van groot belang, met het oog op de optimale talentontwikkeling van onze jongeren, en met het oog op de Lissabonafspraken die in 2000 gemaakt zijn op het terrein van onderwijs en arbeidsmarkt in 2010. Innovatie draagt in belangrijke mate bij aan ambities als het verhogen van gediplomeerde uitstroom, een hoger competentieniveau van jongeren en zodoende ook versterking van de kennissamenleving.
Deze innovatiebeweging is ook inzet van een soms heftig publiek debat, dat gedomineerd wordt door voorstanders en tegenstanders van «het nieuwe leren». Ik juich dat debat zeer toe, zij het dat dit debat ook de ruimte zou moeten gunnen aan voorzichtiger benaderingen, zoals in het citaat hierboven van de schrijver Robert Anker. Ik kom daar verderop in deze brief nog op terug.
Innovatie in het voortgezet onderwijs
Wat ik hierboven beschrijf over de innovatie in het onderwijs in het algemeen, geldt ook het voortgezet onderwijs. Deze brief gaat daarover. In Koers VO heb ik het innovatiebeleid voor het voortgezet onderwijs in grote lijnen geschetst. Tevens heb ik aangekondigd dat de Tweede Kamer jaarlijks informatie zal krijgen over de voortgang van de innovatie in het voortgezet onderwijs. Dat doe ik hierbij. De brief bevat de volgende onderwerpen:
1. Het Innovatieplan_VO van Schoolmanagers_VO en de «Gemeenschappelijke Afspraak over innovatie in het voortgezet onderwijs» die ik daarover met de Schoolmanagers_VO gemaakt heb (bijlagen 1 en 2);1
2. De stand en ontwikkeling van de innovatiebeweging op basis van het Innovatierapport van B&A. Daarbij reageer ik tevens op een aantal vraagstukken en dilemma's die in dit rapport worden aangekaart (bijlage 3);1
3. De resultaten van de beleidsregel Vooruit! (bijlage 4);1
4. Een korte slotbeschouwing.
Het Innovatieplan_VO en de Innovatieafspraak_VO bevatten ook voornemens met betrekking tot een innovatievoorziening. Ik ga daar verderop in deze brief nog nader op in. Daarmee doe ik ook mijn toezegging van 4 oktober 2004 gestand, gedaan tijdens het Notaoverleg over Koers PO en VO (TK 29 800 VIII, nr. 11).
1. Het Innovatieplan en de Innovatieafspraak VO
Het Innovatieplan_VO is het antwoord van Schoolmanagers_VO op de uitdaging uit Koers VO aan de sector, om zelf de aanpak van de innovatie ter handen te nemen. Op basis van het Innovatieplan_VO heb ik op 8 juni 2005 een «Gemeenschappelijke Afspraak over innovatie in het voortgezet onderwijs» met de Schoolmanagers_VO gemaakt. In het vervolg van deze brief spreek ik over de Innovatieafspraak_VO.
Scholen innoveren zelf. Dat is een centraal uitgangspunt voor mijn innovatiebeleid in het voortgezet onderwijs. Dat betekent ook dat het collectief van de scholen in de gelegenheid wordt gesteld zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor een landelijke aanpak. Blijkens het Innovatieplan_VO heeft Schoolmanagers_VO die verantwoordelijkheid goed naar zich toegetrokken.
Schoolmanagers_VO heeft het Innovatieplan_VO in samenspraak met veel partijen in en om het voortgezet onderwijs opgesteld. Het Innovatieplan is gericht op een verbreding en integratie van talrijke dossiers en ontwikkelingen, zoals SLOA, kwaliteitszorg en ict. Speciaal zal aandacht moeten worden besteed aan de rol van de docent en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in het onderwijs. De ambitie van Schoolmanagers_VO is daarom ook dat het Innovatieplan_VO integraal deel gaat uitmaken van de visie en taken van de sectororganisatie in oprichting.
Schoolmanagers_VO gaat aan de slag met een aantal onderwerpen. Allereerst met de vormgeving van een flexibele innovatiestrategie die op grond van voortschrijdend inzicht en veranderende omstandigheden kan worden bijgesteld. Daarnaast wordt in deelprojecten gewerkt aan «de Innovatiemakelaar», betere samenhang tussen onderwijspraktijk en onderzoek, meer synergie tussen ict en innovatie, en een innovatievoorziening. Hieronder zal ik de verschillende onderwerpen kort beschrijven.
Met de innovatiestrategie beoogt Schoolmanagers_VO een continue ontwikkeling vanuit de praktijk. De strategie omvat onderwerpen als kennisdelen, wetenschap en ict maar ook de ontwikkelingen met betrekking tot SLOA. Ook kan het gaan over het verder ontwikkelen van innovaties. Bij deze strategie staat de vraag centraal: wat moet er gebeuren, waar zet de sector de komende jaren op in om de innovatiebeweging sterk te krijgen?
Scholen hebben behoefte aan uitwisseling van kennis en ervaringen. Tevens hebben zij behoefte aan specifieke ondersteuning op maat. De ervaring leert dat scholen het vaak lastig vinden om te leren van andere scholen. Daarom gaat Schoolmanagers_VO een makelaarsfunctie vervullen. Bedoeling van deze functie is om netwerkvorming te stimuleren en in ondersteuning te voorzien.
c. Versterking onderwijspraktijk en onderzoek
Innovatie vergt een stevig wetenschappelijk fundament. Van verschillende kanten wordt geconstateerd dat er op dit moment weinig samenhang is tussen innovaties in de onderwijspraktijk en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Het is van groot belang meer kennis te ontwikkelen over hoe mensen leren en welke condities daartoe getroffen moeten worden. Het publieke debat hierover kan wetenschappelijke verdieping heel goed gebruiken. Het is dan ook belangrijk dat wetenschap, onderwijspraktijk en innovatie bij elkaar gebracht worden en de verschillende disciplines van elkaar kunnen leren. Het Innovatieplan_VO voorziet hierin.
Ict speelt een belangrijke rol bij innovatie. Ict op School en Kennisnet zetten zich al jaren in om de inzet van ict in het onderwijsleerproces te stimuleren. Toch is er nog een aantal barrières te overwinnen om ict verder binnen het onderwijs te integreren en de synergie met innovatie te versterken. Bijvoorbeeld de duurzaamheid en overdraagbaarheid van innovaties, versnipperde kennis over de integratie van ict in het onderwijsleerproces en de ondersteuningsmogelijkheden daarbij. Ook de kennis van docenten over het didactisch gebruik van ict en de beperkte aanwezigheid van educatieve software en content verdienen nog de nodige aandacht. Schoolmanagers_VO gaat hier samen met de betrokken organisaties mee aan de slag.
In Koers VO is een innovatievoorziening aangekondigd. Daarmee wordt een arrangement bedoeld waarbij de sector op basis van programmatische afspraken met de overheid zelf in staat wordt gesteld innovatieve projecten en programma's te entameren en te financieren. De innovatievoorziening richt zich op de dieptestrategie: genereren en ontwikkelen van kansrijke en betekenisvolle nieuwe concepten en praktijkvoorbeelden. Met Schoolmanagers_VO is afgesproken dat zij komend najaar een opzet presenteren voor zo'n innovatievoorziening. Bij de uitwerking van de innovatievoorziening zal ook een relatie worden gelegd met de systematiek van SLOA. Ik memoreer in dat verband de aankondiging in Koers VO dat in de SLOA-systematiek een meer vraaggerichte benadering zal worden aangebracht. Over de uitwerking hiervan krijgt Uw Kamer nog een afzonderlijke brief.
Innovatie kan stuiten op belemmerende regelgeving. Met Schoolmanagers_VO is geconstateerd dat de wet vooralsnog afdoende mogelijkheden biedt om met het oog op innovatie ontheffingen te verlenen. In de Innovatieafspraak_VO is opgenomen dat daarvoor een toetsingskader en een procedure voor ontheffingen zal worden ontwikkeld, zodat optimale helderheid zal ontstaan over de criteria op basis waarvan ontheffingen verleend worden.
De Innovatieafspraak_VO in grote lijnen
Essentie van de Innovatieafspraak is dat Schoolmanagers_VO het Innovatieplan_VO uitvoert en ik dat in financiële en morele zin ondersteun. Voor 2005 stel ik hiervoor een bedrag van ruim € 1,4 mln. beschikbaar.
De Innovatieafspraak_VO kan uiteraard niet los worden gezien van het proces van sectorvorming. Het ligt in de rede dat de verantwoordelijkheid voor de innovatie uiteindelijk bij de te vormen sectororganisatie zal komen te liggen. In de Innovatieafspraak_VO is opgenomen dat dit kan worden gerealiseerd zodra de sectororganisatie er klaar voor is. Tot die tijd blijft Schoolmanagers_VO aanspreekpunt voor de innovatiestrategie.
2. De innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs
«Innovatie in het voortgezet onderwijs leeft volop. Niet alleen wordt er veel over innovatie nagedacht en geschreven, er wordt in de praktijk ook veel aan innovatie gedaan. De initiatieven zijn talrijk, vele concrete innovatieve projecten zijn reeds gestart en er ontstaan allerlei vaak «onorthodoxe» samenwerkingsverbanden.»
uit: Innovatie in het Voortgezet Onderwijs. Feiten ontwikkelingen en perspectieven 2005, B&A
In Koers VO staat dat de Tweede Kamer jaarlijks zal worden gerapporteerd over de stand van de innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs. In bijlage 3 vindt u het Innovatierapport van B&A. Het rapport geeft een beredeneerde impressie van de stand van zaken rond innovatie in het voortgezet onderwijs en de lopende discussies over het innovatieproces. In de rapportage onderscheid B&A drie domeinen waarbinnen innovatie kan plaatsvinden:
1. Pedagogisch-didactisch
2. Schoolorganisatie en personeelsbeleid
3. School en Omgeving
Hieronder zal ik kort aangeven welke ontwikkelingen B&A schetst op deze drie domeinen. Tevens zal ik de bevindingen van B&A voorzien van een reactie.
2.1 Pedagogisch-didactische vernieuwing
Dit domein omvat volgens B&A algemene, nieuwe en veranderende visies op leren en leerlingen. Op steeds meer scholen is de aanpak in de klas niet meer dezelfde als tien jaar geleden, aldus B&A. Zij stellen dat in het pedagogisch didactisch domein polarisatie van standpunten gaande is tussen aanhangers van het «oude» en het «nieuwe» leren. Er is echter open ruimte nodig om allerlei varianten van innovatief leren te ontwikkelen, balancerend tussen zelfontwikkeling van de leerlingen enerzijds en geformaliseerde eisen en examens anderzijds, balancerend ook tussen het «hoe» en het «wat» van het voortgezet onderwijs.
De constateringen van B&A raken de kern van het publieke debat dat op dit moment over onderwijsinnovatie plaatsvindt. Dit debat is van groot maatschappelijk belang omdat de toekomst van onze jongeren ons allemaal aangaat. Het is natuurlijk wenselijk dat dit debat breed gevoerd wordt, maar dan wel zorgvuldiger dan nu vaak het geval is. Ik heb daarbij drie aspecten op het oog.
In de eerste plaats wordt het debat gedomineerd door voorstanders en tegenstanders van «het nieuwe leren», alsof de discussie zo digitaal gevoerd kan worden. Daarom ben ik ook ongelukkig met het gebruik van «het nieuwe leren» als verzamelnaam voor allerlei nieuwe initiatieven en als tegenstelling van het «oude leren»; het maakt de discussie diffuus. Ik pleit er voor om in eerste instantie te spreken over «leren», een kwaliteit die al zo oud is als de mensheid. Vervolgens heb ik het over de grote verscheidenheid aan leervormen en mogelijkheden, die gezamenlijk een breed en gevarieerd repertoire vormen. Innovatiebeleid is er dan op gericht om effectieve leervormen die nog niet gemeengoed, of wellicht nieuw zijn, naar voren te halen en een kans te geven. De discussie moet dus niet worden gevoerd in termen van zwart of wit, maar het moet gaan om een breed geschakeerde waaier van leermogelijkheden, die elk hun eigen merites hebben. Het uitgangspunt is altijd dat de innovatie een positief effect op de leerling moet hebben. Scholen moeten dan ook concreet inzicht kunnen geven in wat de leerling daadwerkelijk merkt van de innovatie.
In de tweede plaats: dit zwart-wit denken doet zich ook voor in de discussie over de rol van de docent. «De traditionele leraar wordt coach», is een voorbeeld van zwart-wit denken dat onrecht doet aan de vaak ingewikkelde en subtiele relatie tussen docent en leerling, en bij veel professionals dan ook terecht wrevel oproept. Dat betekent uiteraard niet dat over de rol van de docent niet gediscussieerd zou mogen worden. Docenten kunnen vanuit hun eigen professionele verantwoordelijkheid in het debat over innovatie participeren. Het zou jammer zijn als de innovatiebeweging die ik op het oog heb door docenten beleefd wordt als een operatie van bovenaf.
In de derde plaats valt op dat de inbreng van de wetenschap in dit debat meer nadruk behoeft. Het debat over innovatie in het onderwijs moet niet alleen gevoerd worden door professionals, ouders en andere betrokkenen, maar ook door onderzoekers en wetenschappers. Er zal zich meer nadrukkelijk een wetenschappelijk discours moeten ontwikkelen. Het Innovatieplan_VO bevat daarvoor een goede aanzet.
Ruimte bieden aan innovatieve onderwijsvormen is spannend en raakt soms de grenzen van wat we tot dusverre gebruikelijk vonden in het onderwijs. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de school en bij de schoolbevolking. Uiteraard zal ook de Inspectie hierop toezicht houden, maar niet op een manier die initiatief ontmoedigt. Want met het oog op de Lissabonafspraken en de zich ontwikkelende kennissamenleving kunnen we het ons niet veroorloven al te terughoudend te zijn ten aanzien van innovatief initiatief.
2.2. Schoolorganisatie en personeelsbeleid
Dit domein omvat volgens B&A zaken als management, personeelsbeleid en facilitaire zaken, maar bevat ook aan de inhoud gelieerde thema's als programmering, leerlijnen, leergebieden, rooster toetsing en dergelijke. De praktijk leert – zo staat in het rapport – dat innovatie noodzaakt en leidt tot een herbezinning op de organisatie van het onderwijs en van de school. Een effectieve aanpak van innovatie vereist daarnaast visie en leiderschap op het niveau van de school. Dat is zeker nodig als het gaat om personeelsbeleid dat in functie zou moeten staan van innovatie. In het rapport wordt gesproken van een sleutelrol voor het personeelsbeleid.
Scholen met daarbij de leraren voorop innoveren zélf, is mijn uitgangspunt bij het innovatiebeleid. Ik vind het van groot belang dat de werkvloer (leerlingen, docenten en management) verbonden is met de innovatiebeweging van het voortgezet onderwijs en dat het innoverend vermogen van de individuele scholen sterker wordt. De innovatiebereidheid en de innovatiebehoefte dienen keer op keer gerationaliseerd te worden in plannen, moeten nadrukkelijk vertaald worden in adequaat personeelsbeleid, en moeten systematische aandacht krijgen in de horizontale verantwoording door de school.
Scholen kunnen daarbij leren van elkaars ervaringen, ideeën en good practices. Het is van groot belang dat optimale condities worden gecreëerd voor het delen van kennis, bij voorkeur door de bedrijfstak zelf. Daarom is het ook van grote betekenis dat Schoolmanagers_VO zich positioneert als Innovatiemakelaar. Zodat het delen van kennis steeds beter tot stand kan komen, en wel door een actor die van en voor de scholen is.
Het primaire proces: rol van de docent
Als scholen zelf innoveren, is er een belangrijke rol weggelegd voor de docent. Naarmate de veranderingen in het primaire proces vorderen, wordt de veranderende rol van de docent belangrijker.
De docent is tegenwoordig veel meer dan de traditionele kennisoverdrager, maar die nieuwe rollen moeten ook voor een belangrijk deel nog worden ingevuld. Daarom moeten docenten ook hun eigen positie in de innovatiebeweging definiëren. De inzet van de docent is en blijft cruciaal. Over de aanpak van het lerarenbeleid wordt de Tweede Kamer in juli 2005 meer uitvoerig geïnformeerd via de voortgangsrapportage over het Beleidsplan Onderwijspersoneel (juni 2005).
De lerarenopleidingen zijn een belangrijk onderdeel van het hiervoor aangehaalde Beleidsplan Onderwijspersoneel (juni 2004) dat de Tweede Kamer in oktober 2004 heeft besproken. Ter nadere uitwerking is in overleg met de HBO-raad en de VSNU een afzonderlijke Beleidsagenda Lerarenopleidingen opgesteld die onlangs – in combinatie met de eerder genoemde voortgangsrapportage – naar de Tweede Kamer is gestuurd. Deze beleidsagenda heeft tot doel dat de lerarenopleidingen meer differentiatie en kwaliteit gaan bieden en meer maatwerk voor studenten en onderwijsinstellingen zullen leveren. Daarnaast wordt een versterking van de infrastructuur beoogd.
B&A benoemt school en omgeving als het derde domein waarbinnen innovatie zich afspeelt. Deze relatie is van belang omdat zij een impuls kan betekenen voor innovatie. Redenen om dergelijke relaties aan te gaan is het creëren van krachtige leeromgevingen en het gezamenlijk zoeken naar vormen waarbinnen het leer- en socialisatieproces van jongeren kan plaatsvinden. Relevante partners zijn dan bedrijven, sport, cultuur, jeugd- en welzijnsinstanties en dergelijke. In het rapport van B&A wordt ook geattendeerd op condities die in dat geval moeten worden gecreëerd om de wederzijdse afhankelijkheid niet tot een last te maken. De conjunctuurgevoeligheid bijvoorbeeld van stageplaatsen in het bedrijfsleven zal op de een of ander manier moeten worden getackeld. De omgeving kan daarnaast een conserverende invloed hebben op de school in plaats van een innoverende.
De school staat midden in de samenleving. Het is belangrijk dat scholen deuren en ramen open hebben en contact hebben met partners in en om de school. In het huidige onderwijs ligt de nadruk meer op de verticale interactie tussen overheid en school, dan op de horizontale interactie tussen school en omgeving. Dit is echter in beweging, onder meer als gevolg van veranderende opvattingen over goed onderwijsbestuur. Ook in de praktijk zien we een verandering die er op gericht is dat de school zich steeds meer leert verstaan met de directe maatschappelijke omgeving. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de Brede Schoolontwikkeling en in de aanpak van de zorgproblematiek. Overigens is ook het Inspectietoezicht toenemende in mate op horizontale interactie ingericht. Nader wordt bezien hoe deze ontwikkeling naar een sterkere horizontale interactie door de landelijke overheid kunnen worden bevorderd.
3. De resultaten van de beleidsregel Vooruit!
Ik heb het in Koers VO geschreven, maar herhaal het hier nog maar eens. Ik ga niet zeggen dat scholen moeten innoveren, laat staan dat ik voorschrijf hoe ze dat moeten doen. Scholen echter die willen innoveren wil ik kansen bieden, zeker als dat concepten en ervaringen oplevert waarvan andere scholen kunnen profiteren. Daarom heb ik in 2004 de beleidsregel Vooruit! uitgebracht. 266 scholen hebben een aanvraag voor subsidie ingediend, hetgeen duidt op een enorme drive om te vernieuwen. Om zoveel mogelijk scholen een kans te geven hun te innovatieve plannen uit te voeren, heb ik het beschikbare budget voor deze subsidie kunnen verhogen van 10 miljoen naar ruim 16 miljoen. Daarmee heb ik 84 projecten kunnen honoreren.
Al deze projecten moesten gericht zijn op versterking en vernieuwing van het leerproces van jongeren in de meest brede zin van het woord. Innovaties die het leren van jongeren centraal stellen, die de motivatie om te leren versterken, die leiden tot verbetering van leerprestaties en die een bijdrage leveren aan het aanboren, uitdagen en ontwikkelen van het talent van jongeren in het voortgezet onderwijs. De resultaten van Vooruit! en een beschrijving van alle projecten zijn door SenterNovem in een brochure opgenomen, zie hiervoor bijlage 4 bij deze brief.
Bevindingen van de Jury Vooruit!
De aanvragen van Vooruit! zijn beoordeeld door een jury onder leiding van Hans de Boer. De jury constateerde dat de innovatiebereidheid van docenten en het management van het voortgezet onderwijs bijzonder groot blijkt te zijn. De jury constateerde tegelijkertijd dat de kwaliteit en het niveau van de voorstellen onderling nogal verschillen en sterk afhankelijk zijn van het innoverend vermogen van de school, de omgevingsgerichtheid en de ervaring die men heeft met projectmatig werken. De jury constateerde dat de lerarenopleidingen in geen van de aanvragen als partners werden opgevoerd. Vastgesteld kan worden dat de bevindingen van de jury in lijn liggen met de bevindingen van B&A.
De jury van Vooruit! heeft mij in haar uiteindelijke advies drie punten meegegeven die van belang zijn voor de innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs. De innovatie en het effect op de leerling; de innovatie en het effect op het innoverend vermogen van de school; de innovatie en het effect op de omgevingsgerichtheid van de school. Deze punten zullen bij de verdere aanpak van de innovatiestrategie van Schoolmanagers_VO een plek moeten krijgen.
Andere bestuurlijke omgangsvormen
Met deze brief hoop ik u een adequaat inzicht te hebben gegeven in de innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs, en met de bestuurlijke omslag die in het kader van deze innovatiebeweging gemaakt wordt. Die omslag, waarbij scholen zelf innoveren en waarbij de sector aan het roer staat, heeft op z'n minst avontuurlijke trekken. Zeker in een sector die lange tijd gewend is aan operaties die van bovenaf werden doorgevoerd. Voor een goed begrip: deze bestuurlijke inzet wordt niet alleen bepaald door de actuele bestuursfilosofie, maar ook door mijn overtuiging dat de doelstellingen van Lissabon effectiever kunnen worden gerealiseerd door een innovatiestrategie die de creativiteit en inventiviteit van scholen en professionals tot uitgangspunt neemt. Een te sterke regulering en bureaucratisering van zulke maatschappelijke processen werkt mijns inziens stagnerend op innovatie.
Het is dan wel de kunst, zowel van scholen als van de overheid en van de belanghebbenden rondom de school, om in die nieuwe bestuurlijke verhoudingen de goede rol aan te nemen. Alle partijen zullen in deze constellatie in hun rol moeten groeien, soms al zoekend en tastend. Scholen zullen de ruimte moeten nemen die hen geboden wordt. Belanghebbenden zullen zich sterker moeten manifesteren als een «critical friend». Als minister van OCW zal ik me toeleggen op een lichte regie en waar nodig een slimme interventie. Het gevolg daarvan is dat u als Tweede Kamer de mogelijkheid heeft zich op de hoofdlijnen toe te leggen. Hoe dit precies uitpakt zal de praktijk leren.
In die zin is het ook interessant te kijken of Nederland kan leren van innovatiestrategieën die in het buitenland voor het voortgezet onderwijs worden gevoerd. Daarover is nu niet veel bekend. De Onderwijsraad zal hierover na de zomer een verkenning publiceren. Wel kan ik melding maken van de bevindingen van zo'n 25 beleidsambtenaren uit heel Europa, die eind februari 2005 in Nederland waren voor een uitwisselingsbezoek. In dat kader bezochten ze ook enkele scholen die als innovatief bekend staan. Het viel deze functionarissen op dat deze scholen goed gebruik maakten van de ruimte die ze hadden om het primaire proces naar de maat van leerlingen in te zetten. Ze waren daarnaast onder de indruk van de capaciteiten die de leerlingen zelf aan de dag legden, mede dankzij de manier waarop deze leerlingen op hun talent en ambitie werden uitgedaagd. Als zulke ervaringen de vrucht zijn van deze aanpak voor innovatie in het voortgezet onderwijs, dan ga ik graag op deze voet verder.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29800-VIII-251.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.