29 800 V
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2005

nr. 50
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 oktober 2004

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

De Haan

De griffier van de commissie,

Van Oort

Kunt u een overzicht geven van de omvang van het budget van de volgende posten, beginnend met de begroting van 1998 (of de begroting waarin de post voor het eerst voorkwam) tot en met de voorliggende begroting: «eerstejaarsopvang asielzoekers», «vertrekpremie vrijwillige terugkeer vreemdelingen», «exportkredietinstrumentarium» en «Clean Development Mechanism»?

De bedragen die voor de genoemde programma's in de (ontwerp-)begrotingen vanaf 1998 werden opgenomen zijn als volgt:

Opvang asielzoekers

1998 nihil 
1999HFL 244,0 miljoen 
2000HFL 244,0 miljoen  
2001HFL 388,7 miljoen 
2002EUR 167,3 miljoen  
2003EUR 194,4 miljoen 
2004EUR 194,4 miljoen  
2005EUR 124,6 miljoen 

Vertrekpremie vrijwillige terugkeer vreemdelingen (begroting BZ)

1998–2000 nihil 
2001–2003 Geen raming in de ontwerpbegroting doch wel de volgende realisaties:
2001EUR90 000  
2002EUR 279 000  
2003EUR 561 000 
Begrotingsramingen:  
2004EUR 2 724 296 
2005EUR 3 666 050 

Exportkredietinstrumentarium (extra-comptabele toerekening)

1998HFL 90,0 miljoen 
1999HFL 90,0 miljoen  
2000HFL 140,0 miljoen  
2001HFL 240,0 miljoen  
2002EUR 154,3 miljoen  
2003EUR 206,6 miljoen  
2004EUR 506,6 miljoen  
2005EUR 481,6 miljoen 

Clean Development Mechanism (begroting VROM)

1998–2000 nihil 
2001HFL 200,0 miljoen 
2002EUR 136,1 miljoen  
2003EUR 56,7 miljoen 
2004EUR 20,7 miljoen  
2005EUR 19,5 miljoen 

2

Zal het in de begroting voor 2006 wel mogelijk zijn om, gegeven de nieuwe opzet, de apparaatskosten per beleidsartikel aan te geven?

Naar aanleiding van de aanbevelingen uit de rijksbrede VBTB-evaluatie die later dit jaar naar de TK verzonden zullen worden, zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn om in de begroting 2006 de apparaatskosten per beleidsartikel aan te geven.

3

«Nederland heeft een ideaal». Mag, waar verder in de begroting gesproken wordt over het naleven van Nederlandse belangen, ook gelezen worden dat dit geschiedt vanuit het perspectief van het ideaal?

Ja.

4

Op welke middelen doelt u als u schrijft dat in de aanloop naar de Irak-crisis «de middelen voor het afdwingen van naleving van afspraken» tekortschieten? Zou u deze gebrekkige middelen willen aanpassen om te voorkomen dat unilateraal optreden zoals door de VS in Irak zich kan herhalen? Zo ja, op welke wijze? Indien neen, waarom niet?

De middelen waarop werd gedoeld staan in de betrokken passage van de Memorie van Toelichting vermeld, namelijk «versterking van het multilaterale stelsel, onder meer door het ontwerpen van instrumenten die vroegtijdige, snelle en waar nodig krachtige actie mogelijk maken». Een multilateraal stelsel dat niet de daad bij het woord voegt, werkt in de hand dat indirect lidstaten dat dan gaan doen. Op deze materie is nader ingegaan in de brief aan de Kamer over VN-hervorming van 1 juni 2004 (TK, 24 832, nr. 5).

5

De dreigingen van de 21ste eeuw vergen een meer integrale samenwerking tussen verschillende instanties en departementen. Kunt u concreet aangeven welke visie u hierover heeft?

De dreigingen van de 21ste eeuw, waaronder terrorisme, verspreiding van massavernietigingswapens en grensoverschrijdende criminaliteit zijn onderling verbonden en hebben vaak een niet-statelijk karakter. Zij zijn ook niet uitsluitend binnen de traditionele structuren van interstatelijke relaties aan te pakken. Een effectieve aanpak vraagt om een meer multidisciplinaire benadering die ontwikkeld en geïmplementeerd moet worden in nauwe samenwerking tussen en binnen nationale overheden en internationale organisaties. Daarbij dient vaak zowel op beleidsvormend als op uitvoerend terrein nauw samengewerkt te worden. Een goed voorbeeld is de bestrijding van het internationaal terrorisme van Al Qaida. Een effectieve bestrijdingsstrategie vergt een nauwe samenwerking tussen internationale actoren zoals de VN, de EU en de NAVO, maar ook tussen nationale actoren, waaronder verschillende departementen, regelgevende en toezichthoudende instellingen (bijvoorbeeld de financiële toezichthouders), als ook op operationeel niveau tussen politie en justitie, inlichtingendiensten en het OM. Goede coördinatie en afstemming, maar ook efficiënte besluitvorming is daarbij essentieel. Waar mogelijk dient dit binnen de bestaande structuren te geschieden. In uitzonderlijke gevallen kunnen nieuwe structuren wenselijk zijn, waartoe onlangs voor wat betreft terrorismebestrijding is besloten.

6

Wat verstaat u onder «gepaste urgentie» als u spreekt over de implementatie van aanbevelingen die de effectiviteit en legitimiteit van de VN kunnen verbeteren?

Het debat over VN-hervormingen met het oog op het versterken van de legitimiteit en effectiviteit is niet van recente datum. Met de instelling van het High Level Panel on Threats, Challenges and Change heeft de Secretaris-Generaal er in 2003 een nieuwe impuls aan gegeven. Het mandaat van het Panel is breed en omvat zowel «harde» dreigingen (zoals terrorisme en proliferatie van massavernietigingswapens) als «zachte» dreigingen (zoals extreme armoede, honger, ziekten en degradatie van het milieu). De aanbevelingen zullen naar verwachting ook een breed terrein beslaan, waaronder wellicht ook het gevoelige vraagstuk van de hervorming van de Veiligheidsraad. Al naar gelang de aanbevelingen een gevoeliger terrein raken, zal besluitvorming over implementatie met 191 leden moeizamer verlopen of in het geheel uitblijven. De regering wil zich in ieder geval inzetten om aanbevelingen die minder gevoelig liggen en wel degelijk tot een verbetering van de effectiviteit kunnen leiden, niet te laten ondersneeuwen door de gevoeliger kwesties. Met kracht moet worden uitgedragen dat er wat moet veranderen en dat niet alles bij het oude kan blijven.

7

Kunt u concreet aangeven welke gevolgen de hervormingen van het VN-stelsel op ontwikkelingsgebied kunnen hebben voor de diverse fondsen en programma's van de VN?

De hervormingen van de VN op ontwikkelingsgebied hebben tot dusverre vooral gevolgen voor het intern functioneren van de desbetreffende organisaties en het opereren van de VN op landenniveau. De interne hervormingen hebben vooral betrekking op harmonisatie van regelgeving en procedures tussen de organisaties onderling, de invoering van resultaatgericht management en verbetering van monitoring en evaluatie. Op landenniveau zijn eveneens hervormingen ingezet, met als doel dat de VN haar activiteiten volledig laat aansluiten op nationale armoedebestrijdingsstrategieën, procedures en programmeringscycli harmoniseert met andere donoren, de VN-presentie op landenniveau verder rationaliseert en als één VN-landenteam onder leiding van de Resident Coordinator gaat opereren.

Voor de diverse fondsen en programma's zou dit uiteindelijk moeten betekenen dat zij uitsluitend nog programma's uit hun algemene middelen kunnen financieren die passen in het VN-landenprogramma en een concrete bijdrage leveren aan de uitvoering van het PRSP in een land. Het zal in een aantal gevallen ook betekenen dat de organisaties zich minder dan nu het geval is moeten richten op het zelf uitvoeren van activiteiten en nog meer op de opbouw van capaciteit in de landen zelf.

8

In hoeverre past in uw optiek een Europese minister van Buitenlandse Zaken en een Europese diplomatieke dienst bij intergouvernementele besluitvorming over de buitenlandse politiek van de Unie?

De besluitvorming over buitenlandse politiek van de Unie heeft intergouvernementele, communautaire en gemengde kenmerken. Intergouvernementele besluitvorming wordt gehanteerd bij het GBVB en het EVDB en dat zal door de inwerkingtreding van het nieuwe Verdrag niet veranderen. Dat wil zeggen dat besluitvorming in de regel met unanimiteit plaatsvindt en er geen sprake is van een exclusief initiatiefrecht van de Commissie (als in de eerste pijler). Overigens wordt het toepasingsbereik van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid op GBVB-terrein verruimd in het Grondwettelijk Verdrag. Er zal door de Raad met gekwalificeerde meerderheid worden besloten over voorstellen van de Europese Minister van Buitenlandse Zaken wanneer deze voorstellen voortvloeien uit een specifiek verzoek daartoe van de Europese Raad. Bovendien bevat het Grondwettelijk Verdrag een «passerelle-clausule» krachtens welke door de Europese Raad besloten kan worden het toepassingsbereik van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid op GBVB-terrein verder uit te breiden.

Voor de totstandkoming van een verstandig geïntegreerd extern beleid van de Unie zal het van belang zijn de samenhang en synergie tussen intergouvernementele en communautaire Europese besluitvorming te versterken. Juist op dat terrein zal een belangrijke rol zijn weggelegd voor de Europese Minister van Buitenlandse Zaken die zowel functionaris is van de Raad als ook lid (vice-voorzitter) van de Commissie. De Europese minister van Buitenlandse Zaken past voorts goed bij de behoefte aanéén duidelijk aanspreekpunt voor derden op het gebied van het extern beleid. Naar buiten toe zal de Europese Minister van Buitenlandse Zaken de zichtbaarheid en effectiviteit van de Unie bovendien kunnen vergroten daar hij de Unie kan vertegenwoordigen over de volle breedte van geïntegreerd buitenlands beleid. Gelet op het belang van een geïntegreerd extern beleid, is het verstandig dat de Europese Minister van Buitenlandse Zaken wordt ondersteund door een Europese diplomatieke dienst, waar de lidstaten overigens ook medewerkers zullen detacheren.

9

Kunt u een compleet overzicht geven van de landen waar een referendum gehouden zal worden over het Grondwettelijk Verdrag? In welke van die landen heeft het referendum een raadplegend en in welke een wetgevend karakter?

Ja, bijgevoegd treft u een overzicht aan van de referenda die in de lidstaten van de Unie worden gehouden over het Grondwettelijk Verdrag. Dit overzicht betreft de huidige stand van zaken; het is niet uitgesloten dat andere landen alsnog besluiten tot het houden van een referendum.

Overzicht van referenda in de lidstaten over het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (stand van zaken d.d. 12 oktober 2004)

EU-lidstaatStatus
DenemarkenBindend
FrankrijkBindend
IerlandBindend
LuxemburgRaadplegend
NederlandRaadplegend
PolenBindend (indien opkomst > 50%)
PortugalBindend (indien opkomst > 50%)
SpanjeRaadplegend
TsjechiëNaar verwachting bindend
Verenigd KoninkrijkRaadplegend

10

Wordt naar de mening van de regering voldoende tempo gemaakt met de uitvoering van het bijgewerkte EU-actieplan terrorismebestrijding na de aanslagen in Madrid? Op welke punten is een extra inspanning nodig?

Terrorismebestrijding is een prioriteit van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie. Naast nieuwe maatregelen ligt daarbij de nadruk op de spoedige implementatie van het EU actieplan terrorismebestrijding, waaraan door het voorzitterschap in nauwe samenwerking met de EU contra-terrorisme coördinator Gijs de Vries wordt gewerkt. Tijdens de RAZEB van 11 oktober jl. is een tussenstand opgemaakt. Hieruit blijkt dat op een groot aantal terreinen belangrijk vooruitgang is geboekt. Zo wordt de samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten verbeterd, onder andere door de versterking van het EU SitCen. Ook op JBZ-terrein wordt vooruitgang geboekt. Nederland geeft veel aandacht aan de bestrijding van financiering van terrorisme en werkt hard aan de succesvolle afronding van de derde richtlijn Witwassen en de bestrijding van cash couriers. Met een succesvol seminar werd input gegenereerd voor een nieuwe EU-strategie ter bestrijding van terrorismefinanciering, die wordt voorbereid door de Coördinator. Onder Nederlands voorzitterschap wordt gewerkt aan de versterking van het extern beleid van de EU, onder andere door versterking van samenwerking met derde landen.

Het voorzitterschap zet grote druk op het werk in Raadskader om de opdrachten van het Actieplan aan de Raad te realiseren. Een belangrijk deel van het werk dient echter door de Lidstaten te worden gedaan, in het bijzonder door afronding van implementatie van genomen maatregelen in nationale wet- en regelgeving. Tijdens de eerder genoemde RAZEB van 11 oktober jl. heeft het voorzitterschap de Lidstaten nogmaals gewezen op de urgentie van spoedige implementatie en de Lidstaten aangespoord aan de gestelde deadlines te voldoen. Tijdens de Europese Raad van december zal de balans worden opgemaakt. Ook in de aanloop naar de Europese Raad zal het voorzitterschap het belang van uitvoering van het Actieplan blijven benadrukken.

11

Hoe ziet u uw opvatting over effectief multilateralisme in relatie tot de crisis in Soedan? Deelt u de mening dat het multilaterale systeem daar al maanden faalt om de veiligheidssituatie daadwerkelijk te verbeteren?

De internationale gemeenschap heeft zich ten aanzien van de crisis in Soedan zeer actief opgesteld. De VN Veiligheidsraadresoluties, de betrokkenheid van de EU, zoals recent nog tot uitdrukking kwam in de ministeriële EU-Troika naar Soedan, die een duidelijke sanctiedreiging heeft verwoord, alsmede de inspanningen van de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN hebben effect gesorteerd. Van een falen kan dan ook niet gesproken worden, al is er ook geen enkele reden tot tevredenheid. Wat betreft de crisis in Darfur geldt dat ervoor gekozen is de Afrikaanse Unie, als regionale organisatie onderdeel uitmakend van het multilaterale systeem, een leidende rol te laten spelen. Nederland en de Europese Unie hechten sterk aan deze leidende rol, aangezien dit ertoe bijdraagt dat Afrikaanse landen zich in toenemende mate verantwoordelijk voelen voor crises op het continent zoals die thans in Darfur. De Afrikaanse Unie heeft echter niet eerder grootschalige missies, zoals nu voorzien in Darfur, geleid. Derhalve moeten de VN en de Europese Unie de AU ondersteunen in het vinden van een oplossing voor Darfur en in het uitbreiden van de missie in Darfur.

12

Kunt u aangeven welke controle op illegale export uit de Grote Meren-regio, specifiek uit de DRC, plaatsvindt en welke maatregelen door onder meer MONUC worden genomen ter voorkoming hiervan? Kunt u aangeven of Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij deze illegale export?

Uit diverse rapporten blijkt dat illegale exploitatie en export van grondstoffen in de Democratische Republiek Congo (DRC) nog steeds op grote schaal voorkomt. Primaire oorzaak hiervan is de afwezigheid dan wel zwakke vorm van staatsgezag in grote delen van het land, met name in het oosten. Herstel van het centrale gezag is dan ook een eerste vereiste. Ondanks de omvang van de problemen boekt de Congolese overheid hierbij vorderingen, zowel in juridisch, bestuurlijk als militair opzicht. Voor de rol van relevante VN-organisaties bij de hervorming van de mijnbouwsector verwijzen wij naar ons antwoord op kamervragen over het VN-rapport inzake plunderingen in Congo (15 december 2003).

De relatief beperkte omvang van MONUC stelt duidelijk grenzen aan de mogelijkheden van de VN-missie om uitgebreide controle uit te oefenen op de illegale handel in grondstoffen. Het op 1 oktober aangenomen nieuwe mandaat kent MONUC op dit punt dan ook geen bijzondere taken toe. Gelet op efficiënt gebruik van de haar ter beschikking staande middelen, dient MONUC zich zoveel mogelijk te concentreren op kerntaken, in eerste instantie het waarborgen van vrede en veiligheid in het oosten van het land. Door het creëren van stabiliteit, onder andere door toe te zien op de naleving van het wapenembargo, en daarnaast door te helpen bij het herstel van overheidsgezag over het gehele grondgebied draagt MONUC bij aan een belangrijke voorwaarde voor effectief overheidstoezicht op handel en exploitatie van grondstoffen.

Voor zover bekend zijn bij de illegale exploitatie en export van grondstoffen en goederen geen Nederlandse bedrijven betrokken.

13

Gaat de Nederlandse regering tijdens het EU-voorzitterschap een Europese «troika» naar de Grote Meren-regio sturen om de mogelijkheden voor een Europese bijdrage aan MONUC en de regio te bekijken?

De voorbereidingen voor een mogelijk EU-Trojka bezoek aan de Grote Meren-regio in november 2004 zijn in gang gezet. De Trojka zal zich met name richten op de identificatie van EU-steun aan het regionale vredes- en transitieproces. Voor de bepaling van de bijdrage vanuit de Europese Unie aan MONUC zijn de consultaties reeds gestart. Nederland beoordeelt momenteel op welke wijze steun kan worden gegeven. Een brief hierover is u toegegaan op 14 oktober jl.

14

Kunt u aangeven wat tot nog toe de ervaringen dan wel eventuele resultaten zijn ten aanzien van de Provincial Reconstruction Teams (PRT's) in Afghanistan met betrekking tot weder-opbouwactiviteiten?

De ervaringen met PRT's zijn tot dusverre positief. Hun aanwezigheid lijkt een stimulerende werking te hebben op correct machtsgebruik, en belemmert willekeur door lokale en regionale machthebbers. Lokale en provinciale autoriteiten, aangesteld door de regering in Kaboel, winnen door tussenkomst en ondersteuning van de PRT's aan gezag. Door de aanwezigheid van PRT's neemt de stabiliteit toe, en krijgen organisaties op het gebied van humanitaire hulpverlening en wederopbouw de kans hun werkzaamheden uit te voeren. Tijdens de recente presidentsverkiezingen hebben de PRT's, in nauwe samenwerking met de Afghaanse politie, eenheden van de Afghan Military Forces en eenheden van het Afghaanse nationale leger, actief bijgedragen aan de veiligheid. Ook is in enkele gevallen logistieke steun verleend bij het transport van verkiezingsmiddelen en stembiljetten.

De omvang, samenstelling en niet-militaire taakstelling van de PRT's in Afghanistan lopen uiteen. Dit is primair het gevolg van de soms aanzienlijke verschillen binnen Afghanistan op het gebied van veiligheid en stabiliteit. Daarnaast speelt mee dat PRT's uitgaan van een «lead nation» concept, hetgeen aanzienlijke ruimte laat voor de diverse «lead nations» om naar eigen opvatting invulling te geven aan de niet-militaire taken van het PRT.

Op dit punt bestaan dan ook in ISAF-kader verschillen. Zo richt het Britse PRT zich voornamelijk op de versterking van de lokale en provinciale overheids- en veiligheidsstructuren. Ook voert het op een zeer beperkte schaal CIMIC-projecten («Civilian-Military Cooperation») uit. Het Duitse PRT is primair gericht op verbetering van de veiligheidsituatie. Daarnaast echter bevat het Duitse PRT een civiele component die zich richt op wederopbouwactiviteiten. Deze civiele component is daartoe in staat door de stabiliteit die het resultaat is van het optreden van het militaire deel van het Duitse PRT.

Zoals bekend heeft het Nederlandse PRT niet de opdracht door uitvoering van projecten bij te dragen aan de reconstructie van Afghanistan, doch is gemandateerd voorwaarden te scheppen voor anderen om reconstructietaken ter hand te nemen. Wel kan het PRT CIMIC-activiteiten uitvoeren ter ondersteuning van deze opdracht. Het Nederlandse CIMIC-beleid is gebaseerd op de NAVO-definitie van CIMIC. Die stelt dat CIMIC-activiteiten primair worden uitgevoerd om de militaire missie, dus de eigen opdracht, te ondersteunen. Tot de CIMIC-activiteiten behoort onder meer de uitvoering van een zogenaamd «Civil Assessment» in de provincie Baghlan. Dit Civil Assessment heeft als primaire doelstelling het beeld van de civiele omgeving in kaart te brengen op het gebied van cultuur, humanitaire zaken, civiele infrastructuur, overheid, economie en handel, IO's en NGO's, en hun wederzijdse interactie. In de korte tijd dat het Nederlandse PRT operationeel is, zijn de activiteiten vooral gericht op het verkrijgen van een goed beeld van de provincie. De lokale autoriteiten en de bevolking reageren over het algemeen positief op de Nederlandse aanwezigheid.

15

Welke programma's en activiteiten worden opgestart in het kader van het Barcelona-proces?

In de brief aan de Kamer d.d. 13 april 2004 heeft de regering de plannen van het Nederlands Voorzitterschap uiteengezet met betrekking tot het Barcelona-proces. De regering zal na afloop van het voorzitterschap verslag doen van de ontwikkelingen die tijdens deze periode hebben plaatsgevonden. Daarbij zal aandacht uitgaan naar onder meer de totstandkoming van de eerste groep actieplannen in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid en het vervolg dat wordt gegeven aan de conclusies van de Europese Raad van 17–18 juni 2004 over het EU Strategisch Partnerschap met de landen aan de Middellandse Zee en in het Midden-Oosten. In dit antwoord wordt, vooruitlopend op dat verslag, een beknopt overzicht gegeven van de activiteiten tot nu toe.

De voorbereidingen voor de organisatie van de Euro-Mediterrane Conferentie voor Ministers van Buitenlandse Zaken, die op 29 en 30 november 2004 in Den Haag zal plaatsvinden, zijn in volle gang. Thans vinden consultaties plaats in EU-verband en met Mediterrane partners over de agenda en conclusies van deze bijeenkomst, tijdens welke aandacht besteed zal worden aan de recente ontwikkelingen op het gebied van modernisering en hervormingen in de regio. In dat kader worden voorbereidingen getroffen voor een evaluatie van de prestaties en tekortkomingen van het Barcelona-proces in de aanloop naar het 10-jarig bestaan in 2005. Eveneens worden er activiteiten georganiseerd gericht op het versterken van de EVDB Mediterrane dialoog en de samenwerking tussen de EU en de Mediterrane partners op het gebied van terrorismebestrijding en non-proliferatie van massavernietigingswapens.

De voorziene sectorale Ministeriële bijeenkomsten hebben inmiddels plaatsgevonden. Tijdens de Euro-Mediterrane Handelsministeriële, die op 21 juli 2004 in Istanboel plaatsvond, zijn de handelsaspecten van het Barcelona-proces en de geplande totstandkoming van een Euromediterrane vrijhandelszone besproken. Ministers hebben besluiten genomen over de richtlijnen voor de onderhandelingen over dienstenliberalisatie en de oorsprongsregels in de textielsector. Tijdens de Euro-Mediterrane Industrieministeriële, die op 4 oktober 2004 in Caserta plaatsvond, is een Handvest voor ondernemingen overeengekomen waarin richtlijnen zijn opgenomen ter verbetering van het ondernemingsklimaat in deze landen en de concurrentiekracht van ondernemingen. Daarnaast is afgesproken dat een begin zal worden gemaakt met de toenadering tot EU-regelgeving op het gebied van industriële producten. Voor wat betreft de samenwerking met deze landen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken – m.n. de migratiesamenwerking – zal in het kader van het JBZ-meerjarenprogramma aandacht worden besteed aan het beleid voor de Mediterrane regio. Tot slot zullen activiteiten worden ontplooid voor de totstandkoming van de «Anna Lindh» Euro-Mediterrane Stichting voor de Dialoog tussen Culturen en Beschavingen. Deze stichting zal in Alexandrië worden gevestigd.

16

Welke stappen onderneemt de Nederlandse regering, als EU-Voorzitter, om de uitvoering van de «Routekaart voor Vrede» in het Midden-Oosten vlot te trekken? Bent u nog steeds overtuigd van de levensvatbaarheid van de Routekaart? Wat is het resultaat van uw beleidsvoornemens terzake bij het begin van het Voorzitterschap? Heeft u het conflict Israël/Palestina opgegeven als beleidsprioriteit?

Het Israëlisch-Palestijns conflict is en blijft een belangrijke beleidsprioriteit van deze regering. De beleidsvoornemens terzake bij het begin van het voorzitterschap staan geheel overeind: Nederland wil, als EU-voorzitter, bijdragen aan een hervatting van het politieke proces, waarin partijen op basis van gelijkwaardigheid met elkaar spreken en onderhandelen over relevante actuele onderwerpen. De regering beschouwt de Routekaart voor Vrede als het fundamentele kader voor een oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict, en heeft dit op 11 oktober jl. in de Raadsconclusies laten vastleggen. De regering is bezorgd dat de partijen hun verplichtingen die voortvloeien uit de Roadmap onvoldoende nakomen, en zal zich blijven inzetten om Israël en de Palestijnse Autoriteit tot de vereiste stappen aan te zetten. Hierbij dient wel te worden beseft dat er beperkingen worden opgelegd door de ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden. Zo dient de Israëlische regering de politieke besluitvorming rond de voorgenomen terugtrekking uit de Gaza-strook en delen van de Westelijke Jordaanoever nog te voltooien. Aan Palestijnse zijde dienen verdere stappen te worden genomen om de terreur te bestrijden. De EU is van mening dat de voorgenomen Israëlische terugtrekking een belangrijke impuls aan het vredesproces kan geven, mits deze wordt uitgevoerd binnen 5 parameters: het dient een stap te zijn richting een 2-statenoplossing, het dient te worden ingekaderd binnen de Roadmap, de terugtrekking dient nauw gecoördineerd de worden met de Palestijnse Autoriteit, er dient geen overplaatsing van kolonisten naar de Westelijke Jordaanoever plaats te vinden en Israël dient de wederopbouw van de Gazastrook te faciliteren. Als EU-voorzitter zet Nederland zich in om ervoor te zorgen dat deze parameters worden gehonoreerd.

17

In hoeverre zijn het conflict met Tsjetsjenië en het feit dat president Poetin op democratisch twijfelachtige wijze macht naar zich heeft toegetrokken, onderdeel van de EU-Rusland top?

De mensenrechtensituatie in Tsjetsjenië is vast onderwerp van de politieke dialoog tussen de Europese Unie en Rusland, ook op het hoogste niveau van de halfjaarlijkse EU-Rusland top. Andere binnenlands-politieke ontwikkelingen, waaronder het effect van de maatregelen die president Poetin recentelijk aankondigde om de centrale controle over de federale subjecten te versterken, worden eveneens door de EU met Rusland in dit kader besproken.

18

Zijn naar aanleiding van het gijzelingsdrama in Beslan en de Russische reactie daarop nog nieuwe afspraken tussen de EU en Rusland te voorzien als het gaat om terrorismebestrijding?

De Europese Unie en Rusland onderhouden reguliere contacten over de bestrijding van terrorisme in het kader van de politieke dialoog. Sinds de aanslag in Beslan is er een hernieuwde aandacht en een duidelijke wens van Russische zijde voor versterking van de samenwerking op dit gebied. Op dit moment vinden tussen de EU en Rusland onderhandelingen plaats over de zogenaamde vier gemeenschappelijke ruimtes. Zowel in de externe ruimte als in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid speelt de bestrijding van terrorisme een rol. In dat kader zal de EU contra-terrorisme coördinator Gijs de Vries binnenkort een bezoek brengen aan Moskou om te inventariseren welke maatregelen aanvullend nog genomen kunnen worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om maatregelen op het gebied van de bestrijding van de financiering van terrorisme en samenwerking in VN-kader, waar onlangs op Russisch initiatief VN-Veiligheidsraadresolutie 1566 werd aangenomen. Deze onderwerpen zijn ook besproken tijdens de EU-Rusland ministeriële Troika van 19 oktober jl.

19

Wat is de stand van zaken in het zespartijenoverleg over Noord-Korea? Is er sprake van enige vooruitgang?

De derde ronde van het zespartijenoverleg heeft van 20 tot 23 juni 2004 plaatsgevonden in Peking, na eerdere rondes in augustus 2003 en februari 2004. De zes partijen (Noord-Korea, Zuid-Korea, de Verenigde Staten, China, Rusland en Japan) hebben in juni afgesproken om een vierde ronde te houden in september 2004. Deze heeft echter niet plaatsgevonden, omdat Noord-Korea aangaf niet deel te willen nemen als reactie op de volgens Noord-Korea buitensporige eisen en vijandige houding van de VS. Het is vrijwel zeker dat het overleg stil ligt tot na de presidentsverkiezingen in de VS. In de drie overlegronden tot nu toe zijn de VS en Noord-Korea nog niet veel dichter bij elkaar gekomen. Wel is het principe van «bevriezing tegen beloning» (dat wil zeggen: bevriezing van het Noord-Koreaanse nucleaire programma in ruil voor beloning in de vorm van energieleveranties en eventueel veiligheidsgaranties door de VS) nu voor beide partijen bespreekbaar, evenals de door Zuid-Korea voorgestelde stapsgewijze benadering. Over de concrete invulling hiervan, en met name wie de eerste stap moet zetten, is echter nog geen overeenstemming bereikt.

20

Welke concrete plannen voor 2005 heeft u voor vergroting van het wederzijds begrip tussen Europa en de Verenigde Staten?

Net als tijdens het Nederlandse EU-Voorzitterschap zal Nederland proberen als een brug tussen de VS en Europa te functioneren. Over activiteiten in dezen die voortvloeien uit het Nederlandse EU-voorzitterschap zal nauw overleg plaatsvinden met respectievelijk het Luxemburgse en het Britse EU-voorzitterschap in 2005. Voorts zal de dialoog worden afgerond tussen de economische partners in de EU en de VS, de zogenaamde «stakeholders» dialoog, waartoe tijdens de EU/VS-Top van 26 juni 2004 werd besloten. Nederland zal concrete samenwerking stimuleren tussen de EU en de VS, onder andere op het gebied van JBZ, terrorismebestrijding en innovatie. Tevens zal Nederland actief een bijdrage leveren aan de evaluatie door de Europese Commissie van 10 jaar EU/VS betrekkingen in de Nieuwe Transatlantische Agenda; dit zal mogelijk aanleiding zijn voor een herziening. Tenslotte zal Nederland zich inzetten voor verbeterde «public diplomacy» van de EU in de VS, waaronder het wederom uitnodigen van stafmedewerkers van «Capitol Hill» voor een bezoek aan Nederland en de Europese Unie.

21 en 22

Is het actief ontwikkelen van duurzame energiebronnen evenzeer een onderdeel van de Nederlandse en EU-strategie als het veiligstellen van olie- en gasbronnen?

Wat is uw reactie op het idee om voor de ontbrekende infrastructuur direct te investeren in alternatieve energiebronnen?

Er is sprake van een groeiende energieafhankelijkheid van de EU en NL. Studies en rapporten van onder andere het International Energy Agency (IEA) en de Europese Commissie tonen aan dat het leeuwendeel van het energieverbruik van de EU de aankomende decennia onveranderd uit fossiele energiebronnen zal worden gehaald. Schattingen tonen aan dat in 2030 nog voor meer dan 80% met fossiele brandstoffen in de energiebehoefte van de Europese Unie zal worden voorzien (mondiaal gezien is het percentage 90%: IEA – World Energy Outlook 2002 en EU Commissie (DGTREN) – European Energy and Transport; Trends to 2030). Een steeds groter gedeelte van deze energiebronnen (60–70%: bovengenoemde studies en EU Green paper 2000) zal moeten worden geïmporteerd uit een steeds kleiner aantal regio's. Deze regio's worden niet altijd gekenmerkt door grote politieke stabiliteit. Wanneer deze trend wordt afgezet tegen een verwachte mondiale groei van de energiebehoefte met 50% (binnen de EU is dit 20–25%: IEA – World Energy Outlook) en de toenemende mondiale concurrentie die dit tot gevolg zal hebben, is de noodzaak om nu te investeren in het creëren van een voldoende mate van energieveiligheid van de EU en NL evident. NL en de EU wedden in dat proces niet op één paard maar investeren zowel in de huidige energieinfrastructuur, die sterk leunt op fossiele brandstoffen, als in de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen.

Dit houdt in dat er aan de ene kant wordt geïnvesteerd in de relaties met voor onze energievoorziening prioritaire landen. Hierbij is er aandacht voor zowel de producentlanden als de doorvoerlanden. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in het ontwikkelen van alternatieven voor fossiele energiebronnen door in de verschillende duurzame (inclusief hernieuwbare) energiebronnen te investeren.

In NL is het ontwikkelen van duurzame energiebronnen reeds 20 jaar onderdeel van het energiebeleid. Hiertoe zijn zowel doelstellingen voor de korte als voor de lange termijn geformuleerd. Voor 2010 is de doelstelling een aandeel van 9% duurzame elektriciteit. Voor 2020 is een doelstelling van 10% duurzame energie (elektriciteit, warmte en brandstof) vastgesteld. Door middel van initiatieven zoals het project «Transitie naar een Duurzame Energiehuishouding» van het Ministerie van Economische Zaken wordt gewerkt aan de verwezenlijking van deze doelstellingen.

Ook in Europa is het actief ontwikkelen van duurzame energiebronnen al vele jaren onderdeel van het beleid. Dit heeft onder andere geleid tot diverse EU-richtlijnen waaronder de Europese Richtlijn Duurzame Elektriciteit (2001/77/EC). De Commissie heeft hierover recentelijk (mei 2004) een mededeling uitgebracht en voorstellen gedaan over de wijze waarop voortgang geboekt kan blijven worden. De verwachting is dat tijdens de Energieraad van eind november, op basis van deze mededeling, conclusies kunnen worden geformuleerd die voortgang op dit terrein zullen zekerstellen. Tijdens het Nederlands Voorzitterschap is er door het Ministerie van Economische Zaken een «Policy Workshop Offshore Wind Energy» gehouden waar opnieuw een impuls aan de ontwikkeling van deze vorm van duurzame energie is gegeven.

Beide genoemde trajecten, investeringen in de huidige energieinfrastructuur én de ontwikkeling van alternatieven voor fossiele energiebronnen, dienen actief bewandeld te worden. De ontwikkeling van deze alternatieven is immers een traject met een verre horizon en de vooruitzichten ten aanzien van onze toekomstige energiemix maakt dat wij pragmatisch zijn in onze benadering: alternatieve energiebronnen nemen de komende decennia een steeds prominentere plaats in binnen onze energiemix, maar kunnen het aandeel fossiele energiebronnen voorlopig niet vervangen. De ene investering kan derhalve niet in plaats van de ander worden gerealiseerd; beide investeringen zijn nodig.

23

Welke rol speelt het op pagina 7 geformuleerde ideaal bij het behouden en vergroten van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking?

Een groot draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking is belangrijk voor het dichterbij brengen van het ideaal: een veilige, rechtvaardige en vreedzame wereld. Het is immers geen vanzelfsprekendheid dat burgers bereid zijn, indirect via de belastingen, bij te dragen aan leniging van armoede elders op de wereld. De problemen in ontwikkelingslanden en de bijdragen die internationale samenwerking levert aan oplossingen voor die problemen is voor veel burgers letterlijk ver van hun bed. Het is de taak van de overheid, die met belastinggeld van diezelfde burgers aan internationale samenwerking doet, om inzichtelijk te maken waarom en hoe dit geld besteed wordt.

Internationale samenwerking is echter niet alleen een taak van de overheid. Particulieren, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven hebben hier ook een rol te spelen. Ook in die zin is een groot draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking van belang. En gelukkig bestaat dit grote draagvlak. Uit het meest recente onderzoek (NCDO, 2004) blijkt dat 72 procent van de ondervraagden vindt dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking verhoogd (21%) moet worden of gelijk moet blijven (51%).

Daarnaast geven burgers zelf ook gul aan ontwikkelingssamenwerking. Uit het onderzoek «Geven in Nederland» van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt dat particulieren in 2001 totaal 535 miljoen euro besteedden aan «internationale hulp». Dit is het totaal van bijdragen van huishoudens, legaten, actiebijdragen en bijdragen van het bedrijfsleven. «Internationale hulp» is hiermee in omvang van het gegeven geld het tweede belangrijkste goede doel, na «kerk/levensbeschouwing» en vóór «gezondheid».

Tevens is er sprake van een groeiend aantal activiteiten van particulieren op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Een goede indicator hiervoor is de groei van het aantal Kleine Plaatselijke Activiteiten (KPA) van NCDO, van 226 gehonoreerde aanvragen in 1999 naar 339 in 2003. Voor steun aan particulier initiatief op het terrein van ontwikkelingssamenwerking via de «front offices» van de mfo's werd in 2003 een kleine 3,5 miljoen euro uitgegeven. Voor 2004 is 5,7 miljoen euro begroot.

De Nederlander vindt ontwikkelingssamenwerking niet alleen belangrijk, hij handelt er ook naar.

24

Kunt u meer inzichten geven in de besteding van het verdubbelde budget voor HIV/Aids? Op welke inzichten zijn deze keuzes gebaseerd?

De indicatieve verdeling van het verdubbelde budget voor HIV/Aids per kanaal, alsmede de onderbouwing van deze keuze is als volgt:

Bilateraal: 15% (EUR 40 miljoen)

Deze stijging is additioneel aan de al bestaande financiële toewijzingen. Nederland richt zich vooral op financiering van activiteiten die voorwaarde scheppend zijn (versterking van institutionele capaciteit, versterken van coördinatie). Bovendien worden activiteiten ondersteund waarvoor internationale financiering niet eenvoudig is, zoals programma's gericht op seksuele en reproductieve gezondheid voor jongeren, op gemarginaliseerde groepen als seks werkers en op zogenaamde «harm reduction».

Multilateraal: 35% (EUR 94 miljoen)

Het multilaterale systeem speelt een belangrijke rol in de strijd tegen Aids. De bijdrage aan UNAIDS wordt verdubbeld tot EUR 36 miljoen per jaar. De bijdrage aan UNFPA blijft gehandhaafd op het huidige hoge niveau van EUR 58 miljoen per jaar. Daarnaast worden bijdragen voorzien aan VN organisaties voor Aids activiteiten binnen hun mandaat, zoals aan UNICEF voor de opvang van Aidswezen (OVC), WHO voor zorg en behandeling en WFP voor de relatie tussen HIV/Aids en voeding.

Particuliere organisaties: 20% (ongeveer 54 miljoen)

Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol, zowel in ontwikkelingslanden als internationaal. Nederland zal specifieke aandacht geven aan de financiering van organisaties die werken op gebieden waar internationale financiering soms gevoelig ligt, zoals op gebied van seksuele en reproductieve gezondheid voor jongeren, belangenvereniging van HIV geïnfecteerden of gemarginaliseerde groepen. Financiering geschiedt vooral via MFP en TMF.

Publiek-private samenwerking: 30% (ongeveer EUR 81 miljoen)

Publiek-private initiatieven vormen in toenemende mate een belangrijk kanaal voor samenwerking en financiering. Door de expertise en financiële middelen te bundelen is er een meerwaarde die groter is dan de som van de individuele inspanningen. Op dit moment is Nederland actief betrokken bij een aantal van deze samenwerkingsverbanden. Bestaande financiering wordt gecontinueerd en waar nodig verhoogd. Het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria (GFATM) is een belangrijke bron van additionele financiering voor programma's op landenniveau. Via de ondersteuning van internationale publiek private samenwerkingsverbanden zoals het International Aids Vaccine Initiative (IAVI) en het International Partnership on Microbicides (IPM) wordt onderzoek naar nieuwe preventieve technologieën ondersteund.

Met het bedrijfsleven wordt pro-actief gezocht naar samenwerking. Het gaat hier om zowel voorzieningen ten behoeve van werknemers en hun familieleden van internationale en lokale bedrijven, als ook om de rol die deze bedrijven in de bredere gemeenschap op zich zouden kunnen nemen ten aanzien van HIV/Aids bestrijding.

Het gaat hier nadrukkelijk om een indicatieve verdeelsleutel. Verschuivingen tussen kanalen zijn mogelijk als hiermee de effectiviteit van de Nederlandse inzet verhoogd kan worden.

25

Is bekend hoeveel Nederlands ontwikkelingsgeld per jaar verloren gaat aan corruptie?

Nee, dat is niet bekend. Corruptie is door de aard van het fenomeen niet in harde cijfers weer te geven; het speelt zich immers per definitie af in een schemerzone van de samenleving. Wel kan ik u verzekeren dat bij de besteding van de Nederlandse OS-middelen alle mogelijke waarborgen en controlemechanismen worden ingebouwd om de risico's op onrechtmatigheden zoveel mogelijk in te perken. Zo gelden voor project- en programmasteun tal van voorwaarden, zowel ten aanzien van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de organisaties waaraan middelen beschikbaar worden gesteld, als ten aanzien van de besteding van deze middelen. De naleving daarvan wordt via nauwgezette rapportageverplichtingen zodanig getoetst dat onrechtmatigheden niet eenvoudig onopgemerkt kunnen blijven. Bij begrotingssteun sluit de controle aan bij de mechanismes van het ontvangende land zelf, zoals die ook op de eigen inkomsten worden toegepast. Begrotingssteun is meestal gekoppeld aan hervormingsprogramma's waarin de verdere versterking van de begrotingsplanning, -uitvoering, -verantwoording en -controle een centraal element vormen. In dat kader worden tussen donoren en de ontvangende overheid duidelijke afspraken op dit terrein vastgelegd. In het Nederlandse beleid worden de verantwoordings en toezichts structuren van een hulpontvangend land bovendien jaarlijks beoordeeld en worden indien nodig aanvullende maatregelen genomen om onrechtmatigheden te voorkomen.

26

Waar is in de begroting voor 2005 het eerder geformuleerde streven naar de versterking van de eigen culturele identiteit van ontwikkelingslanden te vinden?

Deze beleidsdoelstelling is beschreven bij operationele doelstelling 6 (Een grote participatie van civil society in ontwikkelingsactiviteiten) van beleidsartikel 5 (Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling) op pagina 74 van de Memorie van Toelichting.

27

In hoeverre zijn bedrijven die meedoen aan publiek-private partnerschappen verplicht een openbaar maatschappelijk verslag voor te leggen?

Binnen de PPP-faciliteit «call for ideas» is geen voorwaarde opgenomen ten aanzien van het indienen van een maatschappelijk jaarverslag. Indien het ministerie met een bedrijf een partnerschap wil afsluiten, zal bij de beoordeling worden meegenomen of het bedrijf op een maatschappelijk verantwoorde wijze onderneemt. Het Ministerie stelt geen harde voorwaarden over het indienen van een maatschappelijk jaarverslag. Bedrijven die al een maatschappelijk jaarverslag opstellen, zullen ongetwijfeld daarin aandacht aan de PPP-facilteit gaan geven.

De Nederlandse Regering heeft de Raad voor de Jaarverslaggeving verzocht een Richtlijn op te stellen over het rapporteren over maatschappelijke aspecten in het directieverslag en een handreiking te formuleren voor het opstellen van een separaat maatschappelijk jaarverslag. Dit heeft geleid tot Richtlijn 400 en de Handreiking voor Maatschappelijke Jaarverslaggeving. De Richtlijn en de Handreiking gelden vanaf verslagjaar 2004, maar gelden niet als verplichtend.

28

Hoeveel bedragen de totaal begrootte uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking in 2005 en hoe is de verdeling van deze middelen over de verschillende kanalen (bilateraal, multilateraal, maatschappelijke organisaties/Internationaal Onderwijs en het bedrijfsleven-programma)?

Het totaal aan begrote uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking in 2005 bedraagt EUR 4 051 miljoen Hiervan wordt EUR 1 069 miljoen besteed via het bilaterale kanaal (26%), EUR 1 063 miljoen via het multilaterale kanaal (26%), EUR 919 miljoen via maatschappelijke organisaties (23%), EUR 198 miljoen via bedrijfslevenprogramma's (5%), wordt EUR 481 miljoen toegerekend aan ODA vanwege EKI-kwijtschelding (12%), en wordt EUR 318 miljoen bestempeld als overige (8%), vooral opvang asielzoekers en apparaatskosten.

29

Kan de «strategische faciliteit mensenrechten en goed bestuur», die verhoogd wordt met 2 miljoen euro, worden ingezet ter ondersteuning van democratische opbouw in het Caribisch gebied. Zo ja, hoeveel wilt u daarvoor uittrekken?

Het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt sinds 1 januari 2004 over een aparte Faciliteit Strategische Mensenrechtenactiviteiten (FSA). De FSA, die uit zowel ODA- als non-ODA-middelen bestaat, is ingesteld ten behoeve van de financiering van activiteiten die gericht zijn op verbetering van de mensenrechtensituatie, democratisering of goed bestuur. Via de FSA is het mogelijk ook in niet-OS-partnerlanden strategische activiteiten op deze terreinen te ondersteunen. In totaal is voor de FSA in 2004 en in 2005 een bedrag van € 7.3 miljoen gereserveerd. In beginsel staat de FSA open voor alle landen van de wereld, dus ook voor de landen in het Caraibisch gebied, maar eventuele toekenning van middelen zal worden getoetst aan de criteria van de FSA; activiteiten moeten een onderdeel zijn van een actieve politieke strategie van Nederland ten aanzien van het betrokken land, zij moeten katalyserend of strategisch zijn en gericht op verbetering van de mensenrechtensituatie, democratisering of goed bestuur en worden ingediend door internationale organisaties of NGO's.

30

Hoe wordt bij de hulp aan Darfur gegarandeerd dat deze fondsen exclusief ten goede komen aan de noodlijdende bevolking en hoe wordt voorkomen dat voedsel of medicijnen onverhoopt ten goede komen aan de strijdende partijen?

De inzet van noodhulp vindt plaats onder leiding van OCHA, de VN-organisatie voor de coördinatie van humanitaire hulp. De Nederlandse ambassade in Khartoum zet zich actief in voor een adequate wijze en mate van coördinatie door de VN ter plaatse. Needs assessments, registratie van hulpbehoevenden alsmede toezicht op de distributie van hulpgoederen zijn, zoals in andere crisishaarden, voorwaarden om te zorgen dat de hulp ook daadwerkelijk op de goede plaats terechtkomt. Zowel in Khartoem als in Darfur bestaan daarvoor internationale monitoring mechanisms. De grote mate van onveiligheid, maar ook toenemend banditisme vormen een bedreiging voor de goede inzet van hulpgoederen. Op alle strijdende partijen wordt politieke druk uitgeoefend om niet alleen de veiligheid in het gebied te verbeteren, maar ook de bereikbaarheid van de doelgroep.

31

Mocht het onverhoopt niet tot een vredesakkoord komen in Soedan, wat gebeurt er dan met de gelden die per jaar voor dit land gereserveerd zijn?

Onlangs heb ik een extra bedrag van 100 miljoen Euro beschikbaar gesteld voor wederopbouw in Soedan. Deze fondsen zullen pas beschikbaar worden gesteld zodra een vredesakkoord tot stand is gekomen.

32

Hoe zullen de meevallers van 2004, te weten 300 miljoen euro uit de EKI-toerekening en 70 miljoen euro uit de ODA-toerekening van de eerstejaars opvang van asielzoekers, worden besteed?

Voor de invulling van de EKI-meevaller van 300 miljoen euro wordt verwezen naar de brief, d.d. 19 oktober 2004 met kenmerk FEZ/BZ-264/04. De totale ramingsbijstelling eerstejaarsopvang van asielzoekers bedroeg € 88 miljoen in 2004. Dit bestaat uit de in de eerste suppletore wet 2004 reeds gemelde ramingsbijstelling van € 65 miljoen en een nadere ramingsbijstelling van € 22,7 miljoen (zie de Verdiepingsbijlage pag. 121 voor deze mutatie). De vrijkomende middelen zijn aangewend voor de eveneens in de Verdiepingsbijlage gemelde intensiveringen van AEV-prioriteiten.

33

Waar staat voor wat betreft EKI in de begroting het exacte bedrag aan inkomsten van door bedrijven betaalde premie's en het bedrag van de eigen bijdrage van bedrijven in het kader van exportkredietverzekeringen?

De inkomsten voor wat betreft de premie behorende bij exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties staan op de begroting van het Ministerie van Financiën (TK 29 800 IXB, nr 1: Artikel 5; Pagina 69 Paragraaf 3.5.3). De term eigen bijdrage heeft geen betekenis in de exportkredietverzekering. Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op het eigen risico dat verzekerden hebben als ze een exportkredietverzekering afsluiten. Afhankelijk van het soort risico dat gedekt wordt bedraagt het eigen risico 2 tot 5 procent van het verzekerde bedrag. Omdat het eigen risico geen uitgaven dan wel inkomsten van het Rijk vertegenwoordigt, worden hierover geen bedragen opgenomen in de begroting.

34

In 2004 worden minder schulden kwijtgescholden dan verwacht. Waarom is er voor 2005 dan toch een hoger bedrag opgenomen in de begroting?

De realisatie van EKI-schuldkwijtschelding is afhankelijk van de uitkomsten van onderhandelingen in de Club van Parijs. Voor 2004 blijkt dat er minder schulden kwijtgescholden kunnen worden dan oorspronkelijk geraamd. Daarom is de raming voor 2004 neerwaarts bijgesteld.

Mede in het licht van de recente neerwaartse bijstellingen van de EKI-ramingen heeft overleg plaats gevonden met het Ministerie van Financien over de meerjarige ramingen van kwijtschelding van deze schulden en de daaraan gekoppelde budgettaire reserveringen. Afgesproken is dat bij Voorjaarsnota '05 de ramingen neerwaarts zullen worden bijgesteld op basis van de dan meest actuele inzichten ten aanzien van de verwachte kwijtscheldingen.

35

Het Global Fund wordt bekritiseerd omdat het fonds geld niet kan uitgeven in verband met gebrek aan absorptiecapaciteit van ontwikkelingslanden. Op welke wijze worden de effectiviteit en de duurzaamheid van dit fonds onderzocht alvorens de Nederlandse financiële steun te continueren? Wat zijn de resultaten van dit onderzoek?

Het Global Fund is een financieringsinstrument dat fondsen beschikbaar stelt voor nationale programma's voor de bestrijding van Aids, tuberculose en malaria. Uit een recente evaluatie van de eerste 25 contracten die afgesloten zijn, bleek dat 80% van de programma's op schema loopt of zelfs beter presteert dan verwacht. De reden voor de vertragingen in de overige 20% (5 landen) zijn divers – absorptie capaciteit is daarbij niet de belangrijkste oorzaak. Nu steeds meer landen toegang gaan verschaffen tot Aids-behandeling wordt de uitvoerende capaciteit van de gezondheidszorg een steeds belangrijke factor. Een gebrekkige capaciteit en een tekort aan menskracht zal de voortgang belemmeren, en resulteren in absorptieproblemen. Deze onwenselijke situatie dienst vanzelfsprekend zoveel mogelijk vermeden te worden. Dit gebeurt onder meer door tijdens de beoordeling van voorstellen kritisch te kijken naar de reële uitvoerende capaciteit en fondsen beschikbaar te stellen voor technische assistentie. Ook wordt een diversificatie van uitvoerders in de publieke en de private sector bepleit – vaak bestaat op lokaal en districtsniveau, of bij andere dienstverleners als NGOs en missieziekenhuizen, een grotere absorptiecapaciteit. Tenslotte kunnen de partners op landenniveau, waaronder de multilaterale organisaties en bilaterale donoren, ook een bijdrage leveren aan capaciteitsopbouw.

Het Global Fund heeft een uitgebreid en transparant systeem voor monitoring en evaluatie, met onder meer een onafhankelijk comité dat adviseert en beoordeelt. Het functioneren van het Global Fund wordt op drie niveaus onder de loep genomen: de voortgang in de programma's die gefinancierd worden, de resultaten op landenniveau en de effecten van het Global Fund op globaal niveau. Het eerder genoemde rapport dat de resultaten van de eerste 25 contracten evalueert is één van de producten die met name kijkt naar programma en landenniveau.

36

Het budget voor landenspecifieke samenwerking wordt meerjarig verhoogd. De verhoging past binnen het streven de hulp via de landenprogramma's te intensiveren (motie-Ferrier). Waar gaat de verhoging specifiek naartoe?

De middelen die additioneel beschikbaar zijn en komen voor de bilaterale landenprogramma's worden op basis van de voorstellen van de posten over de verschillende landenprogramma's gealloceerd. Zoals is aangegeven in de Voorjaarsnota 2004 en de Begroting 2005 komt de verhoging vooral ten goede aan de prioritaire beleidsterreinen uit AEV: «basic education», milieu/water, HIV/AIDS en reproductieve gezondheidszorg- en rechten. Naast de focus op deze prioritaire beleidsterreinen worden ook met voorrang middelen gealloceerd voor Sub Sahara Africa.

Onderstaande tabel geeft een beeld van de thematische verdeling van de landenbudgetten over de verschillende sectoren (in EUR miljoen)*.

Sector200420052006
Onderwijs104,6128,5180,8
Gezondheidszorg74,975,478,5
Milieu49,672,286
Water25,154,358,1

* In deze tabel staan de bedragen van de in de begroting opgenomen middelen die reeds over de verschillende sectoren zijn gealloceerd. Voor 2007 zijn de bedragen die in de begroting vermeld staan onder de verschillende thematische artikelen nog niet over de landenprogramma's gealloceerd. Hiervoor worden de voorstellen van de posten, welke begin 2005 zullen worden ingediend, afgewacht.

In de landenbrief (TK 29 234, nr. 28) vindt u een overzicht van de verschillende sectoren per land alsmede de ontwikkeling van de meerjarige indicatieve budgetten.

In meerjarig perspectief is de precieze invulling per land en per sector afhankelijk van de voortgang van programma's en van de verdeling van taken met de ontvangende overheid, andere donoren en overige actoren die in dezelfde sector of binnen hetzelfde thema actief zijn.

37

Voor welke VN-activiteiten heeft de verlaging van het budget voor het multilaterale kanaal gevolgen? Kunt u specificeren op welke wijze wordt gekort op UNDP, UNICEF, UNDCP, FAO, de IFI's en het multilaterale deskundigenprogramma?

De vrijwillige bijdragen aan UNCDP, UNRISD, UNCDF, HABITAT en UNCTAD zijn geschrapt. De jaarlijkse bijdrage aan het Partnershipprogramma van de FAO is structureel verlaagd tot € 5 miljoen. De bijdrage aan de Partershipprogramma's van UNDP en UNICEF zijn verlaagd tot € 1 miljoen per jaar. De verlaging van de IFI's betreft voornamelijk het laten vervallen van de Nederlandse bijdrage aan fase 2 van het PRSP fonds van de African Development Bank, ESCAP en ECLAC. Door snelle structurele afbouw van het assistent-deskundigenprogramma naar 40 nieuwe uitzendingen per jaar is het budget van het multilateraal deskundigenprogramma verlaagd.

38

Waarom wordt in 2005 – gezien uw op pagina 24 geformuleerde opvatting dat er samenhang is tussen HIV/Aids en mensenrechten – 39 miljoen euro gekort op HIV/Aids-hulp?

Het betreft hier geen korting op de middelen ten behoeve van de bestrijding van HIV/AIDS. Een deel van het bedrag (€ 39 miljoen) dat in 2005 geraamd was voor het Global Fund to Fight Aids, Tuberculoses and Malaria (GFATM) is van 2005 naar 2004 gehaald vanwege de grotere liquiditeitsbehoefte bij dit fonds. Daarnaast laat deze begroting juist een duidelijke verhoging zien van het budget beschikbaar voor de bestrijding van HIV/Aids met € 50 miljoen vanaf 2006, waarvan € 45 miljoen is bedoeld voor het GFATM en € 5 miljoen voor de op te richten Global Commodity Facility. Deze verhogingen zijn noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de Motie Koenders/Terpstra inzake een verdubbeling van de uitgaven HIV/AIDS-TB-Malaria in 2007.

39

In de begroting van Buitenlandse Zaken is voor 2004 2 miljoen euro begroot ten behoeve van «inburgering» en vanaf 2005 jaarlijks 4 miljoen euro. Welk deel hiervan wordt toegerekend aan ODA en waarom?

De kosten worden niet toegerekend aan ODA.

40

Wat vindt u met betrekking tot het internationale mensenrechtenbeleid van de ontwikkeling van een individueel klachtrecht ten aanzien van economische, sociale en culturele rechten?

De internationale onderhandelingen over dit onderwerp, onder meer in de «open-ended» werkgroep inzake het individueel klachtrecht bij het ESOCUL verdrag, vertonen weinig beweging. Weliswaar werd tijdens de afgelopen zitting van de VNMensenrechtencommissie het rapport van Onafhankelijk Expert Hatem Kotrane voor dit onderwerp besproken, die op basis van nationale en regionale jurisprudentie tot de conclusie komt dat bepaalde rechten uit het ESOCUL-Verdrag afdwingbaar zouden zijn en dat een individueel klachtrecht de implementatie van dit Verdrag zou kunnen bevorderen. Hierover bestaat evenwel geen overeenstemming, ook niet binnen de EU. Vele landen, waaronder Nederland, zijn niet overtuigd dat een individueel klachtrecht zou leiden tot een betere implementatie van de economische, sociale en culturele rechten. Een dergelijk recht zou ook onrealistische verwachtingen kunnen scheppen, mede vanwege het juist niet direct afdwingbare karakter van deze rechten en de afwezigheid van internationale minimumstandaarden. Hierdoor is het moeilijk schendingen in het individuele genot van deze rechten te meten, en kleven er nog te veel praktische bezwaren aan een individueel klachtrecht voor economische, sociale en culturele rechten.

41

Wat is de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de ontwikkeling van rechtsregels over het misdrijf agressie?

De Nederlandse regering zet zich actief in om overeenstemming te bereiken over zulke rechtsregels. Het misdrijf agressie wordt algemeen gezien als de «supreme international crime». Het is daarom terecht dat het Statuut van het Internationale Strafhof in artikel 5, eerste lid, aangeeft dat het Hof rechtsmacht heeft ten aanzien van dit misdrijf. Artikel 5, tweede lid, geeft echter aan dat het Hof pas daadwerkelijk rechtsmacht zal uitoefenen over het misdrijf agressie wanneer een definitie van dit misdrijf in het Statuut is opgenomen, alsmede de voorwaarden waaronder het Strafhof rechtsmacht kan uitoefenen ter zake van dit misdrijf. Op grond van het Statuut kan dit pas vanaf 1 juli 2009 gebeuren. Niettemin zijn de onderhandelingen over dit onderwerp al jaren gaande, sinds september 2002 in het kader van een speciale werkgroep van de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het Statuut van het Internationale Strafhof. Deze onderhandelingen worden indien mogelijk en wenselijk financieel ondersteund, zoals is gebeurd ten aanzien van de in juni van dit jaar in Princeton gehouden informele Intersessional Meeting van de speciale werkgroep. Daarnaast neemt Nederland actief inhoudelijk deel aan deze onderhandelingen.

42

Is de Europees-Mediterrane overeenkomst met Egypte inmiddels in werking getreden? Is het waar, dat in Egypte nog steeds sprake is van mensenrechtenschendingen, beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid? Is het waar, dat er in Egypte – hoewel vaak onder een ander voorwendsel – nog steeds arrestaties plaatsvinden op grond van veronderstelde homoseksualiteit? Is het waar, dat ook de positie van vrouwen, joden en christenen in Egypte niet (significant) verbetert? Wanneer de mensenrechtensituatie in Egypte niet significant is verbeterd, welke maatregelen ex artikel 3 van de Europees-Mediterrane overeenkomst met Egypte zijn dan, overeenkomstig de motie-Dittrich c.s. (27 918, nr. 8), getroffen? Op welke wijze zijn de mensenrechtenschendingen het afgelopen half jaar betrokken in de politieke dialoog met Egypte?

Op 23 augustus 2004 is aan de Kamer een uitvoerige rapportage (TK 27 918, nr. 11) gestuurd inzake een evaluatie van de mensenrechten in het kader van het EU-Associatieakkoord met Egypte, dat op 1 juni 2004 in werking is getreden. In het algemeen moet worden gesteld dat de situatie zorgelijk blijft. Er vinden in Egypte nog steeds schendingen van de mensenrechten plaats. Echter, met de instelling van de onafhankelijke Nationale Raad voor de Mensenrechten in januari 2004, die voornamelijk tot taak heeft te rapporteren over de implementatie van mensenrechtenverplichtingen, heeft Egypte een serieuze stap genomen om de mensenrechtensituatie in eigen land aan de orde te stellen. De Egyptische overheid heeft aandacht voor de rechten van de verschillende religieuze groeperingen in het land. Zo heeft zij onlangs het (christelijke) Koptische kerstfeest als officiële feestdag geïntroduceerd.

Er vinden in Egypte helaas nog steeds arrestaties plaats op grond van, al dan niet veronderstelde, homoseksualiteit. Verbeteringen op dit terrein vinden nauwelijks plaats, hoewel gesprekken over homoseksuele rechten zich thans niet meer in de taboesfeer bevinden.

Vrouwen in Egypte bevinden zich nog steeds in een achtergestelde positie ten opzichte van mannen. Sommige organisaties, zoals de «Suzanne Mubarak Women's International Peace Movement» zetten zich in voor vrouwenrechten en vrouwenemancipatie.

In het kader van het EU-Associatieakkoord werd op 10 mei 2004 een Informele Dialoog over Mensenrechten gehouden tussen de EU en Egypte. Tijdens de ministeriële bijeenkomst in het kader van het EU-Associatieakkoord, op 14 juni 2004 reageerde de Egyptische minister van buitenlandse zaken positief op het idee een speciale mensenrechtencommissie in te stellen onder het Associatieakkoord.

43

Over welke gegevens beschikt de Nederlandse regering met betrekking tot de mensenrechtenschendingen in Tibet in het afgelopen jaar? Is het waardat de mensenrechtensituatie in Tibet het afgelopen jaar opnieuw fors is verslechterd? Kunt u een nauwkeurig overzicht geven van de stappen die u de afgelopen periode richting China heeft ondernomen om van de Nederlandse afkeuring van de mensenrechtenschendingen in Tibet blijk te geven? Welke stappen zijn gedurende het Nederlandse EU-Voorzitterschap in Europees kader genomen? Overweegt u economische of andere sancties tegen China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? Hoe is de afgelopen tijd verder invulling gegeven aan de motie-Dittrich over Tibet (29 200 V, nr. 47)?

De mensenrechtensituatie in China, inclusief de situatie in Tibet, heeft de volle aandacht van de Nederlandse regering. Nederland stelt de mensenrechtenproblematiek in China en Tibet regelmatig aan de orde. Dat gebeurt via de halfjaarlijkse EU-Mensenrechtendialoog met China, in VN-fora, en bilaterale contacten tussen de Nederlandse en de Chinese regering. In zijn brief van 8 maart 2004 (TK 29 200 V, nr. 66) heeft de minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat binnen de EU geen steun bestaat voor de instelling van een Speciale Vertegenwoordiger voor Tibet (zoals gevraagd in de motie-Dittrich), maar wel voor de door Nederland bepleite extra aandacht voor deze regio. Tevens heeft de minister geschetst op welke wijze de mensenrechtensituatie in Tibet het beste kritisch kan worden gevolgd en daadwerkelijke verbeteringen kunnen worden bewerkstelligd. In zijn brief aan de Tweede Kamer van 20 juli 2004 (TK, vergaderjaar 2003–2004, nr. 1970) heeft de minister dit opnieuw bevestigd. Bij verschillende gelegenheden is, zowel door de Nederlandse ambassadeur in China als door de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur, aandacht gevraagd voor de mensenrechtenproblematiek in Tibet. In mei 2004 bezocht de Nederlandse ambassadeur in China Tibet waarbij hij gesprekken heeft gevoerd met de lokale autoriteiten over de lokale mensenrechtensituatie in brede zin. Het aangekondigde mensenrechtenprogramma, specifiek gericht op Tibet (200 000 euro op jaarbasis vanaf 2004), is inmiddels van start gegaan. Het gaat daarbij om kleinschalige projecten in de Tibetaanse regio, die gericht zijn op het instandhouden van de Tibetaanse cultuur in de breedste zin van het woord: restauratie van Tibetaanse kloosters, onderwijs in Tibetaanse taal, inventarisatie en veiligstellen van Tibetaanse teksten, tradities, enz. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft in zijn contacten met de Chinese autoriteiten onder andere aangedrongen op voortzetting van de dialoog tussen vertegenwoordigers van de Dalai Lama en die van de Chinese overheid, en individuele gevallen van mensenrechtenschendingen, zoals de situatie van diverse Tibetaanse gevangenen, ter sprake gebracht. Binnen de EU bestaat ruime overeenstemming dat de situatie in Tibet onze volledige aandacht verdient. De EU gebruikt dan ook elke gelegenheid om bij de Chinese autoriteiten aan te dringen op het eerbiedigen van de mensenrechten van de Tibetanen. Tijdens de meest recente zitting van de EU-Mensenrechtendialoog met China op 24 september 2004 in Peking heeft de EU bij monde van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur aandacht gevraagd voor de mensenrechtenproblematiek in Tibet en clementie verzocht voor een aantal politieke gevangenen, onder wie verschillende Tibetanen. In het kader van deze 18e ronde van de EU-China-Mensenrechtendialoog, bracht de EU-Troika onder leiding van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur een bezoek aan Tibet. Tijdens dit bezoek verwelkomde de Ambassadeur de hervatting van de contacten tussen de Chinese autoriteiten en de afgevaardigden van de Dalai Lama, en drong hij aan op een inhoudelijke dialoog met de Dalai Lama. Ook hierbij is aandacht gevraagd voor een aantal politieke gevangenen. Inmiddels zijn vertegenwoordigers van de Dalai Lama in China ontvangen. Geconcludeerd kan worden dat er de afgelopen jaren geen sprake is van «forse verslechtering», maar dat de mensenrechtensituatie in Tibet wel zorgelijk blijft en dat voortdurende aandacht van de EU en van de afzonderlijke lidstaten gerechtvaardigd blijft.

44, 47 en 48

Op welke wijze worden landen gescreend alvorens zij toetreden tot de Mensenrechten-commissie van de VN? Behoort een verbetering van deze screening tot de actieve bijdrage van de Nederlandse regering aan de VN-hervormingen?

Kunt u concreet aangeven wat uw strategie zal zijn bij het hervormen van de multilaterale mensenrechtenfora? Wat is het wenselijke resultaat, zeker gezien de moeite om hervorming daadwerkelijk gedaan te krijgen?

Is de Nederlandse regering bereid om de ratificatie van de belangrijke mensenrechten-verdragen als inzet te stellen voor de hervorming van deze fora, met name de VN-Mensenrechtencommissie in Genève?

Er is geen sprake van «screening» voorafgaand aan kandidaatstelling voor lidmaatschap van de VN-mensenrechtencommissie. Eén van de uitgangspunten van de VN is dat iedere lidstaat het recht heeft zich kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van dergelijke organen. Nederland houdt bij het bepalen van de stemmen voor de Mensenrechtencommissie rekening met een aantal factoren, waaronder de mensenrechtensituatie in het betreffende land, de wijze waarop het land zich in relevante multilaterale fora opstelt en de ratificatie van mensenrechtenverdragen.

Selectiviteit ten aanzien van de samenstelling van de Mensenrechtencommissie, bijvoorbeeld door criteria te stellen aan lidmaatschap, kan ten koste gaan van de legitimiteit van de besluiten die door de Mensenrechtencommissie worden genomen. Wellicht zou het gemakkelijker worden om veroordelende resoluties over bepaalde landen aan te nemen. Deze landen zouden hier waarschijnlijk echter niet veel boodschap aan hebben als zij zeker weten nooit deel uit te kunnen maken van een dergelijke Mensenrechtencommissie.

Nederland hecht veel waarde aan een grotere effectiviteit van de Mensenrechtencommissie, die tot uitdrukking zou moeten komen in het duidelijk adresseren van mensenrechtenschendingen waar ook ter wereld. Nederland heeft dit namens de EU onderstreept in een brief aan het High Level Panel en kijkt met belangstelling uit naar wat het High Level Panel op dit gebied zal voorstellen. Nederland zal over de toekomst van de Mensenrechtencommissie in november een speciale zitting van de EU-raadswerkgroep mensenrechten organiseren, waar in EU-verband een poging zal worden gedaan om voor de komende jaren een strategie uit te stippelen.

Daarnaast heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken op verzoek van de regering onlangs advies uitgebracht over de ontwikkelingen binnen het systeem van de Verenigde Naties op het terrein van de rechten van de mens. Ik zal u zo spoedig mogelijk de regeringsreactie op dit advies doen toekomen.

45

Wat verstaat u onder «concrete vooruitgang» in de dialoog over mensenrechten met de Arabische wereld?

De dialoog over mensenrechten met de Arabische wereld krijgt op verschillende wijzen verdere invulling. Door de G-8 is op initiatief van de Verenigde Staten een zogeheten «Broader Middle East and Mediterranean»-beleid ontwikkeld. De Europese Raad heeft in juni jl. het Strategisch Partnerschap met de Mediterranée en het Midden-Oosten gelanceerd. De EU en de VS streven tegen deze achtergrond naar complementariteit van hun respectievelijke strategieën die onder andere gericht zijn op de bevordering van goed bestuur en van respect voor de mensenrechten. Wat de EU betreft, neemt bij de bestaande, politieke dialogen in het kader van Associatie-overeenkomsten en de EU-GCC-relatie de dialoog over de mensenrechten een belangrijke plaats in. Met landen waarmee een Associatie-overeenkomst is gesloten, zal de dialoog concreet gestalte krijgen via bijeenkomsten van speciale subcomité's van de Associatieraad. Voorts kan gewezen worden op het Euromed-programma, en op financiering van projecten uit het MEDA-fonds van de EU. De uitbreiding van het ENP naar de Mediterrane partners van de EU geeft hieraan een belangrijke nieuwe impuls. Ook in de bilaterale contacten met landen uit de Arabische wereld vraagt Nederland aandacht voor mensenrechten en goed bestuur. Tevens financiert Nederland in een aantal landen projecten van lokale NGO's die zich inzetten op deze terreinen.

46

Welke activiteiten ontplooit u ten aanzien van de ondersteuning van het operationeel worden van het Afrikaanse Hof voor de Mensenrechten?

Aangezien het Protocol betreffende de oprichting van een Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren behorende bij het Afrikaanse Handvest voor de Rechten van de Mens en Volkeren eerst op 25 januari 2004 in werking is getreden, zijn de procedures voor de benoeming van de rechters en andere interne procedures voor het doen functioneren van het Hof nog niet doorlopen. Derhalve acht ik het niet opportuun dat Nederland of de EU zich op dit moment rechtstreeks in deze interne procedures mengt. Nadat de benodigde beslissingen door de aangesloten staten zijn genomen, zal ik bezien hoe Nederland of de EU het Hof zou kunnen ondersteunen.

49

Hoe groot was in de afgelopen jaren de Nederlandse bijdrage voor de Rwandese National Unity and Reconciliation Commission en voor de Mensenrechtencommissie en hoeveel geld is er hiertoe voor de komende twee jaren voorzien? Hoe groot is de bijdrage in 2005 voor respectievelijk de sectoren goed bestuur, rurale transformatie en decentralisatie in Rwanda? Hoe groot is de Nederlandse bijdrage geweest aan maatschappelijke organisaties in Rwanda in 2004?

De bijdrage voor de National Unity and Reconciliation Commission (NURC) heeft zich in de afgelopen jaren beperkt tot steun aan de jaarlijkse Verzoeningsconferentie (EUR 27 000, EUR 28 000 en EUR 50 000 in resp. het jaar 2000, 2001 en 2004). Aan de nationale Mensenrechtencommissie is en zal geen financiële steun worden verleend, met name omdat deze organisatie zich gedurende de laatste twee jaar onvoldoende heeft kunnen profileren als onafhankelijke organisatie. Nederland is voornemens om in de komende jaren aan de NURC geen bijdrage te verstrekken, omdat er reeds voldoende andere donorfondsen beschikbaar lijken te zijn en de activiteiten van de NURC onvoldoende aansluiten bij de Nederlandse prioriteit voor ondersteuning van verzoeningsprojecten op grassroots-niveau. De Nederlandse steun op het gebied van mensenrechten zal voornamelijk via maatschappelijke organisaties blijven verlopen.

Van de 40 activiteiten die thans in uitvoering zijn, verlopen er zo'n 30 via maatschappelijke organisaties. De Nederlandse bijdrage voor activiteiten die via overheidsorganisaties verlopen bedraagt ongeveer EUR 7 mln. Het gaat hier om activiteiten op het terrein van decentralisatie, gacaca, steun aan de rechterlijke macht, de Algemene Rekenkamer, milieu en energie en ondersteuning van de genocide herdenking. Een deel van deze steun wordt door de Rwandese overheid overigens weer doorgesluisd naar NGO's, zoals SNV en CARE, die voor de uitvoering van projecten zorg dragen. Het gedelegeerde budget voor Rwanda in 2005 zal EUR 23 mln bedragen. Dit is vrijwel geheel bestemd voor de thema's Rurale Economische Transformatie en Justitie/Mensenrechten, alsmede het thema decentralisatie.

50

Beschikt het Ministerie van Buitenlandse Zaken over een fonds ter bevordering van mensenrechten en democratie in Arabische landen? Zoja, wat is de naam van dit fonds en over welk budget beschikt dit fonds?

Het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt sinds 1 januari 2004 over een aparte Faciliteit Strategische Mensenrechtenactiviteiten (FSA). De FSA die uit zowel ODA- als non-ODA-middelen bestaat, is gericht op financiering van activiteiten die onderdeel zijn van een actieve politieke strategie en katalyserend of strategisch zijn en gericht op verbetering van de mensenrechtensituatie, democratisering of goed bestuur. Via de FSA is het mogelijk ook in niet-partnerlanden strategische activiteiten op deze terreinen te ondersteunen. De Arabische regio vormt binnen de FSA een regio waarnaar bijzondere aandacht uitgaat. In totaal is voor de FSA in 2004 en in 2005 een bedrag van € 7.3 miljoen gereserveerd.

51

Kunt u aangeven welke actie(s) u heeft ondernomen naar aanleiding van het amendement Karimi/Wilders (29 200 V, nr. 23), waardoor geld zou worden vrijgemaakt voor mensen-rechtenactiviteiten in Iran?

Vanuit de strategische mensenrechtenfaciliteit is een bedrag van EUR 750 000 gedelegeerd aan de Nederlandse ambassade in Teheran, bestemd voor de ondersteuning van mensenrechtenactiviteiten in Iran. De ambassade voert een actief beleid maar het blijkt bijzonder moeilijk om geschikte activiteiten te identificeren. Veel NGO's zijn niet geregistreerd, krijgen geen toestemming van de Iraanse regering om hun projecten uit te voeren of hebben niet genoeg capaciteit. Het politieke klimaat schept met name sinds de parlementsverkiezingen in februari 2004 bovendien geen gunstige omgeving. Nederland blijft er niettemin naar streven om het gereserveerde bedrag dit jaar nog te besteden.

52

In hoeverre pleit de Nederlandse regering actief voor ratificatie van het Statuut van Rome bij landen die dit nog niet hebben gedaan, zoals Mexico? Hebben de inspanningen van de Nederlandse regering gedurende het afgelopen jaar om het aantal lidstaten dat partij is bij het Statuut van Rome te doen toenemen, concreet resultaat gehad?

Voor de legitimiteit van het Internationaal Strafhof is het van belang dat een zo groot mogelijk aantal staten partij is bij het Statuut van Rome. De regering pleit daarom voor ratificatie van het Statuut door landen die dat nog niet hebben gedaan en biedt ook hulp aan bij de implementatie in de nationale wetgeving. Om de Nederlandse inzet zo effectief mogelijk te laten zijn, wordt deze ontwikkeld in het kader van een brede, internationale campagne. Daarin spelen naast staten die partij zijn bij het ICC Statuut ook NGO's een actieve en belangrijke rol. De EU heeft een speciaal actieplan vastgesteld ter bevordering van ratificatie en implementatie van het Statuut; Nederland coördineert als EU-voorzitter momenteel de uitvoering daarvan.

Het aantal ratificaties neemt gestaag toe. Inmiddels hebben 97 landen het Statuut geratificeerd (stand per 27 september jl.). Het behalen van resultaten wordt gaandeweg lastiger doordat landen die snel wilden en konden toetreden tot het Statuut dat intussen grotendeels hebben gedaan en landen die overblijven aarzelingen of bezwaren hebben met betrekking tot toetreding dan wel op complicaties stuiten bij het aanpassen van hun wetgeving.

In hoeverre ratificaties op het conto van Nederland of het Nederlandse voorzitterschap moeten worden geschreven is niet goed vast te stellen, aangezien de Nederlandse inzet, zoals aangegeven, deel uitmaakt van een bredere internationale actie.

53

Wat is de reden voor de verlaging met bijna een kwart van het budget voor mensenrechten (artikel 1.2)?

Voor partnerlanden daalt het mensenrechtenbudget niet. De verlaging van het budget voor mensenrechten is het gevolg van het niet langer opnemen van een aantal voormalige GMV-landen (landen met een programma op het terrein van Goed Bestuur, Mensenrechten en Vredesopbouw) op de lijst met partnerlanden. Omdat in deze exit-landen de programma's binnen twee jaar worden uitgefaseerd, is tot 2007 nog een daling van het mensenrechtenbudget zichtbaar.

54

In hoeverre vindt er op Europees niveau ten aanzien van terrorismebestrijding reguliere uitwisseling plaats van gegevens tussen de betrokken ministers van Buitenlandse Zaken, maar ook bijvoorbeeld tussen de ministers van Binnenlandse Zaken?

Het Nederlands Voorzitterschap heeft de bestrijding van terrorisme tot één van zijn prioriteiten gemaakt. Op beleidsniveau wordt in diverse raadsformaties uitgebreid aandacht besteed aan terrorismebestrijding, waaronder de RAZEB, de JBZ-raad en de Ecofin. Tijdens de RAZEB van 11 oktober jl. hebben de ministers van Buitenlandse Zaken de voortgang in de uitvoering van het EU Actieplan terrorisme bestrijding besproken en de Raad en Lidstaten aangespoord om met voorrang te blijven werken aan implementatie van maatregelen. In zowel de JBZ-raad als de Ecofin wordt gewerkt aan de afronding van maatregelen ter versterking van het EU-instrumentarium, waaronder onder andere de verbetering van samenwerking tussen operationele diensten, waaronder de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Uitwisseling van specifieke gegevens over operationele zaken vindt plaats via de reguliere samenwerkingskanalen van justitie- en politiediensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarbij ook Europol en Eurojust betrokken zijn.

55

Wanneer acht u de versterking van de NAVO-banden met landen op de Balkan, in Centraal-Azië, de Kaukasus en het Midden-Oosten geslaagd? In hoeverre gaat de Nederlandse regering zich in NAVO-verband inzetten in de Kaukasus?

De NAVO heeft inmiddels een aantal samenwerkingsvormen en partnerschapsinstrumenten voor de in de vraag genoemde landen. Tot de eerste groep behoren de Euro Atlantische Partnerschapsraad (EAPC), de Mediterrane Dialoog (MD) en het Istanbul Cooperation Initiative (ICI). Tot de partnerschapsinstrumenten behoren ondermeer het Partnerschap voor Vrede (PfP) en het Membership Action Plan (MAP). Deze samenwerkingsvormen en partnerschapsinstrumenten hebben als doel de dialoog en samenwerking tussen de NAVO en de betrokken landen te versterken, bijvoorbeeld op het gebied van terrorismebestrijding en interoperabiliteit van strijdkrachten. Daarnaast wil het Bondgenootschap deze landen ondersteunen bij hervormingsprocessen, waaronder het verbeteren van de civiele controle over de strijdkrachten.

In het specifieke geval van de Balkan-landen is de versterking van de banden geslaagd indien deze landen zich op termijn volledig integreren in de Euro-Atlantische structuren. Deze landen zijn thans in verschillende stadia in het proces van toetreding tot de NAVO. In het geval van de MAP-landen Albanië, Kroatië en Macedonië is inderdaad lidmaatschap van de NAVO het volgende station. In het geval van Bosnië-Herzegovina en Servië en Montenegro is de eerstvolgende stap het lidmaatschap van het Partnerschap voor Vrede.

Op de recente NAVO Top in Istanboel (28–29 juni jl.) heeft Nederland steun uitgesproken voor initiatieven om de al bestaande banden met de partnerlanden in de Kaukasus (en in Centraal-Azië) verder te verdiepen. Na de Top is een speciale NAVO-Vertegenwoordiger voor de Kaukasus (en Centraal Azië) benoemd. Daarnaast zal binnenkort een NAVO liaison-medewerker met een regionaal takenpakket gestationeerd worden in een van de landen van de Kaukasus (en een in Centraal Azië). Hun beider bevindingen zullen meewegen bij het antwoord op de vraag hoe de gewenste verdieping in de relaties concreet gestalte zou kunnen krijgen.

Voorts is in Istanboel besloten de al bestaande Mediterrane Dialoog te verdiepen en tegelijkertijd het Istanboel Cooperation Initiative (ICI) te lanceren. Op dit moment wordt, tezamen met de betreffende landen, bezien hoe beide samenwerkingsvormen kunnen bijdragen aan het versterken van de banden met de landen uit het Midden-Oosten in brede zin, waarbij de toegevoegde waarde van de NAVO als uitgangspunt wordt genomen. Gedacht dient daarbij onder meer te worden aan samenwerking tijdens militaire oefeningen en trainingen, grensbeveiliging en civiele noodsituaties. Het gaat er hierbij niet om de samenwerking op te leggen. Zelf-differentiatie, ownership en vrijwilligheid van de kant van de landen in die regio zijn het uitgangspunt voor de samenwerking.

56

Wat zal deelname aan OCCAR concreet betekenen voor het Defensie-materieelbeleid?

Deelname aan OCCAR betekent concreet dat er een extra verwervingskanaal onstaat voor de aanschaf van militair materieel. Samenwerking met andere landen in OCCAR-verband kan tot goedkopere verwerving van materieel leiden en biedt ook voordelen uit oogpunt van interoperabiliteit. De keuzevrijheid wordt daardoor niet beïnvloed want deelname aan OCCAR betekent geen verplichting tot deelname aan OCCAR-projecten

57

Wat houdt een «terrorismeclausule» exact in?

Een terrorismeclausule is een clausule in overeenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen met het oogmerk gezamenlijke inspanningen op het gebied van de strijd tegen het terrorisme vast te leggen. De EU hecht veel waarde aan een dergelijke clausule omdat hiermee wordt vastgelegd waartoe partners zich verplichten en waarop zij kunnen worden aangesproken. Soortgelijke clausules worden in overeenkomsten tussen de EU en derde landen opgenomen met betrekking tot mensenrechten en non-proliferatie van massavernietigingswapens. Voor dergelijke clausules bestaan standaard-teksten die in de onderhandelingen met een derde land worden ingebracht als uitgangspunt en slechts marginaal kunnen worden aangepast.

58

Kunt u een toelichting geven op de taken en doelstellingen van het «Counter Terrorism Committee» van de VN?

Het Counter Terrorism Committee (CTC) is opgericht bij Veiligheidsraadresolutie 1373. Het CTC ziet toe op de implementatie van deze resolutie en poogt de capaciteit van staten om terrorisme te bestrijden te vergroten. Het CTC wordt gevormd door de landen die lid zijn van de Veiligheidsraad.

In resolutie 1373 wordt onder andere van staten verlangd om onmiddellijk maatregelen te nemen ter bestrijding van financiering van terrorisme, geen enkele vorm van steun te verlenen aan terroristen en samen te werken met andere landen bij de bestrijding van terrorisme. Ook dienen landen actieve en passieve steun aan terrorisme strafbaar te stellen onder nationaal recht en dienen daders van terroristische acties vervolgd te worden. Landen dienen verder partij te worden bij de op het gebied van terrorisme relevante internationale conventies en protocollen. Het CTC vraagt van staten specifieke actie om aan de eisen van de resolutie voldoen, gebaseerd op specifieke omstandigheden van het land. Verder streeft het CTC na om een voortdurende dialoog gaande te houden tussen de VR en de lidstaten van de VN over hoe terrorisme het beste bestreden kan worden.

Centraal in de werkmethode van het CTC staan de rapportages die staten moeten indienen over de nationale implementatie van resolutie 1373. De rapportages worden besproken met sub-comités van het CTC, die hiervoor bijgestaan worden door onafhankelijke technische experts. Het CTC doet concrete aanbevelingen aan de landen, die na drie maanden opnieuw dienen te rapporteren.

Op 26 maart jongstleden is bij VR-resolutie 1535 het Counter-Terrorism Committee Executive Directorate ingesteld. Dit Directoraat maakt deel uit van het Secretariaat van de Verenigde Naties, maar ontvangt beleidsinstructies van de plenaire CTC. Door ondersteuning te bieden aan het CTC, dient het Directoraat het CTC beter in staat te stellen toe zien op de implementatie van resolutie 1373.

59

Is de Nederlandse regering, naast haar focus op terrorismebestrijding, bereid het in gevaar komen van mensenrechten aan de kaak te stellen bij regimes die deze rechten omwille van deze bestrijding met de voeten treden?

De Nederlandse regering hecht er grote waarde aan dat bij het aannemen en implementeren van anti-terrorisme maatregelen en beleid de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rule of law en indien van toepassing het internationaal humanitaire recht worden gerespecteerd. Zij zal dit ook uitdragen naar landen die naar de overtuiging van de Nederlandse regering deze beginselen niet respecteren.

60

Op welke wijze en met welke financiële bijdrage streeft u vermindering van de voorraden chemische wapens en splijtstof van de Russische Federatie na? Welke concrete doelstelling hebt u voor 2005? Wat is uw mening over het Lugar-Nunn-project?

In 1998 sloten Nederland en de Russische Federatie een overeenkomst betreffende een door Nederland te financieren bijdrage van hfl. 25 miljoen (€ 11 344 505) aan de vernietiging van chemische wapens op Russisch grondgebied. Hiervan is inmiddels € 6 miljoen besteed, grotendeels aan de elektriciteitsvoorziening van vernietigingsinstallaties in Gorni en Kambarka. Het ligt in de bedoeling dat voor hetzelfde doel in 2005 een bedrag van minimaal € 2 miljoen zal worden besteed.

Verder hebben de Nederlandse en de Russische ministers van Buitenlandse Zaken op 14 maart 2000 een verdrag getekend waarbij Nederland € 2.7 miljoen toezegt voor ontmanteling van de kernwapens die door de Russische Federatie worden afgestoten. Hiervan is tot nu toe een klein deel besteed aan onderzoek naar een meer proliferatieresistente manier om plutonium op te branden. Het overleg over verdere besteding is nog gaande.

Naast deze bilaterale activiteiten draagt Nederland 10 miljoen euro (voor de periode 2004–08) bij aan het Northern Dimension Environmental Partnership (NDEP), voor het op verantwoorde wijze ontmantelen van de afgedankte nucleaire onderzeeboten van de voormalige Sovjet Unie en de veilige opslag van het nucleaire afval, c.q. de verbruikte brandstof uit de aandrijfreactoren. Het NDEP is een multilateraal programma dat beheerd wort door de EBRD.

Het Cooperative Threat Reduction Program van de Verenigde Staten, dat ook wel het Nunn-Lugar programma wordt genoemd, is gericht op hulp aan de opvolgerstaten van de Sovjetunie bij het beveiligen en vernietigen van de daar aanwezige massavernietigingswapens. Het Nunn-Lugar programma kan gezien worden als voorloper van alle andere inspanningen op dit gebied, waaronder ook bovengenoemde Nederlandse inspanningen. Dankzij het initiatief van de senatoren Nunn en Lugar steken de Amerikaanse inspanningen op dit terrein nog steeds ver uit boven die van andere partners.

61

Bent u van mening dat «zicht op een verbetering» een beleidsresultaat genoemd kan worden? Zo ja, wanneer is dit «zicht» dan bereikt?

Het huidige internationale regime inzake de splijtstofcyclus staat niet-kernwapenstaten toe om ten behoeve van vreedzame doeleinden het vermogen op te bouwen uranium te verrijken en plutonium aan gebruikte brandstof te onttrekken. De betreffende technologie is echter ook bruikbaar voor de productie van voor kernwapens bruikbare splijtstof. Daarom wordt momenteel nagedacht over mogelijkheden die kunnen helpen proliferatie van deze technologie te voorkomen zonder het vreedzaam gebruik van kernenergie te bemoeilijken. Het internationaal eens worden over de meest aanvaardbare optie is, vanwege de uiteenlopende belangen, een zaak van lange adem. Dat het betreffende overleg al in 2005 tot wereldwijde overeenstemming zal leiden is zeer onwaarschijnlijk. Het zou al mooi zijn wanneer er meer zicht op een dergelijke oplossing zou komen, dat wil zeggen dat in 2005 stappen gezet zouden zijn in die richting. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan succesvolle afronding van de IAEA studie over dit onderwerp. Van de betreffende studiegroep maakt ondermeer de Nederlandse oud-ambassadeur Meerburg deel uit.

62

Op welke wijze wilt u actief bijdragen aan de ontmanteling van de kernwapenvoorraad van de reëel bestaande kernwapenstaten? Kunt u uw antwoord toelichten?

Nederland heeft geen directe invloed op de ontmanteling van de kernwapenvoorraad van kernwapenstaten, maar tracht kernontwapening in beginsel te bevorderen door diplomatieke activiteiten in bilateraal en multilateraal verband. Hoeksteen wordt daarbij gevormd door het Non-Proliferatieverdrag, dat in het voorjaar van 2005 zijn vijfjaarlijkse Toetsingsconferentie zal houden (zie ook TK, 29 200 V, nr. 101). Nederland dringt bij de landen die niet worden erkend als officiële kernwapenstaat, aan op toetreding tot het Non-Proliferatieverdrag.

Binnen het geschetste kader tracht Nederland, in gezelschap van andere niet-nucleaire NAVO-bondgenoten, vooruitgang te bevorderen door ondermeer het reeds aan de Kamer toegezonden NAVO3 document. Daarnaast worden ook bilaterale contacten aangewend om zaken te bespreken die voortgang op dit gebied kunnen belemmeren, bijvoorbeeld door het Amerikaanse onderzoeksprogramma naar zogenaamd «mininukes» aan de orde te stellen. Nederland zet zich voorts, in het kader van een in maart 2000 ondertekend bilateraal verdrag, in voor ontmanteling van kernwapens die door de Russische Federatie worden afgestoten. Nederland heeft hiervoor € 2.7 miljoen toegezegd.

63

Kunt u een overzicht geven van de stand van zaken van het Proliferation Security Initiative met betrekking tot bereiken van de politieke doelstelling, oefeningenprogramma en onderlinge samenwerking?

Het Proliferation Security Initiative (PSI) is een instrument in ontwikkeling. Doelstelling van PSI is niet alleen aanvulling en verbetering van het bestaande instrumentarium in de strijd tegen proliferatie van massavernietigingswapens en het internationale terrorisme. De PSI landen zien het initiatief ook als waarschuwing aan niet-statelijke actoren en staten die vanuit het oogpunt van proliferatie een risico vormen.

Vele landen hebben ondertussen een internationale PSI interdictieoefening georganiseerd of zullen de organisatie van een oefening op zich nemen. Op dit moment werkt Nederland aan een Nederlandse PSI oefening die begin 2006 zal plaatsvinden. Er worden ongeveer 6 à 7 PSI-oefeningen per jaar gehouden. Het betreft zowel maritieme-, grond- als luchtoefeningen, danwel een combinatie daarvan. In de loop van de tijd is de aandacht meer verschoven van de operationele interdictie an sich (die meestal goed lukt), naar het complexe traject vóór en nadat de onderschepping plaatsvindt.

Ten aanzien van de onderlinge samenwerking bestaat er binnen het PSI een kerngroep met 16 landen. Verder is er een wereldwijd groeiende groep van meer dan 60 landen die het PSI steunen. Binnen PSI vindt tevens een inventarisatie plaats van de rechtskaders waarbinnen PSI-activiteiten zullen moeten plaatshebben. Behalve grootschalige, internationale overheidssamenwerking bij de verschillende PSI interdictieoefeningen en vergaderingen, wordt er nu ook intensief samengewerkt met de industrie. Informatie-uitwisseling vindt plaats tussen PSI-partners havenbedrijven, rederijen en containerschepen. Overheid en bedrijfsleven maken afspraken over samenwerking tijdens oefeningen en in «real life» situaties om proliferatie zo effectief en efficiënt mogelijk tegen te gaan.

64

Steunt u nog steeds de totstandkoming van een Wapenhandelsverdrag? Welke concrete stappen en/of initiatieven heeft u, in bilateraal en/of in EU-verband, het afgelopen jaar daartoe ondernomen,? Wat is uw inzet in het kader van het Nederlandse EU-voorzitterschap? Welke concrete voornemens bestaan er voor het komende begrotingsjaar terzake? Wat is de stand van zaken bij de totstandkoming van een Wapenhandelsverdrag, zowel inhoudelijk als wat ondersteuning betreft?

De regering is voorstander van internationaal bindende afspraken over wapenexport. De door internationale NGO's geïnitieerde discussie over de totstandkoming van een wapenhandelsverdrag heeft het afgelopen jaar geleid tot bespreking van dit initiatief in diverse EU-fora geleid, waaronder de informele Raad van bewindslieden voor Ontwikkelingssamenwerking en de relevante EU-Raadswerkgroepen. Tevens heeft een Nederlandse regeringsvertegenwoordiger deelgenomen aan internationaal overleg met de betrokken NGO's en geïnteresseerde landen over het verdrag. De regering zal haar betrokkenheid bij dit onderwerp voortzetten, deze betrokkenheid zal vooral bilateraal van aard zijn en, mede op verzoek van de genoemde NGO's, niet in de hoedanigheid van EU-Voorzitter, teneinde te voorkomen dat het verdrag door derde landen als een Europees initiatief wordt beschouwd.

65

Kunt u ingaan op de afzonderlijke kritiekpunten van de coalitie van Europese NGO's, waaronder Saferworld, Oxfam, Pax Christi en Amnesty International, op het functioneren van de EU-Gedragscode voor de Wapenexport, zoals gepresenteerd op 30 september 2004? Wat zijn de opvattingen van de EU-lidstaten en van de Europese Commissie hierover? Welke inzet is tot op heden geleverd om te komen tot de aanscherping van deze Gedragscode? Welke beleidsvoornemens zijn er terzake?

De aanbevelingen die in het op 30 september jl. door hogergenoemde NGO's gepubliceerde rapport «Taking Control: The case for a more effective European Union Code of Conduct on Arms Exports» zijn opgenomen, zijn onderwerp van discussie geweest tijdens een door het Nederlandse Voorzitterschap in samenwerking met deze NGO's georganiseerd seminar over de herziening van de EU Gedragscode inzake Wapenexport. Aan het succesvolle seminar, dat op 1 oktober jl. op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag plaatsvond, namen vertegenwoordigers van lokale en internationale NGO's, het Europees Parlement en de EU-lidstaten deel.

Het seminar stelde de EU-lidstaten in staat kennis te nemen van de aanbevelingen en de NGO's nader te informeren over de stand van zaken ten aanzien van de herziening van de EU Gedragscode. Daaruit is gebleken dat veel van de aanbevelingen reeds deel uitmaken van de door de lidstaten voorgestelde wijzigingen in de huidige tekst van de Gedragscode, zoals ten aanzien van uitbreiding van de reikwijdte van de Code tot doorvoer; wapentussenhandel («brokering»); immateriële overdracht van technologie; uitbreiding van het consultaties tot alle lidstaten; intensivering van assistentie aan derde landen; verplichting van lidstaten nationale jaarrapporten wapenexportbeleid te publiceren, en; aandacht voor de risico's van overdracht in licentie van productietechnologie. Een aantal andere aanbevelingen zijn nog onderwerp van overleg tussen de lidstaten. Het voornemen van het Nederlandse Voorzitterschap is de herziening van de Gedragscode voor het einde van het jaar af te ronden.

66

Kunt u aangeven hoeveel middelen uit de Nederlandse begroting en uit EU-fondsen worden ingezet in de Palestijnse gebieden en via welke programma's? Kunt u aangeven hoeveel van deze middelen/programma's inmiddels weer is vernietigd door Israëlische acties in bezet Palestijns gebied?

Nederland:

Voor het jaar 2005 is net als voor 2004 een bijdrage ter hoogte van € 10.5 miljoen voor ontwikkelingssamenwerking voorzien. Dit betreft activiteiten op de terreinen van goed bestuur, vredesopbouw en mensenrechten die worden gekanaliseerd via NGO's en Palestijnse instellingen (lokale overheden, ministeries, Water Authority, Bureau voor Statistiek enz.). Daarnaast wordt jaarlijks een bijdrage ter hoogte van € 11.8 miljoen verleend aan UNRWA, die grotendeels ten goede komt aan de Palestijnse Gebieden. Bovendien zal in 2004 een eenmalige additionele bijdrage van € 3 miljoen voor de noodhulpactiviteiten van UNRWA worden verleend. Eveneens eenmalig is een bijdrage van € 262 650 verleend aan het Nederlandse Rode Kruis voor medische noodhulp aan Palestijnen in Rafah.

Europese Commissie 2004:

Wereldbank Trust Fund € 65 miljoen

Wereldbank ESSP-programma € 22.75 miljoen

UNRWA € 60.65 + 20 miljoen noodhulp aan UNRWA

MOVP-projecten € 7.5 miljoen

TEMPUS € 1 miljoen

Reform instrument € 5 miljoen

Totaal € 184.90 miljoen

Daarnaast is in de periode 2002–2004 € 50 miljoen aan humanitaire en voedselhulp geschonken.

Zowel Nederland als de EU zetten hun bilaterale financiële bijdragen zo in dat die steeds minder gevoelig zijn voor Israëlische acties in de Palestijnse Gebieden. Er wordt steeds meer geïnvesteerd in hervormingen en capaciteitsopbouw terwijl voor het overige de steun er op gericht is de humanitaire noden te verlichten en de PA in stand te houden als verlener van basisvoorzieningen en als functionerende overheid. Er wordt steeds minder geïnvesteerd in schadegevoelige infrastructuur. De fysieke schade als gevolg van de geweldssituatie aan voorzieningen en infrastructuur die met EU-fondsen zijn aangelegd, bedraagt voor de periode september 2000 tot en met juli 2004 ruim € 25 miljoen.

De operaties van UNRWA lijden sterk onder Israëlische maatregelen en onder het regime van afsluiting van de Palestijnse Gebieden. De fysieke schade aan vluchtelingenkampen is niet nauwkeurig geraamd. Volgens opgaaf van UNRWA bedragen de extra kosten als gevolg van de afsluitingen ca. € 32 miljoen sinds september 2000.

67

Heeft er een evaluatie plaatsgevonden van het Stabiliteitsfonds?

Nee. Zoals in de op 3 oktober 2003 aan de Kamer verzonden brief over de oprichting van het Stabiliteitsfonds (TK 29 200 V, nr. 10) wordt gemeld, zal het Stabiliteitsfonds na 2 jaar, zijnde begin 2006, worden geëvalueerd.

68

Welke rol ziet u voor respectievelijk de AU (Afrikaanse Unie), NEPAD (New Partnership for African Development) en IGAD (Intergovermental Authority on Development) in het vredesproces in Sudan, gezien de actuele ontwikkelingen? Welke middelen zijn beschikbaar om deze organisaties te ondersteunen?

De regionale organisaties AU en IGAD zetten zich momenteel sterk in voor vrede en veiligheid. Nederland geeft beide organisaties hierbij zowel politieke als financiële ondersteuning.

Onder leiding van de AU houdt een waarnemersmissie, de Cease Fire Commission (CFC), toezicht op de wapenstilstand in Darfur; de AU faciliteert ook de vredesbesprekingen tussen de regering van Soedan en de rebellenbewegingen SLM en JEM, het Abuja proces.

De EU speelt een belangrijke ondersteunende rol ten aanzien van de waarnemingsmissie door het leveren van financiering uit de speciale vredesfaciliteit van de Unie (tot dusver € 12 miljoen) en waarnemers. Nederland steunt de AU missie, zowel financieel (totale bijdrage € 2.2 miljoen, inclusief de inzet van drie helikopters) als door het ter beschikking stellen van twee waarnemers.

Momenteel is de EU in samenwerking met andere donoren met de AU in overleg over financiële en materiële ondersteuning voor uitbreiding van de waarnemingsmissie. Zodra het AU-budget bekend is zal Nederland hiervoor ook financiering ter beschikking stellen. Daarop vooruitlopend levert Nederland een bijdrage van € 1 miljoen ten behoeve van de Darfur Integrated Task Force, zodat er binnen de AU voldoende planningscapaciteit voor de operationele activiteiten wordt ontwikkeld, en € 300 000 ten behoeve van de vredesbesprekingen in Abuja.

NEPAD is een Panafrikaanse ontwikkelingsvisie, die door de AU als haar socio-economische ontwikkelingsplan overgenomen is. NEPAD is als zodanig op het gebied van vrede en veiligheid geen uitvoerende organisatie.

Het vredessecretariaat van de IGAD ontvangt een bijdrage van Nederland (tot nu toe € 900 000) voor haar bemiddelende rol in de vredesonderhandelingen tussen de Sudanese regering en de SPLM in Kenia. Deze onderhandelingen zijn op 7 oktober hun laatste fase ingegaan – mogelijk slaagt men er in om voor het einde van dit jaar een alomvattend vredesakkoord te bereiken.

69

In hoeverre acht u het correct dat trainingen door het Ministerie van Defensie in het kader van «Security Sector Reform» uit ODA-gelden betaald dient te worden? In hoeverre weegt dit op tegen het grotere nadeel dat landen als Japan, Frankrijk en de Verenigde Staten, indien dit mogelijk wordt, gemakkelijk voldoen aan de 0,7% ODA-bijdrage?

De Nederlandse regering acht het wenselijk dat de kosten voor trainingen van het Ministerie van Defensie, die tot doel hebben om democratisch bestuur en civiele controle op de veiligheidssector te versterken, dan wel gericht zijn op het voorkomen en oplossen van conflictsituaties in ontwikkelingslanden tot ODA kunnen worden gerekend. Dergelijke trainingen zijn immers ontwikkelingsrelevant en passen daarmee in de geest en feitelijke omschrijving van de ODA-definitie.

Indien activiteiten op het gebied van vrede en veiligheid ODA-toerekenbaar worden, kan dit voor genoemde landen als zij zich op dit gebied actief tonen, tot een hoger ODA-budget leiden. Dit is acceptabel, omdat het immers ontwikkelingsrelevante activiteiten betreft. Wel zal de formulering van de ODA-reporting directives zorgvuldig dienen te geschieden op een zodanige wijze dat misbruik kan worden voorkomen. De bijdragen op dit vlak van genoemde landen zijn overigens geenszins van die orde van grootte dat zij daarmee «gemakkelijk» voldoen aan de 0,7% doelstelling voor de ODA-bijdrage.

70

Kunt u een toelichting geven op de resultaten die zijn behaald met betrekking tot DDR-programma's in de Grote Meren-regio? Kunt u aangeven hoeveel van de meer dan 100 miljoen euro die de Nederlandse regering heeft toegekend aan het demobilisatie- en reïntegratieprograma MDRP van de Wereldbank voor de landen in de Grote Meren-regio inmiddels is ingezet? Wanneer verwacht u dat het resterende deel van het ter beschikking gestelde bedrag zal worden besteed?

In het kader van het vijfjarige Multi-Country Demobilisation and Reintegration Program (MDRP) zijn in de Grote Meren regio, sinds het begin van het programma (april 2003), in totaal circa 120 000 combattanten gedemobiliseerd. Meer dan 55 000 ex-combattanten worden middels het MDRP ondersteund in hun terugkeer in de samenleving. Het MDRP opereert op het moment in zeven landen in de regio (Burundi, Rwanda, CAR, DRC, Angola, Congo, Uganda), waar nationale DDR programma's worden ontwikkeld en uitgevoerd. Deze bevinden zich in verschillende fasen van operationalisering, mede vanwege de verschillen in de vredes- en veiligheidssituatie in de diverse landen. Twee nationale programma's (Rwanda en Angola) zijn volledig operationeel, drie nationale programma's (Burundi, CAR, DRC) zijn gereed voor implementatie en in twee landen (Congo en Uganda) is het nationale programma in ontwikkeling. Twaalf Special Projects (relatief kleinschalige projecten voor speciale groepen, die urgente financiering behoeven) zijn tot op heden goedgekeurd (voor een totaalbedrag van US$ 48 miljoen). Acht van deze twaalf Special Projects zijn operationeel en worden uitgevoerd in de DRC en Angola.

Met ingang van mei 2004 heeft de Wereldbank US$ 190 miljoen en de MDRP Trust Fund donoren US$ 200 miljoen gecommitteerd voor het MDRP. Nederland heeft zich gecommitteerd voor een bijdrage van € 108 000 000 aan het MDRP programma (2002–2007) middels het Multi-Donor Trust Fund (MDTF). Tot nu toe is hiervan € 33 880 000 beschikbaar gesteld (€ 9 720 000 in 2002 en € 24 160 000 in 2004). Afhankelijk van de liquiditeitsvraag van het MDTF zal besloten worden over de betaalbaarstelling van verdere fondsen. Vooralsnog is voor 2005 € 58 460 000 voorzien en voor 2006 € 15 660 000.

Op dit moment beschikt het MDTF over US$94 miljoen, waarvan op 30 juni 2004 US$19 miljoen beschikbaar is gesteld voor de nationale programma's, special projects, regionale activiteiten, MDRP programmabeheer en administratie. Gezien de uitstaande committeringen van in totaal US$ 25.1 miljoen (Nationale programma Rwanda en Special Projects) en de afronding van twee grand agreements voor de nationale programma's in Angola en Burundi (totaal US$ 90.2 miljoen), zullen de uitgaven naar verwachting snel toenemen.

71

Vindt u «security sector reform» in Soedan, waar een regime haar eigen bevolking met chemische wapens bestrijdt, een moreel verdedigbare beleidsdoelstelling? Hoe moet deze doelstelling worden gezien?

Security Sector Reform (SSR) is het proces waarbinnen instellingen binnen de veiligheidssector (zoals leger en politie) worden hervormd zodat dienstverlening effectief, efficiënt, transparant en onder democratische controle plaatsvindt. Juist de nadruk op transparantie en democratische controle zal bevorderen dat instellingen verschoond kunnen blijven van uitwassen zoals mensenrechtenschendingen. Vanzelfsprekend zullen hervormingen ook in Soedan een langdurig proces zijn en zal naast technische assistentie ook politieke druk uitgeoefend moeten worden teneinde SSR in de praktijk te brengen. Overigens beschikt de regering niet over informatie die bevestigt dat het regime in Soedan haar eigen bevolking met chemische wapens bestrijdt. (Zie ook antwoord op vragen van het lid Karimi van 7 oktober jl. Met kenmerk 2030421480 en vragen van het lid Szabo van 14 oktober jl. 2030421500)

72

Wordt er momenteel onderhandeld over een Consolidated Appeal, Emergency Appeal, dan wel een alternatieve vorm van coördinatie van humanitaire hulp in Colombia?

In Colombia werken de humanitaire partners (VN, NGO's Rode Kruis en overheid) aan een nieuwe versie van een Common Humanitarian Action Plan. Het nieuwe plan voor 2004–2005 zal binnenkort aan donoren worden gepresenteerd. Dit plan zal niet uitmonden in een Consolidated Appeal daar de Colombiaanse autoriteiten hieraan geen medewerking verlenen. Medewerking van de regering van een lidstaat is evenwel een absolute voorwaarde voor de VN om namens die regering een appeal ui te brengen. De regering van Colombia wenst echter niet in de lijst van CAP-landen te worden opgenomen, daar men van mening is dat dit het land geen goed imago zal opleveren.

73

Welke specifieke punten voor de aanpassing van de DAC-regels zijn overeengekomen?

Tijdens de laatste High Level Bijeenkomst van het Ontwikkelingscomité (DAC) van de OESO op 15–16 april 2004 te Parijs is door het 23-leden tellende comité consensus bereikt over de ODA-registratie van activiteiten die betrekking hebben op de civiele kant van de veiligheidssector. Zoals ik in mijn brief van 10 mei jl. (TK, 29 200V, nr. 80) reeds stelde, betreft het hier activiteiten gericht op het management van uitgaven ten behoeve van de veiligheidssector, de versterking van de rol van civiel maatschappelijke organisaties in de veiligheidssector en het terugdringen van de rekrutering van kindsoldaten. Voor de laatste stand van zaken verwijs ik naar mijn brief van 13 oktober jl. over de OESO/DAC bijstelling ODA-criteria veiligheidssector.

74

Is de stelling dat humanitaire hulp neutraal moet zijn eigenlijk wel een haalbare stelling als steeds meet humanitaire hulporganisaties, zoals het International rode Kruis (ICRC), hun neutraliteit niet meer kunnen handhaven en zelf private militaire ondernemingen inhuren?

Het streven naar onpartijdigheid, evenredigheid en neutraliteit blijft voor de regering en voor humanitaire organisaties als het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) onverminderd belangrijk, ook al is de realisatie van deze principes niet altijd even eenvoudig.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal het ICRC gebruik maken van beveiligingsbedrijven, hetgeen overigens niet hetzelfde is als private militaire ondernemingen.

75

Hoe komt de lijst met prioritaire landen inzake humanitaire hulp tot stand? Wie toetst het zogenaamde humanitaire imperatief en hoe vindt de besluitvorming over prioriteitstelling plaats? Welke landen staan er momenteel op de lijst? Op grond van welke overwegingen staat Colombia niet op die lijst?

De lijst betreft landen waar sprake is van een chronische crisissituatie. De landenkeuze is mede afhankelijk van de aard en stadium van het conflict; de VN-strategie en kwaliteit van het Consolidated Appeal Process; de omvang van een eventuele Nederlandse betrokkenheid in relatie tot de inzet van andere donoren; de duur van de Nederlandse steun in relatie tot de vooruitzichten op zelfredzaamheid van het desbetreffende land; mogelijkheden voor parallelle inzet van politieke, militaire en andere middelen. Het humanitaire imperatief wordt getoetst.

De besluitvorming over prioriteitstelling vindt plaats op grond van de humanitaire situatie en geïdentificeerde noden in relatie tot de beschikbare middelen op de middellange termijn. De beperktheid van middelen noopt tot het maken van keuzes. Om redenen van zorgvuldigheid wordt daarbij voorrang gegeven aan voortzetting van noodzakelijke activiteiten in chronische crisissituaties waar Nederland reeds eerder hulp bood, boven het aangaan van nieuwe verplichtingen in chronische crisissituaties elders ter wereld.

Op grond van bovenstaande overwegingen staat Colombia niet op de lijst. Met ingang van 2005 wordt dit heroverwegen. Hier is mede aanleiding toe omdat de Emergency Relief Coordinator van de VN, Jan Egeland, nadrukkelijk mijn aandacht heeft gevraagd voor de humanitaire situatie in Colombia. Op de middellange termijn zouden eventueel middelen kunnen worden vrijgemaakt voor een geëigende respons.

Momenteel richt de Nederlandse humanitaire hulp zich op Afghanistan, Angola, Irak, de Molukken, de noordelijke Kaukasus, Oeganda, Soedan, Somalië, het grote Merengebied en West-Afrika.

76

Kunt u aangeven wat u bedoelt met «transversaal thema»?

De term transversaal heeft betrekking op bestuurlijke interventies die niet sectorgebonden zijn en een bredere maatschappelijke strekking hebben. Werken aan beter bestuur in deze zin kan ondersteuning betekenen van toezichthoudende instellingen als de Ombudsman of de Rekenkamer, het beter functioneren van de justitieketen of versterking van democratische instellingen en processen.

77

Kunt u aangeven wat u bedoelt met de zin: «Democratisering en politieke participatie van vrouwen zijn onderwerpen met een legitimiteitsdimensie»?

De MvT maakt een onderscheid tussen de begrippen «effectiviteit» en «legitimiteit» van bestuur, begrippen die als handvat kunnen dienen om Goed Bestuur bespreekbaar te maken. In de eerste plaats dient bestuur effectief te zijn in het «beheer van menselijke en natuurlijke hulpbronnen en economische en financiële middelen» (zie b.v. artikel 9 van het Cotonou-verdrag). Hierbij dient ondermeer gedacht te worden aan handhaving van het geweldsmonopolie en van de interne rechtsorde, regulering van het financiële en economische verkeer en levering van openbare diensten.

Tezelfdertijd dient bestuur legitiem te zijn of met andere woorden: maatschappelijk aanvaard. Hier gaat het om het «politieke en institutionele klimaat dat de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat beschermt» (zie eveneens artikel 9 van het Cotonou-verdrag). Hierbij gaat het om de wijze waarop burgers invloed hebben op het bestuur en het beheer van de publieke middelen: hoe is vorm gegeven aan de democratie op nationaal en lokaal niveau, is er vrijheid van meningsuiting, hoe werken de instituties die de controle van het bestuur mogelijk maken, is het bestuur inclusief, dat wil zeggen kunnen inwoners van afgelegen regio's, minderheidsgroepen, vrouwen en andere vaak uitgesloten groepen in de samenleving volwaardig deelnemen aan en invloed uitoefenen op het bestuur? Zonder politieke participatie van vrouwen is legitiem bestuur niet mogelijk. Dit is de achtergrond van de overweging dat democratisering en politieke participatie van vrouwen onderwerpen zijn met een legitimiteitsdimensie.

78

«Onderkent u dat democratisering niet alleen te maken heeft met legitimiteit, maar dat het ook buitengewoon dienstig is bij het tegengaan van machtsmisbruik en van corruptie bij machtshebbers?»

Democratisering is een proces dat cruciaal is voor de legitimiteit van bestuur. Zonder draagvlak onder een bevolking en zonder dat op enigerlei wijze verantwoording wordt afgelegd aan die bevolking, is op den duur geen regering te handhaven tenzij met bruut geweld.

Machtsmisbruik en corruptie ondergraven de legitimiteit van bestuur, ook in landen waar dat bestuur democratisch is gekozen. Echter, in een functionerende democratie zullen machtsmisbruik en corruptie eerder en duidelijker aan de orde worden gesteld en bestaan er instituties en mechanismen die een overheid dwingen om rekenschap af te leggen aan de bevolking. In die zin is democratisering inderdaad zeer dienstig bij het tegengaan van machtsmisbruik en corruptie van machtshebbers.

79

Wat zijn de lessen die vanuit het Matra-programma, waarbij het transformatieproces in Midden- en Zuidoost Europa wordt ondersteund, kunnen worden getrokken voor het streven naar democratie in landen van de Derde Wereld?

De situatie in de op de Matra-landenlijst voorkomende landen van Midden- en Zuidoost Europa verschilt hemelsbreed van de situatie in veel ontwikkelingslanden. Waar veel van de Matra landen momenteel worden getransformeerd tot democratisch geregeerde staten met als reëel perspectief het lidmaatschap van de Europese Unie is dit voor ontwikkelingslanden niet aan de orde. Daarnaast is er sprake van een aanmerkelijk verschil in opleidingsniveau en lokale uitvoerings-capaciteit. Tenslotte is er een groot verschil in schaal. Het zou daarom onjuist zijn de Matra-aanpak te zien als een model dat zonder meer toepasbaar is op de landen van de derde wereld.

Opeenvolgende evaluaties van de Matra-inspanningen tot dusverre hebben de vraaggestuurdheid en de flexibiliteit van het programma aangemerkt als belangrijkste succesfactoren. Daarnaast zijn de volgende «lessen» getrokken:

Het EU-integratieperspectief is een belangrijke «pull»-factor, waarbij vanuit Matra graag wordt aangesloten.

De combinatie van een beleidsmatig lange termijnperspectief (van transformatie en europese integratie) en flexibiliteit in de uitvoering is productief.

De articulatie van de vraag naar Matra-steun wordt versoepeld door collegiale samenwerking in het kader van de bestaande netwerken tussen Nederlandse organisaties (zoals ngo's, gemeenten en politieke partijen) en gelijkgerichte organisaties in de doellanden.

Institutionele versterking en capaciteitsopbouw in de doellanden is de sleutel tot succes in het transformatieproces gebleken en is daarom het centrale motief in veel van de Matra-activiteiten. De beste resultaten worden ook hier geboekt in het kader van partnerschap tussen gelijkgerichte organisaties.

Met de nodige clausulering zijn deze Matra-lessen in beginsel ook bruikbaar voor de samenwerking met het oog op de democratisering van landen in de Derde Wereld.

80

Dient het Institute for Multiparty Democracy (IMD) zich wel op het terrein van het Matra-programma te begeven?

Neen. Overigens is er geen gevaar voor overlap tussen de IMDen Matra-activiteiten in de regio Zuidoost- en Oost-Europa. De IMD-inzet daar is immers beperkt tot een project ter consolidering van het democratische systeem in Georgië. De Matra-inzet is gericht op kadervorming binnen de Georgische politieke partijen en verloopt via zusterpartijen in Nederland. Op deze manier vullen Matra en IMD elkaar juist goed aan. Er is contact tussen beide instanties om te zorgen dat dat zo blijft.

81

Welke zes landen in de Wijdere Midden-Oosten regio zullen profiteren van de stimulering vanuit Nederland van de opbouw van het maatschappelijke middenveld?

In navolging van het Europese nabuurschapbeleid is ook het Matra-programma uitgebreid naar de mediterrane regio. Het betreft Marokko, Algerije, Tunesië, Libanon, Syrië en Jordanië. Voor 2005 zullen de ambassades in deze landen beschikken over een budget waarmee lokale initiatieven ter stimulering van de «civil society» kunnen worden gefinancierd. Voor Marokko en Jordanië worden deze projecten als pilots gezien aan de hand waarvan kan worden bepaald of omvangrijker steun mogelijk en wenselijk is. Mocht het laatste het geval zijn dan bestaat de mogelijkheid deze landen toe te voegen aan de Matra-landenlijst.

82

Wat zijn de uitgaven voor nationale veiligheid in beleidsartikel 2.1? Waarom staan deze uitgaven onder dit artikel begroot?

Onder beleidsartikel 2.1 staan onder andere de Nederlandse bijdrage aan de NAVO en uitgaven ter ondersteuning van het veiligheidsbeleid. Deze uitgaven staan onder dit artikel begroot omdat met name de NAVO als hoeksteen van het nationale veiligheidsbeleid wordt beschouwd. De aandacht gaat vooral uit naar een verdere invulling van de nieuwe Bondgenootschappelijke taken. De uitgaven voor de binnenlandse veiligheid staan op de begrotingen van het ministerie van BZK en het ministerie van Justitie.

83

Kunt u artikel 2.6 («Humanitaire hulpverlening») verder uitsplitsen, naar analogie van beleidsartikel 3 in de begroting 2004? Wat is het budget voor humanitaire fondsen van de VN, zoals de UNHCR?

Naar analogie van beleidsartikel 3 in de begroting 2004, is de verdeling van artikel 2.6 in de begroting 2005 als volgt:

(bedragen x EUR 1000)20052006200720082009
Noodhulp ontwikkelingslanden100 000100 000100 000100 000100 000
Noodhulp niet DAC-landen4 0883 8633 8633 8633 863
UNHCR40 90040 90040 90040 90040 900
UNRWA11 79811 79811 79811 79811 798
wereldvoedselprogramma27 22727 22727 22727 22727 227
ICRC172172172172172

Artikel 3.3 «Ontmijnings-en kleine wapens fonds» uit de begroting 2004 is in het geheel ondergebracht bij het Stabiliteitsfonds. Voorts is het niet mogelijk om op voorhand het «budget 2005» voor bijvoorbeeld UNHCR te noemen. Wel wordt een omvangrijk deel daarvan, de zgn. vrijwillige bijdrage, vooraf vastgesteld. Voor 2005 bedraagt deze bijdrage voor UNHCR Euro 40.9 miljoen. Het resterende deel van de Nederlandse bijdrage aan UNHCR (afkomstig uit voorheen de budgetlijnen «noodhulp ontwikkelingslanden», of «noodhulp niet-DAC landen») varieert van jaar tot jaar, als gevolg van veranderende omstandigheden in de betrokken crisisgebieden. De regering tracht jaarlijks in een zo vroeg mogelijk stadium aan de betreffende organisaties uitsluitsel te geven over de omvang van dit deel van de bijdrage.

84

Bent u van mening dat bepaalde onderdelen van de Lissabon-agenda een meer dwingende benadering dan «benchmarking» en «peer-pressure» verdienen? Zo ja, op welke wijze wordt een minder vrijblijvende benadering vormgegeven?

De maatregelen binnen de Lissabon-strategie vallen uiteen in die waar de Gemeenschap exclusieve bevoegdheid heeft en de maatregelen waar de bevoegdheid in het kader van de subsidiariteit bij de lidstaten berust.

Voorbeelden van maatregelen waar de Gemeenschap exclusieve bevoegdheid heeft zijn bijvoorbeeld maatregelen ter voltooiing van de Interne Markt. Naleving van deze maatregelen kan volgens de geëigende procedures worden afgedwongen, hetzij voor de nationale rechter, hetzij voor het Europese Hof van Justitie.

Daarnaast trachten de lidstaten in het kader van de Lissabon-strategie hun sociaal economische beleid te laten convergeren via de zogenaamde methode van open coördinatie. Het betreft hier veelal beleid waar de lidstaten bevoegd (onderwijs, sociale bescherming, werkgelegenheid) zijn en waar beleidsconvergentie plaats vindt op basis van op Europees niveau vrijwillig afgesproken doelstellingen. Hiermee heeft Nederland onderwerpen op de Europese agenda kunnen plaatsen (bijvoorbeeld de houdbaarheid van pensioenen) die op een andere wijze niet Europees besproken kunnen worden.

Het invoeren van een meer dwingende benadering in de methode van open coördinatie zou het nut van dit instrument uithollen. Een minder vrijblijvende benadering zou de bereidheid van lidstaten om hun nationale sociaal-economische beleid te convergeren verminderen. Het kind wordt hiermee met het badwater weggegooid.

85

Bent u van mening dat burgerparticipatie in Europese politieke besluitvorming ook door middel van referenda kan plaats vinden als het gaat om voor Nederland ingrijpende thema's?

De regering hecht groot belang aan betrokkenheid van de burger bij de Europese politieke besluitvorming. In het kader van het nieuwe Europees Grondwettelijk Verdrag zijn mogelijkheden opgenomen voor directe participatie van de burger bij Europese politieke besluitvorming. Een voorbeeld daarvan betreft het petitierecht van burgers.

Specifiek ten aanzien van referenda heeft de regering in haar brief van 30 augustus jl. (TK 21 501-02, nr. 567) aangegeven dat een Europa breed referendum een onderwerp is dat zich leent voor verdere verkenning.

86

Wat is Uw oordeel over de voortgang en de effectiviteit van het Joegoslavië-Tribunaal? Kunt U Uw oordeel toelichten? Wat zijn de praktische gevolgen voor de door U beoogde samenwerking met het Tribunaal?

Het Joegoslavië-Tribunaal (ICTY) heeft sinds de oprichting in 1993 belangrijke resultaten behaald in de vervolging en berechting van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van humanitair recht in het voormalig Joegoslavië. Inmiddels zijn meer dan 100 aangeklaagden voor het Tribunaal verschenen. Het Tribunaal levert hiermee een belangrijke bijdrage aan het proces van verzoening in de regio. Tegelijkertijd blijft de samenwerking door de landen in de regio, met name Servië en Montenegro, Bosnië-Herzegovina en ook Kroatië, onvoldoende. Op basis van VN Veliligheidsraadresolutie 1503 streeft het Tribunaal naar afronding van de onderzoeken in 2004, afronding van de zaken in eerste aanleg in 2008, en beëindiging van alle actviteiten in 2010. Het Tribunaal zal zich in de komende jaren dan ook moeten concentreren op de belangrijkste zaken, waarbij in de toekomst een toenemend aantal zaken zal worden overgedragen naar lokaal niveau. Nederland draagt bij aan de vereiste versterking van de rechtssystemen in de regio. Arrestatie en overdracht van de hoofdverdachten Mladic, Karadzic en Gotovina blijft de hoogste prioriteit houden.

87 en 97

Zet de regering zich ook in voor de naleving van de ook voor andere EU-lidstaten geldende afspraak 0,7% van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden? Zo ja, hoe?

Zet de Nederlandse regering zich ook in voor de naleving door andere rijke landen van de afspraak 0,7% van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden? Zo ja, hoe?

Ja, de Nederlandse regering zet zich in om de ODA-prestatie van alle donorlanden te vergroten tot 0,7% van hun Bruto Nationaal Inkomen (BNI). Hiertoe roept zij andere donorlanden dringend op om hun ODA-prestatie te verhogen conform de toezeggingen die zijn gemaakt tijdens de «Financing for Development Conference» in 2002 te Monterrey. De regering doet dit bijvoorbeeld in het kader van de OESO-DAC «peer reviews» en dringt aan op publieke verantwoording in de vorm van MDG-rapportage waarvan hulpinspanningen onderdeel uitmaken. Naast verhoging van de ODA-prestatie in het algemeen, bepleit de regering dat andere donorlanden zich committeren aan concrete termijnen en streefcijfers om deze verhoging te bewerkstelligen. Dit zal ook de Nederlandse inzet vormen voor de komende VN-evaluatie van de MDG's in september 2005.

Tijdens de Europese Raad van Barcelona, voorafgaand aan Monterrey, hebben de toenmalige EU-lidstaten afgesproken de ODA-prestatie van de EU te verhogen tot gemiddeld 0,39% BNI in 2006, waarbij het minimum voor de afzonderlijke lidstaten 0,33% BNI bedraagt. Reguliere monitoring van deze afspraak vindt plaats in de Raad Externe Betrekkingen en Algemene Zaken en de Ecofinraad. Blijkens deze monitoring zal de verhoging tot gemiddeld 0,39% BNI in 2006 worden gehaald.

Als EU-voorzitter dringt Nederland er, zowel in bilateraal als in EU-verband, op aan om de gemaakte afspraken na te komen en om nieuwe afspraken te maken teneinde de 0,7% BNI-doelstelling te bereiken. Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk inmiddels aangegeven dat zij erna streven om vanaf 2012 hun ODA-uitgaven te verhogen tot 0,7% BNI, terwijl Italië en Spanje recent hebben toegezegd hun ODA-volume te zullen gaan verdubbelen.

88

Is in de afgelopen tijd overwogen bepaalde ontwikkelingslanden niet langer te laten profiteren van de Europese ontwikkelingssamenwerking in het kader van het Verdrag van Cotonou vanwege wanbeleid in die landen? Zo ja, welke consequenties heeft dat gehad?

De eerbiediging van de rechten van de mens, de democratische beginselen en de rechtsstaat zijn essentiële elementen van de Overeenkomst van Cotonou. Wanneer de EU meent dat aan deze essentiële elementen niet wordt voldaan, kan een consultatieprocedure worden gestart op basis van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou. Indien de consultatie niet tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing leidt, indien overleg wordt geweigerd en in bijzonder dringende gevallen kunnen maatregelen worden genomen. Voorts kunnen, op grond van artikel 97, ernstige gevallen van corruptie worden aangekaart, maar tot op heden is dit artikel nog niet gebruikt.

Eind 2003 en begin 2004 heeft de Raad besloten om met Guinee Bissau, Haïti, de Centraal Afrikaanse Republiek, Togo en Guinee in het kader van artikel 96 consultaties te openen. Voor al deze landen wordt het beschikbaar stellen van nieuwe hulpmiddelen uit het 9e EOF afhankelijk gesteld van de resultaten die de EU tijdens de consultaties bereikt.

De EU heeft naar aanleiding van de staatsgreep van september 2003 consultaties met Guinee Bissau geopend. Gedurende de consultaties heeft de EU vooruitgang kunnen constateren en besloten financieel bij te dragen aan de hervormingen op een aantal terreinen (waaronder de voorbereiding van nieuwe verkiezingen) maar intussen de situatie in het land wel continu te blijven monitoren.

Na aanvankelijke bevriezing van de relaties met Haïti in december 2003 zijn de relaties met dit land in 2004 weer opgepakt. De interim regering is gestimuleerd zo snel mogelijk nieuwe verkiezingen te organiseren.

Naar aanleiding van een staatsgreep in maart 2003 heeft de EU consultaties met de Centraal Afrikaanse Republiek gestart. Naar aanleiding van de consultaties is besloten de samenwerking gedeeltelijk op te schorten en gelijktijdig de samenwerking op onderdelen geleidelijk voort te zetten. met deze benadering wil de EU de inspanningen van de Centraal-Afrikaanse autoriteiten ten aanzien van het democratiseringsproces ondersteunen.

De art. 96 consultaties met Togo zullen binnenkort worden afgesloten. De EU zal besluiten een aantal ondersteunende maatregelen t.a.v. de verkiezingen te verlenen en de voortgang in het land gedurende twee jaar te monitoren.

De art. 96 consultaties met Guinee zijn nog niet afgesloten.

De hulp aan Zimbabwe is sinds 2002 opgeschort. Begin 2004 zal de Raad de maatregelen die zijn genomen tegen Zimbabwe onder artikel 96 in het licht van eventuele nieuwe ontwikkelingen aanpassen of in stand houden.

89

In hoeverre is de intensieve samenwerking met Polen, Slowakije, Tsjechië en Hongarije bij de voorbereiding van EU-ontwikkelingssamenwerking vergelijkbaar met de reeds bestaande samenwerking in «Utstein»-verband?

Veel recent toegetreden lidstaten hebben op het terrein van ontwikkelingssamenwerking te kampen met een gebrekkige organisatiestructuur, capaciteitsbeperkingen, weinig publieke en politieke belangstelling, en beperkte middelen. Nederland heeft in bilaterale contacten met de vier genoemde lidstaten aangegeven hen graag te willen ondersteunen bij het opbouwen van hun organisatiestructuur en capaciteit om in de toekomst aan het acquis op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te kunnen voldoen. Deze ondersteuning zal in eerste instantie bestaan uit kennisoverdracht en advisering tijdens seminars en wederzijdse bezoeken en waar mogelijk samenwerkingsprojecten. De Raad van Europa zal hierbij i.s.m. Nederland eveneens een rol vervullen, met name op het gebied van draagvlakversterking.

De samenwerking in «Utstein»-verband is vanuit een geheel andere gedachte ontstaan, namelijk de wens om op voor ontwikkelingssamenwerking belangrijke dossiers de krachten van een aantal gelijkgezinde donorlanden (informeel) te bundelen en eventueel gezamenlijk te opereren. Hoewel de samenwerking met de nieuwe lidstaten op den duur ook tot een krachtenbundeling zou kunnen leiden, is deze vooralsnog meer gericht op ondersteuning en kennisoverdracht.

90

Welke grensoverschrijdende activiteiten zullen met Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen worden uitgevoerd? Waarom laat u de activiteiten in Euregio-verband onbenoemd?

Een breed scala aan grensoverschrijdende activiteiten wordt ondernomen met Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen; uitvoering vindt plaats door verscheidene departementen en op allerlei bestuursniveaus. Het ministerie van Buitenlandse Zaken stimuleert deze samenwerking omdat zij de bredere bilaterale relaties dient, maar treedt niet altijd op als uitvoerder.

Wat betreft Vlaanderen zijn er projecten als het Vlaams-Nederlands Huis voor Europa te Brussel, de politiële samenwerking ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en de samenwerking met de Vlamingen op innovatie-terrein. Op infrastructureel gebied (aanleg tracé HSL-zuid, de ontwikkeling van het Schelde-estuarium, de toegankelijkheid van de havens van Gent en Terneuzen, de IJzeren Rijn enz.) is de regering van Vlaanderen een belangrijk aanspreekpunt voor Nederland. Een project waarvoor het ministerie van Buitenlandse zaken direct verantwoordelijk is, betreft de tweejaarlijkse Belgisch-Nederlandse Conferentie. De laatste aflevering van deze conferentie had dit jaar eind september plaats en had als thema «Nederland en België in een grotere Europese Unie».

Ook met Noordrijn-Westfalen is de grensoverschrijdende samenwerking op vele terreinen zeer intensief, hetgeen onder meer bleek tijdens een door Nederland en Noordrijn-Westfalen in Düsseldorf georganiseerde conferentie afgelopen april. Een project in Noordrijn-Westfalen waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken direct is betrokken, is de uitwerking van het concept van «Strategische Samenwerking». Doel is tot concrete samenwerking tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen te komen wat betreft belangrijke maatschappelijke onderwerpen. In het komende jaar zal ervaring worden uitgewisseld op het gebied van de integratie van minderheden in 4 steden: Rotterdam, Arnhem, Keulen en Duisburg.

Ook binnen de onderscheiden Euregio's wordt een groot aantal activiteiten ondernomen op provinciaal en stedelijk niveau, zoals op het terrein van infrastructuur, natuurbehoud en economie en technisch-wetenschappelijke samenwerking. Deze activiteiten zijn van groot regionaal belang. Zij vallen niet rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn derhalve buiten beschouwing gelaten.

91

Wordt bij het streven naar een hechtere Europese waardengemeenschap ook uitgegaan van de «christelijke» waarden die door de minister-president zijn genoemd? Welke rol zullen deze waarden spelen bij de onderhandelingen met Turkije over de toetreding van dit land tot de EU?

Bij het streven naar het steeds hechter maken van de Europese waardengemeenschap die de Europese Unie is, wordt uitgegaan van de waarden zoals die zijn omarmd in de verdragen en het «acquis communautaire» en zoals deze ook tot uitdrukking komen in verdragen en conventies van de Raad van Europa en de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. In het Grondwettelijk Verdrag zijn de tradities genoemd waarop de integratie is gegrond, waaronder religie. De conferentiereeks «Europe, a beautiful idea?», waarvan de openingsconferentie op 7 september jl. als thema had «The Politics of European Values», moet worden gezien als een inspanning om beter zicht te krijgen op het geheel van waarden. Onze samenleving is – zo onderstreepte de minister-president tijdens die bijeenkomst – het product van verscheidene tradities die voortvloeien uit geloof en filosofie. De ideeën van de Grieken, Romeinen, Christendom, het Joodse geloof, humanisme en de Verlichting hebben ons gemaakt tot dat wat wij vandaag zijn. Ook de dialoog met de Islam en de Arabische cultuur heeft ons geholpen bij het vormen van onze identiteit.

Voor de toetredingsonderhandelingen met Turkije gelden, net als bij andere kandidaatlidstaten de Kopenhagen criteria de zogenoemde criteria van Kopenhagen. Deze zijn als volgt gedefinieerd:

Het bestaan in de kandidaat-lidstaat van stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen.

Het bestaan van een functionerende markteconomie en het vermogen de concurrentiedruk en marktkrachten binnen de Unie het hoofd te bieden.

Het vermogen de verplichtingen van het lidmaatschap (hetacquis) op zich te nemen, wat mede inhoudt het onderschrijven van de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie.

Als bekend geldt het voldoen aan de politieke Kopenhagen criteria als voorwaarde voor het starten van de onderhandelingen. Een kandidaat-lidstaat hoeft pas aan de andere twee criteria te voldoen op het moment van daadwerkelijke toetreding. De discussie over Turkije richt zich in deze fase dan ook met name op de politieke criteria. Deze politieke criteria vormen de neerslag van Europese waarden die, zoals gezegd, het product zijn van verscheidene tradities, waaronder zeker ook de christelijke.

92

Kan het streven naar deelname aan «kopgroepen» in bepaalde gevallen de cohesie binnen de EU bedreigen? Hoe evalueert u, bij eventuele deelname aan een kopgroep, de wenselijkheid en het effect van deze kopgroep op de cohesie binnen de EU?

De regering is van mening dat kopgroepvorming op dit moment niet aan de orde is. Het is van primair belang te laten zien dat de uitgebreide Unie cohesief is en effectief besluiten kan nemen. De overeenstemming die in juni jl. over het Grondwettelijk Verdrag werd bereikt, geldt als een overtuigend teken van de wil tot gezamenlijkheid te komen.

De regering sluit de vorming van kopgroepen niet geheel uit. Zij beschouwt kopgroepvorming echter als een middel waarvan pas in laatste instantie op basis van heldere voorwaarden gebruik kan worden gemaakt indien blijkt dat een gezamenlijke aanpak à 25 niet mogelijk is maar een kleiner aantal lidstaten niettemin gezamenlijk verdere stappen wil zetten.

De regering is van mening dat dit dient te gebeuren binnen de kaders van het (huidige respectievelijk het toekomstige Grondwettelijk) Verdrag. Het Verdrag bevat immers het instrument nauwere samenwerking, dat met heldere waarborgen omgeven is. Zo bevestigt het Verdrag het uitgangspunt van de regering dat nauwere samenwerking slechts in laatste instantie mag worden gebruikt. Voorts kan nauwere samenwerking nooit de exclusieve bevoegdheden van de Unie betreffen; nauwere samenwerking kan slechts betrekking hebben op gebieden die tot de zuiver nationale bevoegdheden horen dan wel tot de gedeelde of ondersteunende bevoegdheden van de Unie. Bovendien moet nauwere samenwerking openstaan voor latere deelname door andere lidstaten.

Genoemde voorwaarden dienen er juist toe dat de onderlinge samenhang in de Unie gewaarborgd blijft. Dit zal bij elk initiatief voor nauwere samenwerking opnieuw vastgesteld moeten worden. De regering meent dat deze bepalingen voldoende waarborg zijn voor de cohesie binnen de Unie. De regering ziet nauwere samenwerking dan ook niet als een bedreiging voor de onderlinge samenhang tussen de lidstaten, maar als een bruikbare aanvulling op de mogelijkheden die het Verdrag biedt voor collectieve (dwz: à 25) stappen.

93 en 134

Kunt u per Millennium Development Goal (MDG) aangeven in hoeverre de realisatie ervan in 2015 nog steeds een nationale beleidsdoelstelling is en in hoeverre u dit reëel acht gelet op de tot op heden verrichte internationale inspanningen en gedane toezeggingen?

Wat is uw inschatting met betrekking tot de haalbaarheid van de MDG's in 2015, gezien de huidige stand van zaken?

Het rapport van september jl. van de Secretaris-Generaal van de VN inzake de implementatie van de Millenniumverklaring verdeelt globaal de ontwikkelingslanden in drie groepen voor wat betreft voortgang op het gebied van de MDG's. De eerste groep, die de meeste landen in Azië en Noord-Afrika omvat, is over het algemeen goed op weg om de doelstelling van halvering van het aantal personen dat in extreme armoede leeft, te halen; voorts ziet het er ook naar uit dat zij de meeste andere doelstellingen zullen kunnen halen.

De tweede groep landen, voornamelijk gelegen in West-Azië, Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied, maken goede voortgang op een aantal individuele doelstellingen, zoals basisonderwijs voor alle kinderen, maar lopen achter op het succesvol bestrijden van armoede. De derde groep, grotendeels de landen in Sub-Sahara Afrika en enkele minst ontwikkelde landen in andere regio's, lopen nog steeds ver achter op bijna alle MDG's.

Dit beeld is met name voor wat betreft Sub-Sahara Afrika niet optimistisch, maar mag niet leiden tot gelatenheid; juist tot het besef dat de hele internationale gemeenschap als geheel, zowel rijke als arme landen, alle zeilen zullen moeten bijzetten om het gemeenschappelijke pact dat we met zijn allen zijn aangegaan tot een goed einde te brengen.

Het bereiken van de MDG's in afzonderlijke landen verloopt via nationale armoedestrategieën, zoals de Poverty Reduction Strategies. De mondiale MDG's worden hiermee vertaald naar de nationale context en land-specifieke prioriteiten. In het kader van het landen- en sectorbeleid levert Nederland een bijdrage aan het behalen van de MDG's. Zoals toegezegd in de nota «Aan Elkaar Verplicht» zal er periodiek aan de Kamer worden gerapporteerd over de Nederlandse inzet op de in de nota genoemde prioritaire terreinen, waaronder de MDG's op het gebied van onderwijs, HIV/Aids en milieu/water, en over de voortgang op deze terreinen. De eerste resultatenrapportage zal in mei 2005 aan de Kamer worden toegezonden.

Over de Nederlandse inspanningen op het gebied van MDG 8 (internationaal partnerschap) ging de Kamer in mei een voortgangsrapportage toe. Met het oog op de VN-top in 2005, waar de balans zal worden opgemaakt over de implementatie van de Millenniumverklaring, inclusief de MDG's, zal ook door de EU een rapport worden opgesteld over de inspanningen van de lidstaten en van de Commissie. Daarin zullen ook aanbevelingen worden gedaan voor verdere voortgang. Met het rapport kan ook druk op andere rijke landen worden uitgeoefend om inzicht te geven in hun inspanningen.

Het is duidelijk dat er aan de kant van de rijke landen nog meer moet worden gedaan om aan MDG 8 te voldoen en Nederland, ook nu als EU-voorzitter, zal zich blijven inzetten om landen hiertoe op te roepen, onder meer door reeds gemaakte afspraken (zoals die van Monterrey en Doha) te implementeren. Daarnaast dienen ontwikkelingslanden ook het hunne te doen om goed beleid en goede strategieën voor armoedebestrijding te ontwikkelen. Uiteindelijk zal een ontwikkelingsland zelf de lasten moeten kunnen dragen van het instandhouden van de resultaten van de MDG's. Het gaat hierbij niet alleen om een financiële impuls, maar vooral ook om capaciteit in de landen zelf. Dit vergt met name sterkere instituties, participatieve processen, gerichte investeringen in economische en sociale infrastructuur, een sterke private sector en het kunnen genereren van eigen inkomsten. Voorts dienen ook de VN-instellingen en de IFI's hun beleid effectief aan te wenden ten behoeve van de MDG's. De inzet van de regering – mede in EU-verband– is erop gericht om tijdens de VN-top van 2005 aan alle kanten voldoende politieke wil te creëren om tot verdere gezamenlijke actie over te gaan.

94

Wat zijn uw beleidsvoornemens en begrote uitgaven voor plattelandsontwikkeling, c.q. voor de bevordering van agrarische productie?

Mijn beleid zoals uiteengezet in AEV bestaat uit het leveren van bijdragen aan het bereiken van de MDG's. Die ontwikkelingsdoelstellingen van diverse aard zijn alle van belang voor het waarborgen van armoede vermindering, met name ook voor armoedevermindering op het platteland. Ik richt me in mijn beleid dan ook op meer dan wat veelal begrepen wordt onder de term plattelandsontwikkeling en landbouwontwikkeling, en bovendien wil ik andere accenten in dat beleid benadrukken.

Met betrekking tot elementen van belang voor plattelandsontwikkeling en/of bevordering van agrarische productie is mijn beleid gericht op het volgende: in landen waar deze onderwerpen passen binnen de gemaakte sectorkeuze blijft deze keuze gehandhaafd. Binnen deze aandachtsvelden richt het beleid zich op versterking van de rol en positie van zowel de private sector als van het maatschappelijk middenveld in die landen. Met name zal er waar mogelijk aandacht zijn voor een ketenbenadering, voor versterking van de positie van boerengroepen, en voor versterking van het ondernemingsklimaat voor agrarische bedrijvigheid, met daarin begrepen dienstverlening, onderzoek en kennisuitwisseling.

Ook in landen waar landbouw(sub)sectoren geen onderwerp van sectorkeuze zijn is aandacht voor de landbouwsector mogelijk via de insteek van aandacht voor het ondernemingsklimaat en/of goed bestuur.

In Nederland zet ik in op een grotere bundeling van relevante expertise van landbouw gerelateerde kennis (ik verwijs naar de commissie Doornbos), op een aantal nieuwe partnerschappen van belang voor landbouwontwikkeling (WSSD, de «Call»), en op verruiming van het bedrijfsleveninstrumentarium dat voor een belangrijk deel gericht is op bedrijven in de agrarische sector.

In nationaal en internationaal verband zet ik me in voor het verder wegnemen van belemmeringen voor de internationale handel die met name voor Afrika zo nadelig zijn voor de ontwikkeling van het landbouwpotentieel.

In 2005 zijn de geplande uitgaven (in Euro) voor activiteiten van diverse aard op het platteland 187,8 miljoen, waaronder voor geïntegreerde plattelandsontwikkeling 25,4 miljoen, en voor landbouwkundige ontwikkeling 48,2 miljoen.

95

Met welke concrete maatregelen wilt u meer coherentie tussen het handelsbeleid en het beleid voor ontwikkelingssamenwerking realiseren?

Verbeterde coherentie tussen het handelsbeleid en het beleid voor ontwikkelingssamenwerking vergt een tweezijdig proces van elkaar versterkende maatregelen op beide beleidsterreinen. Allereerst moet in het Nederlandse en EU handelsbeleid effectief rekening worden gehouden met de belangen van ontwikkelingslanden. Nederland bepleit vanuit dit perspectief een reeks van concrete handelsmaatregelen in het kader van de Doha ronde en de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel van de EU. Zie hiertoe de na te streven resultaten onder Beleidsartikel 4, Operationele doelstelling 1.

Complementair hieraan zet Nederland gericht OS-middelen in om ontwikkelingslanden – met name de armste ontwikkelingslanden – beter in staat te stellen gebruik te maken van de kansen die het multilaterale handelssysteem en handelsliberalisering hen biedt. Nederland financiert bilateraal en multilateraal vele activiteiten op het gebied van handelsgerelateerde technische assistentie en opbouw van handelscapaciteit. Dit varieert van versterking van het ondernemingsklimaat en infrastructuur in ontwikkelingslanden tot activiteiten van het CBI (Centrum voor Bevordering van Importen uit Ontwikkelingslanden). Ook wordt steun gegeven aan de onderhandelingscapaciteit van ontwikkelingslanden op specifieke onderhandelingsdossiers, zoals het katoeninitiatief van West-Afrikaanse MOLs. Zie tevens het antwoord op vraag 100.

96

Hoe groot is het totale bedrag dat Nederlandse en buitenlandse NGO's van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen? Om hoeveel NGO's gaat het?

Nederland financieert een veelheid en variëteit aan NGO's via verschillende kanalen. Het Medefinancieringsprogramma (MFP) en het Thematische Medefinancieringprogramma (TMF) zijn bedoeld voor NGO's die gericht zijn op ontwikkelingssamenwerking. Het MFP is financieel ondergebracht onder artikel 5.6 «Een grotere participatie van civil society in ontwikkelingsactiviteiten» en is begroot op € 417.5 mln. in 2005. Het TMF is thematisch ondergebracht bij de verschillende artikelen in de begroting en de totale uitgaven zijn € 118.1 miljoen in 2005 voor de verschillende TMF-rondes. In totaal zijn er momenteel 6 MFO's en 187 TMF organisaties. Daarnaast worden ook uit bilaterale landenprogramma's talrijke NGO's gefinancierd die uitvoering geven aan Nederlandse beleidsprioriteiten. Verder kunnen NGO's aanspraak maken op programmafinanciering (non-ODA) uit het POBB, het MATRA-programma en middelen voor Internationaal Cultuurbeleid (ICB) indien voldaan wordt aan de hiervoor geldende vereisten.

98

Welke concrete activiteiten zal de Nederlandse regering zelf plegen om herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel en herziening van de preferentiële oorsprongregels van de EU te bewerkstelligen?

Nederland draagt door actieve en constructieve inbreng in EU-kader bij aan de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel en herziening van de preferentiële oorsprongregels. Concreet gaat het om actieve deelname aan de discussie in de raadswerkgroepen en zo nodig in Coreper en de Raad. Met belanghebbenden vindt overleg plaats voor input in de discussie. Daarnaast zet Nederland zich in om tot substantiële verbeteringen te komen door coalitievorming en gezamelijke initiatieven – zoals discussiepapers – met gelijkgezinden. Leidraad voor Nederland is het scheppen van een zo groot mogelijke markttoegang voor ontwikkelingslanden. Het huidige APS heeft vanwege zijn complexiteit een lage benuttingsgraad. Nederland meent dat deze in het nieuwe systeem flink omhoog moet. Een belangrijk middel hiervoor is de herziening van de preferentiële regels van oorsprong. Nederland is voorstander van verdere vereenvoudiging, versoepeling en harmonisatie van deze regels.

99

Wat bedoelt u precies met «adequate» in relatie tot handelsgerelateerde technische assistentie?

De term «adequate» in relatie tot handelsgerelateerde technische assistentie is ontleend aan de Ministeriële Verklaring ter afsluiting van de WTO-Conferentie in Doha (2001). Daarin zijn als kernelement van de ontwikkelingsdimensie van de Doha Ontwikkelings Agenda toezeggingen gedaan op het gebied van technische assistentie. Deze technische assistentie moet adequaat zijn op verschillende aspecten. De assistentie moet ontwikkelingslanden, vooral de minst ontwikkelde landen (MOL's), helpen effectief aan de onderhandelingen deel te nemen, de akkoorden uit te voeren en handelscapaciteit op te bouwen om van de akkoorden te profiteren. Daartoe moet voorspelbare en voldoende financiering beschikbaar komen. Voorts moet de technische assistentie passen bij de behoeften van de ontvangende landen en duurzame effecten hebben. Tevens dient de ondersteuning goed gecoördineerd te worden met bilaterale donoren en internationale organisaties. Wat betreft assistentie ten behoeve van de onderhandelings- en implementatiecapaciteit is de WTO grotendeels verantwoordelijk voor planning en uitvoering van technische assistentie-activiteiten. Specifieke toezeggingen, met name aan de MOL's, zijn gedaan op bepaalde onderhandelingsterreinen, zoals landbouw, handel en milieu en handelsfacilitatie.

De Raamwerkakkoorden van 1 augustus jl. bevatten opnieuw de toezegging tot adequate technische assistentie, met name op het gebied van handelsfacilitatie. De ontwikkelingslanden moeten in staat gesteld worden volledig deel te nemen aan de desbetreffende onderhandelingen. Daarnaast zijn ook specifieke afspraken gemaakt over de uitvoering van de onderhandelingsuitkomsten. Implementatieverplichtingen vervallen indien onvoldoende technische assistentie beschikbaar is voor die aspecten van handelsfacilitatie waarvoor ontwikkelingslanden de benodigde capaciteit ontberen.

100

Kunt u concreet aangeven wat u verstaat onder «handelsgerelateerde technische assistentie»?

Onder handelsgerelateerde technische assistentie verstaat de regering activiteiten die leiden tot een groter vermogen van ontwikkelingslanden om deel te nemen aan en te profiteren van het internationale handelssysteem. Ontwikkelingslanden moeten op twee terreinen hun capaciteit vergroten. Ten eerste handelsbeleid en regelgeving om te kunnen participeren in internationale en regionale handelsonderhandelingen en om handelsregels uit te voeren. Ten tweede het vermogen om handel tot ontwikkeling te brengen. Dit laatste betreft versterking van het ondernemingsklimaat ten behoeve van een grotere, meer gediversifieerde export, het aantrekken van investeringen voor handel en werkgelegenheid en de capaciteit om bedrijven te stimuleren handel te drijven en in handelsgeoriënteerde industrieën te investeren.

Met bovengenoemde omschrijving volgt de regering de definitie die de WTO en de OESO hebben opgesteld ten behoeve van de speciale Doha Ontwikkelingsagenda Database voor Handelscapaciteitsopbouw. Sinds 2002 rapporteren WTO-leden en internationale organisaties hiertoe jaarlijks over hun activiteiten op het gebied van handelsgerelateerde technische assistentie. De gerapporteerde activiteiten zijn ingedeeld onder de genoemde twee hoofdcategorieën: (1) handelspolitiek en regelgeving en (2) de ontwikkeling van handel. Terwijl de eerste categorie uitsluitend op handel is gericht, omvat de tweede categorie activiteiten die vaak indirect op de ontwikkeling van handel zijn gericht. Activiteiten op het gebied van infrastructuur (transport, opslag, communicatie en electriciteit) vormen een aparte categorie, omdat dit soort activiteiten in wisselende mate ten goede komen aan internationale handel.

101

Wat is thans de stand van zaken bij de EPA-onderhandelingen?

De onderhandelingen tussen de EU en de zes regio's die binnen de ACS-landen zijn onderscheiden (Caraïbische gebied, Stille Zuidzee en West, Centraal, Oost en Zuidelijk Afrika), zijn alle van start gegaan. Met elk van de regio's is overeenstemming bereikt over een «road map» waarin doel, structuur, tijdspad en opeenvolging van de onderwerpen van de onderhandelingen zijn vastgelegd. Alhoewel de afspraken regiospecifiek zijn, wordt overal voorzien in een driefasestructuur. In de eerste fase worden prioriteiten gesteld en vindt voorbereiding op de onderhandelingen plaats, de tweede fase zal bestaan uit de onderhandelingen zelf en de derde fase vormt de afronding. De meeste regio's zullen nog voor het eind van het jaar de eerste fase afronden en technische bijeenkomsten organiseren over specifieke onderwerpen. De EPA's zullen moeten ingaan per 1 januari 2008.

102

Wil de Nederlandse regering voor de effecten van handelsovereenkomsten, in multilateraal, EU- dan wel bilateraal verband, eveneens Poverty and Social Impact Analyses (PSIA's) laten uitvoeren, of blijft dit beperkt tot de MDG's in enge zin?

Nee. De Europese Commissie voert reeds Duurzaamheid Impact Analyses uit die, naast de door de WereldBank uitgevoerde impactanalyses van liberalisering, voldoende toetsing bieden.

Alle handelsovereenkomsten, zowel de bilaterale als de multilaterale, worden in EU-verband afgesloten. Voor alle belangrijke handelsovereenkomsten die de EU afsluit, laat de Europese Commissie de effecten analyseren. Daarbij worden ook de effecten op ontwikkelingslanden geanalyseerd. Aan die laatste wordt continue gewerkt.

De Europese Commissie laat Sustainability Impact Analyses (SIA's) uitvoeren, om te analyseren of liberalisering bijdraagt aan armoedevermindering, groei, werkgelegenheid, bescherming van het milieu, verbetering van de positie van vrouwen, etc. SIA's kijken naar drie vormen van duurzaamheid: sociale duurzaamheid, economische duurzaamheid en ecologische duurzaamheid. SIA's worden uitgevoerd door externe bureaus voor alle belangrijke handelsovereenkomsten. Een consultatieproces, waarbij onder andere de civil society en het bedrijfsleven betrokken zijn, maakt onderdeel uit van de analyse. Voorbeelden zijn: de SIA van het EU-ACS verdrag en de SIA van de Doha Development Round. Verder analyseert de Wereldbank voor een aantal landen de effecten van liberalisering op armoede. Nederland draagt bij aan dit onderzoek via het Bank Netherlands Partnership Programme.

Door de Wereldbank, het IMF en sommige bilaterale donoren worden daarnaast Poverty and Social Impact Analyses (PSIA's) uitgevoerd. PSIA's zijn landenspecifiek en zij analyseren de effecten van beleidshervormingen op het welzijn van verschillende groepen in de samenleving voorafgaand aan de implementatie van die hervormingen. PSIA's richten zich op meer dan alleen handel. Zij beperken zich ook niet tot de MDG's in enge zin. Zo werd in Nicaragua een PSIA uitgevoerd over fiscale hervormingen, in Tanzania over macro-economische hervormingen en in Mozambique over de verhoging van de brandstofprijzen.

103

Kunt u een overzicht geven van de middelen die beschikbaar zijn voor programma's/instellingen van de VN naar analogie van beleidsartikel 8 van de begroting voor 2004 (29 200 V, nr. 2, p. 118)?

Hieronder een overzicht van de middelen die beschikbaar zijn voor programma's/instellingen van de VN.

  2005200620072008
 Uitgaven:338 450297 935287 083293 282
8.1UNDP89 17473 32469 47469 474
8.2UNICEF37 13030 48028 93028 930
8.3UNFPA68 53855 63852 63852 638
8.4UNIFEM/Instraw0000
8.5UNAIDS17 92417 02416 12416 124
8.6UNCDF0000
8.7UNEP7 5327 1136 6936 693
8.8GEF/Montreal Protocol33 52855 37459 60452 084
8.9Verwoestijningsverdrag244239233233
8.10IFAD6 7336 4336 03319 366
8.11Gemeenschappelijk Grondstoffenfonds814774734734
8.12Speciale multilaterale activiteiten51 83334 03631 62031 506
8.13Multilateraal deskundigenprogramma25 00017 50015 00015 500

104

Kunt u concreet aangeven wat u bedoelt met ««nauwlettend» volgen van de VN-organisaties en de internationale financiële instellingen»? Welk resultaat moet deze actie opleveren?

Bij het opstellen van instructies voor de beheersorganen van de verschillende instellingen van de Verenigde Naties en de richtlijnen voor de bewindvoerders bij WB en IMF wordt expliciet gekeken naar de armoede-impact van voorgesteld beleid of programma's.

Het ministerie heeft onderzocht hoe de verschillende multilaterale instellingen scoren op de hoofddoelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkings-beleid zoals dit in mijn nota «Aan Elkaar Verplicht» is uitgewerkt. Deze hoofddoelstellingen zijn expliciet gekoppeld aan de MDG's. Ik zal u later dit jaar informeren over de uitkomsten van dit onderzoek in mijn Nota over Multilaterale Instellingen. Verder leveren sedert 2000 de ambassades in de toenmalige en de huidige partnerlanden informatie aan over hun ervaringen met deze organisaties op landenniveau middels het Beoordelingskader Multilaterale Organisaties (BOK). De wijze waarop deze informatie wordt ingewonnen, wordt thans herzien. Voor de prestaties van multilaterale organisaties op landenniveau verwijs ik ook naar vraag 11 (aanvullende lijst) inzake MOPAN.

105

Wat is nieuw aan het element «versterkte aandacht voor de dialoog met het ontvangende land»?

Toegenomen samenwerking tussen donoren en ontvangende overheden, met name in de toepassing van steun via begrotingen dan wel gezamenlijke fondsen (baskets) heeft ertoe geleid dat de dialoog rond de ontwikkelingssamenwerking veel meer structuur heeft gekregen. Belangrijk hierin is dat de dialoog gevoed wordt door resultaatsmeting aan de hand van te voren afgesproken indicatoren. In een aantal gevallen is dergelijke resultaatsmeting ook verricht op meer politieke onderwerpen. Dergelijke bevindingen kunnen dan zakelijk in de dialoog worden ingebracht. Door het soort dialoog in overeenstemming te brengen met het soort hulpverlening is ook meer structuur tot stand gebracht. Typisch sectorale programma's kennen bijvoorbeeld een dialoog die is toegespitst op voor die sector belangrijke onderwerpen, terwijl minder geoormerkte vormen van hulp ook een bredere agenda voor dialoog zullen kennen. Voor Nederland specifiek geldt nog dat de aandacht voor niet publieke actoren (maatschappelijk middenveld, bedrijfsleven) een vast onderdeel van dialoog is geworden.

106

Welke exogene schokken heeft u voor ogen in relatie tot de schuldenproblematiek?

De exogene schokken die daartoe kunnen bijdragen zijn sterke wisselkoerswijzigingen, dalende (voor de export) of stijgende (voor de import) prijzen voor goederen en natuurlijke rampen. Een sterk wisselende omvang van gelden voor ontwikkelingssamenwerking kan ook als endogeen worden aangemerkt voor zover deze niet het gevolg is van een slechte performance van het ontvangende land. Externe schokken zijn in lage inkomenslanden belangrijke oorzaken voor het ontstaan van onhoudbare schulden, zelfs in het geval van landen met een goed economisch beleid.

107

Wat heeft de aansporing van de fondsen en programma's van de VN, de gespecialiseerde VN-organisaties, de multilaterale ontwikkelingsbanken en het IMF concreet opgeleverd?

De in de vraag bedoelde aansporing is in de memorie van toelichting geformuleerd als een in 2005 na te streven resultaat. Op dit moment valt er dus nog niets te zeggen over bereikte resultaten. Overigens zal de aansporing en ook de financiële ondersteuning om de beleidsmatige (MDG's) en operationele (VN-coördinatie, aansluiting bij PRSP's, PSIA's, schuldhoudbaarheid) randvoorwaarden voor duurzame armoedebestrijding in ontwikkelingslanden te verbeteren naar verwachting niet onmiddellijk tot resultaat leiden. Het betreft hier een beleidswijziging bij multilaterale instellingen die Nederland niet geheel alleen kan bewerkstelligen. Nederland kan zich echter wel inzetten door de rol van katalysator op zich te nemen.

108

Waarom wordt op het bilaterale OS-budget voor diverse Latijns-Amerikaanse partner-landen (Bolivia, Colombia en Nicaragua) fors bezuinigd? Hoe valt de bezuiniging op de hulp aan Colombia te rijmen met de verhoging die de Kamer voor de begroting 2004 bij amendement heeft ingebracht vanwege de hoge waarde die wordt toegekend aan projecten die faciliterend zijn voor het vredesproces? Worden met de verlaging voor 2005 de in 2004 gedane investeringen in nieuwe projecten in Colombia ongedaan gemaakt?

De bezuiniging op het bilaterale OS-budget viel vooral in het jaar 2003. Toen is gekort op de bilaterale landenhulp, niet alleen in Latijns-Amerikaanse landen, maar in veel meer onderdelen van het Nederlandse OS-programma. Inmiddels zijn de budgetten van Bolivia, Colombia en Nicaragua voor het jaar 2004 tussentijds opgehoogd, als gevolg van de meevaller voor schuldkwijtschelding (EKI).

Voor Colombia geldt dat de bilaterale hulp in 2004 steeg naar EUR 13,1 miljoen (2003: EUR 8,5 mln), o.a. als gevolg van de implementatie van de Motie Van der Staaij (steun aan gedemobiliseerde jongeren) en additionele fondsen voor de sector milieu. Uiteraard zullen de lopende programma's op het gebied van goed bestuur, mensenrechten en vredes-opbouw ook in 2005 zorgvuldig worden voortgezet.

109

In welke vijf partnerlanden zijn de ambassades betrokken bij de uitwerking van de Poverty and Social Impact Analyses (PSIA's)?

In 3 landen (Tanzania, Benin en Rwanda) is de Nederlandse ambassade betrokken geweest bij PSIA's en zullen de uitkomsten vanaf 2005 in de (meerjaren-)programma's worden betrokken. In 6 landen (Mozambique, Mali, Nicaragua, Zambia, Jemen en Ethiopië) is het voornemen in 2005 een PSIA uit te voeren. Verwacht wordt dat zeker 5 hiervan tot uitvoering zullen komen.

110

Welke kwalitatieve schuldhoudbaarheidsanalyseinstrumenten zijn ontwikkeld? Wat zijn de te verwachten resultaten van deze instrumenten?

In het kader van het HIPC-initiatief zijn de volgende kwalitatieve normen ontwikkeld die bepalen welke hoeveelheid schuldverlichting gegeven dient te worden bij het bereiken van het HIPC-eindpunt:

een verhouding van de netto contante waarde van de schuld ten opzichte van de export van 150%;

een verhouding van de netto contante waarde van de schuld ten opzichte van de overheidsinkomsten van 250%.

Bij het HIPC-beslispunt wordt bepaald welke van deze twee normen doorslaggevend zal zijn. Vervolgens wordt bij het bereiken van het HIPC-eindpunt de hoeveelheid schuldverlichting voor iedere donor bepaald die noodzakelijk is om de gestelde norm te halen. Ten tijde van de uitbreiding van HIPC (HIPC-II) zijn deze normen naar beneden bijgesteld om zodoende extra zekerheid te hebben dat de resterende schuld van de landen die het HIPC-proces hebben doorlopen ook op lange termijn houdbaar is.

111

Wat bedoelt u met «gerichte aanpak» in relatie tot specifieke problemen van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden? Waaraan wordt hierbij onder meer gedacht?

Met «gerichte aanpak» doel ik op onze specifieke inzet bij het opheffen van knelpunten van bedrijven op het gebied van kennis en toegang tot financiering. Deze inzet is nodig, naast activiteiten ter verbetering van het ondernemingsklimaat, om een gezonde concurrerende particuliere sector te stimuleren die inkomen en werkgelegenheid genereert en daarmee bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding in ontwikkelingslanden. Om bedrijven te helpen bij het opheffen van knelpunten op terreinen als kennis en financiering heb ik een zo effectief en overzichtelijk mogelijk instrumentarium ontwikkeld. Co-financiering van relevante bedrijfsinitiatieven kan bijvoorbeeld verkregen worden via het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) en instrumenten bij de FMO (ORET, MOL-fonds, NIMF), terwijl specifieke kennis beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven via bijvoorbeeld het Centrum voor de Bevordering van Import uit ontwikkelingslanden (CBI) en het Programma Uitzending Managers (PUM). Naast deze specifieke programma's zet ik verder in op het versterken van financiële systemen in ontwikkelingslanden (bijvoorbeeld via de FMO, het recent opgerichte Nederlands Samenwerkingsverband voor Financiële Sector Ontwikkeling, het Nederlands Platform Microfinanciering, de regeling sociaal-ethisch beleggen en de deelname aan FIRST), draag ik bij aan het katalyseren van private investeringen in infrastructuur via het Emerging Africa Infrastructure Fund (EAIF) van de Private Infrastructure Development Group (PIDG) en werk ik nauw samen met de Wereldbank, IFC, IDA en MIGA op het terrein van onder meer MKB-ontwikkeling en publiek-private investeringen in infrastructuur. Al met al een breed scala aan activiteiten dat gericht poogt om bedrijven actiever te betrekken bij duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden.

112

Waaruit zal de Nederlandse ondersteuning bestaan die in actieplannen wordt neergelegd?

Actieplannen worden opgesteld op basis van de dit jaar door ambassades voor het eerst uitgevoerde jaarlijkse «scan ondernemingsklimaat». Voor het eind van dit jaar beschikken 30 van de 36 partnerlanden over een «scan ondernemingsklimaat», waarin activiteiten ter verbetering van het ondernemingsklimaat zijn opgenomen. De actieplannen beogen om tailor made te gaan werken en duidelijk de niche voor de Nederlandse ondersteuning op het thema ondernemingsklimaat op te zoeken (zie ook vraag 117). De actieplannen concentreren zich op één of meerdere van de volgende vijf aspecten van het ondernemingsklimaat: goed economisch bestuur, marktwerking en markttoegang, financiële sector, infrastructuur, kennis- en capaciteitsontwikkeling. Activiteiten omvatten directe Nederlandse ondersteuning aan zowel overheden, private partijen als maatschappelijke organisaties. De actieplannen komen tot stand in dialoog met locale overheden en het locale bedrijfsleven en er wordt zo veel mogelijk samengewerkt met andere bi- en multilaterale donoren.

Enkele concrete voorbeelden ter illustratie:

versterking van agro-food ketens en van o.a. boerenorganisaties is opgenomen in actieplannen in Ethiopië, Rwanda, Tanzania, Kenia, Uganda, Mali en Bolivia.

ondersteuning van Kamers van Koophandel die MKB bedrijven vertegenwoordigen in Sri Lanka, Tanzania en Nicaragua.

ondersteuning van organisaties of fora ter versterking van de publiek-private dialoog is aan de orde in onder meer Zambia, Nicaragua en Ethiopië.

ook het hoger op de agenda zetten van het thema ondernemingsklimaat in het overleg van donoren en overheid kan zijn opgenomen in actieplannen. Dit is bijvoorbeeld het geval in Mozambique en Nicaragua.

113

In het Eindrapport van de werkgroep van het IBO (Interdepartementaal Beleidsonderzoek) Effectiviteit en coherentie van ontwikkelingssamenwerking (bijlage bij 29 234, nr. 2) wordt gesteld dat het percentage van de formele binding van hulp ongeveer 12% is. Kunt u voor de afzonderlijke begrotingen van 2000 tot en met 2004 aangeven hoe groot de formele binding van de hulp was? Kunt u ook aangeven hoe groot het verwachte percentage van gebonden hulp voor deze begroting is of zal zijn?

In het Eindrapport van de werkgroep van het IBO werd het percentage gebonden hulp gebaseerd op de wijze waarop daarover ook aan het DAC dient te worden gerapporteerd. Conform die DAC-afspraken betreft het jaarlijkse percentage gebonden hulp de verplichtingen voor gebonden programma's in dat jaar, uitgedrukt als percentage van de bilaterale ODA. Bilaterale ODA is volgens de DAC-definitie alle ODA van een donor exclusief ongeoormerkte multilaterale ODA. De DAC-rapportage omtrent gebonden hulp omvat de aldus gedefinieerde bilaterale ODA exclusief technische assistentie en apparaatskosten. In het geval van Nederland worden ORET en PSOM als gebonden programma's beschouwd. De percentages voor de jaren 2000 tot en met 2002 waren respectievelijk 4,7%, 8,8% en 11,4%. De DAC-rapportage over het jaar 2003 is nog niet gereed; naar verwachting zal het percentage ongeveer gelijk zijn aan het percentage voor 2002. Voor 2004 zal het percentage aanzienlijk lager uitkomen. De fluctuaties (c.q. de hoge percentages in 2002 en 2003) hangen namelijk samen met de gekozen rapportagevorm in DAC-verband, waarin is gekozen voor verplichtingen in plaats van uitgaven. In de Nederlandse situatie levert dat een zeer sterk fluctuerend beeld op, omdat de uitvoering van ORET en PSOM is neergelegd bij externe uitvoeringsinstellingen (ORET bij FMO/NIO, PSOM bij EVD), waarmee vanuit Ontwikkelingssamenwerking een meerjarige verplichting wordt aangegaan. Zo is in 2002 een driejarige verplichting aangegaan met FMO/NIO voor de uitvoering van de ORET-regeling, en is in 2003 een forse extra verplichting aangegaan tot en met 2006 met Senter (inmiddels EVD) voor PSOM, in verband met de geplande uitbreiding van dit programma Gezien deze bijzondere situatie van uitbesteding van deze gehele programma's is het relevant om ook te kijken naar de totale uitgavenniveaus van de gebonden programma's ORET en PSOM. Voor PSOM geldt dat er sprake is van een geplande verhoging in de komende jaren in verband met de openstelling van dit programma in alle partnerlanden. Tegelijkertijd geldt echter dat met ingang van 2005 binnen het bestaande ORET-budget ook ongebonden uitgaven in MOL's gefinancierd zullen worden, als gevolg van het besluit om ORET in ongebonden vorm in MOL's aan te gaan bieden. Beide ontwikkelingen houden elkaar waarschijnlijk in evenwicht waardoor naar verwachting de geplande uitgaven die als gebonden hulp kunnen worden aangemerkt, uitgedrukt als percentage van de bilaterale ODA, de komende jaren per saldo ongeveer gelijk zullen blijven. Het jaarlijks niveau van uitgaven is in mijn ogen een betere indicator – althans in de Nederlandse situatie waarin het beheer van deze programma's wordt uitbesteed – dan het niveau van verplichtingen dat in een jaar wordt aangegaan.

114

Hetzelfde IBO-rapport bevat informatie over de werkelijke binding van de hulp als gevolg van retouropdrachten aan het Nederlandse bedrijfsleven. Die is veel hoger dan de formele binding. Kunt u nagaan op welke wijze deze werkelijke binding nog gestalte wordt gegeven? Kunt u een indicatie geven van het deel van de hulp dat jaarlijks naar Nederland terugvloeit en via welke sectoren deze terugvloeiing plaatsvindt?

Het is niet mogelijk een indicatie te geven van het deel van de hulp dat jaarlijks naar Nederland terugvloeit. De Nederlandse hulpinspanningen (bilaterale budgetten, bijdragen aan MFO's enz.) kennen uitgebreide formele beheersmatige eisen inzake de besteding en de rapportage hierover van deze gelden (bijvoorbeeld de eis dat opdrachten conform internationale maatstaven aanbesteed worden) maar, met uitzondering van de gebonden programma's, hebben deze eisen geen betrekking op de nationaliteit van de (toe)leveranciers van goederen en diensten die met deze hulpinspanningen samenhangen. Het gaat immers om ongebonden programma's. In die zin is er geen sprake van dat aan binding gestalte wordt gegeven. De betreffende overheden en organisaties die hulp ontvangen zullen ongetwijfeld ook opdrachten verstrekken aan Nederlandse ondernemingen, maar hier wordt bewust niet op gestuurd en ook niet op gemonitord. De schatting die in het IBO-rapport wordt gegeven is een extrapolatie van gegevens over de periode 1991–1995. Daarbij bleek dat de retouropdrachten voor het Nederlandse bedrijfsleven circa 55–65% bedroegen. Deze gegevens zijn ontleend aan een uitgebreid extern onderzoek uit 1997, dat op 16 januari 1998 aan de Tweede Kamer (TK 25 860, nr. 1) is aangeboden.

115

Nederland ijvert al decennia lang voor verdergaande ontbinding. Kunt u aangeven op welke wijze u zich daarvoor inzet en in welke gremia? Wat zijn de resultaten van deze inzet?

Nederland streeft naar verdere ontbinding van hulp in multilateraal verband en ijvert hiervoor in de geëigende internationale gremia. Hetvoornaamste internationale gremium inzake ontbinding is de OESO. Daarnaast is ook sprake van specifieke inspanningen op het gebied van voedselhulp.

In OESO-verband is afgesproken om per 1 januari 2002 de hulp aan de minst ontwikkelde landen (MOL's) te ontbinden. In de afgelopen jaren is in OESO-verband veel aandacht gegaan naar de implementatie van deze aanbeveling. Ontbinding is in de betreffende landen ingevoerd; in dit verband zijn wederzijdse ervaringen uitgewisseld. Het opzetten van een specifiek MOL-fonds voor infrastructuur door Nederland is hierbij als «best practice» aangeduid. In het verlengde van de aanbeveling om de hulp aan de MOL's te ontbinden heeft het OESO-secretariaat verkend op welke wijze deze aanbeveling uitgebreid zou kunnen worden, dus hoe verder ontbonden kan worden. Zo zouden bijvoorbeeld ook andere groepen ontwikkelingslanden (onder andere HIPC's) onder deze aanbeveling gebracht kunnen worden. Een andere mogelijkheid is om typen hulp die nu niet onder de aanbeveling voor de MOL's vallen, bijvoorbeeld voedselhulp, alsnog wel hieronder te brengen. Nederland heeft aangegeven verdere initiatieven op dit gebied actief te willen ondersteunen. Echter, als gevolg van de aarzelende houding van andere landen is tot nu toe weinig voortgang geboekt.

Inzake het ontbinden van voedselhulp richt de Nederlandse inzet zich op de EU, het voedselhulpverdrag en het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO. Ook bepleit Nederland een duidelijk gefundeerde stellingname terzake van het wereldvoedselprogramma en van de landbouw- en voedselorganisatie van de VN.

In de EU is een gezamenlijke positie bereikt over wat er aan het voedselhulpverdrag moet veranderen. Onderdeel daarvan is dat de EU een clausule wil opnemen die voorziet in verder ontbinden. De onderhandelingen over een nieuw voedselhulpverdrag staan op het punt te beginnen en daarover kan nog geen resultaat worden gemeld. In opdracht van de DAC is een studie uitgevoerd naar de effecten van binding van voeselhulp. De studie wijst ondermeer erop dat ontbinding van voedselhulp kan leiden tot substantiële besparingen. Met andere woorden: met hetzelfde geld kan – als het ongebonden wordt aangewend – een groter aantal hongerenden worden bereikt. Nederland spant zich met gelijkgezinden in om die boodschap uit te dragen. Het wereldvoedselprogramma en de landbouw- en voedselorganisatie van de VN schrikken er nog voor terug zich over deze materie duidelijk uit te spreken.

116

Aan welke concrete acties en activiteiten denkt u om grotere bekendheid te geven aan microfinanciering als ontwikkelingsinstrument? Zijn de activiteiten gericht op particulieren van een andere aard dan de activiteiten die gericht zijn op financiële instellingen?

Het Nederlands Platform Microfinanciering verenigt inmiddels vijftien instellingen die actief zijn op het gebied van microfinanciering. Het Platform zal het UN Year of Microcredit aangrijpen om op verschillende manieren aandacht te vragen voor de rol die microfinanciering kan spelen bij duurzame armoedebestrijding, en voor de rol die financiële instellingen daarbij kunnen spelen, inclusief de erbij gepaard gaande risico's, als voor de rol die particulieren kunnen spelen. Gedacht kan onder andere worden aan seminars en andere publieksevenementen om aandacht te vragen voor het onderwerp, aan gesprekken met banken over de mogelijkheden meer te doen op dit terrein, en aan campagnes van financiële instellingen als Triodos en Oikocredit om meer particuliere investeerders te interesseren om te beleggen in sociaal-ethische fondsen. Een gemeenschappelijke website zal de diverse activiteiten aan elkaar koppelen.

De activiteiten van het Platform starten met een openingsevenement in de Beurs van Berlage op 18 november a.s., wanneer wereldwijd het UN International Year of Microcredit wordt gelanceerd.

117

Op welke wijze zal de Nederlandse regering als bilaterale donor met betrekking tot het bedrijfslevenprogramma duidelijk toegevoegde waarde moeten hebben? Wat is de consequentie als dit niet het geval is?

Eén van de doelen van de «scan ondernemingsklimaat» die de ambassades uitvoeren is om na te gaan op welke wijze Nederland als bilaterale donor een toegevoegde waarde kan hebben op het thema ondernemingsklimaat. Bepalende factoren hierbij zijn de mate waarin het (lokale) bedrijfsleven de knelpunten in het ondernemingsklimaat als een serieuze hindernis in hun ontwikkeling ervaart, de bereidheid van de betrokken regering het geïdentificeerde knelpunt op te lossen, de bestaande programma's van andere donoren (zowel bi- als multilateraal), de eventuele mogelijkheden tot aansluiting bij de sectorkeuze, en de beschikbare expertise die ingezet kan worden om het lokale ondernemingsklimaat te helpen verbeteren. Indien na afweging van deze factoren blijkt dat de toegevoegde waarde van Nederland beperkt is, zal de consequentie zijn dat er geen intensivering van de Nederlandse betrokkenheid bij het thema ondernemingsklimaat plaats zal vinden. Naar verwachting zal dit in een beperkt aantal partnerlanden het geval zijn.

118

Bestaan alle middelen in het ORET/Miliev-fonds uit ODA-geld? Zo nee, hoe is de financiering van deze middelen verdeeld?

Ja. Alle middelen ten behoeve van schenkingen op projecten die kwalificeren onder het ORET/Miliev programma worden door middel van een (schenkings-)overeenkomst aangeboden aan de centrale overheid van het betrokken ontwikkelingsland. Dientengevolge worden zij als ODA geregistreerd. Ook de vergoeding die FMO/NIO als uitvoerder van het programma ontvangt kwalificeert als ODA.

119

Op welke wijze zullen publiek-private partnerships worden gemonitord en geëvalueerd aan de hand van ontwikkelingsrelevante criteria, zoals duurzaamheid? Op welke wijze zal worden gemonitord in hoeverre deze initiatieven daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de MDG's?

Resultaat gericht werken vind ik heel belangrijk. Daarom zie ik er op toe, zeker ook bij het aangaan van partnerships, dat op voorhand duidelijk is waarop de betrokken partijen afgerekend willen en zullen worden. Partnerships in het kader van OS moeten net als alle andere OS programma's bijdragen aan duurzame armoedebestrijding in het algemeen, en aan de MDG's in het bijzonder: daarop is de participatie van OS in het partnership gebaseerd. In de overeenkomst tussen alle partijen van een partnership worden dan ook afspraken gemaakt over de te behalen resultaten en de voor elk partnerschap in te stellen stuurgroep zal voor de monitoring van de voortgang zorg dragen. De jaarlijkse voortgangsrapporten zullen moeten aangeven in hoeverre de doelstellingen worden gehaald. De verantwoordelijke directies binnen het ministerie zullen hier op toezien en deelnemen aan het voortgangsoverleg. Uiteindelijk zullen de grotere programma's volgens de gangbare procedures extern geëvalueerd worden.

120

Kunt u een overzicht geven van de landen waarvoor bedrijven en organisaties via het ORET/Miliev-programma subsidies hebben gekregen en daarbij de betreffende bedragen vermelden? Kunt u werkgelegenheidscijfers koppelen aan de gefinancierde programma's?

Onderstaand treft u een overzicht van de uitbetalingen per land in 2003, evenals een overzicht van alle projecten waarop is betaald in datzelfde jaar.

Er wordt op individueel projectniveau niet ex ante gestuurd op het effect op de lokale werkgelegenheid. Op basis van eerder uitgevoerde evaluaties na projectuitvoering wordt uitgegaan van gemiddeld ruim 55 permanente en 120 tijdelijke arbeidsplaatsen per project. Aangenomen wordt dat er nog ongeveer 30% additionele indirecte arbeidsplaatsen worden gecreëerd. Dit levert voor 2003, met 20 nieuwe goedgekeurde projecten potentieel 1430 permanente en 3120 tijdelijke arbeidsplaatsen op. Voor de 57 projecten waarop in 2003 betalingen zijn verricht komt dit neer op ruim 4100 permanente en ruim 9100 tijdelijke arbeidsplaatsen in ontwikkelingslanden.

ORET subsidieert hoofdzakelijk projecten in de fysieke en sociale infrastructuur. De ontwikkelingswaarde kan dan ook beter gemeten worden in de bijdrage aan de economische groei, en niet zozeer in termen van werkgelegenheidscreatie. Waar bij iedere ORET-aanvraag dan ook ex ante zeer expliciet naar gekeken wordt is de economische kosten-baten analyse: als de economische interne rentevoet (Economic Internal Rate of Return) boven de gangbare rente (boven de 8–10%) ligt, dan kan een project de moeite waard zijn. Bij eenderde van de ORET-projecten ligt de EIRR tussen de 10–20%, bij nog eens eenderde deel tussen de 20–40% en bij een kleiner deel zelfs boven de 40%. De EIRR is niet voor alle projecten goed uit te rekenen: het is lastig voor bijv. medische projecten of boten voor de kustwacht. Daarom wordt dan ook bij de beoordeling breder gekeken dan de EIRR alleen.

Overzicht uitbetalingen ORET/MILIEV in 2003 (Totalen per land):

BangladeshEUR963 899,76 
ChinaEUR10 494 132,03 
CubaEUR1 506 642,65  
El SalvadorEUR638 889,28 
EritreaEUR706 172,00 
EthiopiëEUR17 168 720,96 
FilippijnenEUR512 156,00 
GhanaEUR12 250 463,75 
IndonesiëEUR2 376 500,00 
IndiaEUR403 927,48  
JamaicaEUR3 141 453,00 
JemenEUR2 828 699,15  
MaliEUR3 141 313,16 
OegandaEUR980 405,86  
Sri LankaEUR4 525 917,75  
SyriëEUR1 800 679,53 
TanzaniaEUR3 670 591,93 
VietnamEUR6 209 800,88 
ZambiaEUR1 348 965,61 

121

Hoe denkt u door middel van concrete acties het belang van microfinanciering voor een breder publiek uit te dragen? Aan welke specifieke acties wordt gedacht in relatie tot vrouwen in ontwikkelingslanden?

Microfinanciering is een betrekkelijk uniek en tegelijk vrij weinig bekend instrument, dat een waardevolle bijdrage kan leveren aan verschillende MDG's. De grote meerderheid van de cliënten van microfinancieringsinstellingen zijn vrouwen en de terugbetalingdiscipline is zeer hoog. De beschikbaarstelling van dit soort financiële diensten heeft dan ook de potentie van een permanent karakter, zonder blijvende afhankelijkheid van bijv. donorbijdragen en zonder angst bij financiële instellingen op grote verliesposten. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor particulieren om zelf ook te investeren in kleinschalige economische activiteiten, bijv. via sociaal-ethische fondsen.

Al met al leent het onderwerp zich dan ook voor een bredere bekendstelling onder het publiek. Binnen het Nederlands Platform Microfinanciering wordt gewerkt aan verschillende activiteiten om deze elementen goed over het voetlicht te brengen, teneinde meer mensen en organisaties activiteiten op dit terrein te laten ontplooien of ondersteunen. Hierbij zal ieder platformlid acties ontplooien vanuit zijn eigen perspectief en verantwoordelijkheid: banken en verzekeraars, medefinancieringsorganisaties, NGO's en de overheid.

Met betrekking tot specifieke acties in relatie tot vrouwen in ontwikkelingslanden kan worden opgemerkt dat vrouwen een bijzondere plaats innemen, omdat de begunstigden overwegend vrouwen zijn, de beste terugbetalers zijn en dat vrouwen microfinanciering gebruiken om te emanciperen. Het belang van microfinanciering voor vrouwen zal in acties worden meegenomen. Als voorbeelden van acties in Nederland kunnen gedacht worden aan seminars en andere publieksevenementen, artikelen en campagnes van financiële instellingen om particuliere investeerders te interesseren.

122

Kunt u, met het oog op de bijzondere aandacht voor microfinanciering, de Kamer informeren over uw visie op de rol van de private sector in het kader van duurzame ontwikkeling en de rol van financiële diensten voor armen in ontwikkelingslanden?

In het kort komt deze visie op het volgende neer:

Vooropgesteld dat microfinanciering niet altijd het antwoord is, biedt toegang tot financiële diensten armen een instrument ter bestrijding van armoede. Naast een toename van inkomsten en vermogen en een bufferfunctie ter opvang van externe negatieve invloeden, kan microfinanciering ook een gunstig effect hebben op bijvoorbeeld het (langer) naar school gaan van kinderen, op verbeteringen in de gezondheid van vrouwen en kinderen als ook op de «empowerment» van vrouwen.

Armen hebben behoefte aan een breed spectrum aan financiële diensten: het gaat niet alleen om krediet, maar ook om bijvoorbeeld sparen en verzekeren. Hiervoor zijn financiële instellingen nodig, die op enige termijn ook levensvatbaar zijn. Van belang voor de continuïteit is toegang tot lokale besparingen.

Uitbreiding van de toegang tot financiële diensten voor armen dient plaats te vinden in een context van integratie van de informele financiële sector in de formele financiële sector. Dit vereist een goede rolverdeling tussen publieke en private sector, waarbij de overheid primair verantwoordelijk is voor het voorwaardenscheppend beleid en de private sector de financiële dienstverlening zelf verzorgt.

Voor donorbijdragen geldt, dat deze complementair zijn en dus niet dienen te concurreren met privaat kapitaal. Een grotere toegang tot financiële diensten voor onder meer de armen dient in toenemende mate hand in hand te gaan met inzet van financieringsmiddelen afkomstig van lokale kapitaalmarkten. Private bijdragen vanuit bijvoorbeeld Nederland dienen daarbij complementair, met oog voor risicodeling, en ondersteunend te zijn aan duurzame ontwikkeling. Dit laatste geldt ook voor (al dan niet met overheidssteun ontwikkelde) financiële diensten die private partijen vanuit Nederland aanbieden.

Bij de overdracht van kennis en opbouw van capaciteit kunnen zowel private partijen als donoren een ondersteunende rol spelen.

123

Zijn er in het kader van het door de VN uitgeroepen International Year for Microcredit plannen effectieve donorcoördinatie te realiseren? Zo ja, kunt u de Kamer daarover informeren?

Binnen Nederland vervult het vorig jaar opgerichte Nederlandse Platform Microfinanciering ondermeer een coördinatiefunctie. Dit heeft al geleid tot bijv. uitwisseling van gegevens over elkaar's portefeuilles en een gezamenlijke impact studie in Mozambique, die binnenkort wordt afgerond. Ook is besloten dat het Platform het voortouw neemt bij het verder in kaart brengen van de sociale dimensie verbonden aan microfinanciering voor de bij het Platform aangesloten instellingen. In het kader van het International Year of Microcredit heeft het Platform het voortouw bij de organisatie van bijv. het openingsevenement in Nederland op 18 november aanstaande.

In internationaal verband vindt donorcoördinatie plaats via de Consultative Group to Assist the Poorest (CGAP), een consortium waarin ongeveer 30 donorinstellingen zijn vertegenwoordigd. Dit heeft in het kader van het International Year of Microcredit reeds geleid tot de door donoren onderschreven «11 Key Principles of Microfinance». Daarnaast zullen de donoren naar verwachting voor het eind van dit jaar overeenstemming bereiken over nieuwe «Donor guidelines on good practice in microfinance towards building inclusive financial systems».

Op korte termijn zal ik de Tweede Kamer nader schriftelijk informeren over door in Nederland gevestigde instellingen ontplooide activiteiten op het gebied van microfinanciering en plannen voor 2005 inzake het International Year of Microcredit.

124

Worden medefinancieringsorganisaties (MFO's) in het kader van microfinancieringen afgerekend op bereikte ontwikkelingsresultaten? Zo ja, tot welke acties richting MFO's heeft dit tot heden geleid? Zo nee, bent u voornemens om dit alsnog te doen? Bent u voornemens na te denken over resultaatgeoriënteerde financiering?

In de jaarverslagen van MFO's wordt gerapporteerd over activiteiten op het gebied van microfinanciering en deze vormen mede onderwerp van de dialoog tijdens de beleidsgesprekken tussen de MFO's en het ministerie. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de MFO's niet worden beoordeeld op basis van resultaten van individuele programma's. Daarentegen is het bedrijfsplan en de mate waarin zij de daarin gestelde resultaten behalen bepalend. Deze resultaten zijn vaak geformuleerd op het niveau van de MFO (beleidsformulering) of op niveau van de partnerorganisatie (bijvoorbeeld capaciteitsversterking van partnerorganisaties).

Met betrekking tot de beleidsformulering zijn de volgende twee kanttekeningen van belang. De oprichting van het Nederlands Platform Microfinanciering in 2003 op initiatief van de Nederlandse regering en MFO's betekende een volgende stap ter verkrijging van een beter inzicht in het totale Nederlandse aanbod op het terrein van microfinanciering alsmede de bevordering van betere onderlinge afstemming en verdere samenwerking.

Microfinanciering stelt bijzondere eisen aan voldoende aanwezige expertise, die zich vertaalt in een niche in de markt en een zekere focus (in de vorm van doelgroepen, geografische regio, de financieringsproducten en de vorming van samenwerkingsverbanden). De noodzaak van verdere professionalisering, het belang van de ontwikkeling van lokale financiële markten en de toenemende rol van commerciële financiële instellingen stelt verdere eisen aan o.a. de MFO's aangaande hun toekomstige positionering t.a.v. microfinanciering. In de achterliggende periode hebben met name maatschappelijke organisaties, waaronder de MFO's, een nuttige rol gespeeld bij de ontwikkeling van microfinanciering. Indien maatschappelijke organisaties, waaronder de MFO's ook in de toekomst een rol van betekenis willen blijven spelen op dit terrein, dan zullen zij zich moeten onderscheiden en de specifieke meerwaarde blijven aantonen, waarbij de relatie tot het (lokale) bedrijfsleven en de bancaire instellingen essentieel is. Deze meerwaarde uit zich ook in een resultaatgeoriënteerde financiering. Ik onderschrijf het belang van een dialoog hierover.

125

Op welke wijze wordt de verwachting van de Nederlandse regering ten aanzien van VN-organisaties en internationale financiëleinstellingen omgezet, opdat de verwachting niet blijft steken in «ijdele hoop» ,maar een wezenlijke bijdrage levert aan de Nederlandse beleidsdoelen?

Voor de inzet van de regering om verwachtingen ten aanzien van de multilaterale OS-instellingen in werkelijkheid om te zetten, wil ik verwijzen naar de antwoorden op de vragen 104 en 107. In het bijzonder zij nogmaals de nota over multilaterale instellingen vermeld die de Tweede Kamer nog dit najaar zal toegaan en waarin deze problematiek in detail aan de orde komt.

126

Kunt u uitgebreider ingaan op de criteria die gesteld zullen worden bij de nieuwe uitvoeringsovereenkomst ORET in 2005?

Bij het herzien van criteria met betrekking tot de nieuwe uitvoeringsovereenkomst t.b.v het ORET programma is er een onderscheid tussen enerzijds strikte programma gebonden uitvoeringscriteria en anderzijds institutionele/management criteria.

In de afgelopen periode, sinds de mandatering van de uitvoering van de regeling aan FMO/NIO in 2002, is er voor wat betreft de uitvoeringscriteria het een en ander gebeurd. Er is begin 2004 een werkgroep ingesteld met vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, met het doel een bijdrage te leveren aan het vereenvoudigen van procedures en regels van het Nederlands exportinstrumentarium. Daarnaast is een groot aantal evaluaties uitgevoerd en zijn nog een aantal evaluaties lopend op projecten en regio. Hierbij hebben zowel interne als externe deskundigen een rol gespeeld.

De voornaamste bevindingen van deze activiteiten zijn recentelijk verwerkt in de nieuwe ORET regeling, die op korte termijn zal worden gepubliceerd in de Staatscourant. Uitvoeringscriteria zijn aangescherpt en bijvoorbeeld voor componenten als financieringskosten, technische assistentie en de eisen aan het Nederlandse versus buitenlands bestanddeel van de transacties is tegemoet gekomen aan de wensen van zowel het bedrijfsleven als de ontvangende ontwikkelingslanden. Verder is een ontbonden variant van het ORET programma voor de minst ontwikkelde landen toegevoegd, met daaraan aangepaste uitvoeringscriteria.

Wanneer in 2005 de huidige overeenkomst met FMO/NIO wordt herzien zal rekening gehouden worden met deze nieuwe regeling. Daarnaast zullen verdere afspraken gemaakt worden om de uitvoering van de regeling klantgerichter en effectiever te maken.

Hierbij kan gedacht worden aan zaken als: verbetering van de informatievoorziening, onder meer door herziening van het aanvraagformulier; intensivering van de contacten met de eindgebruiker in de ontwikkelingslanden, zowel voor, tijdens als na de transactie; betere aansluiting van ORET op EVD's PESP enerzijds en de exportkredietverzekerings-mogelijkheden van Atradius anderzijds.

127

Hoe is het stimuleren van de rol van het bedrijfsleven, hetzij via ORET/MILIEV en PSOM hetzij via publiek-private partnershipprogramma's, te rijmen met het streven naar sector-beleid en begrotingssteun?

Het stimuleren van de private sector en publiek-private samenwerking laat zich moeilijk vatten als een aparte sector. Private en publiek-private investeringen komen immers in alle economische sectoren voor. Daarom is er voor gekozen het verbeteren van het ondernemingsklimaat in de partnerlanden en het versterken van hun concurrentievermogen als een transversaal (dwarsdoorsnijdend) thema aan te merken. Transversale thema's komen in aanvulling op de begrotings- en sectorsteun. De doelstelling van programma's als ORET, PSOM en Publiek-private partnerschapsprogramma's is om bij te dragen aan het verminderen van de armoede in de ontwikkelingslanden en past dus geheel binnen de beleidsdoelstelling van meer welvaart en minder armoede. Bij zowel ORET als PSOM vervullen de ontvangende landen een actieve rol bij het bepalen van de prioriteiten: bij ORET krijgt de overheid een schenking van 35% aangeboden voor een investering die zij wil plegen en waarvoor zij een verzoek indient. Bij PSOM wordt voor aanvang van het programma in een specifiek land expliciet aan de overheid gevraagd op welke voorkeurssectoren en/of regio's het programma zich zal gaan richten. Deze afspraken worden bekrachtigd in een bilateraal Memorandum of Understanding.

128

De sectorbenadering gaat er vanuit dat prioriteiten van ontwikkelingslanden als leidraad dienen voor de geboden steun. Hoe zal worden voorkomen dat de toenemende rol van het bedrijfsleven zal leiden tot een aanbodgestuurde hulp?

In de bilaterale OS-programma's kan het (internationale) bedrijfsleven op verschillende wijzen een rol spelen: bij de versterking van de lokale private sector, of als uitvoerend kanaal binnen sectorale programma's.

Verbetering van het lokale ondernemingsklimaat wordt beschouwd als transversaal thema (zie ook vraag 127). In de specifieke context van het land wordt bezien hoe een bijdrage kan worden geleverd aan kennis- en capaciteitsopbouw van de lokale private sector en het creëren van gunstige randvoorwaarden (financiële sector, wet- en regelgeving, etc). Partnerschappen met Nederlandse bedrijven of kennisinstellingen kunnen soms toegevoegde waarde bieden in de vorm van specifieke kennis en ervaring. Daarbij blijven de prioriteiten van het ontvangende land – de lokale private sector en overheid – de leidraad.

Wat betreft de sociale sectoren geldt dat de publieke sector dikwijls – op terreinen als gezondheid, water en milieu – niet de enige actor is en slechts voor een deel van de dienstverlening instaat. Ook kunnen bedrijven een rol spelen in maatschappelijke kwesties als de strijd tegen HIV/AIDS. Om die reden wordt ook binnen het sectorbeleid gestreefd naar meer participatie van het lokale en soms internationale bedrijfsleven, in de beleidsdialoog en de uitvoering van sectorale programma's. De rol van het bedrijfsleven krijgt echter gestalte binnen de door overheid, donoren en maatschappelijke actoren afgesproken kaders.

129

Welke resultaten heeft het Nederlandse Assistent-Deskundigenprogramma voor onderscheiden Afrikaanse landen opgeleverd? Kunt u de kamer een resultatenoverzicht sturen?

Het hoofddoel van het Nederlandse Assistant-Deskundigenprogramma (AD programma) is recent afgestudeerden de mogelijkheid te geven ervaring op te doen op het gebied van internationale samenwerking. Daarnaast profiteren de partnerorganisaties van de inzet van gekwalificeerd personeel. In het AD programma worden assistent-deskundigen ingezet in programma's en projecten bij VN organisaties en internationale landbouwkundige onderzoeksinstellingen die geselecteerd zijn omdat hun activiteiten binnen het Nederlands OS beleid passen en Nederland een intensieve samenwerking met hen nastreeft. Er wordt daarom impliciet vanuit gegaan dat de resultaten van de specifieke programma's en projecten van deze organisaties, waar Nederland assistent-deskundigen posities financiert, ook die in Afrika, van goede kwaliteit zijn. Deze programma's en organisaties worden derhalve niet separaat vanuit het AD Programma gevolgd. Het AD programma wordt wel meegenomen in de algemene beleidsdialoog met deze organisaties.

Vanaf 2004 zijn in verband met de focus van het Nederlandse OS-beleid op Afrika vooral posities in Afrika toegekend. Terwijl in 2003 zich nog maar 15 van de 36 nieuwe posities in Afrika bevonden, waren dat er voor 2004, 31 van de 40.

Nederland reserveert een deel van de assistent-deskundigen posities voor kandidaten uit ontwikkelingslanden. Er zijn daarom ook door Nederland gefinancierde posities die door Afrikanen vervuld worden. De selectie van kandidaten uit ontwikkelingslanden (net zoals de selectie van kandidaten uit Nederland) is geheel de verantwoordelijkheid van de desbetreffende organisaties. Nederland stelt daarbij niet de eis dat voorrang aan Afrikanen gegeven wordt.

Een evaluatie van het AD programma is overigens in voorbereiding.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van in 2003 en 2004 toegekende posities in Afrika die door Nederland binnen het nieuwe AD programma gefinancierd worden.

Land20032004Totaal 2003 en 2004
Angola11
Benin112
Burkina Faso112
Centraal Afrikaanse Republiek11
Congo22
Eritrea11
Ethiopië22
Ghana112
Guinée-Bissao11
Kameroen22
Kenya156
Mali11
Mozambique11
Niger11
Nigeria235
Senegal22
Tanzania224
Tsjaad11
Uganda22
Zambia22
Zimbabwe112
Zuid-Afrika123
    
Posities in Afrika153146
Totaal aantal posities364076

130

Worden voor operationele doelstelling 5 ook ODA-middelen ingezet? Zo ja, hoeveel?

Nee.

131

Kunt u de Kamer de landenlijst met «sterren» doen toekomen waarover in doelstelling 5 gesproken wordt?

De lijst met de landenindeling naar «sterren» is opgenomen in de bijlage. Deze lijst is opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken.

132 en 133

Kunt u een uitsplitsing maken in de tabel van beleidsartikel 4 (Meer welvaart, minder armoede) van de voorgenomen uitgaven naar bedrijfslevenprogramma, FMO, PSOM?

Kunt u het bedrag van 332 921 000 euro dat voor 2005 geboekt staat voor het versterken van het ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden uitsplitsten naar instrumenten en naar landen waarop het beleid is gericht?

De onderverdeling van het bedrag voor 2005 voor subartikel 4.3 naar programma's en instrumenten is als volgt:

Programma/activiteit In duizenden EUR
ORET94 144
PSOM21 405
Specifieke activiteiten op gebied Economische Ontwikkeling (bijv. versterking internationale handelscapaciteit ontwikkelingslanden)57 196
Bijdrage aan IFC10 700
TMF-activiteiten op economisch gebied16 823
PUM7 753
FMO (NIMF, MOL-fonds, speciale programma's als Kleinbedrijffonds en middelenvoorziening)109 564
POPM0
CBI15 336
Totaal332 921

De meeste programma's en instrumenten die onder sub-artikel 4.3 vallen staan open voor aanvragen uit meerdere landen (doorgaans partnerlanden). Het is niet mogelijk om op voorhand een uitsplitsing te maken naar de landen waar het beleid op is gericht; dit zal afhangen van de aanvragen in het betreffende jaar.

135

Welke invulling krijgt de specifieke aandacht voor kinderen op het snijvlak onderwijs en oorlog en vrede?

Om de Education for All doelstellingen en de MDG's op het gebied van onderwijs te behalen is het noodzakelijk specifieke aandacht te bieden aan de meest gemarginaliseerde groepen. Hier vallen ook kinderen in oorlogssituaties en/of post conflictsituaties onder. In deze gevallen is het vaak niet voldoende of mogelijk onderwijsplannen van overheden financieel te ondersteunen om deze groepen daadwerkelijk te bereiken. Vaak zijn er nog geen onderwijsplannen en veelal is de overheid niet in staat onderwijs aan te bieden. Voor die (post)conflict landen die nog geen onderwijsplan hebben opgesteld is het mogelijk om vanaf 2005 een beroep te doen op een FTI faciliteit dat beschikbaar komt om landen te ondersteunen in het opstellen van onderwijsplannen. Hier is Nederland nauw bij betrokken. In 2005 zal tevens een inventarisatie worden gemaakt in overleg met MFO's en NGO's van mogelijkheden tot ondersteuning van onderwijsactiviteiten in (post)conflict landen via het multilaterale (UNHCR, UNICEF) en particuliere kanaal.

Daarnaast zal Nederland zich tijdens het EU Voorzitterschap inzetten om de «EU Guidelines on Children and Armed Conflict» te implementeren. Gestreefd wordt naar een integrale aanpak van de problematiek waarmee door gewapend conflict getroffen kinderen te kampen hebben, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan preventie, noodopvang, nazorg op korte en langere termijn (waaronder bijvoobeeld gezondheidszorg en onderwijs). Specifiek overweegt Nederland zich in diverse landen te richten op het ondersteunen van het opzetten van onderwijs, waaronder ook lager beroepsonderwijs voor kinderen die door gewapend conflict zijn getroffen, een belangrijk element in de fase «nazorg op langere termijn». Samen met UNICEF is een project uitgewerkt dat goed op deze behoefte zou aansluiten. Het project beoogt onder meer centra voor beroepsopleiding in een twaalftal IDP-kampen in Noord-Oeganda op te zetten, waardoor gedurende de komende twee jaar in totaal 20 000 kinderen (ex-kindsoldaten, slachtoffers van seksueel geweld, ontheemden) de noodzakelijke vaardigheden zouden kunnen verwerven om een eigen bestaan op te bouwen. Nederland draagt met de humanitaire hulp bijdragen ook bij aan de «Back to School» campagnes van UNICEF, ondermeer in Afghanistan, Angola en Liberia.

136

De motie-De Graaf c.s. (28 600 V, nr. 37) vraagt de Nederlandse regering een duurzaam inkoopbeleid te gaan voeren dat is gebaseerd op internationaal erkende milieunormen en de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie. Op welke wijze is in 2004 aan dit beleid vorm gegeven? Welke nieuwe maatregelen zijn getroffen sinds deze motie door de Kamer is aangenomen? Is het waar dat het Ministerie van Defensie nog altijd geen begin heeft gemaakt met het in deze motie gevraagde proefproject voor het duurzaam inkopen van dienstkleding en uniformen? Zo nee, welke maatregelen zijn dan getroffen in het kader van dit proefproject? Worden bij de inkoop van dienstkleding door het Ministerie van Defensie inmiddels de normen zoals verwoord in relevante ILO-conventies standaard in het programma van eisen opgenomen? Zo nee, waarom niet? Is de regering bereid de Kamer een stappenplan voor de uitvoering van de motie-De Graaf c.s., en in het bijzonder over de vormgeving van het proefproject bij het Ministerie van Defensie, te sturen? Is de regering bereid voor de uitvoering van deze motie in overleg te treden met organisaties als de Schone Kleren Campagne en de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen? Zo nee, waarom niet? Waarom heeft het Ministerie van Economische Zaken nog geen plan van aanpak voor een verantwoord inkoopbeleid ontwikkeld? Hoe verhoudt dit gegeven zich tot de motie-De Graaf c.s.? Wilt u deze vragen namens de gehele regering beantwoorden en niet doorverwijzen naar andere betrokken ministeries?

Graag verwijs ik u voor het antwoord op de gehele vraag naar het antwoord van de heer Van Geel, staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 juli jl. (vergaderjaar 2003–2004, nr. 2119) op vragen van het lid Van Velzen (SP). In dit antwoord gaat de staatssecretaris in op het beleid ten aanzien van duurzaam inkopen. De staatssecretaris van VROM geeft aan dat hij in het kader van het actieprogramma duurzame ontwikkeling (ADO) de Kamer nog in 2004 zal informeren over de stand van duurzaam inkopen bij ministeries en andere overheden.

137

Hoe brengt u het streven in het bijzonder de ontwikkeling van vrouwen (en kinderen) te bevorderen, de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen en de zeggenschap van vrouwen te vergroten, in overeenstemming met het streven naar het versterken van de eigen culturele identiteit van ontwikkelingslanden?

Al onze partnerlanden hebben de «Convention on the Elimination of all Forms of Discrimination against Women» (1979) getekend. Daarmee hebben zij feitelijk zelf bevestigd dat het streven naar gelijkheid van mannen en vrouwen en het bestrijden van discriminatie en geweld tegen vrouwen de eigen culturele identiteit van ontwikkelingslanden niet in de weg staat. Dit geldt ook voor de afspraken zoals bijvoorbeeld in 1994 in Cairo werden gemaakt tijdens de International Conference on Population and Development, de overeengekomen actiepunten van de Wereldvrouwenconferentie die in 1995 in Beijing werd gehouden en de Millennium Development Goals. Het streven naar gelijke rechten van mannen en vrouwen vormt essentieel onderdeel van deze afspraken. Landen kunnen derhalve, op basis van de verplichtingen die zij in internationaal verband zelf zijn aangegaan, worden aangesproken op hun beleid en resultaten daarvan.

138

Welke acht landen zijn aan het Fast Track Initiative (FTI) toegevoegd? Welke drie landen worden via het Catalytic Fund in 2005 gefinancierd?

De goedkeuring van onderwijsplannen vindt plaats op landenniveau door de donoren die in het betreffende land actief zijn. Dit betekent dat nog niet exact bekend is welke landen in 2005 toegevoegd zullen worden, maar er zijn wel een aantal potentiële kandidaten te noemen: Benin, Ghana, Eritrea, Cambodja, Kameroen, Kenia, Lesotho, Mali, Rwanda, Tajikistan, Senegal, Ethiopië, Nigeria, Tanzania, Uganda, Zambia.

Welke van deze landen in aanmerking zullen komen voor financiering uit het Catalytic fonds is nu nog niet te zeggen, omdat er eerst gekeken zal worden of de reeds in het betreffende land aanwezige donoren voldoende fondsen beschikbaar kunnen stellen. Van de hierboven genoemde landen zijn in Benin, Kenia, Lesotho, Tajikistan weinig donoren actief en die zouden daarom mogelijkerwijs voor financiering vanuit het catalytic fonds in aanmerking kunnen komen.

139

Welke drie ambassades zullen door beleidsdialoog aandacht vragen voor het stimuleren van nationale en sectorale strategieën inzake kennis en onderzoek ten behoeve van ontwikkeling?

Voor welke 15 ambassades geldt dit in 2007?

Inmiddels wordt met negen posten het gesprek gestart over de agendering van kennis en onderzoek in de beleidsdialoog. Het betreft La Paz, Pretoria, Lusaka, Accra, Cotonou, Dar es Salaam, Hanoi, Islamabad en Dhaka. Het getal drie is dus een voorzichtige schatting gebleken.

Op dit moment is nog niet te zeggen voor welke ambassades in 2007 het voornemen geldt. Aan de hand van de ervaring met de genoemde posten en de resultaten van de meerjaren strategische planning op de posten zal in 2005 een vervolgplanning worden gemaakt. Het streven nu is te komen tot minimaal 15 posten in 2007.

140

Welke internationale onderwijs- en uitwisselingsprogramma's zijn nieuw in de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?

In 2002 zijn drie nieuwe internationale onderwijsprogramma's ten behoeve van ontwikkelingslanden gestart: het programma voor institutionele versterking van onderwijs- en trainingscapaciteit NPT en twee beurzenprogramma's: NFP-AP voor graadverlenende opleidingen en NFP-TP voor korte opleidingen en op maat gemaakte trainingen.

In 2005 zullen deze programma's alle geheel operationeel zijn. In de jaren 2002–2004 werden deze programma's gefinancierd uit de gelden die geleidelijk vrijkwamen uit de afbouw van zeven oude internationaal onderwijsprogramma's. Deze afbouw zal in 2005 voltooid zijn.

Gelet op het belang dat ook jongeren inzicht krijgen in armoedevraagstukken en de keuzes die gemaakt kunnen worden, is in de begroting voorts een aparte post opgenomen om jongeren meer bij de ontwikkelingsproblematiek te betrekken. Gekozen is voor de instrumenten stage en uitwisseling, daar dat bij uitstek instrumenten zijn om jongeren te mobiliseren.

Het programma is in ontwikkeling en zal begin 2005 operationeel zijn.

141

Is het waar dat alleen al de kosten voor een eerste visumaanvraag voor niet-EU-studenten in de afgelopen jaren met meer dan 765% (van 56 euro naar 430 euro) zijn gestegen?

Is het waar dat deze visum-en legeskosten volledig worden vergoed in de Netherlands Fellowships Programmes (NFP)?

Is het waar dat bij een gelijkblijvend budget voor NFP minder beurzen verstrekt kunnen worden aan studenten (en mid-career professionals) uit ontwikkelingslanden?

De leges ter verkrijging van een verblijfsvergunning voor niet EU-studenten zijn in de afgelopen jaren sterk gestegen.

Het is juist dat de visum-en legeskosten volledig worden vergoed via de Netherlands Fellowship Programmes (NFP).

De omvang van een beurs wordt bepaald door de tuition fee, de internationale reiskosten, toelagen voor het levensonderhoud, de ziektekostenverzekering en kosten voor het visum en de verblijfsvergunning. Al deze kosten zijn in de afgelopen jaren gestegen waardoor per saldo bij gelijkblijvend budget minder beurzen kunnen worden verstrekt voor mid-career professionals uit de 57 NFP-landen (zie ook antwoord vraag 142).

142

Kunt u aangeven wat het budget voor de NFP in 2005 is? Kunt u een kwantitatief overzicht geven van de omvang van het NFP-budget sinds 1995, de omvang van de gemiddelde beurs en het aantal studenten dat in die periode aan een beurs is geholpen?

Is het waar dat de omvang van het NFP-budget al jaren op hetzelfde niveau ligt, terwijl de omvang van de gemiddelde NFP-beurs is gestegen, waardoor er steeds minder studenten kunnen komen studeren?

Het budget voor het NFP bedraagt in 2005 € 24,9 miljoen. Het structurele NFP-budget in de periode 1995–2004 bedroeg € 24,9 miljoen (f 55 miljoen) per jaar. Wel werden incidenteel in beperkte mate extra middelen ter beschikking gesteld: € 1 miljoen in 2003 en € 1,5 miljoen in 2004.

Binnen de beurzenprogramma's worden beurzen toegekend voor opleidingen van zeer uiteenlopende aard, lengte en kosten. Bovendien waren er in 1995 vier beurzenprogramma's die in 2002 zijn vervangen door twee nieuwe beurzenprogramma's.

Door bovengenoemde factoren zeggen gemiddelden of totalen niet veel. Wel kan een indicatie gegeven worden van de ontwikkeling van het aantal verleende beurzen.

In 1996 zijn ongeveer 1600 beurzen verleend. In 2003 zijn circa 1300 beurzen verleend.

De omvang van een beurs wordt bepaald door de tuition fee, de internationale reiskosten, toelagen voor het levensonderhoud, de ziektekostenverzekering en kosten voor het visum en de verblijfsvergunning. Al deze kosten zijn in de afgelopen jaren gestegen waardoor per saldo bij gelijkblijvend budget minder beurzen kunnen worden verstrekt voor mid-career professionals uit de 57 NFP-landen.

De vraag of het juist is dat het budget voor de beurzenprogramma's al lange tijd op het zelfde niveau ligt terwijl de kosten van de beurzen zijn gestegen kan derhalve bevestigend worden beantwoord en dat blijkt ook uit bovengenoemde cijfers.

143

Neemt u de aanbeveling van het Innovatieplatform over om één document, één loket en één procedure voor kenniswerkers in te stellen ? Wat is de reden dat de eerste actielijn van het advies van dit platform, namelijk om kennismigranten van andere vreemdelingen te scheiden door het weglaten van studenten, stagiairs en gastdocenten niet is gerealiseerd?

De aanbeveling van het innovatieplatform om één document, één loket en één procedure voor alle kenniswerkers in te stellen is overgenomen door het ministerie vanJustitie. Ook heeft dit ministerie een scheiding gerealiseerd tussen kennismigranten en studenten en stagiairs enz.

144

Wordt het instrument van actieve themavoering ook ingezet op het snijvlak van onderwijs en vrede?

Bij het thema onderwijs is sedert lange tijd sprake van decentrale beleidsuitvoering in bilaterale sectorale programma's. Het interne managementinstrument van actieve themavoering ligt daarom niet voor de hand.

Daarbij komt dat de bilaterale onderwijsprogramma's uitgevoerd worden in partnerlanden waar vredesvraagstukken in mindere mate aan de orde zijn.

145

Waarom gaan ambassades wel expliciet een dialoog aan met overheden om een visie op kennis en innovatie te integreren in de PRSP, terwijl een dialoog met overheden over de integratie van de Rechten van het Kind in de PRSP, bijvoorbeeld over kinderarbeid, genitale verminking en kinderarbeid, grotere obstakels oplevert? Waar zit voor u het verschil?

Kennis kan gezien worden als een dwarsdoorsnijdend thema dat een rol speelt in alle sectoren en aandachtsvelden voor ontwikkeling. Het wint geleidelijk aan belang door globalisering en kennisintensivering van economie en samenleving. Door de World Summit on the Information Society (WSIS) in 2003 heeft dialoog over het beleid inzake kennis een extra impuls gekregen. Een reden om een dialoog over kennis en innovatie aan te gaan houdt verband met ontwikkelingen die zich op het terrein van informatie- en communicatietechnologie in de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Daarbij gaat veel aandacht uit naar de benodigde infrastructuur, waarbij de technische input vanuit het Noorden niet weg te denken is. Voor Nederland is belangrijk dat de wijze waarop aan kennis aandacht wordt geschonken in het kader van sectorbeleid en algemeen armoedebestrijdingsbeleid goed is afgewogen tegen andere prioriteiten binnen die beleidskaders. Om te voorkomen dat beleidsinitiatieven inzake kennis een vrijwel uitsluitend door donoren worden bepaald en een technisch karakter zouden krijgen, is het nl. zaak aan overheden van ontvangende landen de vraag voor te leggen wat hun visie op kennis, innovatie en het gebruik van technologie is, en hoe deze past in de eigen ontwikkelingsplannen zoals onder andere neergelegd in de PRSP. De Nederlandse inzet in de beleidsdialoog is dus die van een vinger aan de pols.

De dialoog over integratie van de rechten van het Kind in de PRSP krijgt veel substantiëler aandacht. Bij onze eigen beoordeling van PRSP's en de uitvoering daarvan wordt nadrukkelijk gekeken naar de positie van kwetsbare groepen, waaronder ook kinderen. Kader hiervoor vormt de Conventie inzake de Rechten van het Kind. In de dialoog, die samen met andere donoren en organisaties wordt gevoerd, biedt Nederland ondersteuning waar mogelijk en relevant door ruimte te bieden of te maken om over de positie van kinderen te spreken. Dit geldt overigens ook voor naleving van rechten in meer algemene zin. Inzake kinderen ligt het initiatief ondermeer bij UNICEF. Ook los van de lokale dialoog rond PRSP's en sectorbeleid ondersteunt Nederland de oproepen tot implementatie en naleving van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind in verklaringen en resoluties, zoals door de jaarlijkse Mensenrechtencommissie in Geneve en de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York worden aangenomen. Voorts ondersteunt Nederland via multilaterale organisaties, op kinderen gerichte NGO's en medefinancieringsorganisaties de naleving van internationale afspraken en verdragen. Naast lobby, beleidsdialoog en ontwikkelingsactiviteiten voeren deze organisaties ook onderzoek uit, geven zij voorlichting aan betrokkenen en steun aan slachtoffers. Daarnaast wordt door diverse (door Nederland ondersteunde) internationale organisaties (in VN-verband en particulier) intensief lobby-werk verricht om het bewustzijn van regeringen en burgers ten aanzien van de verplichtingen van de betreffende verdragsteksten te vergroten.

146

Welke garanties heeft u dat inspanningen van de Nederlandse regering zowel voor wat betreft het buitenlandbeleid in brede zin als in het kader van ontwikkelingssamenwerking «consequent» ten goede komen van zowel mannen als vrouwen? Op welke wijze gaat u dit meten?

Leidraad voor integratie van emancipatiedoelstellingen zijn de door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgestelde vijf randvoorwaarden. Commitment bij de top. Dit is aanwezig.

Een emancipatie beleid met duidelijke doelstellingen. In de memorie van toelichting staat gelijkheid tussen vrouwen en mannen als expliciete doelstelling.

Het vastleggen van verantwoordelijkheid. Aandacht voor ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en uitsluitingsmechanismen moet structureel en systematisch onderdeel vormen van de werkzaamheden van elke medewerker, gezien het belang van deze thematiek voor succesvolle en duurzame ontwikkelingsinterventies.

Beschikbaarheid van genderdeskundigheid. Naast een kleine afdeling op het departement, werken in 20 partnerlanden themadeskundige en focal points op de ambassade die adviseren over de manier waarop gelijkheid tussen vrouwen en mannen kan worden bevorderd.

Beschikbaarheid van middelen en instrumenten. Er zijn specifieke middelen beschikbaar voor het bevorderen van emancipatie van vrouwen («empowerment»), zoals het «track record», het PRSP appreciatiekader, gender impact assesments en sector waarderingen.

Het meten van de implementatie van beleid geschiedt door gendergelijkheid te integreren in de verschillende bestaande monitoringsystemen, bijvoorbeeld in de sectorwaarderingen en de appreciatiekaders.

147

Kunt u aangeven wie verantwoordelijk is voor de verankering en integratie van «gender» binnen multilaterale organisaties? Aan welk «versneld tempo» (lees: termijn) denkt u hierbij?

Eerste verantwoordelijkheid voor integratie van «gender» binnen de multilaterale organisaties ligt natuurlijk bij multilaterale organisaties zelf. Als lid en donor spreek ik de multilaterale organisaties systematisch aan op de kwaliteit van hun inspanningen. Aandacht voor de ongelijkheid van mannen en vrouwen en maatschappelijke en sociale uitsluitingsmechanismen komen daarbij integraal aan de orde. Sinds vorig jaar wordt meer nog dan tevoren het genderbeleid van de multilaterale organisaties waaraan Nederland steun biedt, onder de loep genomen. UNDP en UNHCR zijn inmiddels in versneld tempo bezig met de uitwerking en implementatie van hun genderbeleid. UNFPA en Wereld Bank hebben reeds een duidelijker genderbeleid, dat ook al wordt uitgevoerd.

De inhaalslag zal dit jaar al zijn beslag krijgen in de vorm van een analyse van knelpunten voor de mainstreaming van gender binnen voornoemde organisaties en het ontwikkelen van indicatoren om vooruitgang op dit gebied te meten. Concrete resultaten in de vorm van meer programma's en activiteiten waarin rekening is gehouden met de effecten voor vrouwen zijn in de loop van 2005–2006 te verwachten. In alle gevallen zal Nederland de aandacht niet beperken tot beleidsvoornemens op het niveau van de hoofdkantoren, maar ook en juist op landenniveau, daar waar de uitvoering plaatsvindt, de resultaten volgen.

148

Kunt u de strategie voor de integratie van «gender» per post specificeren?

Om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op verschillende terreinen op te heffen en uitsluiting en discriminatie van vrouwen tegen te gaan, wordt een tweesporenstrategie uitgevoerd: gender mainstreaming en emancipatie («empowerment») van vrouwen. Voor gender mainstreaming wordt gebruik gemaakt van zowel diplomatie (via bi- en multilaterale onderhandelingen o.a. over gender mainstreaming binnen PRSP's) als financiering. De financiering kan direct (activiteiten specifiek gericht op empowerement van vrouwen, b.v. ondersteuning van vrouwenorganisaties en -netwerken) of indirect plaatsvinden (b.v. bedrag oormerken of benchmarken voor opheffing genderongelijkheid in bepaalde sector, bijvoorbeeld met als doel meer meisjes naar school laten gaan).

Een tweede strategie die gevolgd wordt, is het benadrukken van het belang van uitvoering van de actieplannen van de diverse VN-wereldconferenties die met name van belang zijn voor vrouwen: mensenrechten (Wenen), bevolkingsproblematiek (Cairo), gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen (Beijing). Deze lijn wordt ook voortgezet bij het behalen van de MDG's, waarbij wordt benadrukt dat gendergelijkheid een dwarsdoorsnijdend thema bij alle MDG's is.

De komende jaren zal de bilatere hulp, die via de posten in partnerlanden wordt verstrekt, worden opgezet via een strategische meerjarenplanning. De actuele ontwikkelingen in het partnerland, en het Nederlandse beleid zoals oa.a. is vastgelegd in de nota Aan Elkaar Verplicht (o.a. het behalen van de MDG's), zijn hierbij leidraad. Gender is een van de dwarsdoorsnijdende aandachtspunten; aan emanciapatie zal ook aandacht worden gegeven. Gezien de onderlinge verschillen tussen landen (cultuur, graad van armoede, conflict, etc.) en tussen de wijze van hulp geven (meer bi- of meer multilateraal; keuze van samenwerkingsectoren) zullen de uitkomsten van de strategische meerjarenplannen verschillen; de tweesporenstrategie zal echter dezelfde zijn.

149

Kunt u aangeven of de beleidsdialoog in multilateraal verband naast «gender mainstreaming» ook gericht is op «gender budgetting»?

Nee, die is daar niet specifiek op gericht. Wel worden begrotingen, en strategieën zoals PRSP's en Sector Wide Approaches geanalyseerd op hun effecten op armoedebestrijding en het bevorderen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

150

Welke vier ambassades werken intensief samen met de Verenigde Staten?

In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken gemaakt over intensivering van de samenwerking in Ghana, Rwanda, Ethiopië en Zambia. De samenwerking concentreert zich op terreinen waar gedeelde inzichten bestaan, te weten versterking van politieke commitment, samenwerking met het bedrijfsleven, opvang van Aidswezen, versterking van de nationale Aids commissies en investeringen in nieuwe preventieve middelen. De samenwerking verloopt al voortvarend in Ghana, waar met name gezamenlijke programma's met het bedrijfsleven worden ondersteund, en komt in de overige landen op gang.

151

Welke stappen onderneemt u met gelijkgezinde landen om de resultaten van «Cairo» ten aanzien van «reproductive rights» te consolideren en verder te brengen, gezien de politieke ontwikkelingen uit met name orthodox-godsdienstige hoek?

Er wordt gewerkt aan beïnvloeding van beleidsmakers in Nederland, Europa en op internationaal niveau, o.a. in VN verband, om de resultaten van «Cairo» ten aanzien van «reproductive rights» te consolideren en verder te brengen. Iedere gelegenheid wordt aangegrepen om het Cairo-Actieprogramma te ondersteunen en de verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de wereld te bepleiten. «Cairo» staat daarom ook hoog op de agenda van het Nederlandse EU-Voorzitterschap. De nadruk ligt daarbij op versterking van het politieke en financiële commitment ten behoeve van de implementatie van het Cairo-Actieprogramma door alle lidstaten en de Europese Commissie. De EU (Commissie en lidstaten samen) is wereldwijd immers de grootste donor. Het is uiterst belangrijk dat de 25 EU lidstaten zoveel mogelijk met één mond spreken waar het om steun voor het Cairo Actieprogramma gaat en op het landenniveau hun beleid waar mogelijk op elkaar afstemmen.

152

Op welke wijze krijgt de A van «Abstain» uit de ABC-formule een plaats in het aanbod van programma's voor Aids preventie.

De ABC formule omvat een samenhangend pakket dat naast de A van «Abstain» ook de B van «Be faithful» en de C van «Condooms» omvat. Binnen dit pakket is de A één van de opties voor HIV preventie, die besproken wordt in samenhang met de andere opties. De ABC formule gaat er vanuit dat mensen volledige zeggenschap hebben over hun eigen seksualiteit en seksueel gedrag. Gezien de realiteit dat in veel landen het infectierisico het hoogst is voor monogame getrouwde vrouwen en jonge meisjes, is dat lang niet altijd het geval. De positieve ervaringen in Oeganda tonen aan dat de ABC formule alleen effectief is in het terugdringen van HIV infecties, indien tegelijkertijd meer openheid ontstaat over seksualiteit, machtsrelaties, verhouding tussen mannen en vrouwen, en seksueel geweld.

153

Waarom wordt in slechts twaalf partnerlanden de steun aan de sector gezondheid gecontinueerd. Betekent dit dat de steun aan de sector gezondheid in de overige partnerlanden niet wordt gecontinueerd?

In 1999 is besloten de bilaterale samenwerking te concentreren op een beperkt aantal landen en een beperkt aantal sectoren. In 12 landen is toen in overleg met betrokken landen gekozen voor steun aan de gezondheidssector, te weten Vietnam, Bangladesh, Jemen, Ethiopië, Tanzania, Zambia, Mozambique, Ghana, Burkina Faso, Mali, Suriname en Nicaragua. Deze keuze kwam neer op een bestendiging van de bestaande situatie. In alle twaalf landen had Nederland al een langjarige betrokkenheid. In de overige partnerlanden, waarin niet gekozen werd voor de gezondheidssector, was er voor 1999 al geen sprake van steun aan de sector gezondheid.

154

Op welke wijze heeft de Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan invulling gegeven aan de operationele doelstelling «een wereldwijde betrokkenheid bij reproductieve gezondheid en het onverkort uitvoeren van de Cairo-agenda»?

Vertegenwoordigers van de regering gaan regelmatig in debat met vertegenwoordigers van de Heilige Stoel, bijvoorbeeld naar aanleiding van overleg binnen de VN over reproductieve en seksuele rechten en gezondheid. Dat geldt ook voor de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Heilige Stoel. Voor Nederland is uitgangspunt dat reproductieve en seksuele rechten mensenrechten zijn, waar niet aan getornd kan worden.

155

Waarom zijn reproductieve en seksuele gezondheid en rechten opgenomen in meerjarenplannen van slechts tien partnerlanden? Om welke tien partnerlanden gaat het? Zijn dit ook de landen waar reproductieve en seksuele gezondheid en rechten zijn geagendeerd door vijf ambassades in de bilaterale contacten? Zo nee, om welke landen gaat het?

De posten in partnerlanden zijn momenteel nog bezig met het formuleren van hun strategische meerjarenplannen. Dit proces is nog niet afgerond. Het is de bedoeling dat op termijn posten in alle partnerlanden zich hebben gebogen over de vraag of en op welke wijze zij kunnen bijdragen aan het bevorderen van seksuele en reproductieve rechten en gezondheid. Tot nu toe hebben de volgende posten strategische resultaten geformuleerd op het gebied van reproductieve en seksuele rechten en gezondheid, soms in combinatie met HIV/Aids: Vietnam, Jemen, Mali, Burkina Faso, Ethiopië, Zambia, Ghana, Nicaragua en Guatemala.

De middelen die in deze landen ingezet worden om op dit gebied een strategisch resultaat te boeken over vier jaar zijn verschillend: sectorale budgetsteun, programma financiering, politieke dialoog, bepaalde NGO's ondersteunen (bijvoorbeeld in hun strijd tegen vrouwenbesnijdenis).

Schendingen van vrouwenrechten, inclusief seksuele en reproductieve rechten, zullen overigens aan de orde worden gesteld in landen zonder ontwikkelingsprogramma, als onderdeel van de mensenrechtendialoog.

156

Op welke wijze denkt u de «complementariteit van alle actoren» beter te benutten?

Complementariteit draagt bij aan het bereiken van de Nederlandse doelstellingen op het gebied van reproductieve en seksuele rechten en gezondheid. Het is duidelijk dat Nederland niet in staat is de doelen ten aanzien van deze thematiek alleen te realiseren. Door samenwerking met andere, gelijkgestemde donoren, door de krachten te bundelen via internationale organisaties, door samenwerking met NGO's en andere maatschappelijke actoren kan de impact van het Nederlandse beleid vergroot worden. Dit geldt zowel voor beleidsbeïnvloeding als voor de uitvoering in de praktijk. Daarbij zal zoveel mogelijk worden gezocht naar brede aansluiting bij het huidige instrumentarium zoals SWAp's, PRSP's, de Three Ones en dergelijke.

157

Op welke wijze denkt u het draagvlak voor reproductieve gezondheid en – rechten te verbeteren en de betrokkenheid te vergroten?

Vergroting van het draagvlak en betrokkenheid voor de uitvoering van het Cairo-Actieprogramma is een van de redenen waarom het thema reproductieve en seksuele rechten en gezondheid tijdens het EU-Voorzitterschap hoog op de agenda gezet en in dat kader heb ik een aantal activiteiten ontwikkeld. In mijn contacten met ambtgenoten uit de nieuwe en oude lidstaten is mij gebleken dat deze aanpak vruchten afwerpt. Binnen de EU, in het bijzonder in de nieuwe lidstaten, zijn op dit moment meer beleidsmakers, meer parlementariërs en meer partners zich bewust van het belang van implementatie van de Cairo agenda, zowel in eigen land als in het kader van duurzame armoedebestrijding en de realisatie van de MDG's. Ook na het EU-Voorzitterschap zal ik verdergaan om, waar en wanneer nodig, een voortrekkersrol te spelen met het oog op de bevordering van de implementatie van het Cairo-Actieprogramma. Niet alleen binnen de Europese Unie, maar ook daarbuiten. Dat kan zijn door de organisatie van evenementen die bijdragen aan een dialoog over onderdelen van het actieprogramma. Maar ook door mij, in nauwe samenspraak met gelijkgezinde donoren en organisaties, in te zetten voor de totstandkoming van een structurele oplossing voor de financiering van de implementatie van deze belangrijke agenda.

158

Waarom noemt u niet ook kerken en kerkelijke organisaties als voorbeelden van maatschappelijk middenveld?

De op bladzijde 74 genoemde opsomming is niet uitputtend, zoals ook blijkt uit de woordkeuze. Vanzelfsprekend maken religieuze organisaties van allerlei gezindten ook deel uit van het maatschappelijk middenveld, evenals traditionele of culturele organisaties, beroepsorganisaties, community development organisaties, maatschappelijke bewegingen etc.

159

Kunt u concreet aangeven op welke wijze «eigenstandige Nederlandse maatschappelijke organisaties» hun ondersteunende rol naar het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden «goed» kunnen invullen?

De erkenning van de rol van «eigenstandige» Nederlandse maatschappelijke organisaties bij structurele armoedebestrijding is gebaseerd op de visie dat armoede voortkomt uit ontkenning van rechten, het ontbreken van ontplooiingsmogelijkheden en het ontzeggen van toegang tot hulpbronnen. Het opkomen voor die rechten, het creëren van mogelijkheden en het verkrijgen van toegang, geschiedt door (zelf)organisatie, krachtenbundeling tot sociale beweging en het organiseren van empowerment. Eigenstandige Nederlandse maatschappelijke organisaties kunnen hun partners in het Zuiden daarbij ondersteunen door:

ze financieel en technisch in staat te stellen te participeren in nationale besluitvormingsprocessen, met name in Poverty Reduction Strategy (PRS) processen;

ze financieel en technisch in staat te stellen een betere kwaliteit van sociale basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs te bewerkstelligen door lobby of door deze zelf te faciliteren;

alliantievorming en uitwisseling tussen partnerorganisaties in het Zuiden te bevorderen;

toegang te verschaffen tot kennis en informatie;

belangen van partners in het Zuiden te vertegenwoordigen door lobby bij overheden en bedrijven in het Noorden, wiens activiteiten directe of indirecte consequenties hebben voor de armen;

ze financieel en technisch in staat te stellen te participeren in internationale besluitvormingsprocessen, met name in VN-verband.

160

Hoe verhouden de begrote middelen voor HIV/Aids in beleidsartikel 5.4 zich tot de aandacht voor andere dodelijke infectieziekten, zoals malaria, tbc, gele koorts en hepatitis C? Worden hierover afspraken gemaakt met andere donorlanden gemaakt?

Door de uitvoering van het amendement Koenders/Terpstra (28 600V, nr. 29) worden de financiële middelen voor Aids, tuberculose én malaria verdubbeld. Aan de bestrijding van andere ernstige ziekten wordt via verschillende kanalen bijgedragen. Allereerst natuurlijk in de ondersteuning van de gezondheidssector in partnerlanden, waarin preventie en behandeling van veelvoorkomende aandoeningen zijn opgenomen. Via Nederlandse steun aan de campagne ter uitroeiing van polio en aan de Global Alliance for Vaccines and Immunisation wordt bijgedragen aan het terugdringen van ziekten die door middel van vaccinatie te voorkomen zijn, waaronder gele koorts. De bestrijding van hepatitis C is vooral een kwestie van preventie, door de veiligheid van bloedvoorzieningen te verbeteren en hergebruik van spuiten te voorkómen. Internationale organisaties, als de WHO maar ook Artsen Zonder Grenzen, werken als een mondiale waakhond om te voorkomen dat bepaalde ziekten van de agenda verdwijnen.

Donoren coördineren hun inspanningen voornamelijk via VN-organisaties zoals WHO en via de Wereldbank.

161

Voert de Nederlandse regering ook een dialoog met overheden om biodiversiteit te integreren in de PRSP's, in het bijzonder die van Indonesië? Zo nee, waarom niet? Heeft u kennis genomen van het door de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op eigen initiatief uitgebrachte briefadvies De Ontwerp Declaratie inzake de Rechten van Inheemse Volken. Van impasse naar doorbraak? Bent u bereid de aanbevelingen van de AIV op te volgen, waardoor ook inheemse en tribale volken hun rechten beter kunnen uitoefenen en het veiligstellen van hun traditionele kennis beter wordt gegarandeerd?

De Nederlandse regering voert een dialoog met overheden om milieu en duurzame ontwikkeling te integreren in de PRSP's. Hierdoor worden de kansen die milieu en met name ook biodiversiteit biedt voor armoedebestrijding optimaal benut en pakken de activiteiten onder de PRSP's niet negatief uit voor het milieu. Nederland besteedt ook in het partnership met de Wereldbank, die het PRSP proces begeleidt, specifieke aandacht aan het integreren van milieu in de PRSP's. Met Indonesië pakt Nederland niet specifiek de integratie van biodiversiteit in de PRSP op omdat milieu geen samenwerkingssector met Indonesië is.

Ik heb het door de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op eigen initiatief uitgebrachte briefadvies De Ontwerp Declaratie inzake de Rechten van Inheemse Volken. Van impasse naar doorbraak?ontvangen. Namens de aangeschreven ministers zal ik u een reactie doen toekomen.

162

In welke mate wenst u aandacht te geven aan het platteland waar het gaat om de na te streven resultaten van operationale doelstelling 2 (toegang tot drinkwater en sanitatie)?

De drinkwater- en sanitatieprogramma's die door Nederland worden ondersteund richten zich op zowel rurale als urbane gebieden. Binnen de bilaterale programma's zijn de meeste activiteiten o.g.v. drinkwater en sanitatie gericht op het platteland (zoals in Benin, Burkina Faso, Jemen en Tanzania) en op de peri-urbane gebieden (zoals in Egypte, Ghana en Mozambique). Bijdragen via multilaterale organisaties richten zich met name op de ontwikkeling van nationale beleidsagenda's en op hervorming van instanties die verantwoordelijk zijn voor drinkwater en sanitatie, zowel in steden als op het platteland. Bijdragen via NGO's komen met name ten goede aan verbeterde drinkwater- en sanitatievoorzieningen op het platteland.

163

In welke landen wordt steun gegeven aan drinkwater- en sanitatieprogramma's?

Via het bilaterale kanaal ondersteunt Nederland momenteel drinkwater- en sanitatieprogramma's in 7 landen: Benin, Egypte, Ghana, Jemen, Mozambique, Suriname en Tanzania. In Indonesië wordt op dit moment een nieuw programma geformuleerd ter ondersteuning van de drinkwater- en sanitatiesector. In verband met de afbouw van het drinkwaterprogramma in Tanzania worden mogelijkheden onderzocht voor het afsluiten van een «silent partnership» met een like-minded donor of voor co-financiering van een investeringsprogramma van de Wereldbank dat voortbouwt op het drinkwaterprogramma dat door Nederland is ondersteund. Ook in Zambia wordt bekeken of ondersteuning kan worden gegeven aan drinkwater- en sanitatie-programma's via een like-minded donor.

Via het multilaterale kanaal (w.o. het Water and Sanitation Program en UN-Habitat) wordt ondersteuning gegeven aan de volgende landen: Bangladesh, Burkina Faso, Ethiopië, Rwanda, Sri Lanka, Uganda, Kenia, Senegal, Vietnam en Zambia.

164

Kunt u, mede naar aanleiding van de zaak Arjan Erkel, aangeven waar de verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering voor de veiligheid van haar burgers in het buitenland ophoudt en waar de eigen verantwoordelijkheid van burgers en de uitzendende organisaties begint?

Door middel van zorgvuldig opgestelde en voortdurend aan de actualiteit aangepaste reisadviezen waarschuwt de regering Nederlandse burgers, onder wie uitgezonden hulpverleners, voor veiligheidsrisico's als aanslagen en ontvoeringen in met name genoemde landen of regio's. Het is vervolgens aan de uitzendende organisaties om naar aanleiding van deze reisadviezen te bepalen of, al dan niet na het treffen van speciale maatregelen, uitzending van hun medewerkers naar dergelijke gebieden verantwoord is. Als tot uitzending wordt besloten, berust de verantwoordelijkheid voor die beslissing bij de desbetreffende uitzendende organisatie. Indien zich tijdens het verblijf in een risicogebied problemen voordoen, zal consulaire bijstand worden verleend voorzover de omstandigheden dat mogelijk maken.

165

Kunt u een overzicht per land geven van het aantal Nederlandse gedetineerden in buitenlandse gevangenissen? Hoeveel van hen zijn daadwerkelijk schuldig bevonden? Hoeveel van de Nederlandse gedetineerden in het buitenland zijn al eerder met de Nederlandse justitie in aanraking geweest?

Het overzicht per land van het aantal Nederlandse gedetineerden in buitenlandse gevangenissen per oktober 2004 (met daarbij aangegeven het aantal van hen dat in verband met drugsdelicten in hechtenis verblijft) treft u in bijlage 2 aan. Bovendien gaat u in bijlage 3 een overzicht toe waaruit blijkt hoeveel Nederlandse gedetineerden thans in voorarrest verblijven en hoeveel van hen reeds zijn veroordeeld en hun straf uitzitten (onder status «gedetineerd»).

Het is niet bekend hoeveel van de Nederlandse gedetineerden in het buitenland al eerder met de Nederlandse justitie in aanraking zijn geweest.

166

Met welke landen is er een WOTS-verdrag gesloten? Wat is de stand van zaken en welke doelstelling heeft u?

Nederland heeft drie bilaterale verdragen gesloten inzake de overbrenging van gevonniste personen, en wel met Venezuela, Marokko en onlangs Thailand. Het verdrag met Venezuela is op 1 juli 1998 in werking getreden, dat met Marokko op 1 mei 2001. Het verdrag met Thailand dat op 23 augustus jl. in Den Haag werd ondertekend, is ter goedkeuring aan uw Kamer voorgelegd.

Daarnaast bestaat het Raad van Europa-verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983. Bij dit multilaterale verdrag zijn momenteel 43 Europese landen partij, evenals 14 niet-Europese landen, waaronder enkele Midden- en Zuid-Amerikaanse landen, Australië, Japan, Israël en de Verenigde Staten.

De uitvoering van deze verdragen ligt overigens in handen van het Ministerie van Justitie. Het regeringsbeleid met betrekking tot WOTS-verdragen is: voorkeur voor het aansluiten bij Raad van Europa-verdrag boven het aangaan van bilaterale verdragsrelaties om wille van multilaterale rechtsgelijkheid en efficiency.

167

Wat is de stand van zaken met betrekking tot een Europese regeling om gevangenisstraf in eigen land uit te zitten na veroordeling in een andere EU-lidstaat?

Op het niveau van de Europese Unie bestaat geen regeling met betrekking tot de overbrenging van gevonniste personen. Wel heeft de Europese Commissie in april van dit jaar een Groenboek uitgebracht betreffende de onderlinge aanpassing, wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties. In dit Groenboek wordt de vraag door de Commissie opgeworpen of er op het niveau van de EU een regeling moet komen voor de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. De reactie van de Nederlandse regering op dit Groenboek is nog in voorbereiding.

168

Wat is het beleid van de Nederlandse ambassade in Havana ten aanzien van in Nederland woonachtige Nederlandse Antillianen die op basis van een veroordeling voor drugssmokkel in gevangenschap in Cuba verblijven? Is het waar dat Nederlandse Antillianen hun straf in een gevangenis in de Nederlandse Antillen kunnen uitzitten en deze groep in Nederland woonachtige Antillianen niet? Zo ja, bent u bereid te proberen dit te veranderen? Indien niet, waarom niet?

Het is voor Nederlandse Antillianen niet mogelijk hun in Cuba opgelegde straf uit te zitten in een gevangenis in de Nederlandse Antillen, want er is geen WOTS-verdrag met Cuba.

Wel hebben de Cubaanse autoriteiten de Nederlandse Antillen een concept-verdrag voor de overbrenging van gevonniste personen voorgelegd. Omdat de Nederlandse Antillen niet zelfstandig een verdrag kunnen afsluiten, rijst de vraag of het Koninkrijk een dergelijk bilateraal verdrag opportuun acht. Een dergelijke vraag dient in eerste instantie aan de minister van Justitie te worden voorgelegd.

169

Kunt u een overzicht geven van het aantal klachten over het werk van visumafdelingen van de Nederlandse ambassades over de hele wereld? Van hoeveel klachten zijn (per land afzonderlijk) de bezwaren erkend en wat zijn de gevolgen daarvan in het visum-verstrekkingsbeleid?

Het aantal centraal geregistreerde klachten over het werk van de visumafdelingen van de Nederlandse vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland bedraagt:

– in 2003: 204

– in 2004: 169 (per 13 oktober 2004).

Het aantal bij de posten ingediende visumaanvragen (inclusief aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf) bedraagt:

– in 2003: 374 501

– in 2004: 300 815 (per 13 oktober 2004).

In de bijlage zijn de aantallen klachten per vertegenwoordiging uitgesplitst.

Geen registratie vindt plaats van de aantallen gegrond-, ongegrond- of niet-ontvankelijkheidsverklaringen. Wel wordt op basis van een analyse van de klachten en de afdoening daarvan bezien of en zo ja er aanleiding is voor het treffen van maatregelen ter verbetering van het visumproces op een specifieke post dan wel op alle posten. Voorts vindt in het kader van de zogenaamde Visum Advies Team missies, welke als doel hebben het waarborgen van een zorgvuldig, integer, klantgericht, gestroomlijnd en efficiënt proces van visumverlening op de post, onderzoek plaats naar de ingediende klachten en de behandeling daarvan. De uitkomst van dergelijke onderzoeken (bijlage 4) kan leiden tot aanpassing van het visumproces van de desbetreffende post of tot instructies aan alle posten.

170

Hoe is het gesteld met de monitoringcapaciteit bij Nederlandse ambassades teneinde mensenrechtenschendingen in diverse landen te kunnen volgen? Welke landen betreft het en wat is het tekort?

Monitoring van mensenrechten geschiedt op verschillende niveaus van intensiteit. Nederlandse ambassades rapporteren over de mensenrechtensituatie meestal in EU-verband. Zo worden regelmatig mensenrechtenrapporten door de EU HOM's (Heads of Mission) geschreven die een belangrijke rol spelen in de beleidsvorming en -uitvoering ten aanzien van het betrokken land. Ook zijn dit jaar EU-richtlijnen inzake mensenrechtenactivisten aangenomen en Nederland probeert als EU-voorzitter een bijdrage te leveren aan een practische uitvoering hiervan, onder meer door in december a.s. in nauwe samenwerking met NGO's, mensenrechtenactivisten zelf en vertegenwoordigers van EU-ambassades in derde landen een forum in Den Haag over deze problematiek te organiseren. Tenslotte financiert Nederland bilateraal in veel landen specifieke activiteiten gericht op verbetering van de mensenrechtensituatie, die de Nederlandse ambassades uiteraard nauwgezet monitoren.

171

Op welke concrete wijze wordt de Nederlandse reiziger voorgelicht over de gevaren van drugssmokkel in het buitenland?

De Nederlandse reiziger wordt door de regering voorgelicht over de gevaren van drugssmokkel in het buitenland door middel van reisadviezen, de «Wijs op Reis»-campagne en -brochure, Internet, toeristenbeurzen en voorlichtingsbrochures. Thans ontwikkelt het Ministerie een voorlichtingscampagne specifiek gericht op potentiële drugssmokkelaars, waarbij de nadruk zal worden gelegd op de lange straffen en de slechte omstandigheden in de gevangenissen.

172

Wat wordt verstaan onder een «regelmatige bezoekfrequentie»? Hoeveel bezoeken zijn er door ambassademedewerkers afgelegd in 2003?

Consulair medewerkers van ambassades en consulaten bezoeken gearresteerde landgenoten zo snel mogelijk nadat zij van hun arrestatie hebben vernomen en leggen vervolgens bezoeken aan hen af al naar gelang de noodzaak of behoefte daaraan bestaat. Daarbij zal in het algemeen een Nederlandse gedetineerde in voorarrest vaker worden bezocht dan een gedetineerde die definitief is veroordeeld. Nederlandse gedetineerden in landen verder verwijderd van Nederland en familie en in gevangenissen met minder goede omstandigheden dan in Nederland zullen over het algemeen vaker worden bezocht, gemiddeld eens per maand of eens per 6 weken. Het blijft maatwerk.

In totaal zijn in 2003 circa 9800 bezoeken door medewerkers van ambassades en consulaten afgelegd aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland.

173

Krijgen alle gedetineerden een maandelijkse vergoeding? Hoe hoog is dit maandbedrag?

De Nederlandse gedetineerden in landen buiten Europa ontvangen maandelijks een schenking van € 30,- van de Nederlandse regering.

174 en 175

Waar vindt u dat de verantwoordelijkheid van de overheid eindigt als het gaat over de financiële gevolgen van eigen handelen of nalatigheid van een Nederlands staatsburger?

Welke criteria worden gehanteerd ter beoordeling van de eigen verantwoordelijkheid van de burger bij het besluit tot consulaire bijstand?

De regering streeft naar een grotere eigen verantwoordelijkheid van de moderne, mondige burger. Deze doelstelling is ook van toepassing op het consulaire vlak. Van de burger mag worden verwacht dat hij zich voor een reis naar, of een verblijf in het buitenland verdiept in de risico's die met de bestemming en de voorgenomen activiteiten samenhangen. Een belangrijke bron van informatie in dat verband zijn de reisadviezen van Buitenlandse Zaken. Op basis daarvan wordt verwacht dat hij maatregelen neemt om die risico's zoveel mogelijk te beperken. Zo is het met name van belang dat hij adequaat verzekerd naar het buitenland afreist en zich in het buitenland verantwoordelijk gedraagt.

Het streven van de regering is er tevens op gericht de overheid waar mogelijk kostendekkend te laten werken. Dit uitgangspunt geldt voor de consulaire dienstverlening en is vastgelegd in de Rijkswet op de consulaire tarieven. Voor reguliere consulaire diensten worden steevast kosten in rekening gebracht. Ten aanzien van consulaire hulpverlening in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld vermissingen en ontvoeringen, is dit niet systematisch het geval. Conform de Rijkswet op de consulaire tarieven en de bijbehorende uitvoeringsregelingen, zullen in dat verband gemaakte kosten in de toekomst in ruimere mate en systematischer in rekening worden gebracht.

176

Welke overwegingen zijn er gemaakt in de kosten voor de inburgeringcursussen in het buitenland? Welke verdeelsleutel is hierbij gehanteerd?

BZ maakt in het buitenland geen kosten voor inburgeringscursussen en is niet bekend met enige verdeelsleutel terzake. Wel worden er kosten gemaakt om de uitvoering van de inburgeringsexamens op de Posten in het buitenland te faciliteren.

177

Worden de kosten van de operationele taken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het gebied van inburgering in het buitenland toegerekend aan ODA? Zo ja, om hoeveel geld gaat dit dan en welke ratio ligt hieraan ten grondslag?

Zie antwoord op vraag 39.

178

Hoe staat u tegenover de opbouw van een gemeenschappelijke, internationale database ten aanzien van verdachten van oorlogsmisdaden, in samenwerking met het Internationaal Strafhof en een land als Canada, die hiermee reeds vorderingen hebben gemaakt?

De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat Canada denkt over het delen van zijn nationale databank met het Strafhof. Wel staat Canada – net als Nederland – positief tegenover verdergaande samenwerking op het gebied van de vervolging van oorlogsmisdrijven en vergelijkbare misdaden, zowel tussen Staten onderling, als tussen Staten en het Strafhof. Met het oog daarop zal Nederland ook de ontwikkelingen in andere landen, waaronder Canada, nauwgezet blijven volgen.

Nederland heeft steeds het standpunt gehuldigd, dat in de relatie tot het Strafhof de autoriteiten van het Hof leidend zijn waar het betreft de behoefte tot samenwerking. Van de zijde van het Hof is vooralsnog niet gebleken dat het in het Statuut voorziene kader voor samenwerking niet zou voldoen. Een voorstel voor het inrichten van een gemeenschappelijke databank heeft het Hof aan Nederland in elk geval niet gedaan, en valt ook niet te verwachten. Het Hof mag immers wel met Staten samenwerken ten behoeve van de vervolging in de Staten (art. 93, tiende lid van het Statuut), maar is tot die samenwerking niet verplicht, terwijl een gemeenschappelijke databank met zich zou brengen dat Staten ook zonder ad hoc-instemming van het Hof uit de data van het Hof zouden kunnen putten.

Wat betreft de samenwerking van Nederland met andere Staten is een gemeenschappelijke databank, de kring van daarbij te betrekken Staten daargelaten, vooralsnog niet nodig. De gangbare instrumenten tot uitwisseling van informatie en andere vormen van samenwerking bieden voldoende mogelijkheden, blijkens! Dit blijkt onder andere uit de veroordeling door de Rechtbank van Rotterdam, afgelopen voorjaar, van een Congolese oud-kolonel voor de foltering van een Congolees in de Democratische Republiek Congo. Het op voorstel van de Nederlandse minister van Justitie totstandgekomen EU-netwerk van contactpersonen inzake oorlogsmisdrijven begint te functioneren en komt nog tijdens het NL voorzitterschap voor het eerst bijeen.

179

Welke taken krijgt het Ministerie van Buitenlandse Zaken ter zake van inburgering in het buitenland?

BZ faciliteert de uitvoering van het inburgeringsexamen in het buitenland. Dit betekent dat verzoeken terzake op de Posten in behandeling worden genomen en de kandidaten worden voorzien van een instructie. De kandidaten worden in de gelegenheid gesteld het examen op de Post af te leggen.

180

Hoe kan het dat, ondanks de claim dat de consulaire dienstverlening een hoog niveau heeft, «gedumpte vrouwen» in Marokko en Turkije op geen enkele manier toegang krijgen tot consulaire diensten?

Deze vrouwen en kinderen hebben wel degelijk toegang tot consulaire diensten. In dit verband dient wel onderscheid te worden gemaakt tussen personen met de Nederlandse nationaliteit en personen met een vreemdelingenstatus.

Als het gaat om vrouwen en kinderen van Nederlandse nationaliteit dan geeft de consulaire post een vervangend reisdocument af, waarmee vrouw en kinderen naar Nederland kunnen terugkeren.

In gevallen waarin de betrokken vrouw niet de Nederlandse nationaliteit heeft, maar over een vreemdelingenstatus in Nederland beschikt, geldt dat alleen indien betrokkene over een reisdocument van het land van herkomst beschikt en de IND de geldigheid van de verblijfsstatus in Nederland bevestigt, zij in aanmerking komt voor een visum. Dat zal door de post worden afgegeven.

Echter, indien haar verblijfsstatus in Nederland afhankelijk is van haar partner/echtgenoot en zij niet langer verblijf bij partner/echtgenoot heeft, wordt haar verblijfsstatus ingetrokken en zal zij opnieuw een mvv-aanvraag moeten indienen. Deze zal ter beslissing aan de IND worden doorgeleid.

181

Wat verstaat u onder de begrippen «vooruitstrevend», «vernieuwend» en «open» als kenmerken van de Nederlandse identiteit?

Nederland staat traditioneel open voor andere culturen of standpunten en ideeën. Wij zoeken door de confrontatie met anderen naar vernieuwing in onze culturele uitingen. Het open staan voor andere ideeën en het opzoeken van grenzen kunnen worden aangemerkt als kenmerken van de Nederlandse identiteit. Het vooruitstrevende kenmerk komt met name terug bij Nederlandse maatschappelijke onderwerpen en in wetenschap en technologie.

182

Als veel belang wordt gehecht aan de culturele samenwerking met de nieuwe EU-lidstaten, waarom is dan alleen aan de ambassade in Boedapest een gedelegeerd cultuurbudget beschikbaar gesteld?

In het kader van de prioriteitsstelling in het Nederlandse internationaal cultuurbeleid is de culturele functie van dertien diplomatieke vertegenwoordigen versterkt, onder meer door een gedelegeerd budget (PCAP, Programma Culturele Ambassade Projecten) beschikbaar te stellen. In de nieuwe EU-lidstaten betreft dit de posten Praag en Boedapest. De overige nieuwe lidstaten genieten een prioritaire status bij de inzet van de overige beleidsinstrumenten, zoals het culturele programma van het Nederlandse EU-Voorzitterschap «Thinking Forward».

183

Wat is thans de situatie van het Dom Holenderski in Gdansk? Waarom zou dat niet alsnog een rol kunnen spelen bij het versterken van het Nederlandse culturele profiel in het buitenland?

De curator die is aangesteld om het faillissement van Dom Holenderski af te wikkelen heeft besloten tot verkoop van het pand. Of het Dom Holenderski in de toekomst een rol zal kunnen spelen bij het versterken van het culturele profiel van Nederland in Polen zal in belangrijke mate afhangen van de nieuwe eigenaar en diens plannen.

184

Welke programma's op het gebied van internationaal cultuurbeleid heeft het Consulaat-Generaal in New York? Wordt daar ook gebruik gemaakt van historische betrekkingen tussen Nederland en de ex-kolonie Nieuw Amsterdam?

Het Consulaat-Generaal te New York is een van de 13 posten met een versterkte culturele functie. Hierdoor beschikt deze post jaarlijks over een deel van het budget van het Programma Culturele Ambassade Projecten (PCAP), 120 000 Euro (2004) en een aanvullend budget van OCW van 100 000 Euro. Het PCAP-budget wordt ingezet over de gehele VS. Het OCW budget is specifiek bestemd voor de versterkte functie van de post New York. Beide budgetten worden gebruikt ter ondersteuning van een groot aantal projecten op de gebieden van beeldende kunst, architectuur en design, de podiumkunsten, muziek, film, literatuur en cultureel erfgoed. De historische betrekkingen tussen Nederland en de ex-kolonie spelen bij dit laatste een rol.

Er is in de VS en in het bijzonder in de staat New York, veel belangstelling voor de Nederlandse koloniale geschiedenis in deze regio. Deze belangstelling uit zich op verschillende manieren. Op academisch gebied gebeurt dit in de vorm van het New Netherland Project en het New Netherland Institute, dat onderzoek doet in de zeventiende eeuwse archieven van New Netherland en deze vertaalt en zo voor een breder (academisch) publiek ontsluit. De geschiedenis van Nieuw Amsterdam geniet ook bij een breder publiek veel belangstelling, zoals blijkt uit de verkoopcijfers van een recent verschenen boek, «The Island at the Center of the World» dat inmiddels ook in het Nederlands is vertaald (onder de titel «Nieuw Amsterdam»).

185

In hoeverre draagt de Nederlandse regering – afgezien van het beleid van de Nederlandse Taalunie – bij aan het beschermen en bevorderen van de Afrikaanse taal en cultuur?

De bescherming van de Afrikaanse cultuur vindt plaats in het kader van de tenuitvoerlegging van het beleid van duurzaam behoud van gemeenschappelijk erfgoed, waartoe de Nederlandse en Zuidafrikaanse autoriteiten in 2004 een gemeenschappelijk beleidskader zijn overeengekomen. Door financiële ondersteuning van en via de Nederlandse ambassade in Zuid-Afrika worden, onder meer in samenwerking met de «Stichting vir bemagtiging deur Afrikaans», projecten gerealiseerd die het gebruik van het Afrikaans voor creatief schrijven bevorderen. Ook zijn seminars georganiseerd waarin het belang van het gebruik van literaire vertalingen van en naar het Afrikaans wordt onderstreept. Er zijn met Nederlandse financiële ondersteuning publicaties verschenen met vertalingen in het Afrikaans van verhalen en gedichten uit andere Zuidafrikaanse talen.

186

Op grond van welke overwegingen wordt vanuit de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken geld beschikbaar gesteld voor de «geconcentreerde culturele presentie in Nederland in het kader van «Nederland Vrijhaven»? Ligt het niet meer voor de hand dat minstens de presentatie in Nederland van dit concept, dat afkomstig is van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ook door dit ministerie wordt betaald?

Het concept «Nederland Vrijhaven» is van meet af aan onderdeel geweest van het Nederlandse internationaal cultuurbeleid zoals dat sinds 1997 in samenwerking tussen de ministeries van BZ en OCW gestalte wordt gegeven. De daarvoor beschikbaar gestelde subsidiemiddelen (HGIS-Cultuurmiddelen) worden ingezet als een intensivering voor internationaal cultuurbeleid in aanvulling op onder meer de middelen die voor internationale activiteiten in de reguliere Cultuurnota-subsidiebeschikkingen uit de begroting van OCW beschikbaar zijn. Het profileren van Nederland als een ontmoetingsplaats voor verschillende cultuuruitingen wordt op deze wijze dus door beide ministeries bevorderd.

187

Waarom worden de Verenigde Staten – en meer in het bijzonder de staat New York – niet geselecteerd als partner voor behoud en beheer van gemeenschappelijk cultureel erfgoed?

In het kader van het gemeenschappelijk erfgoed-beleid is een zevental landen als prioritaire partners aangemerkt. De keuze van deze landen heeft plaatsgevonden op basis van een aantal overwegingen, waarvan de belangrijkste is dat het landen zijn waarmee in meerdere erfgoedsectoren aanknopingspunten bestaan voor samenwerking. In de praktijk betekent dit de aanwezigheid van materiële overblijfselen (zoals gebouwd erfgoed, archieven, scheepswrakken) waarvoor het belang van duurzaam behoud onderkend wordt door zowel het land in kwestie als door Nederland. In het geval van de Verenigde Staten c.q. de staat New York, is hiervan in mindere mate sprake, ook al is het besef van de historische banden met Nederland sterk aanwezig (zie ook vraag 184). Overigens vinden er in het kader van gemeenschappelijk erfgoedbeleid ook projecten plaats in andere dan de zeven prioritaire landen. Inzet van de HGIS-Cultuurmiddelen is niet beperkt tot projecten in de prioritaire landen, al genieten deze wel de voorkeur.

188

In welke gebieden en bij welke culturen ligt de prioriteit als het gaat om de bescherming van cultureel erfgoed.

In het Nederlandse internationaal cultuurbeleid wordt zowel bilateraal als multilateraal gestreefd naar de bescherming van cultureel erfgoed. Nederland heeft voor het duurzaam behoud van gemeenschappelijk cultureel erfgoed een zevental prioritaire landen geïdentificeerd (Ghana, India, Indonesië, de Russische Federatie, Sri Lanka, Suriname en Zuid-Afrika). Met deze landen zijn of worden bilaterale beleidskaders afgesloten waarin de onderling overeengekomen prioriteiten worden geïdentificeerd. Het betreft daarbij met name gebouwd erfgoed en archieven. Daarnaast ondersteunt Nederland de inspanningen van UNESCO om wereldwijd te werken aan het behoud van (in ruime zin begrepen) cultureel erfgoed. Dit kan zowel het materieel als het immaterieel erfgoed zelf betreffen, als het totstandbrengen van multilaterale instrumenten ter waarborging van internationale culturele samenwerking en het behoud van cultureel erfgoed.

189

Welk bedrag heeft u begroot voor 2005 en volgende jaren voor activiteiten op het terrein van het uitleggen van «typisch Nederlandse beleid» op het gebied van euthanasie, drugs, abortus, mensenhandel, etc.

Activiteiten op het terrein van bovengenoemde onderwerpen zullen gefinancierd worden uit het budget dat beschikbaar is voor publieksdiplomatie, voor 2005 ruim € 600 000.

190

Hoeveel van het geld dat voor 2005 is uitgetrokken voor operationele doelstelling 3 van beleidsartikel 8 (vergroten begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijze etc.) is bestemd voor activiteiten in het buitenland en hoeveel voor activiteiten in het binnenland? Hoeveel geld zal in 2005 worden besteed aan het vergroten van de bekendheid met en de betrokkenheid in Nederland bij ontwikkelingssamenwerking? Hoeveel werd hier in voorafgaande jaren aan besteed?

Van het totale budget voor operationele doelstelling 8.3 wordt ongeveer EUR 37 miljoen besteed in het binnenland en EUR 16 miljoen in het buitenland. In 2005 zal EUR 29 659 000 uit operationele doelstelling 8.3 besteed worden aan het vergroten van de bekendheid met en de betrokkenheid in Nederland bij ontwikkelingssamenwerking. Voor 2004 wordt hier EUR 22,6 miljoen voor geraamd. De realisaties in 2003, 2002 en 2001 waren respectievelijk EUR 20,2 miljoen, EUR 14,7 miljoen en EUR 14,6 miljoen.

191 en 195

Hoe moeten de bedragen die vallen onder beleidsartikel 8 (versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland) worden gerelateerd aan de bedragen die in de begroting voor 2004 nog werden genoemd voor «internationaal cultuurbeleid»?

Kunt u het verschil tussen internationaal cultuurbeleid (13,74 miljoen euro) in de begroting van 2004 en de voor 2005 begrote uitgaven (71,27 miljoen euro) voor «versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland» nader toelichten?

Het verschil wordt veroorzaakt door de nieuwe begrotingsindeling. In de begroting 2004 was sprake van artikel 15 «Internationaal cultuurbeleid» waarop alleen internationaal cultuurbeleid verantwoord werd, ad EUR 13,74 miljoen In de nieuwe begroting 2005 valt onder beleidsartikel 8 niet alleen internationaal cultuurbeleid (EUR 13,1 miljoen) maar ook andere beleidsvelden die raken aan de algemene beleidsdoelstelling van dit artikel. Zo is cultureel erfgoed (UNESCO, EUR 4,6 miljoen) eronder gebracht en diverse instrumenten die bijdragen aan een positieve beeldvorming in en buiten Nederland. Het kan als volgt worden uitgesplitst:

Voorlichting op terrein van OS, algemene voorlichting en Europese bewustwording (was in 2004 artikel 10.5, 18 en 5.7): ca. EUR 30 miljoen;

PKP, POBB, Voorzitterschappen en staatsbezoeken (was in 2004 artikel 13): ca. EUR 16 miljoen;

Stageprogramma: EUR 5 miljoen;

Subsidies en bijdragen (was in 2004 artikel 2.8): ca. EUR 2,6 miljoen Deze instrumenten vormen samen het draagvlak Nederlands buitenlands beleid (EUR 53,6 miljoen). Het totaal voor beleidsartikel 8 komt daarmee samen met internationaal cultuurbeleid en cultureel erfgoed op EUR 71,27 miljoen

192

Wat kost de Nederlandse vertegenwoordiging bij het Vaticaan?

Voor de Nederlandse vertegenwoordiging te Vaticaanstad is voor 2005 € 566 000,- begroot.

In dit bedrag zijn opgenomen de huur van kanselarij en ambtswoning, het bedrijfsvoeringsbudget, ICT-uitgaven en personeel (lokaal en uitgezonden).

Vraag 193

Wat zijn de totale kosten van het Nederlandse postennet?

De totale kosten van het Nederlandse postennet zijn ca. € 450 miljoen. Hiervan staat ca. € 400 miljoen op de begroting van BZ. Het betreft o.a. de loonkosten voor personeel (lokaal, uitgezonden), buitenlandvergoedingen, investeringen, bedrijfsvoering (incl. honorair consulaten), huren residenties en kanselarijen voor alle posten (ambassades, consulaten-generaal). De overige € 50 miljoen heeft betrekking op technisch attachés die terug te vinden zijn op de begrotingen van de betrokken vakdepartementen (zie HGIS-nota pagina 17).

194

Wordt door elke ambassade/consulaat een jaarverslag opgesteld? Zo ja, zijn deze openbaar? Wordt er daarnaast een geïntegreerd jaarverslag uitgeven?

Elke ambassade stelt een jaarplan/jaarverslag op. Waar van toepassing worden de activiteiten van consulaten-generaal opgenomen in het jaarplan/jaarverslag van de ambassade in het desbetreffende land.

Het jaarplan is een intern sturingsinstrument en leent zich niet voor externe verspreiding. In het verslaggedeelte van de jaarplannen leggen posten en directies verantwoording af voor de ondernomen activiteiten in het voorgaande jaar. Deze informatie wordt als input gebruikt voor het jaarverslag van het ministerie, welke op de 3e woensdag in mei aan uw Kamer wordt aangeboden.

Om uw Kamer inzicht te geven in het instrument, zijn in 2002 de jaarplannen van vier ambassades overgelegd die tezamen een representatief beeld geven van het totaal van de jaarplannen van de ambassades (28 600 V, nr 7).

196

Wat verklaart het relatief hoge bedrag bij de post «diverse ontvangsten» in 2004?

Het relatief hoge bedrag in 2004 wordt verklaard door een incidentele meerontvangst van EUR 22 miljoen die, zoals in de eerst suppletore begrotingswet voor 2004 (TK 2003–2004, 29 555, nr. 2) werd toegelicht, het gevolg is van door de VN teruggestorte noodhulpbijdragen in het kader van het «oil for food programme» voor Irak.

197

Welk percentage van de Nederlandse ODA-uitgaven zal na 2006 jaarlijks worden gereserveerd voor het medefinancieringsprogramma?

In de huidige begroting wordt voor de jaren 2007–2009 tentatief een bedrag van € 431 miljoen geraamd voor het Medefinancieringsprogramma (MFP). Echter, het Ministerie is in overleg met het maatschappelijk middenveld over het nieuw te ontwikkelen beleidskader medefinancieringsstelsel (MFS) dat in 2007 in werking zal treden en in ieder geval het MFP en het Thematische Medefinancieringsprogramma (TMF) zal integreren. Ook de wijze van financiering, inclusief het percentage van de ODA-uitgaven, zal aangepast moeten worden aan dit nieuwe beleidskader.

198

Waarom wordt 1,6 miljoen euro van de ontvangsten in het kader van inburgering in het buitenland overgeheveld naar het Ministerie van Justitie?

De leges voor inburgeringsexamens in het buitenland worden via de posten geïnd. Zowel BZ als Justitie maken kosten voor het afnemen van inburgeringsexamens. Daarom hevelt BZ een gedeelte van de legesontvangsten (EUR 1,6 miljoen) over naar Justitie voor de exploitatieuitgaven (o.a. de licentiekosten) die Justitie doet in dit kader.

199

Kunt u van de huidige partnerlanden aangegeven welk percentage van het overheidsbudget bestaat uit Nederlands en buitenlands ODA-geld, gerekend vanaf 1990?

Het percentage waar u naar vraagt is niet beschikbaar. Om u toch enig inzicht te verschaffen in de mate waarin onze partnerlanden ondersteund zijn door donoren is hieronder een tabel opgenomen met daarin (voor 1990 en 2002) de netto ODA-ontvangsten als percentage van het Bruto Nationaal Product (BNP) (kolom 1 en 2); de bijdrage van Nederland aan dit percentage, eveneens in procenten (kolom 3 en 4); en netto ODA-ontvangsten als percentage van de centrale overheidsuitgaven (kolom 5 en 6).

 PartnerlandODA als % BNP1% bijdrage van NL aan ODA als % van BNP2ODA als % van de centrale overheidsuitgaven3
  (1)1990(2)2002(3)1990(4)2002(5)1990(6)2002
1Afghanistan............
2Albanië0,56,6.. 1,4.. 25,3 (1997)
3Armenië.. 12,4.. 1,5....
4Bangladesh7,01,90,72,0....
5Benin14,58,21,00,2....
6Bolivia11,28,72,74,768,234,2
7Bosnië Herzegovina..10,5..5,1....
8Burkina Faso10,615,15,15,379,9..
9Colombia0,20,56,41,719,91,1 (1997)
10Egypte12,61,40,40,931,58,6 (1997)
11Eritrea..35,9..2,1....
12Ethiopië11,821,60,41,345,538,7 (1997)
13Georgië..9,2.. 2,3.. 74,6
14Ghana9,610,62,34,572,2..
15Guatemala2,61,12,65,3....
16Indonesië1,50,85,94,582,04,3
17Jemen8,45,81,95,0....
18Kaap Verdië31,815,05,71,5....
19Kenia13,93,23,52,250,617,2 (1997)
20Macedonië..7,3.. 4,8....
21Mali19,914,02,65,4....
22Moldavië.. 8,7.. 1,3.. 33,4
23Mongolië.. 18,6.. 1,1.. 65,7
24Mozambique40,757,20,71,8....
25Nicaragua32,912,94,23,141,684,9
26Pakistan2,83,61,60,312,815,2
27Palestijnse autoriteit.. 47,6..0,6....
28Rwanda11,320,61,74,160,3..
29Senegal14,48,91,42,1.. 41,0
30Sri Lanka9,12,11,92,832,07,6
31Suriname15,51,236,1133,64....
32Tanzania27,513,13,85,5....
33Uganda15,511,04,64,6..65,5
34Vietnam2,93,60,51,8....
35Zambia14,617,35,44,0....
36Zuid-Afrika.. 0,6.. 3,2..1,3

1 Bron: Human Development Report 2004, UNDP.

2 Bron: voor de berekening van het percentage in kolom 3 zijn gegevens uit het Human Development Report 1992 (UNDP) gebruikt.

3 Bron: voor 2002 (en 1997) World Development Indicators 2004, Wereldbank. Voor 1990 website Wereldbank.

4 Aangezien de percentages in kolom (1) en (2) gebaseerd zijn op netto ODA-ontvangsten kan de Nederlandse bijdrage boven de 100% uitkomen, zoals in Suriname (2002) het geval is.

.. = niet beschikbaar

Netto ODA-ontvangsten als % van het BNP zijn in 2002 ten opzicht van 1990 in 10 partnerlanden toegenomen en in 16 afgenomen (voor 10 partnerlanden zijn niet alle benodigde gegevens beschikbaar). In de meerderheid van onze partnerlanden ligt dit percentage onder de 20%.

De Nederlandse bijdrage aan de netto ODA-ontvangsten als % van het BNP is in 2002 ten opzichte van 1990 in 17 partnerlanden toegenomen, in één land gelijk gebleven en in zeven afgenomen (voor 11 partnerlanden zijn niet alle benodigde gegevens beschikbaar). De Nederlandse bijdrage – exclusief Suriname – varieert van 0,2% (Benin, 2002) tot 6,4% (Colombia, 1990).

Informatie over netto ODA-ontvangsten als % van de centrale overheidsuitgaven is zeer beperkt. Uit bovenstaande tabel valt af te lezen dat dit percentage in 1997 ten opzichte van 1990 in zes landen is afgenomen. Voor twee partnerlanden geldt dat dit percentage in 2002 ten opzichte van 1990 is toegenomen. Voor de overige 28 partnerlanden ontbreken gegevens voor één of beide jaren.

De percentages uit bovenstaande tabel verschaffen slechts fragmentarisch en partieel inzicht in het belang van de netto ODA-ontvangsten voor onze partnerlanden. Op basis van deze tabel kunnen dan ook geen algemene conclusies getrokken worden over de «donorafhankelijkheid» van onze partnerlanden. De percentages in de tabel kunnen derhalve hooguit dienen als achtergrondinformatie bij de beschouwing van een specifiek land. Daarenboven dient te allen tijde bedacht te worden dat een toename of afname van netto ODA-ontvangsten als % van het BNP (of de bijdrage hieraan door Nederland) geen informatie geeft over de effectiviteit van de ontwikkelingssamenwerking.

Bijlage 1– bij het antwoord op vraag 131

Landenindeling naar sterren 2004
3-sterren2-sterren1-ster0-sterren
ArgentiniëAlgerijeAlbaniëAfghanistan
AustraliëBangladeshAngolaAndorra
BelgiëBosnië-HerzegovinaArmeniëAntigua/Barbados
BraziliëColombiaAzerbeidzjanBahamas
BulgarijeCosta RicaBahreinBarbados
CanadaCubaBeninBelize
ChiliFilippijnenBoliviaBhutan
ChinaGhanaCambodjaBotswana
DenemarkenJordaniëCyprusBrunei
DuitslandKazakstanDom.Rep. Burkina Faso
EgypteKeniaEcuadorBurundi
EstlandKoeweitEthiopiëCaymaneilanden
FinlandLibiëGabonCentrafr.Rep.
FrankrijkMacedoniëGeorgiëComoren
GriekenlandNigeriaGuatemalaCongo DRC
HongarijeOmanGuineeCongo R
IerlandPakistanHondurasCookeil.
IndiaPeruIJslandDjibouti
IndonesiëQatarIrakDominica
IranServ&MontIvoorkustEl Salvador
IsraëlSurinameJemenEritrea
ItaliëTanzaniaKameroenFiji Eil.
JapanTunesiëKyrgystanFr. Guyana
KroatiëVAELibanonFr.Polyn
LetlandVenezuelaLiechtensteinGambia
LitouwenVietnamMalawiGrenada
Luxemburg MaliGuadel.
Maleisië MaltaGuam
Marokko MauritaniëGuinee-B.
Mexico MoldaviëGuinee-Eq.
Nieuw Zeeland MonacoGuyana
Noorwegen MongoliëH.Stoel
Oekraïne MozambiqueHaïti
Oostenrijk NepalJamaica
Polen NicaraguaKaapverdië
Portugal OezbekistanKiribati
Roemenie PanamaLaos
Rusland SenegalLesotho
Saoedi-Arabië Sri LankaLiberia
Singapore SudanMadagaskar
Slovenië SyriëMalediven
Slowakije TadzjikistanMarshalleilanden
Spanje Trin/Tob. Martinique
Taiwan TsjaadMauritius
Thailand TurkmenistanMicronesië
Tsjechië UgandaMyanmar
Turkije UruguayN.Marian.
VK Wit RuslandNamibië
VS ZambiaNauru
Zuid-Afrika ZimbabweNiger
Zuid-Korea  Niue
Zweden  Noord-Korea
Zwitserland  Nw.Caled.
Argentinië  Puerto Rico
   Palestijnse Gebieden
   Palau
   Paraguay
   Pitcairn
   PNG
   Reunion
   Rwanda
   S.Leone
   S.Tome/Principe
   Salomonseilanden
   Samoa
   San Marino
   Seychellen
3-sterren2-sterren1-ster0-sterren
   Somalië
   St.Kitts/Nevis
   St.Lucia
   St.Vincent/Grenadin.
   Swaziland
   Togo
   Tokelau
   Tonga
   Turks/Caicoseil.
   Tuvalu
   Vanuatu
   Wallis&Fortuna

Bijlage 2 – bij het antwoord op vraag 165

3 Landtotaal gedetineerdwaarvan drugs
Antigua-and-Barbuda11
Argentinië55
Australië2823
Barbados55
België6926
Bermuda11
Brazilië4140
Bulgarije75
Cambodja10
Canada22
China11
Colombia1111
Costa Rica1111
Cuba1515
Cyprus20
Denemarken2619
Dominicaanse Republiek6564
Duitsland375288
Ecuador2222
Egypte31
Eritrea10
Filipijnen10
Finland11
Frankrijk241200
Frans Guyana2524
Ghana10
Griekenland129
Guadeloupe31
Honduras11
Hongarije113
Ierland65
IJsland11
India21
Indonesië55
Italië9383
Jamaica1816
Japan2625
Kaapverdië22
Kroatië33
Luxemburg62
Maagden eilanden (UK)10
Malta33
Marokko5145
Mexico1010
Nieuw Zeeland54
Noorwegen3027
Oostenrijk2218
Pakistan33
Panama76
Paraguay11
Peru4746
Polen52
Portugal3231
Roemenië63
Rusland11
Servië en Montenegro44
Slovenië10
Slowakije10
Spanje170150
Sri Lanka30
Suriname132126
Thailand139
Togo10
Trinidad en Tobago1110
Tsjechië20
Tunesië11
Turkije3528
Ukraine22
Venezuela4847
Verenigd Koninkrijk218191
Verenigde Staten van Amerika169143
Vietnam21
Zuid Afrika53
Zweden2929
Zwitserland1612
   
 22371 878

Bijlage 3 – bij het antwoord op vraag 165

statusaantal
huisarrest19
gedetineerd1 479
voorwaardelijk vrijgelaten16
voorarrest246
onbekend477

Bijlage 4 – bij het antwoord op vraag 169

Vertegenwoordiging120032004 per 13-10-04 Vertegenwoordiging120032004 per 13-10-04
Abidjan11 Lagos1611
Abuja4 Londen77
Accra45 Luanda1
Addis Abeba1 Madrid21
Algiers62 Manilla52
Amman1 Moskou77
Ankara1410 Mumbai1
Antwerpen1 Nairobi21
Athene1 New Delhi42
Bamako2 Paramaribo63
Bangkok114 Peking42
Barcelona21 Pretoria42
Beiroet11 Quito1
Belgrado1 Rabat149
Boedapest1 Riga1
Bogotá55 Riyad1
Brasilia2 Sana'a1
Canberra2 Santo Domingo23
Colombo28 Sarajevo2
Dakar3 Seoel1
Damascus65 Skopje22
Dhaka21 Sofia11
Djedda1 St. Petersburg32
Dubai1 Teheran55
Guangzhou11 Tbilisi2
Havana2 Tirana2
Islamabad59 Washington11
Istanbul33 Yaoundé2
Jakarta1511    
Kaapstad12    
Kairo57    
Karachi6    
Khartoem2    
Kiev39    
Kigali11    
Kingston1    
Kinshasa32    
Kopenhagen1 Totaal20421692

1 Klachten betrekking hebbende op gedragingen van een honorair consulaat, zijn geregistreerd bij de ambassade in het desbetreffende land.

2 In het overzicht zijn ook de klachten verwerkt die bij de Nationale ombudsman zijn voorgelegd.

Visumaanvragen ingediend op posten20032004 per 13-10-04
Totaal374 501300 815

XNoot
1

Samenstelling: Leden: Rijpstra (VVD), Dijksma (PvdA), De Haan (CDA), Voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GL), Timmermans (PvdA), Ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Geluk (VVD), Wilders (Groep Wilders), Van Baalen (VVD), Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GL), Huizinga-Heringa (CU), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Van der Laan (D66), Brinkel (CDA), Szabó (VVD) en Jonker (CDA).

Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Dubbelboer (PvdA), Van Fessem (CDA), Samsom (PvdA), Vos (GL), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam, MFA (PvdA), Oplaat (VVD), Van Miltenburg (VVD), Hirsi Ali (VVD), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Vacature (algemeen), Waalkens (PvdA), Dittrich (D66), Van Winsen (CDA), Veenendaal (VVD) en Kortenhorst (CDA).

Naar boven