Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529800-III nr. 29

29 800 III
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Algemene Zaken, het Kabinet der Koningin en de Commissie van toezicht betreffende inlichtingen- en veiligheidsdiensten (III) voor het jaar 2005

nr. 29
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 24 augustus 2005

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft de volgende vragen over de brief met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Kalsbeek over het Koninklijk Huisarchief d.d. 19 april 2005 (29 800 III, nr. 23) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken voorgelegd.

De vragen en de daarop door de minister-president, minister van Algemene Zaken gegeven antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Noorman – den Uyl

Adjunct-griffier van de commissie,

Franke

1

Kan de Kamer afschriften ontvangen van de statuten van beide stichtingen die het Koninklijk Huisarchief beheren en van het reglement dat voor het Koninklijk Huisarchief is opgesteld?

De statuten van beide stichtingen liggen ter inzage bij de Kamer van Koophandel Haaglanden. Verzoeken tot het ontvangen van afschriften van reglementen van particuliere archieven dienen niet aan de overheid, maar aan de beheerder van die archieven te worden gericht.

2

Deelt de regering de stelling dat het Koninklijk Huis gezien zijn staatsrechtelijke functie in elk geval voor een deel als overheidsorgaan moet worden aangemerkt? Deelt zij tevens de stelling dat daardoor het Koninklijk Huisarchief in elk geval voor een deel als een overheidsarchief moet worden aangemerkt?

Neen. Het Koninklijk Huis is geen staatsrechtelijke functie. De Wet Lidmaatschap Koninklijk Huis bepaalt welke personen het lidmaatschap hebben en welke rechtsgevolgen daar aan verbonden zijn. Het constitueert geen orgaan. Het Koninklijk Huisarchief is geen overheidsarchief, maar een particulier archief.

3

Wie bepaalt op grond van welke criteria welke bescheiden in het Koninklijk Huisarchief zijn aan te merken als overheidsbescheiden en daarom onverwijld aan het Kabinet van de Koningin moeten worden overgedragen?

De directeur van het Koninklijk Huisarchief overlegt met de directeur van het Kabinet der Koningin en met de directeur van het Nationaal archief indien over de aard van bepaalde bescheiden twijfel kan bestaan of deze moeten worden aangemerkt als overheidsbescheiden. Voor de vraag wat overheidsbescheiden zijn, gelden de criteria van de Archiefwet.

4

a. Is de conclusie juist dat de directeur van het Koninklijk Huisarchief bepaalt of en wanneer er twijfel bestaat over de aard van een archiefstuk, waarna hij in overleg zal treden met de directeur van het Nationaal Archief?

De directeur van het Koninklijk Huisarchief zal in deze gevallen in overleg treden met de directeur van het Kabinet der Koningin en de directeur van het Nationaal Archief

b. Ligt het, gelet op de (staatsrechtelijke) positie van enerzijds de directeur van het Koninklijk Huisarchief, onderdeel van de hofhouding zoals bedoeld in artikel 41 van de Grondwet en daarmee rechtstreeks verantwoording schuldig aan de Koningin en anderzijds de directeur van Nationaal Archief, op grond van de Archiefwet 1995 belast met het beheer van nationale overheidsarchieven, niet veeleer voor de hand om de directeur van het Nationaal Archief te laten bepalen of een archiefstuk in het Koninklijk Huisarchief vanwege het openbaar belang moet worden aangemerkt als een overheidsarchief? Zo neen, waarom niet?

Neen. Artikel 10 en 11 van de Archiefwet verplichten alle beheerders van archiefbescheiden, en dus ook de directeur van het Koninklijk Huisarchief, archiefbescheiden af te staan aan een overheidsorgaan waaronder zij zouden behoren te berusten. In deze wettelijke bepaling ligt het vertrouwen dat de directeur van het Koninklijk Huisarchief zoals ieder die archiefbescheiden onder zich heeft, conform zal handelen.

c. Kan de rijksarchiefinspectie, die immers toezicht houdt op overheidsarchieven, een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van bescheiden die zijn aan te merken als overheidsarchieven? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

De directeur van het Nationaal Archief heeft geen wettelijke bevoegdheid ten aanzien van deze beoordeling bij een particulier archief. Evenzeer beperkt de wettelijke taak van de Rijksarchiefinspectie zich tot het toezicht op het archiefbeheer van organen van de centrale overheid.

5

Hoe verhoudt de stelling van de minister-president dat stukken die betrekking hebben op de functie van het staatshoofd «berusten bij het Kabinet van de Koningin» zich met de mededeling dat er «in algemene zin geen aanwijzingen» zijn dat zich «verdwaalde» stukken in het Koninklijk Huisarchief bevinden? Is de conclusie juist dat het kabinet ook niet zeker weet dat zich geen overheidsarchieven in het Koninklijk Huisarchief bevinden? Is het, mede vanwege voortdurende speculaties over de plaats en de status van archiefstukken, niet beter dat hierover dat deskundigen van buiten het Koninklijk Huisarchief, bijvoorbeeld de directeur van het Nationaal Archief, volstrekte duidelijkheid bieden?

Er berusten geen overheidsarchieven in het Koninklijk Huisarchief. De vraag is of er individuele «afgedwaalde stukken» zijn. Daar heeft de directeur van het Koninklijk Huisarchief onderzoek naar gedaan. Op grond van dit onderzoek heeft het kabinet daar geen aanwijzingen voor. De directeur van het Koninklijk Huisarchief heeft mij verzekerd dat wanneer er zich in de onlangs uit paleis Soestdijk naar het Koninklijk Huisarchief overgebrachte archieven «afgedwaalde» stukken mochten bevinden, deze onverwijld ter hand zullen worden gesteld aan de directeur van het Kabinet der Koningin.

6

a. Was het overzicht van de archieven in het Koninklijk Huisarchief in 1992 op dat moment compleet? Zo neen, waarom niet? Wie heeft deze inventaris opgesteld?

Ter beantwoording van deze vragen heeft de directeur van het Koninklijk Huisarchief mij het volgende meegedeeld. Zijn ambtsvoorganger is eind jaren '80 door de Vereniging van Archivarissen in Nederland benaderd met de vraag of het Koninklijk Huisarchief zijn medewerking wilde verlenen aan de «Uitgave van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefplaatsen in Nederland».

Hierop is positief gereageerd. Dit heeft erin geresulteerd dat in het laatste deel van de serie «Particuliere archieven in Nederland (1992)»een overzicht is opgenomen van de archieven en verzamelingen in het Koninklijk Huisarchief. Dit overzicht is compleet met dien verstande dat een zestal archieven hierin niet is opgenomen. Het betreft hier vijf archieven van particuliere aard die onder strikt embargo zijn geschonken of in bruikleen zijn gegeven, deels met de bepaling dat ook de directeur van het Koninklijk Huisarchief vooralsnog geen kennis mag nemen van de inhoud. Het zesde archief betreft het archief gevormd door het Driemanschap («Commissie Beel») dat in 1956 onderzoek verrichtte naar het zogenaamde Hofconflict. Dit archief bevindt zich sinds 8 juli 1957 op het Koninklijk Huisarchief.

b. Is bij het opstellen van deze inventaris de vraag gesteld en beantwoord welke stukken moeten worden aangemerkt als overheidsarchief?

Bij het opstellen van de inventaris is bezien of er stukken moesten worden aangemerkt als overheidsbescheiden. Dit bleek niet het geval te zijn.

c. Is voorzien in een aanvulling op de inventaris uit 1992? Zo ja, wanneer? Is de regering bereid de inventaris uit 1992 zo nodig te laten completeren en is zij bereid deze te actualiseren?

Een actualisering van het overzicht door het Koninklijk Huisarchief zal vermoedelijk eerst verschijnen nadat de archieven van Koningin Juliana en Prins Bernhard zullen zijn geïnventariseerd.

7

Op grond waarvan is het kabinet ervan «verzekerd» dat de directeur van het Koninklijk Huisarchief «verdwaalde» archiefbescheiden onverwijld over zal dragen aan de directeur van het Kabinet van de Koningin? Tussen wie en op welk moment is afgesproken zo veel mogelijk te handelen naar analogie van het geen in de Archiefwet is bepaald? Waarom wordt «zoveel mogelijk» naar analogie van de wet gehandeld en niet volledig?

Op grond van de verplichting voortvloeiende uit artikel 10 en 11 van de Archiefwet in combinatie met de ervaringen van de afgelopen decennia. Het kabinet wijst er met klem op dat het bestaan van bescheiden die als «afgedwaald stuk» kunnen worden betiteld, niet aannemelijk is gemaakt.

Er mag gelezen worden «zo veel mogelijk overeenkomstig». De directeur van het Koninklijk Huisarchief zal geen beroep doen op bepaalde in het tweede lid van artikel 11 van de Archiefwet. Hij stelt derhalve zich ruimhartiger op dan waartoe hij verplicht is volledig overeenkomstig die Archiefwet.

8

Wie heeft onderzoek gedaan naar de vraag of de correspondentie tussen Koningin Juliana en Prins Bernhard en President Kennedy over Nieuw Guinea in het Koninklijk Huisarchief aanwezig is? Is de naar het Nationaal Archief overgebrachte correspondentie inmiddels raadpleegbaar?

De tekst van de desbetreffende motie van de Tweede Kamer is ter kennis gekomen van de directeur van het Koninklijk Huisarchief. Hij heeft vervolgens onderzoek gedaan.

Ja, de correspondentie is raadpleegbaar.

9

Hoe verhoudt zich de stelling dat het rapport van de commissie-Beel een privé-aangelegenheid betreft met het geen de minister-president hierover opmerkte tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de begroting Algemene Zaken voor het jaar 2005 te weten «Dit is misschien een casus waarbij vijftig jaar na dato wellicht discussie mogelijk is in hoeverre dit een volledig particuliere kwestie is»? Is de regering, mede gelet op het gememoreerde «historisch belang» van de kwestie, de wenselijkheid om aan bijna vijftig jaar voortdurende speculaties over deze kwestie een einde te maken en het feit dat Prins Bernhard en Koningin Juliana zelf niet meer leven, bereid het dossier-Beel in het Koninklijk Huisarchief zo snel mogelijk openbaar te maken? Zo neen, waarom niet? Welke termijn staat de regering dan voor ogen? Wat bedoelt de regering precies met de «wetenschappelijk verantwoorde manier» van openbaarmaking die men voor ogen staat?

De stelling van het kabinet luidde bij de behandeling van de begroting van Algemene Zaken voor het jaar 2005 «dat dit deenige casus [is] waarbij er vijftig jaar na dato wellicht discussie mogelijk is over de vraag in hoeverre dit eenvolledig particuliere kwestie was». Dat het desalniettemin in de kern om een privé-aangelegenheid binnen een huwelijk ging is, onder verwijzing naar de dienovereenkomstige stellingname door minister-president Drees destijds in de Tweede Kamer, daarbij voorop gesteld. Van afgedwaalde overheidsbescheiden in het Koninklijk Huisarchief is, zoals gezegd, geen sprake.

Het kabinet rekent het tot zijn plicht om de persoonlijke levenssfeer van nog in leven zijnde personen te beschermen. Hetzelfde geldt voor de directeur of de bestuurder van het Koninklijk Huisarchief. Ook na het overlijden van Koningin Juliana en Prins Bernhard blijft deze plicht onverkort bestaan.

Wat de openbaarmaking betreft van het rapport van de Commissie Beel en de andere archivalia van de Commissie moet worden opgemerkt dat het hier gaat om archiefstukken die zich bevinden in het Koninklijk Huisarchief. Omdat het Koninklijk Huisarchief een particulier archief is gaat de regering niet over de openbaarmaking van de zich aldaar bevindende stukken.

Zoals onlangs bekend is gemaakt zal Professor Fasseur binnenkort een onderzoek aanvangen ten behoeve van een door hem te schrijven monografie over het zg Hofconflict, dat zich van 1948 tot 1957 voornamelijk op Paleis Soestdijk heeft voltrokken. Prof. Fasseur zal inzage krijgen in alle zich op het Koninklijk Huisarchief bevindende relevante bronnen. Het rapport van de Commissie Beel zal ook worden betrokken bij Fasseurs onderzoek. Aangenomen mag worden dat in dat kader rond de verschijning van Fasseurs monografie het rapport Beel openbaar zal worden gemaakt door de bestuurder van het Koninklijk Huisarchief.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Kalsbeek (PvdA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), voorzitter, Vos (GL), Cornielje (VVD), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), De Pater-van der Meer (CDA), Duyvendak (GL), Wolfsen (PvdA), Spies (CDA), Eerdmans (LPF), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Van Fessem (CDA), Smilde (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (Groep Nawijn), Boelhouwer (PvdA), Van Hijum (CDA), Nijs (VVD), Vacature (SP).

Plv. leden: De Vries (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Fierens (PvdA), Halsema (GL), Van der Sande (VVD), Dubbelboer (PvdA), Kant (SP), Vacature (VVD), Slob (CU), Hirsi Ali (VVD), Szabó (VVD), Rambocus (CDA), Van Gent (GL), Vacature (PvdA), Çörüz (CDA), Van As (LPF), Van Haersma Buma (CDA), Koser Kaya (D66), Bruls (CDA), Van Bochove (CDA), Algra (CDA), Hamer (PvdA), Varela (LPF), Leerdam, MFA (PvdA), Eski (CDA), Balemans (VVD), Vergeer (SP).