Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29764 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29764 nr. 6 |
Vastgesteld 22 december 2004
De vaste commissie voor Financiën1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.
| Blz. | ||
| • | Algemeen | 2 |
| • | Inleiding | 2 |
| • | Doelstelling | 3 |
| • | Ministeriële verantwoordelijkheid | 7 |
| • | Uitgebrachte adviezen | 8 |
| • | Administratieve lasten | 9 |
| • | Toetsingsinkomen | 9 |
| • | Toetsingsinkomen in het berekeningsjaar | 10 |
| • | Vermogenstoets | 13 |
| • | Wijziging vermogenstoets | 14 |
| • | Partnerbegrip | 16 |
| • | Medebewoner | 18 |
| • | Kind | 18 |
| • | Uitvoering | 19 |
| • | Hoofdlijn | 20 |
| • | Klantgerichte procedure | 21 |
| • | Voorschot en eindafrekening | 22 |
| • | Handhavingsbeleid | 23 |
| • | Terugvordering | 24 |
| • | Bestuurlijke boete | 25 |
| • | Rente | 26 |
| • | Inkomenseffecten | 27 |
| • | Huursubsidie | 28 |
| • | WTOS en WSF 2000 | 30 |
| • | Uitvoeringskosten | 32 |
| • | Implementatie | 34 |
| • | Delegatiebepalingen | 35 |
| • | Voorlichting | 35 |
| • | Evaluatie | 35 |
| • | Artikelsgewijze toelichting | 35 |
| • | VNG Commentaar | 38 |
Met belangstelling hebben de leden van de CDA-fractie, PvdA-fractie, VVD-fractie, SP-fractie, LPF-fractie, GroenLinksfractie, D66-fractie, ChristenUniefractie en SGP-fractie kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel dat de harmonisatie van het begrippenkader voor inkomensafhankelijke regelingen betreft.
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd dat mede met dit wetsvoorstel het element in het Hoofdlijnenakkoord dat een vergaande stroomlijning van inkomensafhankelijke regelingen beoogt, wordt vormgegeven.
Zo zet de regering verdere stappen op weg naar een nieuw stelsel van inkomensondersteuning. Dit stelsel zal gebaseerd moeten zijn op de huidige draagkracht van een huishouden. Van bepaalde kosten moet het beslag op het inkomen gemaximeerd worden: de rest draagt de overheid dan bij middels een toeslag.
Het huidige stelsel, zo schrijft de regering, is een niet coherent systeem en bovendien ondoorzichtig voor de burger. Dit wetsvoorstel zal daar een verbetering in aanbrengen.
Door de harmonisatie van het inkomensbegrip en het partnerbegrip zullen armoedevallen gemakkelijker bestreden kunnen worden en kan werkelijke compensatie plaatsvinden om de koopkracht van huishoudens te beschermen. Hiermee wordt de bureaucratie beperkt.
Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat door gemaakte keuzes in het voorliggend wetsvoorstel een toeslag nu vooruit betaald kan worden, in plaats van de huidige situatie waarbij inkomensafhankelijke tegemoetkomingen altijd achteraf worden uitbetaald?
Ook wordt met dit wetsvoorstel de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen conform het regeerakkoord ondergebracht bij de Belastingdienst Toeslagen, onderdeel van de Belastingdienst: één uitvoerende instantie past bij de bestrijding van bureaucratie. Er hoeven door burgers minder – of geen – formulieren ingevuld te worden, terwijl de overheid geen onnodig duplicerende taken meer zal hebben.
Voorliggend wetsvoorstel kent een aantal inkomenseffecten. Dit is naar de mening van de leden van de CDA-fractie noodzakelijk om onder meer de doelstelling verminderen van de armoedeval te realiseren. Kan de regering aangeven wat voor de huidige onder dit wetsvoorstel vallende regelingen de marginale druk over het inkomenstraject zal worden?
Harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen is een wenselijke ontwikkeling menen de leden van de PvdA-fractie. De uitgangspunten meer transparantie voor de burger, vermindering van administratieve lasten, meer effectieve aanpak van de armoedeval en het tegengaan van niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen achten deze leden van belang. Over de door de regering gekozen uitwerking van deze uitgangspunten hebben de leden van de PvdA-fractie kritische vragen. Deze leden zijn op onderdelen niet overtuigd van de van de gekozen oplossingen.
Bij de beoordeling van het wetsvoorstel Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna:Awir) hebben de leden van de PvdA-fractie vooral gelet op de volgende zeven punten (in willekeurige volgorde):
• Duidelijkheid voor aanvragers en andere betrokkenen;
• Transparantie van het stelsel van inkomensafhankelijke regelingen;
• De juiste privacywaarborgen voor alle betrokkenen;
• Een goede hardheidsclausule en vangnetregeling;
• Snelle aanpassing van voorschotten bij tussentijdse inkomensveranderingen;
• Een zo laag mogelijk volume van terug te vorderen voorschotten, waarbij eventuele terugvordering op geleidelijke wijze plaatsvindt;
• Een eerlijke verdeling van lasten, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, omdat dit principe de legitimatie vormt voor inkomensafhankelijke regelingen.
De leden van de PvdA-fractie zetten vraagtekens bij de korte invoeringstermijnen, het hoge afbreukrisico van zeer grootscheepse omzettingen van 1 miljoen huursubsidietoekenningen gezien de ervaringen uit het recente verleden van de gewijzigde uitvoering van de huursubsidie van corporaties naar gemeenten; de invoering van een nieuw systeem van zorgtoeslagen en de invoering van een nieuw systeem van de kosten van kinderopvang waarvan het niet-gebruik zorgwekkend hoog lijkt te zijn. De harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen zou niet-gebruik juist moeten tegengaan, menen deze leden.
Ook het systeem van vaststelling achteraf van substantiële inkomensafhankelijke toeslagen en de stapeling daarvan roept vragen en bedenkingen op over de transparantie van het systeem voor de burger en de keuzevrijheid of beïnvloedbaarheid door de burger zelf van het inkomensresultaat, zo stellen de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de fractie van GroenLinks vinden in het algemeen dat inkomenspolitiek zoveel mogelijk via de belastingen moet plaatsvinden. Om dat op een goede manier te kunnen doen is het van groot belang dat het begrip «negatieve» belasting niet langer door een taboe wordt omgeven. De methode van toeslagen en de bijbehorende bureaucratische rondpompmethode is naar de mening van de leden van de fractie van GroenLinks een «second best»-methode om lagere en middeninkomens tegemoet te komen.
De leden van de fractie van de SGP vinden het met name van belang dat de overheid in de communicatie richting de burger zoveel mogelijk uitgaat van een eenduidig begrippenkader.
Het toepassingsgebied van de voorgestelde wet strekt zich uit tot regelingen voor zorg, kinderen en wonen die op of na 1 januari 2006 van kracht zullen zijn. In de toelichting worden enkele wetten genoemd waarvoor dit zal gelden. Tegelijkertijd spreekt de toelichting van uitbreiding van de regeling tot het op zo kort mogelijke termijn onder deze regels brengen van reeds bestaande inkomensafhankelijke regelingen. Er wordt alleen niet duidelijk gemaakt voor welke regelingen de regering die uitbreiding wil gaan toepassen. Kan hierover meer duidelijkheid worden gegeven? Aan welke andere regelingen denkt de regering concreet?
In de toelichting meldt de regering dat de heterogeniteit van regelingen het moeilijk maakt de armoedeval scherp in beeld te krijgen en deze ook daadwerkelijk te bestrijden. De leden van de SGP-fractie vragen of deze opmerking op de eerste bladzijde in het algemeen is bedoeld, of dat er specifiek aandacht is voor deze wet. Voor zover deze leden begrijpen, verandert dit wetsvoorstel niets aan de regelingen rond zorgtoeslag, huursubsidie en kinderopvang als zodanig. Ook is dit wetsvoorstel alleen gericht op het geven van algemene regels rond de uitvoering. Graag ontvangen zij een bevestiging van hun overtuiging dat de enige financiële gevolgen voor de burger voortvloeien uit wijziging van het peiljaar. Ook zouden zij graag een toelichting ontvangen op de gedachte dat bestrijden van de armoedeval plaats kan vinden door stroomlijning van de uitvoering.
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd over de doelstellingen van dit wetsvoorstel. Toch hebben genoemde leden wel nog wel enkele vragen bij de wijze waarop de door de regering geformuleerde doelstellingen invult.
De regering stelt dat het doel van de wet is om via stroomlijning meer transparantie voor de burger te realiseren. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering uitvoerig toe te lichten hoe de transparantie toeneemt, en waar de onduidelijkheid in het huidige systeem zit ten opzichte van het nieuwe systeem voor de onderhavige regelingen. Is het niet zo dat de starheid van het nieuwe systeem die de wijzing op de toeslag tijdens het rekenjaar niet toestaat (behoudens overlijden en echtscheiding), leidt tot veel minder transparantie dan het huidige systeem van huursubsidie? Naar het oordeel van deze leden geeft het huidige stelsel meer duidelijkheid over de hoogte van de huursubsidie dan het nieuwe stelsel. Genoemde leden vragen een verduidelijking van de opvatting van de regering inzake transparantie van de toekenning van de inkomensafhankelijke regeling. Is het werkelijk niet mogelijk om tijdens een rekenjaar de toeslag vanwege inkomens wijzing te wijzigen, zo vragen deze leden.
De leden van de PvdA-fractie vragen een toelichting op de doelen van de wet Awir. Een van de doelen is een meer effectieve aanpak van de armoedeval. De regering definieert deze armoedeval als een situatie waarin aanvaarding van betaalde arbeid een gering of zelfs een negatief effect heeft op het besteedbaar inkomen. Nu heeft de regering het voornemen om meer dan 900 miljoen euro in 2006 in het kader van de Zorgwet uit te keren aan mensen met een inkomen boven modaal (€ 30 000 per jaar). Is dat in het kader van het bestrijden van de armoedeval? Over welke vorm van armoedebestrijding gaat het dan? Is er sprake van extra werkloosheid rond het inkomen van € 29 000 tot € 32 000? Zo ja, hoeveel?
Heeft de regering een andere overweging in het kader van de wet Awir of de Zorgwet om zulk een forse inkomensondersteuning te verstrekken? Indien beoogd wordt dat de inkomensafhankelijke maatregelen geleidelijke afgebouwd worden, welke criteria zouden dan moeten gelden? De leden van de PvdA-fractie vragen een uitvoerige argumentatie voor de criteria die gelden vanaf een modaal inkomen.
Aangezien een aanzienlijk gedeelte van het geld voor inkomensafhankelijke regelingen in de regeringsplannen ten goede komt aan mensen met bovenmodale inkomens, vragen deze leden de regering aan te geven welke mate van «deadweight loss» zij aanvaardbaar acht. Bij «deadweight loss» gaat het in dit geval om verstrekking van inkomensafhankelijke toeslagen aan mensen die deze strikt genomen niet nodig hebben, en voor wie die verstrekking daarom geen invloed op hun gedrag heeft. Ook vragen genoemde leden de regering in kaart te brengen hoe groot de «deadweight loss» is die zal optreden als gevolg van de invoering van de voorstellen Awir en Aanpassingswet Awir.
Tot de doelen van de Awir behoort ook het tegengaan van niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in welke mate sprake is van niet-gebruik van de onderhavige inkomensafhankelijke regelingen door burgers die er wel voor in aanmerking komen. Deze leden vragen een precieze opgave van aantallen en percentages van personen per regeling die wel recht hebben op de in dit wetsvoorstel op genomen regelingen, maar daarvan tot op heden geen gebruik van maken. Indien geen exacte cijfers beschikbaar zijn, dan graag een raming van de aantallen.
De regering streeft naar een verdere uitbouw van het bereik van de Awir in de komende jaren. Welke bestaande regelingen komen volgens de regering nog meer (op termijn) in aanmerking? Graag een uitvoerige inventarisatie van bedoelde regelingen waarbinnen zo mogelijk ook een volgorde van behandeling wordt aan gegeven.
Een van de hulpmiddelen die worden ingezet in Awir om het niet-gebruik tegen te verminderen, is het automatisch continueren van de aanvragen. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom in het kader van Awir niet is gekozen voor het automatisch toekennen van toeslagen aan burgers van wie uit overheidsbestanden blijkt dat zij rechthebbende zijn?
In het verslag van het Algemeen overleg over de Elektronische overheid (d.d. 14.06.2004) heeft de staatssecretaris van Financiën gezegd dat subsidies alleen na aanvraag mogen worden verstrekt, omdat burgers het principiële recht hebben om subsidie te weigeren. Is dat inderdaad het standpunt van de regering, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Het weigeren van een subsidie kan toch ook na toekenning plaats vinden? Daarvoor behoeft toch niet eerste een heel administratief proces van aanvragen en formulieren invullen worden opgestart met een hoog risico op niet-gebruik?
Is de regering bereid te werken aan een systeem in de sociale zekerheid waarin de burger automatisch een toeslag krijgt toegekend, indien uit een van de basisadministraties van de overheid blijkt dat iemand rechthebbende is? En dat maximaal met een handtekening op een vooraf door de overheid ingevuld formulier kan worden volstaan? En dat de relevante gegevens maar éénmaal door de overheid of een aan de overheid gekoppelde instellingen mogen worden gevraagd?
Hoe lang heeft de regering nodig om zulk een systeem te ontwikkelen?
De leden van de PvdA-fractie vragen een inventarisatie van de bestandskoppelingen die in de komende vijf jaar tot stand zullen kunnen komen waardoor het aanvragen van inkomensafhankelijke regelingen of wijzigingen binnen het inkomen automatisch tot aanpassingen kunnen leiden. Dat zou de burger ontlasten van formulieren en dubbele aanvragen bij verschillende loketten.
De regering maakt haast met de invoering van de wet Awir. De leden van de PvdA-fractie vragen of het wel zo verstandig is om veel regelingen tegelijkertijd te veranderen. Is het niet zo dat vele uitvoeringsorganen op dit moment volop met verandering bezig zijn? Is er geen zorg bij de regering om een aantal lastige regelingen die miljoenen mensen treffen, tegelijkertijd aan te pakken? Is het niet beter om bijvoorbeeld de huursubsidie pas na twee jaar toe te voegen aan het Awir-systeem?
De leden van de PvdA-fractie vinden dat een zo verstrekkend wetsvoorstel in voldoende mate zichtbaar moet maken wat de inkomenseffecten van het wetsvoorstel zullen zijn. Natuurlijk zal de regering bij het maken van de begroting 2006 op onderdelen bijstelling van de inkomenseffecten verzorgen. Deze leden achten het van belang het vertrekpunt van de inkomensreparatie 2006 te kennen zoals die voortvloeit uit het wetsvoorstel Awir, de Zorgwet, de kosten kinderopvang, huursubsidie en bundeling fiscale kinderkortingen en de afbouw daarvan. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat de gekozen uitgangspunten in de wet Awir en de samenhangende wetgeving tot inkomenseffecten leiden die per saldo ongewenst zijn, en die via de wetsystematiek niet meer goed aanpasbaar zijn. Genoemde leden vragen daarom om een uitvoerige uitwerking van de inkomenseffecten van het wetsvoorstel en samenhangende andere inkomenseffecten voor 2006 en verder jaren zoals in deze inbreng onder het kopje «Inkomenseffecten» (§ 4.0 is aangegeven).
Kan de regering aangeven voor welke van de huidige inkomensafhankelijke regelingen het begrippenkader van Awir nog een brug te ver is? Op welke onderdeel van het begrippenkader heeft dat dan betrekking in de betreffende regeling? Welke inkomensafhankelijke regelingen zijn in dat kader verder onderzocht? Welke nieuwe inkomensafhankelijke regelingen zijn nog niet opgenomen, maar zullen in 2006 wel worden opgenomen? De leden van de PvdA-fractie vragen de regering de vragen in deze alinea te beantwoorden met een volledig overzicht, waaruit niet alleen de grootte van de doelgroepen blijkt waarop de betreffende regelingen van toepassing zijn, maar ook het financiële volume van de betreffende regelingen.
Is de regering bereid de fiscale ouderenkorting op te nemen in Awir? Zo ja, per 1 januari 2006? Zo nee, waarom niet? Is de regering van plan om de fiscale kinderkortingen in Awir op te nemen? Zo ja, wanneer komt dat voorstel naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Is het de bedoeling dat andere inkomensafhankelijke regelingen al per 1 januari 2006 door de Belastingdienst Toeslagen worden uitgevoerd? (p 2). Welke wetvoorstellen voor wijziging van de materiewetten kunnen voor 1 januari 2006 nog de Kamer bereiken?
De vele doelen die Awir dient, doen de vraag rijzen wanneer deze wet als doeltreffend kan worden beschouwd. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering specifiek, meetbaar, afrekenbaar, realistisch en tijdgebonden aan te geven in welke situatie Awir zijn doelen heeft bereikt. Het gaat dan met name om hogere transparantie, vermindering uitvoeringskosten, aanpak armoedeval en tegengaan van niet-gebruik.
De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel een stroomlijning van inkomensafhankelijke regelingen beoogt en een meer effectieve aanpak van de armoedeval. Echter, om de armoedeval aan te pakken moet vooral aandacht uitgaan naar afschaffing van regelingen welke verantwoordelijk zijn voor de armoedeval. Hoe bevordert meer transparantie van inkomensafhankelijke regelingen een meer effectieve aanpak van de armoedeval?
Deze leden merken tevens op dat de doelstellingen van het wetsvoorstel niet geoperationaliseerd zijn in concrete meetbare prestatie-indicatoren.
Kan de regering in concrete meetbare prestatie-indicatoren aangeven welke doelstellingen zij nastreeft met dit wetsvoorstel? Wordt thans reeds een grenseffect rapportage voorbereid?
De leden van de SP-fractie steunen de doelen van het wetsvoorstel: meer duidelijkheid voor de burger bij inkomensafhankelijke regelingen, lagere uitvoeringskosten, aanpak van de armoedeval, en het tegengaan van niet-gebruik door burgers. Hoe die doelen bereikt worden door het wetsvoorstel is echter onvoldoende duidelijk. Hoe neemt de duidelijkheid voor burgers nu concreet toe anders dan dat de uitvoering bij één instantie (de Belastingdienst) terechtkomt? Zorgt uitvoering door de Belastingdienst niet juist voor onduidelijkheid doordat burgers de Belastingdienst vooral zien als heffende instantie en niet als subsidie verstrekker? Hoe kan de Tweede Kamer na de invoering toetsen of de duidelijkheid voor de burgers echt is toegenomen? Zijn hier concrete meetbare doelstellingen voor geformuleerd? Het is de leden van de SP-fractie niet duidelijk hoe het wetsvoorstel de armoedeval verminderd. De op pagina 1 van de memorie van toelichting genoemde extra duidelijkheid over inkomensafhankelijke regelingen kan toch moeilijk als aanpak van de armoedeval gezien worden. Kan de regering dit ophelderen?
De leden van de SP-fractie zijn zeer benieuwd naar de concrete manier waarop dit wetsvoorstel het niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen zal tegengaan. Kunnen hier concrete doelstellingen geformuleerd worden? Is het juist dat dit percentage bij de huursubsidie op ongeveer 1/3 ligt? Zijn er meer cijfers over het niet-gebruik bij andere inkomensafhankelijke regelingen bekend? Ziet de SP-fractie het juist dat in het geval van de huursubsidie de Belastingdienst kan constateren dat belastingplichtigen onder de inkomensgrens zitten en geen eigen woning hebben? Gaat de Belastingdienst potentiële gebruikers actief benaderen? Wordt er ook rekening gehouden met toename van het niet-gebruik door angst voor brieven met het logo van de Belastingdienst?
De leden van de LPF-fractie wensen allereerst te kennen te geven dat zij van harte het streven van de regering ondersteunen om de uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen te stroomlijnen en te centraliseren in een centrale subsidiedienst gekoppeld aan de Belastingdienst. Deze stroomlijning moet een betere service aan de burger, meer transparantie, vermindering van de bureaucratie en een meer effectievere aanpak van de armoedeval opleveren. Dit komt geheel overeen met wat deze leden willen en ook zo verwoord is in de motie Van As (28 600 nr. 52), welke door de Tweede Kamer is ondersteund. In deze motie werd ook als doelstelling weergegeven een effectievere aanpak van fraude. Deze zien de leden van de LPF-fractie niet terug in de vier doelstellingen in de memorie van toelichting en zou wat deze leden betreft ook een doelstelling moeten zijn. Kan de regering daarop ingaan?
Waarom is een effectievere fraudebestrijding niet als doelstelling genoemd in de memorie van toelichting?
De leden van de fractie van GroenLinks zijn het eens met de vier hoofddoelstellingen van het wetsvoorstel, te weten meer transparantie, vermindering uitvoeringskosten, aanpak armoedeval, tegengaan niet-gebruik. Deze leden zijn echter zeer teleurgesteld in het inzicht dat wordt gegeven in hoeverre de doelstellingen met het wetsvoorstel worden gehaald. Deze leden vragen of de doelstelling over de armoedeval of slechts gaat over de werkloosheidsval zoals in voetnoot 1 is beschreven?
De leden van de fractie van de ChristenUnie achten het stroomlijnen van de inkomensafhankelijke regelingen, de uniformering van begrippen en het concentreren van de uitvoering bij één uitvoeringsorganisatie een wijs voornemen.
Ministeriële verantwoordelijkheid
De leden van de PvdA-fractie sluiten aan op de kritiek van de Raad van State over de onduidelijkheid van de verantwoordelijkheid voor inkomensafhankelijke regelingen. Deze leden vragen om een meer uitvoerige toelichting waarom voor zulk een diffuse constructie gekozen is.
Is het waar dat binnen de regering de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet alleen de eerstverantwoordelijke voor inkomensbeleid is, maar daarmee ook voor het principe van inkomensafhankelijke regelingen? Wordt door het wetsvoorstel Awir getornd aan deze verantwoordelijkheid, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Waarom is de staatssecretaris van Financiën de eerste ondertekenaar van het onderhavige wetsvoorstel? Is het niet zo dat met name de definitie van begrippen die gelden voor inkomensafhankelijke regelingen en die de departementen overstijgen, onder de eerste verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen? Deze leden vragen hoe deze minister met de Kamer over inkomensafhankelijke regelingen kan debatteren en op welk moment in de begrotingscyclus dit debat kan plaatsvinden. Welke bewindspersoon is na invoering van de wet Awir verantwoordelijk voor wijzigingen in de afbouw van inkomensafhankelijke regelingen? De leden van de PvdA-fractie vinden dat het gehele pakket Awir-maatregelen separaat aan de Kamer moet worden aangeboden tijdens de begrotingscyclus, opdat de beleidsverantwoordelijke bewindspersoon voor inkomensbeleid de integrale koopkrachteffecten kan verdedigen.
Interdepartementale samenwerking en informatie-uitwisseling De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering de convenanten over de samenwerking en de bevoegdheidsverdeling tussen de departementen en de Dienst Toeslagen aan de Kamer voor te leggen. Voorts vragen deze leden op welke wijze en door wie toezicht op de Dienst Toeslagen zal worden uitgevoerd. Wat is de rol van de verschillende inspectiediensten? Hoe denkt de regering zich aan de Kamer te verantwoorden over de uitvoering van het beleid van inkomensafhankelijke maatregelen?
Onderhavig wetsvoorstel brengt met zich mee dat er de nodige interdepartementale samenwerking dient plaats te vinden op het gebied van informatie-uitwisseling, zo merken de leden van de VVD-fractie op. Kan de regering meer inzicht verschaffen in deze interdepartementale samenwerking? Wie heeft het initiatief binnen deze samenwerking. En wanneer zijn de verschillende convenanten gereed die tussen de Belastingdienst Toeslagen en de vakdepartementen gesloten gaan worden? Wordt de Kamer over de inhoud van deze convenanten nog geïnformeerd? Welke minister is eindverantwoordelijk voor het inkomensbeeld en bijpassende koopkrachtplaatjes?
De leden van de SP-fractie vragen zich af of de medewerking van andere overheidsorganisaties voldoende is gewaarborgd. Bij de gewenste uitwisseling van gegevens tussen Nederlandse mededingingsautoriteit en de Belastingdienst bleek dat een expliciete bepaling in artikel 55 AWR niet voldoende was. Zijn dit soort mogelijke barrières voor de uitvoering van dit wetsvoorstel nagegaan?
Verhouding tot de Algemene wet bestuursrecht Wat zijn precies de verschillen in de rechtsgang, bezwaar en beroep tussen de Algemene wet Bestuursrecht, de rechtsgang binnen het belastingsysteem en de in dit wetsvoorstel voorgestelde recht en beroepsgang? Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een schematisch overzicht met toelichting.
Wat zijn de consequenties van het buiten de toepassing brengen van de subsidietitel van de AWB? Ook hierover ontvangen deze leden graag een overzicht.
Waarom is daarvoor gekozen? Juist door de toeslagen niet als een belastingkorting vorm te geven maar als een toeslag of subsidie ligt het toch voor de hand om het als een inkomenssubsidie te beschouwen met de daarbij behorende regelgeving?
Waarom is afgezien van het invoeren van een hardheidclausule? Hoe denkt de regering de problemen die samenhangen met de starheid van het gekozen systeem op te lossen? De starheid van het systeem zit vooral in de onmogelijkheid om tussentijds de hoogte van de inkomensafhankelijke toeslag aan te passen. Gezien de grote veranderingen hechten de leden van de PvdA-fractie aan een volwaardige hardheidsclausule waar alle burgers in beginsel gebruik van kunnen maken. Wat wordt in dit verband bedoeld met een Algemene Maatregel van Bestuur met een limitatieve opsomming? In hoeverre verschilt een fiscale hardheidsclausule met die van de Huursubsidiewet? Overigens mag het naar de mening van de leden van de PvdA-fractie nooit zo zijn dat een mogelijk veelvuldig beroep op de bestuursrechter de reden is om de gang naar de rechter bij voorbaat uit te sluiten.
Ziet de regering mogelijkheden om de informatie over de hoogte van de zorgtoeslag en no-claim zodanig toegankelijk te maken voor de gemeentelijke sociale diensten dat zij chronisch zieken, gehandicapten en ouderen voor categoriale bijstand en bijzondere bijstand actief kunnen benaderen? Is de regering bereid het College Bescherming Persoonsgegevens om advies te vragen over de manier waarop gemeenten door bestandskoppeling het niet-gebruik van voorzieningen kunnen tegen gaan?
In reactie op het advies van de Raad van State hebben de leden van de VVD-fractie nog de volgende vragen. Kan de regering verduidelijken hoe de vermogensbestanddelen van belanghebbende, kapitaalverzekeringen met langlopend karakter maar vooral opbouw van vermogen in het kader van de levensloopregeling, in box 3 met een niet direct opeisbaar karakter passen in de gedachte dat vermogen extra draagkracht geeft? In welke mate zou dit vermogen meer draagkracht geven dan het bezit van een eigen woning?
Naar aanleiding van het advies van het College Bescherming Persoonsgegevens is met betrekking tot gegevensverstrekking door niet-overheidslichamen een delegatiebepaling in artikel 38 opgenomen, op grond waarvan bij Algemene Maatregel van Bestuur natuurlijke personen, vennootschappen, verenigingen en andere rechtspersonen, instellingen en diensten kunnen worden aangewezen. In deze Algemene Maatregel van Bestuur kunnen tevens regels worden gesteld in zake het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer. Kan de regering aangeven hoe de VVD-fractie dit«kunnen» moet interpreteren? Worden regels omtrent het bovenstaande dwingend opgelegd of kan er facultatief gekozen worden of hiertoe wordt overgegaan?
De leden van de SP-fractie delen de opvatting van de Raad van State dat er geen reden is het recht op een inkomensafhankelijke regeling op 1 april van het volgende jaar te laten vervallen. In een groot aantal gevallen gaat het om huishoudens in een zeer moeilijke situatie waarbij het niet hebben van huursubsidie bijvoorbeeld leidt door bezuinigingen op andere primaire levensbehoeften dan een dak boven het hoofd. Ook kan er een huurschuld zijn ontstaan die na 1 april van het volgende jaar ook niet verdwijnt. Deze leden verzoeken de regering het voorstel op dit punt aan te passen.
De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering aangeeft dat het wetsvoorstel geen administratieve lasten met zich zal meebrengen. De regering geeft echter aan dat bij de uitvoering van de materiewetten administratieve verplichtingen aan bedrijven kunnen worden opgelegd. Betekent dit dat indirect de administratieve lasten voor bedrijven dus wel zal toenemen? Hoe groot is dit risico en waar is dit van afhankelijk?
In het voorstel voor de Wet op de zorgtoeslag is het recht op een toeslag mede afhankelijk van het daadwerkelijk verzekerd zijn door de aanvragers. Toetsing van deze gegevens zou kunnen geschieden door uitvraag van deze gegevens bij verzekeraars. In het voorstel voor een nieuwe zorgverzekeringswet worden aan verzekeraars reeds verplichtingen opgelegd om aan het College zorgverzekeringen gegevens over verzekerden te verstrekken, onder meer voor de uitvoering van een vereveningsregeling tussen verzekeraars. De Belastingdienst zal daarom in overleg met het College zorgverzekeringen bezien of de gegevens die voor de uitvoering van de zorgtoeslag noodzakelijk zijn vanuit de administratie van het College kunnen worden vertrekt. In dat geval wordt voorkomen dat verzekeraars met additionele administratieve lasten worden geconfronteerd. Kan de regering de stand van zaken met betrekking tot dit punt geven?
De afschaffing van de correctie op het verzamelinkomen kan bij invoering van Awir ingepast worden in het jaarlijkse koopkrachtbeeld, schreef de werkgroep Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen (HIAR). Hoe groot zijn de koopkrachteffecten van deze correctie, die dan moet worden ingepast, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Waarom is ervoor gekozen de correctie op het verzamelinkomen niet in alle regelingen in hetzelfde tempo (drie tot vijf jaar) af te bouwen? Wat zijn de conclusies van het onderzoek naar de risico's om bij de huursubsidie over te gaan van het (vastgestelde) belastbaar inkomen naar het (geschatte) actuele inkomen?
Bij het bepalen van de draagkracht wordt het toetsingsinkomen van inwonende kinderen jonger dan 23 jaar slechts meegenomen voorzover het meer dan 4 100 euro bedraagt, schrijft de regering. Dit roept bij de leden van de PvdA-fractie een paar vragen op. Geldt dit bedrag per kind? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot het bedrag dat thuiswonende studenten mogen bijverdienen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun studiebeurs? Is de regering voornemens het bedrag van € 4 100 van jaar op jaar constant te houden?
Ook vragen de leden van de PvdA-fractie zich af wat voor de regering de doorslag heeft gegeven om zonder vangnetregeling uit te gaan van het geschatte actuele inkomen. Kunnen burgers tussentijds wijzigingen in hun inkomenssituatie doorgeven (dus gedurende jaar t) die direct tot uitdrukking komen in de hoogte van hun tegemoetkoming? Hoe zal hun tegemoetkoming hierdoor veranderen?
De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van de aanpassing van het toetsingsinkomen. Kan bevestigd worden dat de niet-standaard correcties op het verzamelinkomen voor het wetsvoorstel niet meer relevant zijn? Is het juist dat toekenning van de huursubsidie in 2006 in vergelijking met toekenning op basis van de huidige Huursubsidiewet hierbij geen invloed heeft?
De regering gaat er volgens de leden van de SGP-fractie terecht vanuit dat bij het gebruik van het begrip verzamelinkomen een gering inkomen van thuiswonende kinderen jonger dan 23 jaar niet wordt meegenomen. Gekozen is voor een bedrag van € 4 100. Graag ontvangen deze leden een toelichting op de hoogte van dit bedrag. Tevens zouden zij graag een bevestiging ontvangen van het uitgangspunt van deze leden dat ontvangen studiefinanciering voor de toepassing van deze regeling niet meetelt als inkomen.
Toetsingsinkomen in het berekeningsjaar
De leden van de CDA-fractie zijn het eens met de regering het huidige stelstel van inkomensafhankelijke regelingen beter inzichtelijk en gemakkelijker toegankelijk voor de burger te maken.
Deze leden vinden dat het mogelijk moet zijn dat vanaf het tweede jaar van invoering 90% van de belanghebbenden bij een inkomensafhankelijke regeling niet ieder jaar opnieuw formulieren in zou hoeven vullen. Graag zien zij een reactie van de regering tegemoet.
In dat kader vragen deze leden naar de verhouding van het voorliggende wetsvoorstel tot de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (hierna: WALVIS). Zien deze leden het goed dat de Belastingdienst door een maandelijkse verstrekking van gegevens door inhoudingsplichtigen goed op de hoogte is van de inkomensgegevens van de meeste belanghebbenden bij inkomensafhankelijke regelingen.
De wet WALVIS wordt vanaf 1 januari 2005 ingevoerd, zodat zeker vanaf 1 januari 2006 de belastingdienst een goed inzicht zal hebben in de inkomens van mensen. Waarom wordt er dan voor gekozen dat mensen zelf hun inkomenswijzigingen doorgeven? De leden van de CDA-fractie zijn verbaasd en verontwaardigd dat de overheid zo tweemaal dezelfde gegevens van belanghebbenden vraagt.
Naast wijzigingen in inkomen, kunnen zich eveneens wijzigingen voordoen in de overige draagkrachtbepalende elementen die dit wetsvoorstel schetst. Kunnen de leden van de CDA-fractie ervan uitgaan dat belanghebbende een dergelijke wijziging slechts eenmaal hoeft aan te geven aan een overheidsinstantie – bijvoorbeeld inschrijving in GBA – en dat dit dan automatisch ook bekend is bij de Belastingdienst Toeslagen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de digitale kluis voor de burger? Kan de belastingdienst daar ook op deze wijze profijt van hebben?
Kan de regering limitatief opsommen om welke gegevens de burger gevraagd kan worden bij de aanvraag? Als een burger toch zelf een wijziging moet doorgeven, kan zij dat dan altijd on-line doen, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich af.
In het voorliggende wetsvoorstel gaat de regering uit van de inkomensgegevens van het actuele jaar. Hierdoor ontstaat een actuele draagkrachttoets. Dit in tegenstelling tot enkele huidige regelingen waarbij uitgegaan wordt van inkomens van een eerder jaar. De leden van de CDA-fractie kunnen zich goed vinden in deze keuze.
Deze leden hebben echter nog wel vragen over diegene met een sterk wisselend inkomen. Met name ondernemers en zelfstandigen kunnen vooraf moeilijk inschatten welk inkomen zij zullen hebben in het komend jaar. Graag zien deze leden een nadere toelichting op de wijze hoe wordt omgegaan met sterk wisselende inkomens. Kan hierbij worden ingegaan op de aanvraag voor tegemoetkoming en kan eveneens ingegaan worden op de wijze waarop wordt omgegaan met maandelijkse schommelingen?
Wordt bij de wetten WTOS en Wet studiefinanciering eveneens uitgegaan van het actuele inkomen? Zo nee, waarom niet? Kan de regering aangeven hoe de harmonisatie van begrippen zich op dit terrein verhoudt tot de ontwikkelingen met betrekking tot een nieuw stelsel van studiefinanciering?
De leden van de PvdA-fractie vragen uitvoerig toe te lichten hoe de transparantie toeneemt en waar de onduidelijkheid in het huidige systeem zit ten opzichte van het nieuwe systeem voor de onderhavige regelingen. Is het niet zo dat de starheid van het nieuwe systeem, waarin wijziging van de toeslag tijdens het rekenjaar niet mogelijk is, leidt tot veel minder transparantie dan het huidige systeem? Immers, bij het huidige systeem van huursubsidie wordt op basis van het voorafgaande jaar het recht op huursubsidie vastgesteld (op reeds genoten inkomen). Er is dan naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie meer duidelijkheid over de hoogte van de huursubsidie dan in het nieuwe stelsel. In het Awir-systeem voor huursubsidie wordt de huursubsidie over een lopend rekenjaar via bevoorschotting uitgekeerd. Dit voorschot kan tussentijds bij gewijzigd inkomen in het lopende rekenjaar niet worden gewijzigd (anders dan bij overlijden of echtscheiding), waardoor de uiteindelijke huursubsidie achteraf tot het tweede kwartaal van het jaar daarop ongewis blijft. Datzelfde geldt voor de zorgtoeslag. Deze leden vragen een schematisch overzicht van de huidige regelingen, het moment van bevoorschotting, de mogelijkheid tot aanpassing van bevoorschotting op wisselend inkomen en de definitieve vaststelling.
De regering stelt voor, uit te gaan van het geschatte actuele jaarinkomen. Kunnen werkgevers worden verplicht niet alleen in jaar t+1 een jaaropgaaf van het genoten inkomen te verstrekken, maar ook in jaar t-1 een schatting te geven van het inkomen in jaar t, zodat burgers hierop (wijzigingen in) hun aanvraag voor een inkomensafhankelijke tegemoetkoming kunnen baseren? Acht de regering dat mogelijk?
De Raad van State beschrijft in zijn advies over Awir een berekeningswijze voor inkomensafhankelijke regelingen voor gevallen waarin die regelingen niet gedurende het hele jaar van toepassing zijn: «Een systematisch uitgangspunt voor deze vaststelling is een berekening, waarbij de toerekening van een deel van het toetsingsinkomen aan de periode van toepassing van de inkomensafhankelijke regeling plaatsvindt, dit toegerekende deel van het toetsingsinkomen wordt herleid tot een jaarinkomen, dit herleide jaarinkomen de hoogte van de tegemoetkoming bepaalt en tenslotte de aldus bepaalde tegemoetkoming tijdsevenredig wordt verlaagd overeenkomstig de periode van toepassing.» Deze methode is toe te passen op het actuele maandinkomen van de betrokkene (zonder spreiding over het hele jaar). De Raad van State schrijft dat deze berekening kan worden vereenvoudigd, indien «ervan wordt uitgegaan dat het toetsingsinkomen gelijkmatig gedurende het berekeningsjaar opkomt». Welke mogelijkheden ziet de regering om de «vereenvoudiging» tot herleide jaarinkomens op te heffen en voor de toekenning van inkomensafhankelijke regelingen uit te gaan van bijvoorbeeld het inkomen per maand of kwartaal, in geval mensen gedurende het jaar inkomensschommelingen doormaken?
Bij een wetsvoorstel dat juist ten behoeve van een doelmatige uitvoering harmonisatie van begrippen en procedures beoogt, moeten uitvoeringsargumenten zwaar wegen, schrijft de regering. Wegen deze argumenten voor de regering zwaarder dan de inkomensproblematiek die burgers kunnen ervaren als zij door een plotselinge inkomensdaling een inkomenstekort kunnen krijgen die mogelijk het besteedbare inkomen onder het sociaal minimum brengt, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Is het de bedoeling dat de bevoorschotting niet kan worden bijgesteld in elk van de regelingen die de Belastingdienst Toeslagen uitvoert, en waarin sprake is van bevoorschotting? Wanneer kan de Dienst Toeslagen wel de bevoorschotting tijdens een rekeningjaar aanpassen?
De leden van de PvdA-fractie vrezen dat de in Awir voorgestelde systematiek zal leiden tot liquiditeitsproblemen bij mensen die een scherpe inkomensval doormaken (bijvoorbeeld door ontslag). Kan de regering aangeven wat de voorgestelde systematiek betekent voor mensen die in deze situatie verkeren, maar die ondanks een inkomensval een inkomensniveau hebben dat nog net boven het jaarinkomen ligt dat relevant is voor bijvoorbeeld huursubsidie? Voorheen konden deze mensen gebruik maken van de vangnetregeling. Welk voorstel doet de regering aan mensen die door plotselinge inkomensdaling (zie ook pagina 11) meteen te kampen hebben met minder draagkracht en wellicht een liquiditeitsprobleem? Verwijst de regering deze groep mensen naar de bijzondere bijstand, die niet op jaarbasis wordt toegekend? Zo ja, is de regering dan bereid extra geld toe te voegen aan het gemeentefonds, zodat gemeenten een hoger beroep op de bijzondere bijstand kunnen betalen?
Kan de regering gemotiveerd aangeven of het mogelijk is op korte termijn (binnen enkele jaren) tegemoetkomingen in het kader van bijvoorbeeld de huursubsidie voorafgaand aan of lopende het toekenningsjaar definitief toe te kennen, bijvoorbeeld door koppeling van bestanden van Belastingdienst (-Toeslagen), UWV en gemeenten? Acht de regering het wenselijk op langere termijn over te gaan naar een systematiek met definitieve toekenningen vooraf of gedurende het jaar waarop de toekenning betrekking heeft?
In de Awir is een regeling opgenomen die zegt dat toetsingsinkomen wordt herleid naar jaarinkomen in geval van overlijden. Hoe wordt omgegaan met situaties waarin iemand slechts gedurende een gedeelte van het jaar een inkomen geniet, anders dan door overlijden, emigratie of immigratie?
De regering schrijft verder dat «ruwheden tot op zekere hoogte moeten worden aanvaard» in een systeem waarin met jaar inkomens wordt gewerkt. Wat verstaat de regering onder «ruwheden»? Kan de regering concreet aangeven wat zij verstaat onder «tot op zekere hoogte»? Welke actie onderneemt de regering als de ruwheden te groot worden?
In artikel 8, vierde lid, Awir, wordt voorgesteld een drempel van 20% voor het toetsingsinkomen te hanteren als voorwaarde voor correctie van de tegemoetkoming, die in enkele nauw omschreven situaties kan plaatsvinden. Waarom is gekozen voor 20%? Kan hier ook worden gekozen voor 5%? Wat ziet de regering als voor- en nadelen van zo'n percentage? Kan de regering gemotiveerd aangeven of zij het wenselijk acht dat de hoogte van iemands tegemoetkoming afhankelijk is van de hoogte van het inkomen van een ex-partner of ex-bewoner, dus van iemand met wie de belanghebbende in het maatschappelijke leven niets meer te maken heeft?
De regering schrijft dat zij ervoor kiest afwijkingen die inbreuk maken op de hoofdregel dat het jaarinkomen uitgangspunt is voor de draagkracht, te beperken tot «evident onbillijke situaties». Wat zijn volgens de regering evident onbillijke situaties? Kan de regering daar vijf voorbeelden van geven, inclusief toelichting van de manier waarop aan de belanghebbenden tegemoet zal worden gekomen?
Acht de regering het wenselijk dat iemand die op 1 juli zijn baan verliest en daardoor terugvalt op 70% van zijn oude inkomen, minder recht heeft op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen in de periode beginnend zes maanden voor zijn ontslag en eindigend zes maanden na zijn ontslag, dan iemand die zijn baan op 1 januari verliest? Zo nee, welke maatregelen wil de regering dan nemen om deze ongelijkheid op te heffen?
De regering voert als reden voor het niet direct reageren op inkomensfluctuaties aan dat weliswaar van een aantal inkomensbestanddelen het genietingstijdstip of betalingstijdstip nauwkeurig kan worden bepaald, maar dat de Belastingdienst (Toeslagen) dit niet kan toetsen zonder nadere uitwisseling van gegevens. Op welke gegevens heeft deze opmerking precies betrekking? Kan de Belastingdienst deze gegevens niet uitwisselen, of zijn de technische mogelijkheden er wel, maar heeft de regering hier om andere redenen van afgezien? Als dit laatste het geval is, kan de regering dan in het laatste geval aangeven om welke redenen? Op welke termijn kan adequate uitwisseling van gegevens worden gerealiseerd? Is de regering voornemens op een later tijdstip zulke gegevens alsnog te gaan gebruiken, of om op zijn minst de mogelijkheden daartoe te onderzoeken? Volgens de regering roept een wijziging van de systematiek vragen op over de berekening van drempelbedragen en maxima bij de persoonlijke aftrekken. Om welke vragen gaat het hierbij en kan de regering toezeggen te laten onderzoeken hoe deze vragen kunnen worden beantwoord?
In het voorstel wordt de correctie op het verzamelinkomen afgeschaft. De leden van de SGP-fractie zouden graag meer inzicht ontvangen in de hoogte van de correcties die op dit moment plaatsvinden. Wat is het maximale verschil waarover het in de praktijk kan gaan?
Het voorstel is om bij de inkomensafhankelijke regelingen als toetsingsinkomen het actuele inkomen als uitgangspunt te nemen. Vanuit het oogpunt van een zoveel mogelijk aansluiten bij de actuele financiële situatie is hier veel voor te zeggen. Tegelijkertijd roept dit gebruik nieuwe moeilijkheden op. Het is immers veel lastiger om van tevoren vast te stellen hoe hoog het actuele inkomen is, dan achteraf de beslissing op de aanslag als uitgangspunt te nemen. Wordt het voordeel van gezamenlijke uitvoering hierdoor niet volledig teniet gedaan?
De huidige Huursubsidiewet bevat een vermogenstoets die de huurder en diens medebewoners in staat stelt hun «rekenvermogens» op te tellen en te toetsen aan een vermogensgrens voor meerpersoonshuishoudens. In het wetsvoorstel Awir geldt alleen nog een individuele vermogenstoets. Een laag vermogen van de een compenseert dan niet meer een hoog vermogen van de ander. Hoeveel mensen zullen naar verwachting door deze verandering hun huursubsidie lager zien worden, vragen de leden van de PvdA-fractie. Hoeveel scheelt hen dit? Kan de regering dit aangeven in decielen van de groep mensen die om deze reden hun huursubsidie lager zien worden?
In de voorstellen Awir en Aanpassingswet Awir vervalt de hardheidsclausule. Is de regering voornemens op een later moment alsnog compensatie te bieden voor het verdwijnen van mogelijke vrijstellingen op grond van de hardheidsclausule voor bijvoorbeeld noodzakelijk vermogen voor gehandicapten, smartengeld of uitkeringen aan bijvoorbeeld hemofiliepatiënten?
Voor die inkomensafhankelijke regelingen waar sprake is van een vermogenstoets, zal op grond van het wetsvoorstel het feit of men over box-3-inkomen inkomstenbelasting betaalt, beslissend zijn voor het wel of niet in aanmerking komen van een inkomensafhankelijke tegemoetkoming. De PvdA-fractie vraagt de regering een volledige opsomming te geven van de inkomensbestanddelen die voor de huidige Huursubsidiewet in aanmerking genomen worden, en van de inkomensbestanddelen die straks meetellen voor de vermogenstoets op grond van Awir. Hoe wordt bevoordeeld omgegaan met het vermogensbestanddeel «bloot eigendom» in de huidige Huursubsidiewet en in de toekomst in Awir? Klopt het dat een «slimme spaarder» die € 100 000 in groene en culturele beleggingen stopt, en overigens aan alle voorwaarden voldoet, wel in aanmerking komt voor een huurtoeslag en iemand in dezelfde omstandigheden met € 21 000 op een spaarrekening niet? Mochten deze leden dit juist opmaken uit de memorie van toelichting, is dit dan een gewenste uitkomst?
De leden van de PvdA-fractie hechten grote waarde aan duidelijkheid omtrent de geldende vermogenstoetsen voor inkomensafhankelijke regelingen. Zij vragen de regering daarom in een schema aan te geven of, en zo ja, welke, vermogenstoetsen gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen die aan de orde komen in de memorie van toelichting van Awir en de Aanpassingswet Awir, en voor de Wet werk en bijstand, met een duidelijke toelichting van eventuele verschillen. Hierbij doelen deze leden overigens niet alleen op het vermogen van de belanghebbende zelf, maar ook op het vermogen van een eventuele partner of medebewoners.
De leden van de VVD-fractie merken op dat volgens de memorie van toelichting wordt in het wetsvoorstel de vermogensnorm voor de huursubsidie gekoppeld aan het heffingsvrije vermogen in box 3, Inkomstenbelasting. In wezen is dat in het huidige systeem ook het geval. De harmonisatie brengt enkele neveneffecten met zich mee:
Kan de regering ingaan op mogelijke cumulatieve voor- of nadelige effecten van de harmonisatie? Is de regering bereid om alsnog een hardheidsclausule op te nemen voor schrijnende gevallen? Kan de regering de budgettaire gevolgen van de wijziging van de vermogenstoets inschatten?
De verruiming van de vermogenstoets voor de huursubsidie roept bij de leden van de SP-fractie de vraag op of dezelfde verruiming ook niet op de bijstand kan worden toegepast. Hoe kijkt de regering hier tegen aan?
De individuele vermogenstoets waarbij geen compensatie van de vermogens plaatsvindt, roept bij de leden van de SGP-fractie de vraag op hoe wordt gehandeld bij vermogen dat van beide partners is. Wordt een dergelijk vermogen evenredig meegeteld bij de vermogens van de partners?
Ook vragen deze leden zich af of de voorgestelde regeling geen onnodige verschillen oproept tussen huishoudens waar het vermogen van een van beide partners net onder en net boven de vermogensgrens ligt. Zo zou het voor kunnen komen dat twee partners die beide een vermogen hebben dat net onder de grens ligt, wel recht hebben op een bijdrage, terwijl enkel het feit dat een partner boven de grens komt – onafhankelijk van het vermogen van de ander – het recht op een bijdrage doet vervallen. Graag zouden deze leden een reactie ontvangen die mede is gebaseerd op de regels voor het vermogen zoals die op dit moment in de Inkomstenbelasting gelden.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering een nadere toelichting te geven op wat de effecten zijn van het vervallen van de hardheidsclausule voor de huursubsidie?
De leden van de PvdA-fractie vragen om toe te lichten hoe is gekomen tot een groep van 10 000 tot 20.000, vooral meerpersoons, 65+ huishoudens, die een daling in de huursubsidie krijgen van gemiddeld € 77 per jaar? Hoe hoog is de maximaal mogelijk daling in dit verband?
Kan worden toegelicht hoe is gekomen tot een groep van 4 100 huishoudens die een inkomensderving van meer dan € 60 op jaarbasis ondervindt? Welke huishoudens gaat het om? Wat is de maximale derving?
Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat de totale uitgaven voor de huursubsidie lijken te stijgen met de introductie van de Awir. Kan de regering aangeven welke budgettaire gevolgen zij verwacht?
Hoe verhoudt zich de huidige wijze van jaarlijks indexeren met die van de Awir?
Deze leden vragen de regering om een toelichting op onderstaande voorbeelden en vragen, door te rekenen met zowel de bestaande systematiek (2005) als de voorgestelde systematiek van Awir.
Een echtpaar (man van 40, vrouw van 40) met twee kinderen (3 en 7 jaar). Hij werkt in deeltijd en verdient € 10 000; zij werkt voltijd en verdient € 20 000. Het jongste kind gaat twee dagen per week naar kinderopvang (8 uur per dag) en het oudste kind gaat twee dagen per week naar naschoolse opvang (3 uur per dag). Ze betalen hiervoor de maximumbedragen uit de Wet kinderopvang. Het gezin woont in een huurhuis (huur: € 400/maand).
Wat verandert er in hun recht op tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, huursubsidie en zorgtoeslag als zij na één jaar ziekte op 1 juli haar inkomen ziet terugvallen naar 70% van € 20 000?
Wat verandert er in deze situatie als ze deze inkomensterugval niet op 1 juli, maar op 1 januari zou hebben plaatsgevonden?
Een alleenstaande vrouw (57 jaar) verdient € 27 000 per jaar. Ze heeft daarnaast een vermogen van € 30 000. Ze woont in een huurhuis met een huur van € 400 per maand.
Op 1 april neemt ze haar hulpbehoevende moeder (83) in huis. Deze blijft daar de rest van het jaar. Moeder ontvangt AOW en een pensioen van € 4 500 per jaar. Moeder zegt de huur van haar huis (€ 300 per maand) op per 1 juli. Wat verandert er in het recht van moeder en dochter op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen?
Een alleenstaande man (76 jaar) verdient € 16 000 per jaar (AOW plus pensioen). Hij woont in een huurhuis met een huur van € 300 per maand.
In de periode maart tot en met september (zeven maanden) wordt deze man voltijds in eigen huis verzorgd door zijn schoonzus. Ook zij verdient € 16 000 per jaar (AOW plus nabestaandenpensioen). Na die zeven maanden gaat zij weer terug naar haar eigen woning (€ 300 huur per jaar). Welke gevolgen heeft deze verzorgingsperiode voor hun recht op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen?
Een alleenstaande man (60 jaar), met een inkomen van € 18 000 per jaar woont in een huurhuis (€ 450 huur). Zijn nichtje (22) studeert, ontvangt een basisbeurs en een volledige aanvullende beurs. Zij verdient € 5 000 per jaar bij.
Op 1 juni betrekt het nichtje als onderhuurder een kamer in het huis van haar oom. Wat verandert er hierdoor in hun recht op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen?
Wat gebeurt er in dezelfde situatie als de oom geen 60, maar 66 jaar oud is?
Een alleenstaande moeder, 26, heeft een inkomen van € 35 000. Ze heeft een arbeidsverleden van 3,5 jaar. Haar kind (1 jaar oud) gaat 40 uur per week naar kinderopvang, tegen het «maximale» tarief. Ze woont in een huurwoning van € 550 per maand. Ze heeft € 15 000 euro gespaard.
Op 1 juli wordt deze moeder ontslagen. Ze heeft geen recht op WW, maar wel na enige tijd recht op een bijstandsuitkering (na het opeten van een deel van haar vermogen). Welke gevolgen heeft haar ontslag voor haar recht op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen?
Toen deze moeder hoorde dat ze per 1 juli zou worden ontslagen, heeft ze direct een andere baan gezocht. Die heeft ze ook gevonden. Per 1 juli verdient ze in haar nieuwe baan € 20 000 (voltijds). Welke gevolgen heeft deze overstap voor haar recht op inkomensafhankelijke tegemoetkomingen?
De leden van de SP-fractie zijn van mening dat voor evident onbillijke effecten een hardheidsclausule dan wel vangnetregeling in het wetsvoorstel zou moeten worden opgenomen. Zij verzoeken de regering het wetsvoorstel hierop aan te passen.
De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat met het verdwijnen van de hardheidsclausule tevens allerlei mogelijke vrijstellingen verdwijnen (wegens handicap, niet beschikbaar vermogen minderjarigen, uitkeringen hemofilie- en astmapatiënten, smartegeld, WOII-tegoeden). Deze leden menen dat de inkomenseffecten veel te summier zijn weergegeven. Kan de regering ingaan op mogelijke cumulatieve voor- of nadelige effecten van de harmonisatie? Is de regering alsnog bereid een hardheidsclausule op te nemen voor schrijnende gevallen? Kan de regering de budgettaire effecten van de wijziging van de vermogenstoets inschatten?
Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat de partnerbegrippen uit voorliggend wetsvoorstel, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de sociale zekerheidswetgeving niet overeen komen? Kan de regering nader aangeven wat de verschillen zijn en wat de aard van deze verschillen is? Is een verdere harmonisatie van deze begrippen wenselijk en mogelijk? Wat zijn de consequenties van het overnemen van het begrip partner – zoals dat in dit wetsvoorstel gedefinieerd wordt – in de Wet inkomstenbelasting 2001?
Eveneens als partner wordt aangemerkt diegene die als partner is aangemeld bij een pensioenregeling. Is deze regeling uitvoerbaar en controleerbaar, zo vragen de leden van de CDA-fractie?
Met betrekking tot het tijdvak van partner- en medebewonerschap wordt nu gekozen voor de systematiek waarbij in de maand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt geen rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van deze partner. Kan de regering aangeven waarom niet is aangesloten bij de nu geldende systematiek in de huursubsidie waarbij wijzigingen in de huishoudsamenstelling vanaf de volgende maand in aanmerking worden genomen?
De regering heeft aangegeven om voor de definitie van het partnerbegrip meer aansluiting te zoeken met de Wwb en de AOW, en om de definitie van het partnerbegrip van de wet Inkomstenbelasting 2001 te willen volgen. De leden van de PvdA-fractie hebben vragen bij de gekozen definitie van het partnerbegrip.
Graag ontvangen deze leden een schema waarin per socialezekerheidswet (AOW, Wwb, ANW), de Belastingwet en de Awir is aangegeven waarin het partnerbegrip gelijkluidend is en wanneer dat afwijkt met daarbij een motivering van de afwijking.
Grondslag voor het partner begrip in de sociale zekerheid vormt het feit dat als in enig andere sociale zekerheidswet twee mensen als partner zijn geregistreerd, dat voor alle andere sociale zekerheidswetten geldt. Geldt die bepaling ook voor Awir?
In een brief (over de motie Noorman-den Uyl/Van Oerle-van der Horst 6.12.2004) aan de Kamer heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verdere omschrijving gegeven van het begrip gezamenlijke huishouding. Dat begrip wijkt af van het partnerbegrip Awir zoals dat in artikel 3 lid c is gedefinieerd. Wat zijn de consequenties van een afwijkende definitie van het begrip gezamenlijke huishouding voor de Zorgwet en de zorgtoeslag? Kan het zo zijn dat iemand wel voor de AOW als partner wordt gezien maar niet voor de Zorgtoeslag en omgekeerd? Een voorbeeld vormt de situatie waarin iemand wel een zelfstandige woning bewoont en daar alle kosten voor betaalt, maar ook substantieel veel tijd met een partner doorbrengt (zie bovengenoemde brief). Indien iemand gedurende negen maanden bij een ernstige zieke patiënt in huis verblijft, terwijl een eigen huis met alle kosten wordt aangehouden, is men dan in de zin van de wet Awir partner? En voor de AOW?
Waarin wijkt het begrip partner af van het begrip medebewoner in de huidige wet Huursubsidie, en waarin verschilt dat in de wet Awir?
Indien iemand voor de wet Awir als partner wordt gezien, kan dat dan ook consequenties hebben op de wederzijdse pensioenaanspraken van de onderscheiden partners?
Indien iemand voor de Anw niet als partner wordt gezien vanwege het recht op een kennismakingsperiode, wordt deze dan wel voor de wet Awir als partner gezien? Wat betekent dat dan voor de huursubsidie? Geldt de kennismakingsperiode dan niet meer?
Voor de vaststelling of iemand een partner heeft of niet, geldt in het nu voorliggende wetsvoorstel geen referentieperiode. De inkomstenbelasting kent wel zo'n periode. Waarom dit verschil?
De leden van de PvdA-fractie vragen om een definitie van het begrip duurzaam samenwonen en om een definitie van het begrip gezamenlijke huishouding. In de Wwb is de definitie van een gezamenlijke huishouding verder uitgebreid (artikel 3.3): «Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.» Waarom is hier niet bij aangesloten?
Waarom wordt voor het zijn van bloedverwanten een andere definitie gebruikt in artikel 3 lid c dan in de WWB? Waarin zit het verschil en waarin zit de overeenkomst?
In de Wwb worden eerstegraadsbloedverwanten niet als partners beschouwd. De definitie die in de wet Awir wordt gehanteerd, wordt de groep eerstelijns bloedverwanten gesplitst in de bloedverwanten opgaande lijn en bloedverwanten neergaande lijn. Waarom wordt door de regering dat onderscheid gemaakt? Is het bloedverwantschap opgaande lijn alleen relevant als er een sprake is van een zorgbehoefte van een van de bloedverwanten? Zo ja hoe wordt dat vastgesteld? Hoe, door wie en met welke middelen wordt de definitie van partner geverifieerd en gevalideerd? Kan het zijn dat ingeval van huursubsidie het al dan niet toekennen van huursubsidie afhankelijk is of de huurovereenkomst op de naam van de ouder of op de naam van het volwassen kind staat?
Acht de regering het wenselijk dat een inwonende hulpbehoevende moeder in het kader van de huursubsidie niet, en in het kader van de zorgtoeslag wél als partner wordt aangemerkt? Omdat de definitie van Awir voor alle inkomensafhankelijke regelingen gaat gelden, vragen de leden van de PvdA-fractie of de definitie van partners als het gaat om huursubsidie ook de definitie moet zijn als het gaat om zorgtoeslag. Immers, indien men de kosten van huisvesting deelt en op grond daarvan de inkomens en vermogenspositie voor het berekenen van het recht op huursubsidie beide in aanmerking neemt, dan betekent dit nog niet dat deze mensen ook hun andere huishoudelijke kosten delen (bijvoorbeeld in geval van kamerverhuur). In zulke gevallen kan het wenselijk zijn een andere berekeningssystematiek te gebruiken ter bepaling van de hoogte van de zorgtoeslag. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?
De leden van de PvdA-fractie hebben meer vragen over het voorgestelde partnerbegrip. Indien op grond van artikel 3 lid 3 drie mensen samenwonen waarvan twee zich als partner presenteren en op grond van hun gezamenlijk inkomen recht hebben op huursubsidie, kan dan de derde die op dat adres woont een hoger inkomen hebben dat niet voor het bepalen van het recht op huursubsidie wordt mee genomen? Bepaalt de aanvrager van de inkomensafhankelijke regeling (op wiens naam de huurovereenkomst staat) wie zijn of haar «toeslagen partner» is of bepaalt dan de hoogte van het inkomen of de vermogenspositie van de andere inwonende dan het recht op inkomensafhankelijke regeling?
In artikel 3 wordt gesteld dat bijvoorbeeld bij drie samenwonende zusters de belanghebbende in de inkomensafhankelijke regeling een van de beide andere zusters als partner dient aan te merken bij een aanvraag van een inkomensafhankelijke regeling. Is het mogelijk om tijdens een berekeningsjaar van partner binnen dezelfde huishouding te wisselen? Indien de partner tijdens een berekeningsjaar overlijdt, wordt dan de overblijvende partner als alleenstaande aangemerkt? Zo niet, met ingang van welke tijdstip is de andere bewoner dan partner?
Kent de regering de brochure van de SVB over het voeren van een gezamenlijke huishouding van drie personen? Op welke onderdelen wijkt de definitie van drie samenwonende personen af ten opzichte van het partnerschap in de wet Awir?
De leden van de SP-fractie vragen wanneer de Tweede Kamer de uitkomsten kan verwachten van het onderzoek naar het onderling afstemmen van de partnerbegrippen? Is hier sprake van een concreet maatschappelijk probleem of slechts van juridisch niet volledig bij elkaar aansluitende begrippen?
De leden van de PvdA-fractie hechten eraan dat er geen belemmeringen zijn voor onderhuur, gezien de tekorten op de woningmarkt voor onder meer jongeren en studenten. In welke zin draagt het voorstel van wet daaraan bij? Kan verder worden verduidelijkt aan welke criteria wel voldaan moet worden, wil er sprake zijn van onderhuur?
Is er een relatie met de regeling die in de Wwb of AOW geldt voor het begrip onderhuur? Is de toelichting van de SVB op het begrip onderhuur en gezamenlijke huisvesting van toepassing?
In hoeverre worden huurders voor de aanvraag van hun huursubsidie afhankelijk van de bereidwilligheid van anderen om hun gegevens beschikbaar te stellen? Hoe verhoudt het een en ander zich met privacybescherming?
De leden van de SP-fractie steunen de uitbreiding van «kind» definitie in het wetsvoorstel zodat ook kleinkinderen die door hun grootouders worden opgevoed aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming voor de kinderopvang. Is er volgens de regering ook aanleiding om ook in andere wetten een verruimde definitie te gebruiken?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven hoeveel belanghebbenden de Belastingdienst Toeslagen zal bedienen. Kan zij eveneens een nader inzicht geven wat de inkomstenbron van deze personen is? Kan zij daarbij ook aangeven hoe groot de groep is die geen inkomensbron heeft?
Hoe denkt de regering met name deze groep te bereiken? De leden van de CDA-fractie gaan er van uit dat eenieder die in aanmerking komt voor een inkomensafhankelijke regeling hiervan tijdig op de hoogte is en weet op welke wijze zij een tegemoetkoming kan verkrijgen. Graag ontvangen deze leden een reactie.
De uitvoering van de toeslagen voor zorg en wonen en de kinderopvang zullen worden uitgevoerd door de Belastingdienst.
De afhandeling van de huursubsidie heeft in het verleden nog al eens tot problemen geleid. Juist ook bij de overgang van de afhandeling door woningcorporaties naar het ministerie is een behoorlijke achterstand ontstaan. Welke waarborgen heeft de regering ingebouwd dat deze operatie niet tot achterstanden zal leiden?
Naast eenmalige uitvoeringslasten worden in de memorie van toelichting structurele uitvoeringslasten gerapporteerd. Kan de regering naast de lasten voor de belastingdienst toeslagen ook aangeven wat de besparingen zullen zijn bij de ministeries die momenteel belast zijn met de uitvoering? Kunt u hierbij ook de besparingen in formatieplaatsen aangeven? Kan een helder overzicht gegeven worden van de besparingen zowel in financiële als qua formatieplaatsen?
Voorliggend wetsvoorstel geldt voor alle inkomensafhankelijke regelingen. Echter met de begrenzing dat dit in de desbetreffende regeling bepaald dient te zijn. Kan de regering een overzicht geven van de bestaande inkomensafhankelijke regelingen, ook als deze niet onder de werking van de Awir vallen. Kan de regering aangeven of – en zo nee waarom niet – zij voornemens is deze regelingen onder de werking van de voorliggende wet de brengen?
De begrippen partner, toetsingsinkomen en peiljaar worden in het voorliggende wetsvoorstel geharmoniseerd. De leden van de CDA-fractie kunnen daar mee instemmen. Kan de regering in een schematisch overzicht aangeven van de regelingen die onder de werking van de Awir vallen op welke punten deze regelingen van de geharmoniseerde begrippen afwijkt en waarom deze keuze is gemaakt.
Genoemde leden gaan er van uit dat nu er een overkoepelende algemene wet bestaat, iedere nieuwe of gewijzigde inkomensafhankelijke regeling door de regering aan een «pas toe of leg uit»-principe zal worden onderworpen: er wordt met de gehanteerde algemene begrippen gewerkt, of aangegeven waarom dit niet het geval is.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat in het commentaar op de aanbevelingen van de Raad van State door de regering wordt gesteld dat de Belastingdienst toeslagen een bestuursorgaan is. In het verslag van het Algemeen overleg over de Elektronische overheid van 3 november 2004 wordt gesteld door de staatssecretaris van Financiën dat het gaat om een afdeling van de Belastingdienst (p 10). Wat is precies de juridische status van de Belastingdienst Toeslagen en welke bewindspersoon is verantwoordelijk voor deze dienst? In de wet wordt in de verschillende artikelen aangegeven dat de minister van Financiën verantwoordelijk is. Doch de minister van Financiën heeft de wet niet ondertekend. Wat is de bevoegdheid van de staatssecretaris van Financiën voor Awir?
Waarom wordt de Dienst Toeslagen Belastingdienst genoemd? In het commentaar op de opmerkingen van de Raad van State schrijft de regering: «Belastingwetten zijn immers niet gericht op het verstrekken van een inkomensafhankelijke bijdrage, maar juist op een inkomensafhankelijke heffing.» Het feit dat in de regelgeving gekozen is voor een grondslag die aanknopingspunten heeft bij een deel van de definities uit de belastingwetgeving, maakt Awir nog niet tot een belastingwet of belastingregeling. Ligt het vervolgens niet voor de hand dat de Belastingdienst toeslagen gewoon de Dienst Toeslagen of kortweg Toeslagendienst heet?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Belastingdienst Toeslagen de mogelijkheid heeft om nog openstaande bedragen te verrekenen. Dat kan gaan om bedragen in dezelfde regeling alsook tussen inkomensafhankelijke regelingen. Verrekening is ook mogelijk met een teruggaaf inkomstenbelasting.
Enerzijds wordt gesproken over een ruime verrekening tussen allerlei regelingen, anderzijds lijkt de bestendige gedragslijn te zijn verrekening binnen eenzelfde regeling.
Kan de regering dit verschil toelichten en verduidelijken welke gedragslijn de bestendige is?
Bestaat er verschil tussen de huidige verreken- en beslagleggingpraktijk en de uit dit wetsvoorstel voortvloeiende mogelijke praktijk? Ontstaat daarmee op micro- en macroniveau een financiële wijziging met welk micro- en macro budgettair beslag?
In de memorie van toelichting wordt onder de titel «terugvordering» uiteengezet dat in uiterst geval de partner van de belanghebbende aansprakelijk wordt gesteld voor de schuld die onbetaald blijft. De eerder in de memorie van toelichting genoemde executoriale maatregelen konden zonder tussenkomst van rechter genomen worden. Achteraf bezwaar door belanghebbende bij civiele rechter is wel mogelijk.
Is de aansprakelijkheidsstelling van de partner ook zonder tussenkomst van rechter mogelijk?
Op welke wijze wordt omgegaan met partners die wel gehuwd, maar van tafel en bed gescheiden zijn?
Kan de regering ingaan op de wijze waarop terugvordering door de Belastingdienst gaat plaatsvinden. Dient dit bedrag ineens te worden voldaan of wordt er een betalingsregeling getroffen?
Deze wet zoekt in enkele gevallen aansluiting bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Deze beide wetten hanteren een beperktere kindsdefinitie.
Kan dit bij de uitvoering tot problemen leiden? Zo ja, welke en wat wordt er gedaan deze te voorkomen?
Zijn er andere afwijkende definities die tot uitvoeringsproblemen kunnen leiden? Zo ja, welke en welke tegenmaatregelen worden genomen?
Bij de berekening van tegemoetkomingen kan pas aan het einde van het jaar definitief vastgesteld worden tot welk bedrag aanspraak op tegemoetkoming bestond.
Hierdoor kan eventueel een uitbetalings- of terugvorderingsplicht ontstaan bij de Belastingdienst Toeslagen. In die situatie wordt ook gebruik gemaakt van de heffingsrenteregeling.
Kan nader worden toegelicht vanaf welk moment het nog te betalen/ontvangen bedrag rentedragend wordt?
De leden van de PvdA-fractie vinden dat er forse bezwaren kleven aan de gekozen systematiek van Awir als het gaat om de onmogelijkheid om tijdens een lopend uitkeringsjaar de bevoorschotting aan te passen. De nu gekozen methode leidt er toe dat de burger door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen bij tussentijds inkomensverlies niet goed kan overzien wat zijn uiteindelijke rechten zijn. Dat doet forse afbreuk aan de transparantie van het systeem. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom niet gekozen is voor het Belgische systeem met inkomensklassen. Bij iedere inkomensklasse behoort een pakket van inkomensafhankelijke maatregelen. Indien men naar een hogere inkomensklasse verhuist dan weet men te voren wat de aanpassing van de inkomensafhankelijke maatregelen zal zijn. Dan kan de burger pas werkelijk zelf de regie voeren en zijn eigen afwegingen maken over het uiteindelijke inkomen. Omdat de treden in het Belgische systeem niet zo groot zijn, is vervolgens de inkomensaanpassing per inkomensklasse voorspelbaar en overzichtelijk. En vooral van te voren volstrekt duidelijk. Het gekozen Nederlandse systeem is dat niet. Vooral omdat nu nog volstrekt onduidelijk is op welke wijze en met welke marginale druk de afbouw van de bundeling van inkomensafhankelijke maatregelen zal plaats vinden.
Deze leden vragen aan de regering een uitleg over de voor- en nadelen van het Belgische systeem, waarin vooraf al duidelijk is wat de inkomensafhankelijkheid is, en het nu gekozen Nederlandse systeem, waar pas achteraf duidelijk is wat per saldo de toeslagen zullen zijn.
Een probleem van het gekozen systeem is naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie de starheid van de bevoorschotting. Indien iemand te maken heeft met een forse inkomensdaling zal men met het netto besteedbaar inkomen onder het bestaansminimum terecht kunnen komen, vanwege het tekort aan huursubsidie en zorg toeslag. De onvoldoende bevoorschotting van de kinderopvang kan zelfs tot werkloosheid van een (van de) werkende ouder(s) leiden. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) heeft daar al voor gewaarschuwd. Is de regering bereid een hardheidsclausule of vangnet regeling op te nemen waardoor tijdig een aanpassing in de bevoorschotting kan plaatsvinden. De gemeenten zijn ingevolge de Wwb gedwongen om bijstand te verlenen indien het netto besteedbare inkomen te kort schiet. Indien een voorliggende voorziening als passend wordt beschouwd, zijn er gemeenten die dat niet doen. Acht de regering de Awir passend, indien pas na afloop van een jaar een inkomenstekort wordt gecompenseerd in de geschetste omstandigheden? Mag of moet de gemeente het inkomen suppleren?
Moet het UWV de Toeslagenwet toepassen indien met een WW-uitkering door het ontbreken van de verhoogde huursubsidie en zorgtoeslag er een inkomenstekort is?
Een van de doelen van Awir is het tegengaan van niet-gebruik. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of de Belastingdienst of de Belastingdienst Toeslagen burgers actief en persoonlijk (bijvoorbeeld per brief) gaat wijzen op inkomensafhankelijke regelingen. Waarom wel of niet? De regering schrijft dat een deel van de doelgroep «minder vertrouwd is met administratieve procedures». Hoe rijmt de regering dit alles met het voorstel geen aanvragen meer in behandeling te nemen na 1 april van het jaar t+1? Realiseert de regering zich dat de aangiften inkomstenbelasting lang niet altijd voor 1 april in het opvolgend jaar gereed is. De de Belastingdienst heeft daarvoor een veel langere termijn. Is het dan niet logisch dat de burger een gelijke termijn toekomt? Is de regering bereid de mogelijkheid om aanvragen voor inkomensafhankelijke regelingen te doen te verruimen tot een jaar na afloop van het rekenjaar?
De regering acht het moeilijk te rechtvaardigen dat eventueel genoten uitstel van indiening van de belastingaangifte zou leden tot ongelijkheid in de aanvraagtermijnen voor inkomensafhankelijke tegemoetkomingen, als zou worden aangesloten bij de aanslagregeling. Dit blijkt uit de reactie op advies van de Raad van State. De regering legt daarmee ook het advies van de Raad van State naast zich neer om de aanvraagtermijn voor inkomensafhankelijke regelingen te verlengen naar drie jaar (de termijn in de aanslagregeling). De doelgroep van inkomensafhankelijke regelingen is echter bij uitstek niet altijd goed thuis in administratieve procedures. Als iemand er niet in is geslaagd om een huurschuld te voorkomen omdat geld voor huur is besteed aan thuiszorg, en omdat deze persoon niet voor 1 april een aanvraag heeft ingediend, acht de regering het dan werkelijk een wenselijke situatie deze persoon geen tegemoetkoming meer toe te kennen? Zijn er onoverkomelijk uitvoeringsproblemen die verlenging van de aanvraagtermijn tot en met 31 december van jaar t+1 of jaar t+2 in de weg staan?
De Belastingdienst Toeslagen zal voor de verwerking van aanvragen een termijn hanteren van acht weken. Hoe lang is de termijn voor de verwerking van tussentijdse wijzigingen (als deze mogelijk zijn)? Hoe verhoudt deze zich bijvoorbeeld tot de termijn van zes weken die verhuurders in acht dienen te nemen bij de bekendmaking van de jaarlijkse huurverhoging? Welke garanties kan de regering geven dat uitvoeringsproblemen in deze situatie niet zullen voorkomen?
Een eenmaal gehonoreerde aanvraag kan volgens de regering «op termijn» in een volgend berekeningsjaar automatisch door een nieuw voorschot op de tegemoetkoming worden gevolgd. Wat bedoelt de regering met «op termijn»? Wat betekent dit voor de regelingen die vanaf 1 januari 2006 onder Awir vallen?
Acht de regering het wenselijk mensen die volgens bij de overheid bekende informatie (belastingdienst, gemeenten, UWV) recht hebben op een tegemoetkoming, deze automatisch te verstrekken? Acht de regering het wenselijk mensen die waarschijnlijk recht hebben op een tegemoetkoming, actief te bewegen een aanvraag in te dienen?
Wie tot op heden huursubsidie wilde aanvragen, kon daarvoor terecht bij regionale steunpunten, waar baliemedewerkers konden helpen met het invullen van formulieren. In welke vorm is de regering van plan in de toekomst ondersteuning te bieden bij de aanvraag van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen? Waarom acht de regering regionale steunpunten wel of niet gewenst en welke conclusies verbindt de regering hieraan? Als de regering onverhoopt afziet van het bieden van ondersteuning aan balies, hoe denkt de regering dan de doelgroep die «minder vertrouwd is met administratieve procedures» te bereiken en bij te staan? De VNG heeft laten weten dat het geld voor de regionale steunpunten niet meer beschikbaar is bij de gemeenten. Hoeveel geld is wegbezuinigd op het schrappen van deze taak? Wat gebeurt er met het deskundig personeel? Na het sluiten van de steunpunten zal een forse deskundigheid verloren gaan. De leden van de PvdA-fractie vragen te reageren op de brief van de VNG van 7 december 2004. Voorts vragen zij of voor de burger het toch niet wenselijk is om een steunpunt dicht bij huis te hebben waar men om informatie kan vragen of problemen kan oplossen. Op welke wijze met hoeveel steunpunten gaat de regering deze behoefte van de burger ondersteunen? Wat zijn de kosten? Waar zijn deze geraamd?
Voor de bepaling van het te ontvangen voorschot wordt uitgegaan van de inkomensgegevens van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarin het voorschot wordt uitgekeerd, constateren de leden van de CDA-fractie. Kan de regering nader toelichten waarom zij niet gekozen heeft om aan te sluiten bij de systematiek van de voorlopige teruggaaf voor de inkomstenbelasting?
Achteraf vind een toets plaats: de eindafrekening. Kan aangegeven worden wanneer deze eindafrekening plaats vindt? Mocht er teveel aan tegemoetkoming ontvangen zijn, dan zal een terugvordering plaatsvinden. Kan de regering aangeven in hoeverre deze terugvorderingsprocedure verschilt met die in de verschillende huidige inkomensafhankelijke regelingen?
Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat een verdere vereenvoudiging bereikt kan worden met een samenvoegen van bezwaar en beroepsprocedures van belastingaanslagen en eindafrekening met betrekking tot de toeslagen? Graag ontvangen zij een reactie van de regering. In dat licht hebben genoemde leden nog de volgende vragen:
Als de belanghebbende bezwaar maakt tegen zijn belastingaanslag, wat is het effect daarvan op de (procedure van) eindafrekening? Worden de bezwaar en beroepsprocedures van de belastingaanslagen en de eindafrekening samen genomen? Wat is het minimale bedrag dat terugbetaald moet worden? Wat is het minimale bedrag dat kan worden nageheven? Zullen terugbetaling en naheffing gesaldeerd worden met terugbetaling/naheffing voor de inkomensbelasting?Hoe groot acht de regering het percentage aan belanghebbenden dat achteraf of lopende het jaar een correctie op het voorschot dient te krijgen, of te betalen? Is de regering bereid een gezamenlijke rechtsgang voor toeslagen en inkomstenbelasting te overwegen?
Als een automatische vervolgtoekenning voor een toelage wordt verstrekt kan het voorkomen dat in de loop van het jaar op basis van het vaststellen van de aanslag een ander uitgangspunt voor de toekenning van de toelage geldt. Zien genoemde leden het goed dat de toekenning in dat geval lopende het jaar wordt gewijzigd?
De invorderingswet op basis waarvan belastingschulden worden ingevorderd is strikter dan de invordering en mogelijke kwijtschelding van te veel betaalde huursubsidie, zo zien de leden van de PvdA-fractie. Waarin verschillen deze regels?
Is een schuld vanwege de wet Awir gelijk aan een belastingschuld en daarom preferent ten opzichte van andere schulden?
Is de regering bereid om een meer geleidelijke schuldaflossing mogelijk te maken dan de wet invordering voor schrijft? Zo ja, hoe en wanneer?
Wordt bij terug betaling van schulden een meer geleidelijke terugbetalingsregeling gehanteerd?
Als iemand in een schuldsaneringtraject zit, is het enerzijds verboden nieuwe schulden te maken en anderzijds (in de nieuwe Awir-systematiek) niet mogelijk om bij werkaanvaarding de huursubsidie en zorgtoeslag tussentijds aan te passen. Kan de schuldsanering in gevaar komen door de criteria die gelden voor de terugvordering van te veel ontvangen huursubsidie? Graag ontvangen zij een toelichting. Overigens leidt een hoger inkomen in een schuldensaneringstraject onmiddellijk tot een hoge aflossing. Weet de regering een oplossing uit dit dilemma?
Acht de regering het van belang soepel om te gaan met de terugbetaling van eventueel te veel ontvangen tegemoetkomingen, bijvoorbeeld door terugbetaling in 12, 24 of 36 maandelijkse termijnen mogelijk te maken? Welke stappen is de regering bereid in dit kader te zetten, bijvoorbeeld door betalingsregelingen te hanteren zoals die nu ook bij de Belastingdienst gebruikelijk zijn?
De Belastingdienst Toeslagen zal volgens de kabinetsvoorstellen het toetsinkomen aanvankelijk schatten op basis van looninformatie over het jaar t-2, zo begrijpen de leden van de PvdA-fractie. Als aanvragers een afwijkende inkomenshoogte in jaar t verwachten, van welke informatie gaat de Belastingdienst Toeslagen dan uit? Is er hierbij een verschil tussen afwijkingen naar boven en naar beneden? Zal de Belastingdienst actief aanvragers ertoe aanzetten afwijkingen door te geven om zo terugbetaling van tegemoetkomingen zo veel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door aanvragers in november van het jaar t-1 hun verwachte inkomen voor jaar t te laten opgeven? Zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe? Hoe garandeert de regering de rechtszekerheid van mensen die onopzettelijk onjuiste inkomensinformatie hebben gegeven?
Hoe gaat de Belastingdienst Toeslagen controleren op het partnerschap, de definitie medebewoner en kind? Is er een eigen afdeling toezicht en controle of wordt gebruik gemaakt van andere organisaties? Worden daarvoor kosten in rekening gebracht? Gaat er in het kader van M&O-beleid gerapporteerd worden over de rechtmatigheid van Awir? Zo ja, welke controle protocollen zullen gehanteerd worden? Kan de regering hiervan een overzicht geven? Gaar er gebruik gemaakt worden van bestandsvergelijkingen? Zo ja met welke organisaties en op welke termijn?
De leden van de SP-fractie vragen de regering helder uiteen te zetten waar de verrekening van teveel ontvangen bedragen anders is dan in de huidige systematiek. Kan nu bijvoorbeeld huursubsidie worden verminderd met belastingschulden en hoe werkt dat in het wetsvoorstel? Als een te hoog voorschot ontvangen is wordt dan over het jaar waarin een (lager) recht bestaat heffingsrente geheven? Of is dat pas vanaf 1 juli van het volgende jaar?
De leden van de LPF-fractie merken op dat in de brief van 24 november jl. van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu(VROM) over het rapport «Beleving en overtreding van regels in de huursubsidiewet» wordt aangegeven dat er wordt gefraudeerd met huursubsidie. Hier kwam ondermeer uit dat 10% van de respondenten toegaf in de afgelopen twee jaar inkomsten te hebben gehad die niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven, welke nodig zijn voor de berekening van de huursubsidie. Dit betreft in totaal 86 000 huursubsidieontvangers. Daarnaast gaf 6% geen extra vermogen op en 3,6% een onjuiste bewoningssituatie.
De staatssecretaris van Financiën wordt verantwoordelijk voor de fraudebestrijding als gevolg van de Awir. De leden van de LPF-fractie ondersteunen dit van harte.
De Awir gaat echter pas per 1 januari 2006 in. Deze leden willen dat de minister van VROM – onder wiens verantwoordelijkheid deze fraude allemaal plaatsvindt – niet achterover gaat leunen maar de zaak te zijner tijd netjes met aanzienlijk minder fraude overdraagt aan de staatssecretaris van Financiën.
Welke acties onderneemt de regering concreet om de fraude op korte termijn te bestrijden, naast het uitvoeren van vervolgonderzoek ter bepaling van het fraudebedrag? De acties gaarne SMART formuleren zodat de eventuele prestaties afrekenbaar zijn.
Kan de regering de Kamer toezeggen dat bij de overdracht van het huursubsidiedossier per 1 januari 2006 als gevolg van de Awir het fraudebedrag aanzienlijk minder is?
De leden van de PvdA-fractie merken op dat als het vooraf geschatte inkomen afwijkt van het werkelijk genoten inkomen, het mogelijk is dat iemand te veel of te weinig geld heeft ontvangen van de Belastingdienst Toeslagen. Te veel ontvangen bedragen moeten binnen twee maanden worden terugbetaald, stelt de regering voor, hoewel dit blijkens paragraaf 4.1.2 kan leiden tot liquiditeitsproblemen. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom de regering niet standaard de mogelijkheid wil geven deze terugbetaling over een langere periode te spreiden, bijvoorbeeld door deze te verrekenen met resterende maandbedragen in jaar t+1.
Als burgers te veel ontvangen tegemoetkomingen moeten terugbetalen of wanneer ze een te laag voorschot hebben gekregen, wordt vanaf een zeker moment heffingsrente gerekend, stelt de regering voor. Kan de regering nader aangeven vanaf welk moment heffingsrente zou moeten worden betaald?
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering het bijstandsniveau alsbestaansminimum beschouwt en welke conclusies zij daaraan verbindt. Acht de regering het verantwoord om terugbetaling te eisen van onopzettelijk te veel ontvangen tegemoetkomingen, als mensen door die terugbetaling (tijdelijk) onder het bijstandsniveau zakken? Een situatie als deze kan zich voordoen buiten de schuld van de belanghebbende, als deze grote inkomenswisselingen doormaakt.
Op welke wijze waakt de Dienst Toeslagen er voor dat bij terug betaling van te veel genoten toeslag het inkomen niet onder het bestaansminimum komt? In welke mate zijn er afspraken mogelijk over terugbetalingstermijnen? Welke gevolgen heeft een terugbetalingsverplichting als iemand in een schuldsanering zit? Als iemand te weinig inkomensafhankelijke toeslag uitgekeerd krijgt en daarom een voorschot ontvangt van de sociale dient, kan dat voorschot dan door de gemeente worden verrekend met de Dienst Toeslagen of moet de gemeente op een later tijdstip de uitbetaling terug gaan vorderen? Kan de regering een schema geven een schema van de huidige terug betalingsregelingen en de hoogte van het daarbij vrij te laten inkomen (1) ten opzichte van de nieuwe regels en (2) ten opzichte van de regels van de Belastingdienst? Hoe zit het met de preferenties van schuldeisers bij terugbetalen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Awir als uitgangspunt voor wat betreft de terugvordering hanteert dat primair verhaal wordt gezocht bij de ouder die de aanvraag heeft ingediend als de schuldenaar. Pas als die geen soelaas biedt kan de eventuele partner door middel van aansprakelijkheidstelling gedwongen worden voor betaling van de schuld zorg te dragen.
De wet Kinderopvang gaat uit van hoofdelijke aansprakelijkheid van zowel de ouder als diens partner en maakt tussen beiden geen onderscheid voor wat de terugbetalingsverplichting. Kan de regering aangeven wat de consequenties hiervan zijn?
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de memorie van toelichting op pagina 35 meldt dat de vormgeving van de bestuurlijke boete in dit wetsvoorstel overeenkomt met de vormgeving van de bestuurlijke boete in het wetsvoorstel vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Kan de regering ingaan op de verhouding van deze wet op dit punt met het genoemde wetsvoorstel, kan eveneens worden ingegaan op de procedure ten aanzien van het moment waarop het wetsvoorstel vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht in werking treedt?
Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat op dat moment de bepalingen opgenomen in dit wetsvoorstel komen te vervallen en de Algemene wet bestuursrecht de procedure biedt met betrekking tot de bestuurlijke boete inclusief de bijbehorende waarborgen voor belanghebbende?
Onderaan pagina 23 meldt de memorie van toelichting dat bij het opleggen van bestuurlijke boeten wordt aangesloten bij de voorschriften in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wat betekent dit voor de voorschriften die hierover worden gegeven in de Awb? Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat van die regels dan zal worden afgeweken? Kan de regering nader ingaan op wat de «praktische redenen» zijn om aan te sluiten bij de AWR?
De leden van de PvdA-fractie vragen wat de proportionaliteit is van de bestuurlijke boeten ten opzichte van de huidige regelingen die voor de verschillende toeslagen gelden? Hoe verhoudt het sanctiesysteem in deze wet zich met het systeem uit de Algemene wet bestuursrecht? En hoe verhoudt zich dat met de wet Boeten en maatregelen zie voor de sociale zekerheid geldt? Graag ontvangen zij een schematisch overzicht waarin de verschillen zichtbaar zijn.
Wanneer wordt een boete opgelegd? Moet de Belastingdienst Toeslagen aantonen dat er sprake is van fraude? Hoe zit het met hoor en wederhoor?
Wat zijn precies de voldoende beschermingen waarover de regering spreekt? Graag ontvangen zij een vergelijkend overzicht. Waarom wijken deze regels af?
Zal een onafhankelijke rechter alleen mogen toetsen op de gevoerde procedure, of mag hij ook een oordeel uitspreken over de inhoud van de overwegingen en de verwijtbaarheid daarvan?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te geven waarom de bestuurlijke boete die in het kader van onderhavige wet kan worden opgelegd niet meer dan 3 000 euro kan bedragen? Kan de regering tevens aangeven waarom het percentage 25 is gekozen als terug te vorderen bedrage? Waarom ligt dit niet hoger of lager?
De boetebepalingen van de Awir wijken op een aantal onderdelen inhoudelijk af van die in de Wet kinderopvang: er is een verschil ten aanzien van personen aan wie de boete kan worden opgelegd. De Awir voorziet in een mogelijkheid tot het opleggen van een boete aan de belanghebbende, diens partner of de medebewoner. De wet kinderopvang maakte het mogelijk om naast de ouder ook derden als de exploitant van een kindercentrum of gastouderbureau of de werkgever van de ouder of diens partner te beboeten. Er staat verder niet in de memorie van toelichting te lezen waarom hiervoor is gekozen.
Kunnen na invoering van het wetsvoorstel Awir derden, zoals een gastouderbureau of de exploitant van een kindercentrum, niet meer beboet kunnen worden? Wat is de reden voor deze verandering?
De leden van de LPF-fractie constateren dat de terugvordering van onrechtmatig verstrekte inkomensafhankelijke regelingen en de beboeting daarvan gemodelleerd is naar het belastingrecht. Het bevreemdt deze leden des te meer dat de maximale boete beperkt is tot 3 000 Euro en het maximale percentage voor de op te leggen boete 25% bedraagt.
Waarom is de grondslag voor de boete «opzet» en niet «opzet» en grove schuld?(vergelijk de artikelen. 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Dient onder «opzet» tevens «voorwaardelijk opzet» te verstaan en zo ja kunt u voorbeelden geven van situaties waarin een belanghebbende «voorwaardelijk opzet» kan worden verweten?Wat is de reden om de boete in hoogte te beperken tot maximaal 3 000 Euro? Wat is de reden dat het maximale percentage voor de op te leggen boete 25% – en niet zoals in het belastingrecht 100% – bedraagt?
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom een renteberekening niet pas van kracht wordt na de definitieve beschikking met als ingangsdatum de datum van de beschikking? Indien bij het verweven van inkomen – en de toeslag is een inkomensbestanddeel – in andere sectoren ook rente berekend gaat worden, worden de uitkeringen van de AOW en de kinderbijslag complexe en dure uitkeringen. Is de regering ook van plan om de voor AOW en de Kinderbijslag een renteberekeningsysteem te gaan invoeren? De leden van de PvdA-fractie vragen herbezinning op de gekozen renteberekeningsmethode.
Indien na 1 juli volgend op het berekeningsjaar wordt vastgesteld dat er met betrekking tot dat berekeningsjaar bedragen moeten worden uitbetaald of teruggevorderd, wordt over die bedragen rente vergoed respectievelijk in rekening gebracht, zo merken de leden van de VVD-fractie.Te zijner tijd zal bij de evaluatie van onderhavige wet worden bezien of de aanvangsdatum van 1 juli kan worden aangepast naar 1 januari volgend op het berekeningsjaar. Daarmee zou de rentesystematiek volledig aansluiten op de renteregeling van de Belastingdienst. Kan de regering motiveren waarom nu al niet aangesloten wordt op de renteregeling van de Belastingdienst?
De leden van de PvdA-fractie merken op dat de inkomenseffecten van het wetsvoorstel en de daarmee samenhangende of zelfstandig voorgenomen andere regelingen in 2006 verstrekkend zullen zijn. De regering heeft aangekondigd dat zijn bij het maken van de begroting 2006 passende aanvullende inkomensmaatregelen zullen nemen om de koopkrachteffecten van deze voorstellen te mitigeren of anderszins bij te stellen.
De in dit hoofdstuk verstrekte informatie is voor de leden van de PvdA-fractie volstrekt onvoldoende om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen over de kwaliteit van de voorgestelde maatregelen.
De leden van de PvdA-fractie vragen daarom een uitvoerige toelichting op de onderstaand gevraagde gegevens.
Heeft de regering de overtuiging heeft dat zij in voldoende mate zicht kan blijven houden op de stapeling van inkomenseffecten die de onderhavige regelingen en de al eerder ingang gezette veranderingen met inkomenseffecten zich in 2006, 2007 en 2008 zullen voordoen? Weet de regering in welke mate er sprake is van samenloop van verschillende regelingen in de onderscheiden huishoudens?
De leden van de PvdA-fractie vragen om een inventarisatie van alle regelingen die in 2006 leiden tot inkomensaanpassingen, de grootte van de doelgroepen, de inkomenseffecten per inkomensgroep en gezinssamenstelling (CPB-indeling) en de mate van samenloop, ook in een grafische weergave. Een verdere uitsplitsing wordt gevraagd voor chronische zieken, gehandicapten en ouderen met een inkomen tot de huidige ziekenfondsgrens.
Dat geldt voor de herdefinitie van verzamelinkomen, huursubsidie (één miljoen mensen krijgen huursubsidie), kosten kinderopvang, de bundeling van fiscale kinderkortingen (inclusief de extra uitgaven voor de geleidelijke afbouw van de korting voor inkomens boven € 30 000: kosten € 150 mln), de zorgtoeslag (inclusief de 900 miljoen extra uitgaven voor inkomens boven € 30 000), de no-claim (inclusief de samenloop van de 4 miljoen verzekerden die geen no-claim krijgen), Walvis en de andere niet genoemde regelingen met inkomenseffecten in 2006, 2007 en 2008.
De leden van de VVD-fractie merken op dat in haar brief van 28 mei 2004 de regering aangeeft dat zij kiest voor wat betreft de huursubsidie voor een afbouwtraject van één jaar. Dit vanwege uitvoeringstechnische redenen. Voor een groep mensen gaan hier (weliswaar kleine) inkomenseffecten mee gepaard. Kan de regering meer gedetailleerd aangeven wat de inkomenseffecten zijn voor de verschillende inkomens (bevolkings) groepen? Kan meer gedetailleerd aangegeven worden wat de precieze omvang is van de groep die getroffen wordt? Is dit dezelfde groep die ook getroffen wordt door de WTOS en WSF 2000 maatregelen die de regering in dit zelfde kader neemt? Wat is – wanneer inderdaad deze maatregelen zich blijken op te stapelen bij dezelfde inkomens (bevolkings) groepen – het koopkrachtplaatje voor deze groepen? Was een wat ruimere overgangsregeling niet mogelijk geweest?
De leden van de SP-fractie zijn niet gerustgesteld over de mogelijke inkomenseffecten van het wetsvoorstel voor individuele huishoudens. Kan de regering voorbeelden geven van individuele huishoudens die er meer € 60 op achteruit gaan? Waarom wordt een dergelijke inkomensachteruitgang geaccepteerd? Kan de regering aangeven wat de mogelijke negatieve inkomenseffecten zijn voor zelfstandigen door het vervallen van de correctie op het verzamelinkomen? Is het juist dat oorlogsslachtoffers als speciale categorie door het wetsvoorstel hun huursubsidie kunnen verliezen?
De leden van de fractie van GroenLinks menen dat de toelichting op het gebied van de inkomensconsequenties en de armoedevalaanpak veel meer uitgebreid moet worden. Kan de regering aangeven met tabellen en grafieken wat voor verschillende groepen (alleenstaanden, éénoudergezinnen, alleenverdieners, tweeverdieners, waarbij gedifferentieerd wordt tussen met en zonder kinderen en meerdere inkomensposities worden weergegeven) de werkloosheidsval en marginale druk verandering is te beginnen met de positie in 2002 en de veranderingen in de jaren 2003 t/m 2007? Kan per inkomensafhankelijke regeling (zorgtoeslag, kinderkortingen, huursubsidie etc) aangegeven worden wat de respectievelijke bijdrage in deze effecten is?
Na lezing van het voorliggende wetsvoorstel en de memorie van toelichting blijven er nog wel een aantal vragen over bij de leden van de fractie van de ChristenUnie, met name waar het gaat om de inkomenseffecten en de financiële consequenties van het wetsvoorstel.
Zo brengt de introductie en de uitvoering van deze wet een aantal ongewenste effecten met zich mee op het terrein van de huursubsidie en de bijzondere bijstand. Weliswaar wordt in dit wetsvoorstel uitgegaan van een geschat inkomen in het berekeningsjaar, – wat natuurlijk actueler is dan het in de huidige Huursubsidiewet gehanteerde peiljaar – maar nog steeds zullen er verschillen optreden tussen de fictieve maximale bijdrage en de feitelijke bijdrage en dat zal met name degenen met een lager dan geschat inkomen treffen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de staatssecretaris of er, analoog aan de Vangnetregeling huursubsidie (VRH), toch een vangnet in de Awir opgenomen kan worden. Een vangnetregeling in de Awir zelf is wat hen betreft de koninklijke weg (n.a.v. pag. 25 en 26 in de MvT). De leden van de fractie van de ChristenUnie vernemen graag de reactie van de staatssecretaris hierop.
Voorts vragen zij zich af of er ook verschillen optreden tussen de fictief maximale bijdrage en de feitelijke bijdrage bij andere inkomensafhankelijke regelingen dan de huursubsidie. Hoe zal dat bijvoorbeeld gaan bij de komende Zorgtoeslag?
De leden van de fractie van de ChristenUnie prefereren dus een vangnet in de Awir, maar als dat onverhoopt niet mogelijk blijkt dient het Rijk wat hen betreft het extra beroep op de bijzondere bijstand, dat dan naar verwachting zal worden gedaan, te compenseren. Graag ontvangen zij hierop een reactie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn benieuwd naar de overwegingen van de regering bij de keuzes die worden gemaakt bij de voorgestelde wijzigingen in de inkomensafhankelijke regelingen, door in sommige gevallen wel en in andere niet over te gaan tot compensatie van negatieve inkomenseffecten.
Elke verandering dient zorgvuldig te zijn overwogen en getoetst, zo menen de leden van de PvdA-fractie. Slechts in een bescheiden paragraaf (4.1.3. en 4.1.4.) wordt een beeld geschetst van de verwachte veranderingen in de subsidiebedragen. Achter de gepresenteerde gegevens gaat een wereld schuil. De gegevens in tabel 1 en figuur 1 (in genoemde paragrafen) zijn voor de Kamer bijvoorbeeld niet verifieerbaar. Een analyse dan wel validatie van de gehanteerde veronderstellingen en gemaakte berekeningen door organisaties als het CPB, Nibud of Woonbond vindt de PvdA-fractie dan ook noodzakelijk. Kan hierin worden voorzien?
Heeft de regering zich bij de wet Awir laten adviseren door organisaties als de Woonbond en Aedes? Kan de Kamer over deze adviezen beschikken? Indien deze niet voorhanden zijn, is de regering bereid deze alsnog te vragen?
Kan een tussentijdse huurverhoging (per 1 juli) per direct leiden tot een wijziging van de huursubsidie, ook als de betrokkene huurt bij een particuliere verhuurder die geen bestanden uitwisselt met de Belastingdienst Toeslagen? Welke stappen moet de huurder in deze situatie ondernemen? Welke waarborg kan de regering voor deze gevallen bieden?
Hecht de regering waarde aan het voortbestaan een gemeentelijk informatiepunten, zoals die nu bestaan in de vorm van huursubsidie-informatiepunten? Zo ja, is de regering bereid hiervoor geld ter beschikking te stellen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de fracties van GroenLinks en D66 willen weten waarom voor het voorschot niet aangesloten is bij de systematiek van de Voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting, waarbij de aanvrager zelf in november t-1 opgave doet van zijn verwachte inkomen in jaar t, in plaats van een schatting op basis van het jaar t-2?
Moeten de leden van de SP-fractie het wetsvoorstel zo begrijpen dat door de jaarlijkse huurverhoging per 1 juli tussentijds om aanpassing van het voorschot moeten worden verzocht? Zo ja, hoe moeten huurders dat op tijd doen als zij dit zes weken van te voren vernemen en de Belastingdienst acht weken de tijd neemt om dit te verwerken? Zo ja, vindt u dit een efficiënte uitvoering?
Bestaan er bij de regering voornemens om het tijdstip van de jaarlijkse maximale huurverhoging te verplaatsen van 1 juli naar 1 januari? Kunt u garanderen dat de regering een dergelijke verschuiving niet zal aangrijpen voor een halfjaarlijkse extra huurverhoging?
Wijziging tijdvak van 1 juli–30 juni naar 1 januari–31 december
De leden van de PvdA-fractie zien dat de regering schrijft dat «desgewenst» de datum van de jaarlijkse huurverhoging losgekoppeld kan worden van het tijdvak van de huursubsidie. Wie beslist hierover? Kunnen verhuurders vrijelijk beslissen wanneer zij de huren verhogen, of is daar op een later moment eerst nog een beslissing van regering of parlement (of beide) voor nodig?
Waarom wordt het moment van de jaarlijkse huurverhogingen niet eveneens op 1 januari gesteld?
De leden van de VVD-fractie merken op dat de ratio van het oude tijdvak was gelegen in het synchroon lopen met de jaarlijkse huurverhoging per 1 juli. Teneinde in het nieuwe stelsel de jaarlijkse mutaties in huursubsidie gedurende het jaar zo gering mogelijk te laten zijn, zou het te overwegen zijn om de jaarlijkse huurverhoging voortaan ook per 1 januari te laten plaatsvinden.
Kan de jaarlijkse huurverhoging voortaan ook per 1 januari plaatsvinden in plaats van per 1 juli?
De leden van de D66-fractie vragen zich af of, gezien de wijziging van het huursubsidietijdvak, de jaarlijkse huurverhoging voortaan per 1 januari kan plaats vinden in plaats van per 1 juli?
Wijziging peiljaar inkomen van t-1½ naar t in combinatie met afschaffen vangnetbepaling
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het wetsvoorstel de huursubsidie wordt berekend op basis van het inkomen in het betreffende jaar: jaar t. In het huidige stelsel wordt nog uitgegaan van het inkomen in het jaar t-1½. Het nieuw voorgestelde systeem voorkomt gevallen van onterechte subsidie uit het huidige systeem maar veroorzaakt, door de introductie van voorschotten, nieuwe problematiek en een verzwaring van het administratieve proces.
Het aanzienlijke verschil tussen peiljaar voor het voorschot en dat voor de definitieve vaststelling zal er naar verwachting toe leiden dat vaak nog verrekeningen moeten plaatsvinden, met de daaraan verbonden debiteurenrisico's.
Onduidelijk is waarom niet is aangesloten bij het systeem van de Voorlopige Teruggaaf Inkomstenbelasting, waarbij de aanvrager zelf in november t-1 opgave doet van zijn verwachte inkomen in jaar t en na afloop van dit jaar definitieve afrekening volgt. Mede gezien het feit dat de uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen door het nieuw op te richten uitvoeringsorgaan Belastingdienst Toeslagen pleit voor zo synchroon mogelijke processen.
Waarom wordt voor het voorschot niet aangesloten bij de systematiek van de Voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting, waarbij de aanvrager zelf in november t-1 opgave doet van zijn verwachte inkomen in jaar t, in plaats van een schatting op basis van het jaar t-2?
De burger dient wijzigingen in het inkomen zelf direct te melden. Verwacht mag echter worden dat de melding van neerwaartse mutaties meer spontaan zal plaatsvinden dan opwaartse: die laatste hebben immers vermindering of verlies van huursubsidie tot gevolg! Voor de overheid is het echter van belang dat ook die laatste mutaties snel worden doorgegeven. Bij de Voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting betaalt de burger de heffingsrente over onterecht of teveel ontvangen teruggaaf.
Zal er een sanctie komen op het niet of te laat melden van inkomensmutaties, bijvoorbeeld een systeem vergelijkbaar met de heffingsrente bij de Inkomstenbelasting?
De leden van de VVD-fractie zien dat in de brief van 24 november jl. van de minister van VROM over het rapport «Beleving en overtreding van regels van de huursubsidiewet» wordt aangegeven dat er wordt gefraudeerd met huursubsidie. Welke acties onderneemt de regering om de fraude op korte termijn te bestrijden, naast het uitvoeren van vervolgonderzoek ter bepaling van het fraudebedrag? En kan met het oog op de toekomstige rol van de Belastingdienstconcreet worden ingegaan op de visie van de Belastingdienst op het toezicht op toeslagen?
Kan de regering aangeven hoe groot de spreiding is van de negatieve inkomenseffecten die de huishoudens met een inkomensachteruitgang van meer dan € 60 zullen ervaren, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. En kan de regering hetzelfde aangeven voor de circa 27 000 studenten die een lagere aanvullende beurs ontvangen?
Bij het berekenen van de inkomensachteruitgang is gekeken naar hoeveel mensen er meer dan 60 euro per jaar op achteruit zullen gaan. De leden van de PvdA-fractie vinden dat dit een veel te beperkt inzicht geeft en willen graag een uitgebreidere toelichting. Zij willen een overzicht van het aantal studenten verdeeld over vijf groepen, waarbij de groep de mate van achteruitgang in euro's weergeeft. Ook dient in dit schema te worden weergegeven, de gemiddelde inkomensachteruitgang per groep als percentage van de gemiddeld door die groep te ontvangen aanvullende beurs en als percentage van de gemiddeld door die groep te ontvangen totale beurs.
Voorbeeld ter verduidelijking: Groep 1 – 3000 studenten – inkomensachteruitgang tussen de 0 en 20 euro per maand – gemiddeld 20% van de ontvangen aanvullende beurs – gemiddeld 10% van de ontvangen beurs, Groep 2 – 2000 studenten – inkomensachteruitgang tussen de 20 en 50 euro per maand- gemiddeld 30% van de ontvangen aanvullende beurs – gemiddeld 15% van de ontvangen totale beurs, enzovoort.
Daarnaast willen de leden van de PvdA-fractie weten hoeveel een student er maximaal op achteruit kan gaan.
Er is voor gekozen om de verlaging gespreid over drie jaar in te voeren. Waarom is niet gekozen voor een langere periode, om zo de studenten die er mogelijk substantieel in inkomen op achteruitgaan tegemoet te komen?
De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering in haar brief van 28 mei jl. aangeeft dat het een relatief grote groep betreft die door de maatregelen van de regering op dit punt getroffen worden. Kan aangegeven worden welke inkomens (bevolkings) groepen getroffen worden? Wat zijn de koopkrachteffecten? Was een langer afbouwtraject (dan drie jaar) niet noodzakelijk geweest?
Kan de regering aangeven in hoeverre de harmonisatie van begrippen gevolgen heeft voor bijzondere omstandigheden waarin studenten kunnen verkeren (functiebeperking, chronisch ziek, financieel verantwoordelijk voor kinderen)?
Deze leden zien dat de op handen zijnde wijzigingen m.b.t. het bekostigingsstelsel hoger onderwijs ook voorzien in een nieuwe, meer inkomensafhankelijke terugbetalingsystematiek. Hiermee komt de huidige annuiteitenterugbetalingssystematiek te vervallen. Kan worden toegelicht hoe dit zich verhoudt met de harmonisatie van begrippen Awir?
Kan de regering ook ingaan op het volgende. In deze wet wordt bepaald dat gezinsinkomen de norm is waarnaar wordt gekeken bij de betrokken regelingen.
De leden van de VVD-fractie zien hier een probleem opdoemen met betrekking tot de studiefinanciering. De (nieuwe) terugbetalingsregeling voor studiefinanciering wordt daarmee ook gebaseerd op gezinsinkomen.
Terugbetaling studielening op basis van gezinsinkomen is (a) niet logisch (profijtbeginsel) en (b) niet-emancipatoir
Ad a: Partner van terugbetalende ex-student hoeft zelf niet te hebben gestudeerd
Ad b: Als partner gaat werken in deeltijd en gezinsinkomen stijgt, zal daardoor ook terugbetaling hoger worden. Dat is weer een rem op vergroting arbeidsparticipatie vrouwen. Kan de regering haar zienswijze op dit punt geven?
De leden van de SP-fractie delen de mening van de Raad van State dat er geen goede redenen zijn om de persoonsgebonden correctie op het verzamelinkomen voor de WTOS en de WSF2000 te laten vervallen. Kan de regering een individueel voorbeeld geven van de inkomenseffecten van een huishouden dat een buitengewone ziektenkostenaftrek heeft? Zijn de inkomensgrenzen voor de aanvullende beurs in het wetsvoorstel niet aangepast voor het afschaffen van de correctie op het verzamelinkomen? Kan een voorbeeld worden gegeven van de inkomenseffecten van een huishouden met een gezamenlijk inkomen net onder het toetsinginkomen als gevolg van de correctie?
Tenslotte, voor wat betreft de voorgestelde wijziging van het hardheidsclausulebeleid in de WSF 2000 en de WTOS vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of kan worden gegarandeerd dat hierdoor geen mensen buiten de boot zullen vallen.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat de vakinhoudelijke ministers en de minister van Financiën volgens het wetsvoorstel de verantwoordelijkheid delen over de inkomensafhankelijke regelingen die de Belastingdienst Toeslagen zal uitvoeren. Als beleidswijzigingen leiden tot hogere of lagere uitvoeringskosten, op wiens begroting komen die veranderde kosten dan tot uitdrukking? Op de begroting van de minister van Financiën (begrotingshoofdstuk IXb) of op de begroting van de betrokken vakinhoudelijke minister? En hoe zit dit met (toekomstige) synergievoordelen? Hoe groot zijn die naar verwachting? Als geraamde uitvoeringskosten na verloop van tijd blijken mee te vallen, tellen de besparingen dan mee voor begroting IXb of voor andere begrotingshoofdstukken? Wie toetst de raming van wijzigingen in uitvoeringskosten na beleidswijzigingen?
Van welke begrotingsposten zijn de bedragen in de tabel in paragraaf 4.3 afkomstig? Blijft dit geld per regeling zichtbaar in de betreffende begrotingshoofdstukken?
Volgens paragraaf 4.3 is een personeelsomvang van 920 fte nodig voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen. In paragraaf 5 («Implementatie») is sprake van 770 fte. Wat verklaart dit verschil?
De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering uit een te zetten wat de kosten zouden zijn van niet-gecentraliseerde uitvoering van de verschillende regelingen, met gebruikmaking van een informatie-intermediair die zorgt dat alle uitvoerders van de verschillende regelingen van dezelfde informatie gebruik kunnen maken. Welke haken en ogen zijn hier volgens de regering aan verbonden, bijvoorbeeld op het terrein van bescherming van persoonsgegevens?
Wat zijn de effecten van het zelfstandig inrichten van een Dienst Toeslagen in plaats van de Belastingdienst Toeslagen om zo de Belastingdienst Toeslagen los te knippen van de Belastingdienst?
De leden van de VVD-fractie merken op dat een doelstelling van het wetsvoorstel een vermindering van de uitvoeringskosten is. Dit kan zo merkt de regering op, door synergievoordelen in de uitvoering te behalen.
Kan de regering concreet aangeven aan welke synergievoordelen gedacht moet worden? Kan de regering deze synergievoordelen kwantificeren?
De transparantie wordt verbeterd door onder meer diverse begrippen te harmoniseren. Zo wordt voor het toetsingsinkomen aangesloten bij het verzamelinkomen uit de Wet inkomstenbelasting 2001. De correctie op het verzamelinkomen zal worden afgebouwd.
Wat is de maximale inkomensachteruitgang van het afschaffen van de correctie op het verzamelinkomen? Wat zijn de budgettaire effecten hiervan voor het Rijk?
Wat zijn de effecten van het afschaffen van de correctie op het verzamelinkomen inzake de terugbetaalregeling op de inkomens van terugbetaalplichtigen? Kan de regering een koopkrachtbeeld geven met daarin de gevolgen voor diverse bevolkingsgroepen als onderhavig wetsvoorstel wordt aangenomen?
In hoofdstuk 4.3 wordt een overzicht gegeven van de uitvoeringskosten in de periode 2004–2007 e.v., die gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het wetsvoorstel. In 2007 zal voor de uitvoering van de Zorgtoeslag, de Huursubsidie en de Kinderopvang ca € 124,6 mln. benodigd zijn. Daarnaast zal een bedrag van € 90 mln. benodigd zijn voor incidentele kosten, zoals bijvoorbeeld ICT-aanpassingen, de ontwikkeling van aanvraagformulieren, opleiding van personeel etc.
Niet helder wordt gemaakt wat nu precies de besparing is op de uitvoeringskosten als gevolg van dit wetsvoorstel. In de tabel op bladzijde 31 van de memorie van toelichting zijn de uitvoeringskosten van de huidige regelingen onder elkaar gezet.
Kan de regering afzonderlijk voor de zorgtoeslag, de huursubsidie en de kinderopvang in beeld brengen wat de uitvoeringskosten zouden zijn zonder en met het wetsvoorstel Awir? Kan de regering hierbij de verschillen onderbouwen? Kan de regering deze verschillen ook in personeelscapaciteit presenteren?
De leden van de VVD-fractie vinden de memorie van toelichting van het wetsvoorstel onduidelijk over de huidige uitvoeringskosten van de Huursubsidie. De huidige uitvoeringskosten van de Huursubsidie bedragen volgens de begroting al jaren tussen de € 35 en € 40 miljoen. Volgens bladzijde 31 van de Memorie van Toelichting zullen zij ook in het nieuwe systeem die omvang hebben, maar in de begroting van 2004 was nog verwacht dat de uitvoeringskosten van de huursubsidie op termijn gehalveerd zouden worden. Deze halvering maakt het nieuwe stelsel kennelijk niet waar.
Kan de regering het bereiken van de halvering van de uitvoeringskosten nader toelichten?
In de brief van de minister van VROM van 26 november jl. n.a.v. het begrotingsonderzoek VROM worden de effecten van de invoering van de Awir op de programma-uitgaven voor de huursubsidie ingeschat. Volgens deze brief «laat voortschrijdend inzicht zien dat het saldo effect in de eerste jaren waarschijnlijk lager uitkomt en verder daalt om in 2010 uiteindelijk uit te komen op een beperkt overschot. De wijzigingen zullen in de 1e suppletore begroting 2005 worden verwerkt». Is er een indicatie te geven van het overschot vanaf 2010?
In de brief staat voorts dat de Awir nog enkele structurele kostenverhogingen van beperkte omvang tot gevolg heeft. Het gaat dan onder meer om de (beperkte) verruiming van de vermogensgrenzen ten gevolge van de harmonisatie met de grenzen van Box 3 van de Wet IB 2001, de kostenverhogende effecten van de mogelijkheid om huursubsidie met terugwerkende kracht en ook na afloop van het subsidiejaar aan te vragen. Is er een indicatie te geven van de structurele kostenverhogingen?
Hoe komt het dat de in de begroting van 2004 voorziene halvering van de uitvoeringskosten van de Huursubsidiewet niet is gerealiseerd en ook thans kennelijk niet zal worden gerealiseerd?
Welke effecten op de uitvoeringskosten zal de introductie van een voorschotsysteem hebben op de uitvoeringskosten van de Huursubsidiewet?
Kan de regering aangeven waarom de Wet op de Kinderopvang in de aanvangsjaren nog gescheiden wordt uitgevoerd? Kan de regering meer duidelijk zijn over wanneer de Wet op de Kinderopvang wel onder onderhavig wetsvoorstel komt te vallen?
Uit de memorie van toelichting worden wel de verwachtte uitvoeringskosten duidelijk maar niet hoeveel daarmee nu wordt bespaard, zo zien de leden van de SP-fractie. Kan een duidelijk overzicht gegeven worden hoeveel structureel wordt bespaard door de voorgestelde uitvoering in het wetsvoorstel? Kan hierbij een uitsplitsing worden gemaakt tussen zorgtoeslag, kinderopvang, en huursubsidie? Is het juist dat de uitvoering van de huursubsidie ingewikkelder wordt doordat het inkomen achteraf getoetst wordt en zonodig de huursubsidie aangepast? In de memorie van toelichting wordt gesproken over het «op termijn» automatisch verkrijgen van een nieuw voorschot voor het volgende jaar (p. 20). Wat wordt hier bedoeld met «op termijn»? Waarom is in het wetsvoorstel niet aangesloten bij de systematiek van de voorlopige teruggaaf waarbij de aanvrager zelf zijn toekomstige inkomen schat?
De leden van de fractie van GroenLinks menen met de regering dat het goed is als de uitvoeringskosten van inkomenspolitiek zo beperkt mogelijk worden gehouden, zodat het geld zoveel mogelijk gebruikt kan worden voor de mensen die het geld zo hard nodig hebben. Kan de regering helder in beeld brengen wat er in deze kabinetsperiode gebeurt wat betreft de uitvoeringskosten van inkomensafhankelijke regelingen (per regeling de uitvoeringskosten zonder en met onderhavig wetsvoorstel). Vindt er een stijging of een daling plaats van de structurele uitvoeringskosten en kan aangegeven worden waar precies de besparingen liggen en hoeveel deze bedragen? Kan aangegeven worden waarom de verwachte halvering van de uitvoeringskosten van de huursubsidie uit de begroting 2004 niet meer worden gehaald?
De leden van de D66-fractie zouden graag de synergievoordelen in de uitvoeringskosten gekwantificeerd zien, zowel in budgettair als in formatief opzicht.
De regering kiest voor een naar het oordeel van de leden van de PvdA-fractie voor een overhaast invoeringsscenario. Om tot een goed oordeel te kunnen komen over de inkomenseffecten en de te ontstane inkomenstekorten en de bepaling van het volume aan geld dat voort dit ambitieuze project nodig is vragen deze leden om de volgende overzichten:
1 De kosten van het hele project:
– Een begroting van alle kosten die vanaf de start van het project Awir nodig zijn in ICT, personeel en overige middelen per departement en totaal
– Een overzicht van de inmiddels al aangegane verplichtingen en de kosten daarvan
– Een tijdschema van de benodigde beslissingen, aanbestedingen en uitgaven en het point of no return van de onderscheiden regelingen.
2 De inkomenseffecten voor alle inkomens (per CPB categorie) die als gevolg van Awir veranderen;
3 Een geactualiseerd koopkrachtbeeld met de nog ongecorrigeerde effecten van Awir, uiterlijk half juni 2005 te ontvangen, opdat de Kamer in een vroeg tijdig stadium invloed kan uitoefenen op de verstrekkende koopkrachteffecten die dit voorstel met zich meebrengt.
De leden van de PvdA-fractie zijn zoals aangegeven in het bijzonder verontrust over de snelheid waarop de regering de invoering van de Awir denkt te kunnen bewerkstelligen. Deze leden hebben grote twijfels of alle betrokken organisaties tijdig voldoende toegerust zullen zijn om de veranderingen vlekkeloos te laten verlopen. Ook vrezen genoemde leden dat de betrokken instanties niet in staat zullen zijn de informatievoorziening naar burgers tijdig op orde te hebben. Wij brengen in herinnering het chaotisch verlopen jaar 2002/2003 als gevolg van het Eos-project (automatisch continueren huursubsidie). Toen bleek dat de omzetting door VROM sterk was onderschat. Welke lessen heeft de regering daaruit getrokken in het kader Awir?
Over ruim een jaar zou de wet van kracht moeten zijn. Hoe denkt de regering dit te gaan realiseren, gezien de ervaringen met Eos? De invoering van Eos verliep in drie fasen over een periode van drie jaar tijd, maar was desondanks toch chaotisch.
De leden van de PvdA-fractie vrezen dat volledig is onderschat welk een gigantische operatie met majeure effecten in gang wordt gezet. Is bijvoorbeeld voorzien in een telefoondesk dat a) bereikbaar is (met andere woorden niet bezet), b) bemand wordt door kundige medewerkers, en c) gratis te bellen is? Op hoeveel telefoontjes is de helpdesk berekend? Ter vergelijking: ten tijde van de Eos-operatie ging het om ruim 20 000 inbelpogingen per dag, met een piek van 90 000 inbelpogingen op een dag.
Hoe wordt omgegaan met burgers die door een technische fout met liquiditeitsproblemen te maken krijgt? Is hiervoor een budget gereserveerd? Hoe groot is dat? Welke steekproeven zijn er gehouden? In hoeverre is er rekening gehouden met complexe gevallen? Is voldoende personeel beschikbaar? Beschikt het personeel over voldoende kennis en inzicht? Zijn de gegevens van voldoende kwaliteit? Zijn de benodigde gegevens beschikbaar? Is de informatie tussen betrokken instanties tijdig en technisch uitwisselbaar?
Deze leden vrezen verder dat Kamerleden overspoeld zullen gaan worden met individuele probleemgevallen. Kunnen Kamerleden, vergelijkbaar met de Eos-situatie, dergelijke probleemgevallen doorgeleiden dan wel voorleggen aan het ambtelijke apparaat?
Waarom is het aantal medewerkers dat van VROM naar de Belastingdienst Toeslagen zal verhuizen, gemaximeerd op 340?
De leden van de VVD-fractie merken op dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van tegemoetkomingen met naar aard en strekking daarmee overeenkomende tegemoetkomingen op grond van wetgeving van een andere mogendheid.
Zal de regering deze maatregel van bestuur voorzien van een voorhangprocedure?
Kan de regering uitvoerig ingaan op de wijze waarop de voorlichting omtrent dit wetsvoorstel wordt geregeld, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze de evaluatie van onderhavig wetsvoorstel plaatsvindt.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering aan te geven waarom het begrip medebewoner (artikel 2 lid g, 2) is op genomen in de wet? Bij welke toepassing is dat lid relevant? Hoe verhoudt dit begrip zich met andere partner of relatievormen in de sociale zekerheid. Is er een overeenkomst met dit begrip in Awir met de Wwb, ANW of AOW? Zo ja welke, zo nee waar zit precies het verschil? Wie gaat verifiëren of er daadwerkelijk sprake is van een medebewoner? Gaat de regering (bij het vaststellen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding) uit van een andere begrip dan dat van de AOW? Welke bewijsstukken (graag een limitatieve opsomming) moeten overlegd worden om te kunnen vaststellen of er sprake is van een zakelijke relatie?
Is iedereen die meer dan 6 maanden een gezamenlijke huishouding voert en niet onder 1 of 2 valt, partner, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Indien men minder dan 6 maanden een gezamenlijke huishouding voert is er dan geen sprake van partner in de zin van de wet Awir? Is er een uitzondering bij overlijden? Zijn er uitzonderingen voor het zijn van een partner in de termijn van 6 maanden? Bij voorbeeld vanwege de verzorging of verpleging van een ernstige ziekte in het kader van mantelzorg? Zo nee waarom niet?
De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier de regering over gegevens zal kunnen beschikken van pensioenfondsen? En waarom is ervoor gekozen het zijn van partner afhankelijk te laten zijn van de keuze voor partnerschap in een pensioenfonds, dat geen overheidsdienst is?
Is een driepersoonshuishouden (met drie volwassenen boven de 18) mogelijk bij de wet op de zorgtoeslag, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de PvdA-fractie zetten vraagtekens bij de formulering van het draagkrachtbeginsel, in het bijzonder met betrekking tot de vermogenstoets in combinatie met de formulering in materiewetten. In artikel 7, lid 3, Awir staat: «Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat er geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende [...] over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen.» De crux zit hier in de formulering met «indien». Als in een materiewet de passage «De hoogte van de [...] toeslag is afhankelijk van de draagkracht.» is opgenomen, en als daarbij in de memorie van toelichting wordt verwezen naar Awir, geldt dan wel of geen vermogenstoets? Moet in materiewetten expliciet worden gesteld dat sprake is van een vermogenstoets als bedoeld in artikel 7, lid 3 en/of lid 4 van Awir om de vermogenstoets in die wet rechtsgeldig te laten zijn? Als op dit punt geen eenduidig uitsluitsel kan worden gegeven, is de regering dan van plan om stappen te ondernemen die leiden tot eenduidigheid?
De leden van de CDA-fractie vragen of ook rekening gehouden zal worden met een uitkering, die is aangevangen na bijvoorbeeld scheiding, zoals ook in de MvT staat vermeld?
Artikel 9.2 en 9.3 Wijziging status vreemdelingen; partner of medebewoner is vreemdeling
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering te beargumenteren waarom zij het wel of niet wenselijk vindt dat partners van illegalen geen inkomensafhankelijke tegemoetkomingen kunnen krijgen? Hoe verhoudt zich dit tot de voorgestelde tekst van artikel 9, lid 2 en 3, Awir?
Als een medebewoner van een belanghebbende buiten medeweten van de belanghebbende illegaal in Nederland blijkt te verblijven, moet de belanghebbende dan alle ontvangen inkomensafhankelijke tegemoetkomingen terugbetalen? Welke bedoeling heeft de regering met artikel 9, lid 2 en lid 3, Awir? Wordt een belanghebbende geacht zich te vergewissen van de verblijfsstatus van iedereen die hij of zij in huis neemt? Zo ja, waar is dat geregeld? Geldt dit ook op grond van andere wetten, of is dit een novum in het wetsvoorstel Awir? Welke volgende stappen acht de regering tegen deze achtergrond eventueel nog meer gewenst; hogere belastingtarieven of minder belastingkortingen voor mensen die een illegaal als partner of medebewoner hebben? Boetes?
In de definitie van de Belastingdienst Toeslagen is naar aanleiding van het advies van de Raad van State sprake van «toekennen, uitbetalen en terugvorderen». Het heffen van rente of het opleggen van bestuurlijke boeten wordt niet opgenomen. De leden van de SGP-fractie vragen waarom hier niet voor is gekozen. Zou juist het «dwangmatige» karakter niet noodzaken tot opnemen van deze gegevens in de definitie?
Zal het Burger Service Nummer zijn ingevoerd bij invoering en zal die dan gebruikt worden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
Artikel 14 Toekennen tegemoetkoming
De regering stelt voor, indien partners een gezamenlijke aanspraak op een tegemoetkoming hebben, de tegemoetkoming uitsluitend toe te kennen aan de aanvrager, zo constateren de leden van de PvdA-fractie. Welke implicaties heeft dit volgens de regering voor de aanvrager en diens partner? In hoeverre is deze toekenningsmanier nieuw? In welke regelingen wordt ook nu al een gezamenlijke aanspraak aan enkel de aanvrager toegekend? Hoe zijn de ervaringen daarmee bij de aanvragers?
Kinderbijslag wordt uitgekeerd aan de verzorgende ouder (meestal de moeder). Waarom doet de regering nu een voorstel voor een uitbetalingssystematiek voor inkomensafhankelijke tegemoetkomingen die daar niet bij aansluit? Acht de regering het wenselijk dat kinderbijslag aan de verzorgende ouder wordt uitbetaald en inkomensafhankelijke toeslagen wellicht aan een andere ouder? Waarom?
Bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming voor kinderopvang is het inkomen van beide ouders in gelijke mate van belang. Toch stelt de regering voor, deze tegemoetkoming slechts aan een van de ouders uit te betalen. Waarom acht de regering dat niet tegenstrijdig?
Artikel 15 Aanvraag tegemoetkoming
De leden van de PvdA-fractie merken voorts op dat indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt de aanvraag mede ondertekend door de medebewoners, stelt de regering voor. In de memorie van toelichting geeft de regering aan dat deze ondertekening alleen betrekking heeft op de inkomens- en vermogensgegevens van die medebewoners zelf. Welke privacywaarborgen acht de regering in dit kader nodig? Moeten de medebewoners hun informatie bijvoorbeeld afstaan aan de belanghebbende («met de billen bloot»), of kunnen ze hun informatie ook rechtstreeks aan de uitvoerder van de inkomensafhankelijke regeling sturen zonder tussenkomst van de belanghebbende? Kan de regering deze zelfde vragen beantwoorden naar aanleiding van artikel 7, lid 4, Awir?
Artikel 19 Beslistermijn toekenning tegemoetkoming
Als iemand geen belastingaangifte doet, maar wel tijdig een aanvraag indient voor een inkomensafhankelijke tegemoetkoming, kan het acht maanden duren (april tot en met november) voordat de Belastingdienst Toeslagen de tegemoetkoming toekent. Waarom deze lange periode, en waarom dan niet ook de aanvraagtermijn verlengen tot bijvoorbeeld acht weken vóór 1 december van jaar t+1, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.
Artikel 31: Uitstel van betaling bij terugvordering
De leden van de CDA-fractie vragen hoe willekeur zal worden voorkomen bij deze regeling?
De leden van de LPF-fractie merken op dat ten aanzien van uitstel van betaling de staatssecretaris van Financiën schrijft: «De delegatiebepaling van het tweede lid biedt grondslag voor een ministeriële regeling. In die regeling zullen de uitvoeringsvoorschriften voor de Belastingdienst Toeslagen worden vastgelegd met betrekking tot de procedure voor het in aanmerking komen voor uitstel van betaling, de periode waarover het uitstel zich uitstrekt alsmede de voorwaarden waaronder uitstel van betaling wordt verleend» (MvT, p. 57).
Wanneer zal deze uitvoeringsregeling aan de Tweede Kamer worden voorgelegd?
Artikel 32 Dwanginvordering bij terugvordering
Wat is de reden dat voor de Belastingdienst toeslagen bij terugvordering – anders dan de Ontvanger voor de inning van belastingaanslagen – geen voorrecht heeft (vgl. artikel 21 Invorderingswet 1990), zo vragen de leden van de LPF-fractie.
Artikel 33 Aansprakelijkheid bij terugvordering
De leden van de LPF-fractie vragen of de conclusie juist is dat samenwoners hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen «ontgaan» door niet voor het fiscale partnerschap te kiezen?
Stel dat Piet en Marie in 2002 voor het partnerschap hebben gekozen, maar in 2003 niet. Stel dat Piet in 2002 ten onrechte een beroep heeft gedaan op een inkomensafhankelijke regeling.
Is het de bedoeling dat Marie in 2004 aansprakelijk kan worden gesteld voor de (1) in 2002 onterecht genoten inkomensafhankelijke tegemoetkoming van Piet of (2) de in 2002 en 2003 onterecht genoten inkomensafhankelijke tegemoetkoming van Piet?
Artikel 40 Boete bij opzettelijke onjuiste informatieverstrekking
De leden van de LPF-fractie vragen waarom in artikel 40, tweede lid, geen rekening is gehouden met «een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd» van artikel 5.4.1.5, tweede lid van het wetsvoorstel Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht?
Artikel 41 Vrijwillige verbetering
Is van een vrijwillige verbetering zowel sprake als daar door de Belastingdienst Toeslagen of door de Belastingdienst (inspecteur) om is gevraagd, zo vragen de leden van de LPF-fractie.
De leden vande PvdA-fractie vragen de regering een reactie te geven op de VNG-brief van 7 december met een uiteenzetting van ongewenste effecten op het terrein van de huursubsidie en de bijzondere bijstand?
Heeft de regering contact opgenomen met de VNG over het schrappen van de vangnetregeling huursubsidie? Welke conclusies heeft de regering uit dit overleg getrokken? Als de regering voorziet dat het beroep op de bijzondere bijstand zal stijgen (zoals de VNG verwacht naar aanleiding van het huidige Awir-voorstel), is de regering dan bereid de kosten te vergoeden van extra werkzaamheden die gemeenten daarvoor maken? Is de regering van plan een onderzoek te doen naar deze extra kosten op basis van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering in kan gaan op de kritiek van de VNG die aangeeft dat door de inkomenseffecten die het wetsvoorstel Awir oplevert en het ontbreken van een vangnet in de Awir het beroep op de bijzondere bijstand enorm zal toenemen. Deelt de regering deze visie van de VNG? Kan de regering een indicatie geven van het bedrag dat vermoedelijk extra uitgekeerd zal worden aan bijzondere bijstand als gevolg van de inwerkingtreding van de Awir? Kan de regering daarbij ook ingaan op onderzoeken die de gemeenten Amsterdam en Rotterdam in dit kader hebben uitgevoerd? Is de regering alsnog bereid om een vangnetbepaling in het wetsvoorstel op te nemen? Kan de regering ook aangeven wat de belasting zal zijn voor het personeel van de sociale dienst als gevolg van het inwerking treden van de Awir?
Kan de regering ingaan op de personele consequenties die onderhavig wetsvoorstel met zich meebrengt? Dit naar aanleiding van opmerkingen van de VNG hierover. Hoe wordt erop toegezien dat het personeel dat bij gemeenten (en ministeries) door Awir overtollig wordt zo goed mogelijk een nieuwe plek bezorgd krijgt binnen de (Rijks)overheid? In hoeverre is een overstap naar de Belastingdienst Toeslagen mogelijk?
De leden van de SP-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt verwezen naar de Huursubsidie-informatiepunten (HIP). De VNG stelt in haar brief van 7 oktober jl. dat deze punten niet in meer in stand gehouden zullen worden. Is dit voor de regering aanvaardbaar? Zal hierover in overleg worden getreden met de gemeenten?
De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd of de regering bekend is met de zorgen van de VNG. Kan de regering aangeven of zij weet welke zorgen daar leven op inkomens- en budgettair gebied en of zij van zins is om deze zorgen weg te nemen?
Ten slotte zien de leden van de D66-fractie graag een reactie op de brief van de VNG van 7 december 2004 aan de Tweede Kamer voor wat betreft het vervallen van de Vangnetregeling huursubsidie (VRH).
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Tichelaar (PvdA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Koomen (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Heemskerk (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Egerschot (VVD).
Plv. leden: Rouvoet (CU), Koenders (PvdA), Dittrich (D66), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Vacature (algemeen), Duyvendak (GL), Van Gent (GL), De Ruiter (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Omtzigt (CDA), Eerdmans (LPF), Noorman-den Uyl (PvdA), Mosterd (CDA), Van Bommel (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Rambocus (CDA), Stuurman (PvdA), Luchtenveld (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Vries (VVD), Van Beek (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29764-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.