29 760
Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 13 oktober 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel T, wordt het tweede lid, onderdeel b, van artikel 38c vervangen door:

b. die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.

2. In onderdeel U, wordt het tweede lid, onderdeel a, van artikel 38d vervangen door:

a. aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, of.

3. In onderdeel V, wordt in het tweede lid van artikel 38e «de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt» vervangen door: de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.

4. In onderdeel W, wordt in het tweede lid van artikel 38f «de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt» vervangen door: de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.

II

Na artikel V wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VA

In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt met ingang van 1 januari 2006 in artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, «artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste volzin, of zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964» vervangen door: artikel 19b, eerste lid, of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964.

III

In artikel VII, aanhef, wordt «met ingang van 1 januari 2011» vervangen door: met ingang van 1 januari 2015.

IV

In artikel X, aanhef, wordt «met ingang van 1 januari 2011» vervangen door: met ingang van 1 januari 2015.

V

In artikel XII, onderdeel D, wordt «de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 58 jaar» vervangen door: de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 56 jaar.

VI

Artikel XIV wordt vervangen door:

ARTIKEL XIV

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2005.

2. Artikel 10, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat komt te luiden ingevolge artikel I, onderdeel A, werkt terug tot en met 16 september 2004 voor uitkeringen die worden genoten als gevolg van afkoop, vervreemding of het formeel of feitelijk onderwerp van zekerheid worden van de aanspraak, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990.

Toelichting

Deze nota van wijziging bevat een uitwerking van een van de voorstellen die zijn opgenomen in de motie Verhagen c.s. (Kamerstukken II, 29 800, nr 4). Dit betreft de verruiming van het overgangsrecht voor de fiscale behandeling van VUT- en prepensioenregelingen. Daarnaast zijn twee technische verbeteringen aangebracht.

I

In onderdeel 1 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar. Op grond van deze wijziging blijft de huidige fiscale behandeling van kracht voor regelingen voor vervroegde uittreding, op basis waarvan na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of aan werknemers die voor 1 januari 2006 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling hebben genoten.

In onderdeel 2 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38d van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar. Op grond van deze wijziging blijft de huidige fiscale behandeling van kracht voor prepensioenregelingen, op basis waarvan na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd.

In onderdeel 3 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38e van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, de opbouw van hun ouderdomspensioen zonder fiscale consequenties kunnen voortzetten.

In onderdeel 4 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38f van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, de opbouw van hun overbruggingspensioen zonder fiscale consequenties kunnen voortzetten.

II

Als gevolg van het in artikel II, onderdeel C, van het voorstel van wet opgenomen voorstel om het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 te laten vervallen, dient ook de in artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen verwijzing te worden aangepast.

III

Als gevolg van het hiervoor reeds toegelichte voorstel tot verruiming van het overgangsrecht dient ook de datum waarop artikel VII van het voorstel van wet in werking treedt te worden aangepast. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het genoemde artikel VII ten onrechte – en in afwijking van de memorie van toelichting – de datum van 1 januari 2011 in plaats van de datum van 1 januari 2013 was vermeld. Thans wordt voorgesteld om deze datum te verschuiven naar 1 januari 2015.

IV

Als gevolg van het hiervoor reeds toegelichte voorstel tot verruiming van het overgangsrecht dient ook de datum waarop artikel X van het voorstel van wet in werking treedt te worden aangepast. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het genoemde artikel X ten onrechte – en in afwijking van de memorie van toelichting – de datum van 1 januari 2011 in plaats van de datum van 1 januari 2013 was vermeld. Thans wordt voorgesteld om deze datum te verschuiven naar 1 januari 2015.

V

In samenhang met de voorgestelde verruiming van het overgangsrecht voor de fiscale behandeling van VUT-en prepensioenregelingen, wordt voorgesteld de in artikel XII, onderdeel D, van het voorstel van wet opgenomen extra-stortingsmogelijkheid in de levensloopregeling eveneens aan te passen om te voorkomen dat een werknemer zowel gebruik kan maken van deze extra-stortingsmogelijkheid als van de voorgestelde verruiming van het overgangsrecht voor de fiscale behandeling van VUT- en prepensioenregelingen.

VI

De wijziging in de inwerkingtredingsbepaling betreft een technische verbetering. De oorspronkelijk in de inwerkingtredingsbepaling opgenomen formulering «met dien verstande» zou de indruk kunnen wekken dat een deel van de wet in werking treedt voordat deze is bekendgemaakt. Door in het nieuwe tweede lid van artikel XIV de formulering «werkt terug» te hanteren is een wetgevingstechnische verbetering aangebracht.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Naar boven