29 760
Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

nr. 63
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN EN VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2005

Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 september jl. om, zoals aangekondigd bij brief van de tweede ondergetekende van 4 juli jl. (Kamerstukken II 2004/05, 29 760, nr. 58), uw kamer te informeren, berichten wij u bij dezen over de motie Bussemaker/Verburg. Deze motie verzoekt de regering voor zelfstandigen een regeling te treffen zodat deze groep evenals werknemers per 1 januari 2006 kan sparen voor verlof zoals bedoeld in de levensloopregeling. Hiervoor zou een vorm van levensloopregeling voor zelfstandigen in de inkomstenbelasting geïntroduceerd moeten worden.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is veelvuldig gesproken over de bezwaren bij een levensloopregeling voor zelfstandigen. Bij brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 mei jl. (Kamerstukken II 2004/05, 28 170, nr. 37) is uw kamer geïnformeerd over het kabinetsvoornemen om de motie Bussemaker/Verburg inzake een levensloopregeling voor zelfstandigen niet uit te voeren. In de onderhavige brief worden de belangrijkste overwegingen voor het niet introduceren van een levensloopregeling voor zelfstandigen weergegeven. De levensloopregeling is bedoeld als inkomensvoorziening tijdens perioden van onbetaald verlof. Verlof is onlosmakelijk verbonden met de contractueel overeengekomen arbeidsverplichting van de werknemer. Bij zelfstandigen is er door het ontbreken van de relatie werkgever – werknemer geen contractuele arbeidsverplichting. Hierdoor kan er naar de mening van het kabinet ook geen sprake zijn van verlof.

Indien er – ondanks het bovengenoemde argument dat bij een zelfstandige geen sprake kan zijn van verlof – toch voor gekozen zou worden om de levensloopregeling voor zelfstandigen open te stellen zoals de motie Bussemaker/Verburg vraagt, zal dit problemen met betrekking tot de controleerbaarheid en handhaafbaarheid tot gevolg hebben. Door het ontbreken van de natuurlijke belangentegenstelling tussen werkgever en werknemer, is het niet controleerbaar of in perioden waarin de zelfstandige minder inkomsten heeft ook daadwerkelijk verlof is opgenomen. Dat de inkomsten in een bepaalde periode lager, zijn hoeft niet te betekenen dat minder is gewerkt, maar kan evengoed economische oorzaken hebben. Een levensloopregeling voor zelfstandigen zou daardoor in de praktijk niet gebruikt hoeven te worden voor verlof – wat het uitgangspunt is van de levensloopregeling – maar zou gebruikt kunnen worden voor een zo gunstig mogelijke verdeling van inkomen in de tijd.

Voor zover de vraag naar een levensloopregeling voor zelfstandigen niet zozeer betrekking heeft op tussentijds verlof, maar op de levensloopregeling als oudedagsvoorziening, is het volgende van belang. In de inkomstenbelasting bestaan voldoende mogelijkheden voor zelfstandigen om fiscaal gefacilieerd te sparen voor een oudedagsvoorziening. Via de fiscale oudedagsreserve kan jaarlijks een bepaald bedrag belastingvrij opzij gezet worden. Deze reserve valt in beginsel vrij bij het einde van kalenderjaar waarin de onderneming wordt gestaakt. Dit geldt ook indien de ondernemer op dat moment nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Deze regeling kan derhalve ook worden gebruikt voor vervroegde uittreding. Indien de vrijgevallen reserve wordt omgezet in een lijfrente, wordt de belastingheffing uitgesteld en worden de lijfrentetermijnen belast. De fiscale oudedagsreserve biedt zelfstandigen daarmee dezelfde mogelijkheden voor vervroegde uittreding als de levensloopregeling voor werknemers. Tot slot is van belang dat aan de openstelling van de levensloopregeling voor zelfstandigen – mede als gevolg van de in de vorige alinea genoemde problemen met betrekking tot de controleerbaarheid en handhaafbaarheid – forse budgettaire risico's zijn verbonden.

Zoals door tweede ondergetekende op 25 april jl. in uw Kamer bij een overleg over de nota «Nieuwe Accenten op Werk en inkomen» is gemeld, zal de gedachte dat de werknemer of zelfstandige zelf de regisseur is over tijd, werk en inkomen over de hele loopbaan overigens wel worden meegenomen in het vervolgtraject op de notitie «Nieuwe accenten op werk en inkomen» zoals toegezegd in de brief terzake van 1 juli jl (ASEA/AEV/05/46699).

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Naar boven