29 760
Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

nr. 38
DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 24 november 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

In artikel I, onderdeel G, wordt aan artikel 18e een lid toegevoegd, luidende:

5. Het in het eerste lid opgenomen maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd opgevat met inbegrip van een bedragdat ten minste wordt gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zondertoeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid,van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.

Toelichting

Deze nota van wijziging bevat een technische aanvulling op de bij tweede nota van wijziging in het voorstel van wet aangebrachte wijzigingen in het kader van de bij het sociale akkoord van 5 november jl. gemaakte afspraken.

Zoals in de tweede nota van wijziging is aangegeven, wordt het onder meer mogelijk gemaakt om onder bepaalde voorwaarden in aanvulling op het ouderdomspensioen een fiscaal gefacilieerd 40-deelnemingsjarenpensioen op te bouwen. Toekenning van dit 40-deelnemingsjarenpensioen is uitsluitend mogelijk voor zover het ouderdomspensioen bij het met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen vervroegen van de ingangsdatum van dat ouderdomspensioen naar het tijdstip waarop de werknemer de 63-jarige leeftijd bereikt, minder dan 70% van het laatste pensioengevend loon bedraagt. Bij deze 70%-toets dient – net als bij de voor het ouderdomspensioen geldende 100%-toets – uiteraard rekening te worden gehouden met het feit dat vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd AOW-uitkeringen worden ontvangen (de zogenoemde AOW-inbouw). In de wettekst zoals deze is opgenomen in de tweede nota van wijziging was dit nog onvoldoende tot uitdrukking gebracht. Om die reden is in deze derde nota van wijziging – naar analogie met de voor het ouderdomspensioen in artikel 18a, achtste lid, opgenomen bepaling – een lid aan het voorgestelde artikel 18e toegevoegd, waarin dit alsnog tot uitdrukking wordt gebracht. Net als bij het ouderdomspensioen, wordt voor de hoogte van de AOW-inbouw niet uitgegaan van de (van de individuele omstandigheden afhankelijke) feitelijk te ontvangen AOW-uitkeringen, maar wordt het bedrag van de AOW-inbouw altijd ten minste gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid,van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat bij het 40-deelnemingsjarenpensioen artikel 18d, derde lid, van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent dat het 40-deelnemingsjarenpensioen – in afwijking van de hoofdregel dat de laagste uitkering niet lager mag zijn dan 75% van de hoogste uitkering – in de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd tijdelijk kan worden verhoogd met het bedrag van de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid,van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag. Bij de toets of de maximale variatie in de hoogte van de uitkeringen wordt overschreden mag het hiervoor genoemde AOW-bedrag buiten aanmerking worden gelaten.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Naar boven