29 760
Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

nr. 27
AMENDEMENT VAN HET LID BUSSEMAKER C.S.

Ontvangen 18 november 2004

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel III worden voor onderdeel A twee onderdelen ingevoegd, luidende:

A0a.

Na artikel 3.54a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.54b. Sparen in kader levensloopregeling

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld in gevolge welke bij het bepalen van de door een ondernemer in een kalenderjaar genoten winst:

a. in aftrek op die winst worden gebracht bedragen die in het kader van een levensloopregeling zijn overgemaakt op een levenslooprekening dan wel als premie zijn betaald voor een levensloopverzekering;

b. ten bate van die winst worden gebracht bedragen die zijn opgenomen van een levenslooprekening dan wel zijn genoten in gevolge een levensloopverzekering, daaronder begrepen bedragen genoten bij vervreemding of afkoop van de verzekering, en

c. ten bate van die winst worden gebracht het tegoed van een levenslooprekening en de waarde in het economische verkeer van een levensloopverzekering ten tijde van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de ondernemer dan wel ten tijde van het op een eerder tijdstip staken van de onderneming, daaronder begrepen situaties van doorschuiving als bedoeld in de artikelen 3.59, 3.62, 3.63 en 3.65.

2. De in het eerste lid bedoelde regels betreffen mede regels inzake samenloop met bepalingen inzake de oudedagsreserve als bedoeld in paragraaf 3.2.3 en situaties waarin de ondernemer uit meer dan één onderneming winst geniet.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een levensloopregeling verstaan een regeling die:

a. ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend voor een periode van verlof;

b. inhoudt dat een voorziening in geld kan worden opgebouwd, met dien verstande dat in een kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 percent van de jaarwinst, maar niet meer dan 12 percent van twaalf maal het wettelijk minimumloon per maand, zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en voorts inhoudt dat de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken niet meer bedragen dan 2,1 maal de gemiddelde jaarwinst van de laatste vijf jaar.

4. Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van een uitkering tijdens een verlofperiode, voor zover deze uitkering tezamen met de daarnaast genoten jaarwinst, niet uitgaat boven de gemiddelde jaarwinst van de laatste vijf jaar.

5. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde bedragen worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling (levenslooprekening) dan wel als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling (levensloopverzekering).

6. Als kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar als bedoeld in het vijfde lid kunnen optreden:

a. ondernemingen of instellingen aan wie het ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan hun bedrijf te maken van het ter beschikking krijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen, mits deze kredietinstelling de verplichting ingevolge de levensloopregeling voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;

b. verzekeraars aan wie het ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is toegestaan het directe verzekeringsbedrijf uit te oefenen, mits deze verzekeraar de verplichting ingevolge de levensloopregeling rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;

c. een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a en b dat voldoet aan door onze Minister te stellen voorwaarden.

A0b.

Aan artikel 3.95 wordt een volzin toegevoegd, luidende: Artikel 3.54b is eveneens zo ver mogelijk van overeenkomstige toepassing.

II

In artikel V wordt in onderdeel B vóór het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

01. In het eerste lid wordt «3.21 tot en met 3.57» vervangen door: 3.21 tot en met 3.54, 3.55 tot en met 3.57.

Toelichting

Dit amendement bewerkstelligt dat de levensloopregeling ook kan worden toegepast door belastingplichtigen die als ondernemer winst uit onderneming genieten en – op grond van artikel 3.95 – door belastingplichtigen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld ook de zogenoemde ZZP'ers (zelfstandigen zonder personeel) gebruik maken van de levensloopregeling. Op een aantal punten wijkt deze regeling af van de voorgestelde levensloopregeling voor werknemers. In de eerste plaats is de mogelijkheid van tijdsparen niet opgenomen. Voor belastingplichtigen die winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden genieten hoeft niets te worden geregeld voor sparen van verlof; zij hebben hiervoor geen medewerking van een werkgever nodig. In de tweede plaats zijn de maxima en de opnamemogelijkheden gekoppeld aan de (jaar)winst. Voor een nadere detaillering is uitwerking bij algemene maatregel van bestuur opgenomen. In de derde plaats is het jaarlijkse stortingsmaximum in de levensloopregeling voor zelfstandigen naast de 12% van de jaarwinst gemaximeerd op 12% van het wettelijk minimumloon. Het absolute maximum is niet gekoppeld aan het minimumloon. In de vierde plaats is er geen heffingskorting per gespaard jaar bij opname van het spaartegoed bij deze regeling voor zelfstandigen.

De kosten van deze regeling belopen structureel een bedrag van € 140 miljoen.

Bussemaker

Vendrik

De Wit

Naar boven