Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 29754 nr. 66 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 29754 nr. 66 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 maart 2006
Hierbij bieden wij u een samenvatting aan van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van februari 2006. Het DTN wordt vier keer per jaar opgesteld door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en is in eerste instantie bedoeld voor de Raad voor de Nationale Veiligheid. Het DTN wordt ook besproken met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van uw Kamer. Twee keer per jaar wordt een samenvatting van het DTN opgenomen in de halfjaarlijkse voortgangsrapportage terrorismebestrijding. Aangezien de volgende voortgangsrapportage pas in de zomer van dit jaar naar uw Kamer zal worden gestuurd, hebben wij ervoor gekozen uw Kamer via deze weg te informeren over de inhoud van het meest recente DTN. In de eerstkomende voortgangsrapportage zal een samenvatting van het dan actuele DTN worden opgenomen en zal ook worden ingegaan op mogelijke beleidsimplicaties van het DTN.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes
Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland februari 2006
De terroristische dreiging voor Nederland is onveranderd substantieel. Dit betekent dat de kans reëel is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke aanslag ook de vorm van een zelfmoordaanslag kan aannemen. Gelukkig hebben in het verleden diverse aanhoudingen in verband met terroristische activiteiten een acute dreiging kunnen wegnemen of op zijn minst tijdelijk kunnen verminderen. Tot een duurzame verlaging van het algemene dreigingsniveau hebben de aanhoudingen echter niet geleid. De dreiging voor Nederland is namelijk veel complexer en omvattender dan de dreiging die in enkele concrete zaken de afgelopen tijd een rol heeft gespeeld. In Nederland doen veiligheidsautoriteiten onderzoek naar diverse terroristische netwerken. Het Hofstad-netwerk is een spraakmakend voorbeeld van een van de netwerken. De publieke aandacht voor de activiteiten van de leden van dit specifieke netwerk is begrijpelijk, maar dat mag er niet toe leiden dat het gevaar van andere netwerken genegeerd of onderschat wordt. Bovendien komen geregeld weer nieuwe personen en verbanden onder de aandacht van terrorismebestrijders.
Aan het huidige substantiële dreigingsniveau liggen diverse binnenlandse en buitenlandse factoren ten grondslag. Onderstaand worden de belangrijkste elementen samengevat die in relatie tot voorgaande dreigingsbeelden opvallen en van invloed zijn op het huidige algemene dreigingsniveau.
In Nederland gaat een aanzienlijke dreiging uit van binnenlandse terroristische netwerken. Hier komt bij dat radicaliseringsprocessen onder een deel van de totale moslimbevolking en sommige bekeerlingen in Nederland onverminderd voortschrijden. Nationaal maar ook internationaal is daarbij sprake van een steeds groter wordende betrokkenheid van vrouwen bij de gewelddadige strijd. Dit blijkt uit hun activiteiten binnen terroristische netwerken in het binnenland en de betrokkenheid bij zelfmoordaanslagen in het buitenland. Opvallend is dat de actieve deelname van vrouwen aan de jihadstrijd door gezaghebbende radicaal-islamitische ideologen steeds explicieter van een religieuze legitimering wordt voorzien.
Net als de afgelopen jaren is er in Nederland begin 2006 sprake van rekrutering voor de jihad in het binnen- en buitenland. Naast de faciliterende functie van het internet voor een vorm van zelfrekrutering blijft het klassieke rekruteringsproces bestaan waarin een rekruteur een sleutelrol inneemt. Op het internet zelf is veel trainingsmateriaal van jihadistisch karakter aanwezig en bovendien ook makkelijk toegankelijk. In veel gevallen is het trainingsmateriaal professioneel van aard. Met het verdwijnen van het gros van de fysieke trainingskampen in Afghanistan en Pakistan zijn veel jihadisten inmiddels aangewezen op deze virtuele trainingsmogelijkheden op het internet. Van de laagdrempelige beschikbaarheid van gedetailleerd en in aanleg professioneel trainingsmateriaal gaat een aanzienlijk risico uit.
De laatste tijd is binnen de ideologie van een belangrijke groep aanhangers van de radicale islam een accentverschuiving waar te nemen. De klassieke gewelddadige takfir-ideologie zoals die oorspronkelijk in Egypte ontwikkeld is, lijkt in de westerse context diverse varianten te hebben gekregen. Kenmerkend voor de klassieke ideologie is dat zij – binnen de grenzen van de eigen intolerante opvattingen – een relatief hoge mate van vrijheid ten aanzien van de traditionele interpretatie van de koran en de keuze van de eigen geestelijke leider kent. Dit individualistische aspect van de takfir-ideologie lijkt goed te passen bij de jonge radicaliserende moslims in Europa en kan een deel van de populariteit van de ideologie in Nederland verklaren. De klassieke takfir-leer wordt niet langer gewoon overgenomen. De gemuteerde takfir-ideologie kan het beste worden aangeduid als de neo-takfir-ideologie. Een van de recente tendensen binnen de neo-takfir-kringen in Nederland is dat niet langer de eis wordt gesteld dat de takfiri afstand nemen van en zich keren tegen hun directe omgeving. Hierdoor krijgt deze nieuwe variant een laagdrempeliger karakter met een duidelijke groeipotentie. Tot de aanhangers behoort inmiddels een snel groeiende groep geradicaliseerde jongeren.
Tegenover deze negatieve ontwikkelingen staat de hoopgevende constatering dat de weerstand van de moslimgemeenschappen in Nederland tegen radicalisering en geweld uit naam van de islam toeneemt. Gematigde en liberale moslims, maar ook meer orthodoxe gelovigen, mengen zich steeds nadrukkelijker in het maatschappelijk debat en nemen publiekelijk afstand van gewelddadige islamitische stromingen. Ook binnen de islamitische wereld komt de discussie over terrorisme op gang. Vooral de media lijken hierin een belangrijke rol te spelen. Zo hebben Arabische televisiezenders in de afgelopen ramadanmaand televisieseries uitgezonden over de gevaren van een gewelddadige interpretatie van de islam. Dit onderwerp ligt in de Arabische wereld gevoelig, omdat veel moslims de gewelddadige jihad veelal zien als een reactie op de vermeende agressie van de Verenigde Staten en haar bondgenoten.
De internationale ophef rond de maanden geleden gepubliceerde Deense spotprenten daarentegen maakt duidelijk dat radicale moslims in het buitenland geen kans onbenut laten om op een geregisseerde en desnoods gewelddadige manier hun anti-westerse boodschap uit te dragen. In het geval van spotprenten blijkt dat een democratische staat met vrijheid van meningsuiting en persvrijheid plotseling in het gedrang kan komen als er voor moslims onwelgevallige uitingen in de media of anderszins openbaar gemaakt worden. In zo’n geval wordt de woede op een heel land en zijn bevolking geprojecteerd. Een en ander impliceert dat het soms felle publieke debat in Nederland over de islam het risico met zich meebrengt dat ook ons land op enig moment het mikpunt kan worden van radicaal-islamitische agitatie.
Een andere factor die van belang is voor het toekomstige dreigingsbeeld voor Nederland wordt gevormd door het toenemende aantal gedetineerde radicale moslims. De kans is groot dat een deel van deze gevangenen vanuit de gevangenis op zijn minst een ideologische en strategische bijdrage aan de ontwikkeling van hun geestverwanten zal blijven leveren. Ervaringen in het buitenland leren dat de leiders van terroristische groepen hun jarenlange detentie vaak benutten om zich ideologisch en politiek te ontwikkelen. Veel publicaties van de huidige gezaghebbende ideologen van de kern van Al Qa’ida zijn dan ook tijdens gevangschap geschreven. De dreiging uitgaande van gedetineerde radicale moslims gaat niet langer uitsluitend uit van de mogelijkheden van beïnvloeding van anderen binnen gevangenissen. Met het perspectief van een langdurige detentie van radicale moslims komt een dreiging in beeld die uitstraling heeft op het ideologische en strategische discours van aanhangers van de radicale islam.
Ruim een jaar na de moord op Van Gogh is er nog steeds sprake van polarisatie en spanningen in de samenleving. Tegelijkertijd is het besef aanwezig dat men samen verder moet. De segregatie als proces van verwijdering tussen bevolkingsgroepen in de Nederlandse samenleving lijkt daarentegen verder toe te nemen. Niet alleen confrontaties tussen bevolkingsgroepen maar ook een uit onzekerheid of antipathie gegroeide scheiding in de Nederlandse samenleving zou op termijn de dreiging negatief kunnen beïnvloeden. Hoewel het daar geen rassenrellen betrof, gaat van de heftigheid van de recente onlusten in Frankrijk een waarschuwing uit voor onderschatting of ontkenning van risicovolle processen die in afgescheiden groepen of door de afscheiding van groepen plaatsvinden.
In internationaal perspectief blijft Nederland ook de komende tijd een potentieel terroristisch doelwit. Hierbij is de perceptie van potentiële terroristen in het buitenland ten aanzien van Nederland van doorslaggevend belang. Deze perceptie kan indruisen tegen evidente feiten en een algemene en zelfs breed gedragen beeldvorming ten aanzien van Nederland. Dit komt onder andere tot uitdrukking doordat Nederland geregeld wordt genoemd in verklaringen van serieus te nemen jihadistische ideologen. Een recent voorbeeld is een fatwa van Abu Musab al-Suri, een van de belangrijkste Al Qa’ida ideologen, die op enkele islamitische websites is verschenen. De authenticiteit van deze op internet geciteerde fatwa kan vooralsnog niet bevestigd worden, maar de dreiging is inmiddels via radicale websites wijdverbreid geraakt en wordt door veiligheidsautoriteiten serieus genomen.
Naast intentieverklaringen van terroristen zijn er ook daadwerkelijke ontwikkelingen die zijn gericht op het verhogen van de slagkracht van terroristen. Voor Noord-Afrika zijn er plannen voor het opzetten van een jihadistische organisatie bekend. Onderdeel van deze plannen zou onder andere het laten aansluiten van de Algerijnse Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat (GSPC) bij andere jihadistische en aan al Qa’ida gelieerde bewegingen zijn. De schijnbare ambitie van jihadisten om in Noord-Afrika een nieuwe overkoepelende jihadistische organisatie op te richten kan een niet te veronachtzamen dreiging voor Europa met zich meebrengen. Diverse Noord-Afrikaanse jihadistische netwerken hebben reeds contacten in Europa opgebouwd. De aanwezigheid van grote groepen Algerijnse en Marokkaanse migranten in veel West-Europese landen zou deze nieuwe organisatie met een waarschijnlijk hoog netwerk-karakter operationele voordelen kunnen bieden. Daarnaast zouden radicaliseringsprocessen hierdoor kunnen worden beïnvloed. Overigens blijft ook het conflict in Irak als strijdtoneel een grote aantrekkingskracht uitoefenen op jihadisten uit de hele wereld. De mogelijke komst van jihadisten met strijdervaring in Irak naar Europa is sinds geruime tijd een punt van zorg. In het licht van de gevolgen van de komst van Afghanistan-jihadisten uit de jaren negentig van de vorige eeuw naar Europa mag deze dreiging niet worden veronachtzaamd.
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat de substantiële dreiging voor Nederland, net als voor veel lidstaten van de Europese Unie en bondgenoten binnen de NAVO, op termijn zal afnemen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29754-66.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.