29 754
Terrorismebestrijding

nr. 138
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 december 2008

Naar aanleiding van uitspraken van de scheidend Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, de heer Joustra, in de Volkskrant van donderdag 4 december, heeft uw Kamer bij monde van de leden Wilders (PVV), Van Geel (CDA), Hamer (PvdA), Rutte (VVD) en Pechtold (D66) om een schriftelijke reactie gevraagd.

Ik kan uw Kamer het volgende meedelen over de berichtgeving rond dit interview.

In een afscheidsinterview ter gelegenheid van zijn vertrek als Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, zegt de heer Joustra in een toelichting op het voor Nederland geldende dreigingsniveau «substantieel»: «Eigenlijk is het dreigingsbeeld hoger dan ooit (...) en je zou dat «substantieel met een plusje» kunnen noemen. Als ik het vergelijk met het substantiële dreigingsniveau van drie jaar geleden, zijn de zaken die er nu aan ten grondslag liggen eigenlijk steviger».

De heer Joustra heeft in het interview met de Volkskrant in eigen woorden weergegeven wat de ontwikkeling is geweest, die in de afgelopen drie Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland van de NCTb (nummers 12 tot en met 14) is geschetst. Deze documenten zijn met uw Kamer gedeeld. De daarin geschetste ontwikkeling heeft hij vervolgens vergeleken met de situatie van drie jaar geleden, toen het dreigingsbeeld eveneens «substantieel» was.

Het is belangrijk hier te benadrukken dat «substantieel» geen exact af te bakenen niveau is, maar gezien moet worden als een bandbreedte waarbinnen er een reële kans bestaat op aanslagen in Nederland of tegen Nederlandse doelen in het buitenland. Binnen deze bandbreedte kan op basis van nieuwe informatie worden geoordeeld dat de voorstelbaarheid van dergelijke aanslagen is toegenomen. Zonder concrete informatie over doelwit, plaats of tijdstip zal het niveau ook in dat geval niet naar «kritiek» gaan, maar op «substantieel» blijven.

In het afgelopen jaar was aanvankelijk sprake van een algemene voorstelbare dreiging, die inhield dat in West-Europa, en dus ook Nederland, meer dan voorheen rekening moest worden gehouden met aanslagen. Dat kon onder meer worden afgeleid uit een aantal verijdelde complotten. De dreiging ging hoofdzakelijk uit van door de kern van al Qa’ida aangestuurde of beïnvloede groepen uit Pakistan en Afghanistan. Daarom werd het dreigingsniveau in maart 2008 met DTN-12 verhoogd van «beperkt» naar «substantieel».

Gaandeweg het jaar kwam Nederland steeds duidelijker in beeld, met name door het uitkomen van de film «Fitna» en de reacties hierop, waardoor Nederland op het netvlies van jihadisten werd gezet. In DTN-14 moest worden gerapporteerd dat Nederland, naast enkele andere Europese landen, daadwerkelijk door internationale jihadistische netwerken was aangewezen als voorkeursdoelwit.

In DTN-15, dat u zeer binnenkort zult ontvangen, is dit beeld grotendeels ongewijzigd gebleven, waarbij de informatie over Nederland als voorkeursdoelwit van jihadistische netwerken uit de Pakistaans-Afghaanse regio is bevestigd. Tot op heden zijn er geen concrete aanslagplannen bekend.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven