Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29743 nr. 27 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29743 nr. 27 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 mei 2005
Aan het einde van de tweede termijn van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel afgeschermde getuigen op 18 mei jl. heb ik toegezegd bij brief nog kort in te gaan op de ingediende amendementen. Voorts heb ik bij die gelegenheid aangegeven schriftelijk te zullen reageren op de motie van het lid Wolfsen c.s. op stuk nr. 25. Deze brief strekt ertoe aan beide toezeggingen tegemoet te komen. Wat de amendementen betreft, veroorloof ik mij de beperking tot bespreking van slechts die amendementen, welke niet in mijn brief van 10 mei jl. (Kamerstukken II 2004/05, 29 743, nr. 23) aan de orde zijn gesteld.
Dit amendement beoogt de rechter-commissaris wettelijk te verplichten om zich bij zijn onderzoek naar het ambtsbericht te laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen.
Tijdens de eerste termijn van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel op 27 april jl. heb ik reeds aangegeven een wettelijke verplichting tot bijstand niet wenselijk te vinden. Een rechter kan altijd deskundigen bij zijn onderzoek betrekken. Daartoe behoeft hij niet te worden verplicht. Daarbij is het de vraag of de rechter-commissaris nu echt bijstand nodig heeft voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van informatie. Dit is immers zijn kerntaak. Verder zal de voorgestelde verplichte bijstand geen bevorderende werking hebben op de verklaringsbereidheid van de afgeschermde getuige. Meer mensen zouden immers kennisnemen van hoogst gevoelige informatie. Het vorenstaande brengt mij tot de conclusie de Kamer het amendement nr. 12 te moeten ontraden.
Amendementen Vos nr. 14 en Wolfsen nr. 18
Beide amendementen strekken ertoe – elk via een andere wetstechnische oplossing – hoger beroep mogelijk te maken tegen de beslissing van de rechter-commissaris inzake het al dan niet aanmerken van een getuige als afgeschermde getuige.
Graag herhaal ik op deze plaats mijn eerder naar voren gebrachte argumenten op grond waarvan ik niet gekozen heb voor het openstellen van hoger beroep. Een belangrijke reden vormt het gegeven dat de rechter-commissaris slechts marginaal bekijkt of de status van afgeschermde getuige kan worden verleend. De rechter-commissaris is immers niet in de gelegenheid om volledig te overzien in hoeverre het belang van de staatsveiligheid vergt dat de regeling wordt toegepast. Hij is op dit punt vooral afhankelijk van de informatie van de AIVD. Niet valt in te zien waarom deze marginale beoordeling in hoger beroep moet worden overgedaan. Verder zij bedacht dat in het geval de rechter-commissaris afwijzend heeft beslist terwijl toch behoefte blijkt te bestaan aan toepassing van de regeling, altijd nog door de zittingsrechter tot gebruik van de regeling kan worden besloten. Ten slotte is er het gegeven van het sporadisch gebruik van en twijfels aan de wenselijkheid van het rechtsmiddel bij de bedreigde getuigenregeling.
Gelet op het bovenstaande – dat ik ook eerder met de Kamer heb meegedeeld – zou ik de aanneming van deze amendementen willen ontraden.
Amendementen Van der Laan nrs. 15 en 21 (dat nr. 16 vervangt)
Amendement nr. 15 stelt voor in de wet een evaluatiebepaling op te nemen. Met betrekking tot dit amendement breng ik nogmaals mijn toezegging van 27 april jl. onder de aandacht, dat ik gaarne bereid ben de werking van de regeling binnen de door het amendement gestelde termijn te evalueren. Het is evenwel niet nodig om daarvoor een apart artikel in het wetsvoorstel op te nemen.
Het amendement nr. 21 beoogt de invoering van een horizonbepaling. Ook over dit amendement heb ik eerder mijn oordeel gegeven. Niet duidelijk is waarom een dergelijke horizonbepaling wenselijk zou zijn. Het wetsvoorstel beoogt nader onderzoek van ambtsberichten mogelijk te maken. Daarvoor wordt een afwegingskader geboden dat niet tijdgebonden is. Bovendien is er geen reden voor de veronderstelling dat de verschijnselen die tot indiening van dit wetsvoorstel hebben geleid van snel voorbijgaande aard zijn. Los daarvan plaatst het amendement de toepassing van deze regeling in strafzaken die zich mogelijk binnen de komende vijf jaren zullen voordoen, en waarvan vooronderzoek, berechting in eerste aanleg, berechting in hoger beroep en cassatie naar verwachting vele jaren in beslag zullen nemen, zonder reden onder een hypotheek. Het amendement nr. 21 zou ik hierom willen ontraden. Het amendement nr. 15 kan ik wat de strekking ervan betreft onderschrijven; als gezegd is echter voor het (doen) uitvoeren van de evaluatie een wettelijk voorschrift onnodig.
Amendementen Vos nrs. 17 en 26 (dat nr. 20 vervangt)
Amendement nr. 17 beoogt de toepasselijkheid van de voorgestelde regeling te beperken tot gevallen waarin sprake is van een verdenking van een terroristisch misdrijf. Over de (on)wenselijkheid van deze beperking is mondeling reeds uitvoerig van gedachten gewisseld. Daarbij heb ik reeds blijk gegeven van ernstige bedenkingen op dit punt. De voorgestelde procedure zal in de praktijk alleen gebruikt worden wanneer AIVD-informatie in het strafproces een rol speelt. De informatie zal alsdan doorgaans betrekking hebben op terroristische misdrijven. In het bijzondere geval dat geen terroristisch misdrijf in het geding is, maar wel een ander ernstig misdrijf, dient de wet niet op voorhand te beletten dat dergelijke informatie in een bijzondere regeling nader kan worden getoetst. Wanneer de staatsveiligheid bij informatieverstrekking aan de orde is, moet de regeling toepassing kunnen vinden. Graag herhaal ik op deze plaats mijn eerder tijdens de mondelinge behandeling gemaakte opmerking, dat er voor wat betreft de toepassing van bevoegdheden tot opsporing aanleiding kan zijn om verruimingen – in de zin van het stellen van lichtere eisen – aan te brengen met het oog op de bestrijding van terroristische misdrijven. Met betrekking tot de bewijsbaarheid en berechting van het feit is een dergelijke aanleiding er niet. Het ligt geenszins in de rede om op die punten onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld een terroristische moord en een moord uit andere motieven. Ook daarom is er geen reden om de voorgestelde beperking aan te brengen. Schrapping van het instemmingsrecht voor de afgeschermde getuige wordt beoogd met amendement nr. 26. Dit instemmingsrecht vormt een essentieel onderdeel van de regeling. Herhaaldelijk heb ik naar voren gebracht dat zonder dit instemmingsrecht de meerwaarde van de procedure komt te vervallen. Zonder instemmingsrecht zal de afgeschermde getuige niet of nauwelijks meer willen verklaren dan onder de geldende regelingen. Daarmee worden de voorgestelde aanvullende mogelijkheden tot onderzoek naar de betrouwbaarheid van ambtsberichten teniet gedaan. Het aannemen van de amendementen onder nrs. 17 en 26 ontraad ik de Kamer.
De motie Wolfsen c.s. (nr. 25), ingediend bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel op 18 mei jl., verzoekt de regering al het mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat informatie die is verkregen door foltering dan wel door onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen niet mag worden toegelaten tot het strafproces.
In reactie op deze motie wil ik graag voorop stellen dat het petitum van de motie geheel strookt met de inzet van het kabinet wat betreft het gebruik van informatie die is verkregen door foltering. Voor dergelijke informatie is niet alleen in het strafproces geen plaats; ook binnen het circuit van inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht om het gebruik van dergelijke informatie te voorkomen. Ik verwijs in dit verband graag naar de antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van der Laan over intelligence verkregen door marteling (Aanhangsel Handelingen II 2004/05, nr. 749). In deze antwoorden is echter ook de nuance aangebracht dat onder bepaalde omstandigheden – en ondanks de nodige voorzorgsmaatregelen – niet te achterhalen valt of van een buitenlandse inlichtingen- of veiligheidsdienst ontvangen informatie wellicht verkregen is door foltering. Eenzelfde onzekerheid is aan de orde wanneer dergelijke gegevens via een ambtsbericht in het strafproces worden ingebracht. De voorgestelde afgeschermde getuigenregeling zal in elk geval bevorderen dat met het oog daarop onder afgeschermde omstandigheden het nodige onderzoek kan plaatsvinden. In dit licht kan ik de motie onderschrijven.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29743-27.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.