nr. 19
AMENDEMENT VAN HET LID WOLFSEN
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel I, onderdeel K, wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 344b
Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan kan
door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op
een schriftelijk bescheid houdende een ambtsbericht van een inlichtingen-
en veiligheidsdienst, indien:
a. de rechter-commissaris een getuige als afgeschermde getuige heeft gehoord
over de rechtmatigheid van de totstandkoming van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid
van de daarin vervatte mededelingen en die getuige zijn instemming heeft onthouden
aan hetzij verstrekking van het proces-verbaal van verhoor aan de officier
van justitie, de verdachte en diens raadsman hetzij voeging van het proces-verbaal
van verhoor bij de processtukken, of
b. door of namens de verdachte op enig moment in het geding is verzocht
een persoon als getuige te horen over de rechtmatigheid van de totstandkoming
van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid van de daarin vervatte mededelingen
en het verhoor geen plaats heeft gevonden.
II
In artikel I, onderdeel M, wordt «ingevoegd: of afgeschermde»
vervangen door: ingevoegd «of afgeschermde» en wordt «artikel
344, derde lid,» vervangen door: artikel 344a, derde lid, en 344b.
Toelichting
Naar de mening van ondertekenaar moet de wetgever in het algemeen de zittingsrechter
de vrijheid laten om te bepalen welke waarde hij toekent aan het voorhanden
bewijsmateriaal.
Wettelijke beperkingen van die vrijheid – bijvoorbeeld bewijsminima –zijn echter aangewezen, wanneer het recht op een eerlijk proces, zoals
neergelegd in artikel 6 EVRM, daartoe noopt. Dit amendement strekt ertoe een
bewijsminimum in te voeren voor twee van zulke gevallen.
Het voorgestelde artikel 344b ziet op een specifieke subcategorie van
de schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef
en onder 3 Sv: de ambtsberichten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Met het begrip «ambtsbericht» wordt gedoeld op de schriftelijke
mededeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten 2002. Onder «inlichtingen- en veiligheidsdienst»
worden verstaan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire
Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Onderdeel a van het voorgestelde artikel ziet op het geval dat, om de
betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht te toetsen, een medewerker
van een inlichtingen- en veiligheidsdienst als afgeschermde getuige over het
ambtsbericht is gehoord en vervolgens zijn instemming aan verstrekking of
voeging van het proces-verbaal onthoudt. Het gevolg daarvan is dat noch de
procesdeelnemers noch de zittingsrechter van dat proces-verbaal kunnen kennisnemen.
Aldus worden niet alleen de mogelijkheden van de verdediging om de betrouwbaarheid
en rechtmatigheid van het ambtsbericht aan te vechten drastisch ingeperkt,
maar wordt ook de zittingsrechter belemmerd in de boordeling van de betrouwbaarheid
en rechtmatigheid van het ambtsbericht. Onder deze omstandigheden brengt het
in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces mee dat een veroordeling
niet uitsluitend of in beslissende mate op het ambtsbericht mag rusten. Naast
het ambtsbericht dient voldoende ander bewijsmateriaal voorhanden te zijn.
Wanneer het ambtsbericht binnen het geheel van de bewijsmiddelen het enige
bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste
gelegde feit rechtstreeks voortvloeit, is een veroordeling uitgesloten.
Dit geldt eens temeer, indien het de verdediging, hoewel zij daartoe uitdrukkelijk
de wens te kennen heeft gegeven, heeft ontbroken aan iedere mogelijkheid de
betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht te doen toetsen. Onderdeel
b van het voorgestelde artikel introduceert daarom ook voor dat geval een
bewijsminimum. Uit de woorden «over de rechtmatigheid van de totstandkoming
van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid van de daarin vervatte mededelingen»
volgt overigens dat het verzoek betrekking dient te hebben op een persoon
die daadwerkelijk iets kan verklaren over de betrouwbaarheid en rechtmatigheid
van het gelaakte ambtsbericht, in de regel een medewerker van de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten.
Artikel 6 EVRM brengt bovendien mee dat, zo de zittingsrechter in de hiervoor
bedoelde gevallen toch gebruik maakt van het ambtsbericht, hij dat gebruik
nader motiveert. De zittingsrechter dient uit te leggen waarom hij het ambtsbericht
betrouwbaar en, voor zover ter zake een verweer is gevoerd, rechtmatig acht.
Dat volgt uit de voorgestelde wijziging van artikel 360, eerste lid, Sv.
In onderdeel M wordt verder voorgesteld een incorrecte verwijzing naar
artikel 344, derde lid, Sv te herstellen. Het betreft hier louter en alleen
een technische aanpassing.
Wolfsen