29 743
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het treffen van een regeling inzake het verhoor van afgeschermde getuigen en enkele andere onderwerpen (afgeschermde getuigen)

nr. 19
AMENDEMENT VAN HET LID WOLFSEN

Ontvangen 21 april 2005

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel K, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 344b

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan kan door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op een schriftelijk bescheid houdende een ambtsbericht van een inlichtingen- en veiligheidsdienst, indien:

a. de rechter-commissaris een getuige als afgeschermde getuige heeft gehoord over de rechtmatigheid van de totstandkoming van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid van de daarin vervatte mededelingen en die getuige zijn instemming heeft onthouden aan hetzij verstrekking van het proces-verbaal van verhoor aan de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman hetzij voeging van het proces-verbaal van verhoor bij de processtukken, of

b. door of namens de verdachte op enig moment in het geding is verzocht een persoon als getuige te horen over de rechtmatigheid van de totstandkoming van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid van de daarin vervatte mededelingen en het verhoor geen plaats heeft gevonden.

II

In artikel I, onderdeel M, wordt «ingevoegd: of afgeschermde» vervangen door: ingevoegd «of afgeschermde» en wordt «artikel 344, derde lid,» vervangen door: artikel 344a, derde lid, en 344b.

Toelichting

Naar de mening van ondertekenaar moet de wetgever in het algemeen de zittingsrechter de vrijheid laten om te bepalen welke waarde hij toekent aan het voorhanden bewijsmateriaal.

Wettelijke beperkingen van die vrijheid – bijvoorbeeld bewijsminima –zijn echter aangewezen, wanneer het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, daartoe noopt. Dit amendement strekt ertoe een bewijsminimum in te voeren voor twee van zulke gevallen.

Het voorgestelde artikel 344b ziet op een specifieke subcategorie van de schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 3 Sv: de ambtsberichten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Met het begrip «ambtsbericht» wordt gedoeld op de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. Onder «inlichtingen- en veiligheidsdienst» worden verstaan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.

Onderdeel a van het voorgestelde artikel ziet op het geval dat, om de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht te toetsen, een medewerker van een inlichtingen- en veiligheidsdienst als afgeschermde getuige over het ambtsbericht is gehoord en vervolgens zijn instemming aan verstrekking of voeging van het proces-verbaal onthoudt. Het gevolg daarvan is dat noch de procesdeelnemers noch de zittingsrechter van dat proces-verbaal kunnen kennisnemen. Aldus worden niet alleen de mogelijkheden van de verdediging om de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht aan te vechten drastisch ingeperkt, maar wordt ook de zittingsrechter belemmerd in de boordeling van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht. Onder deze omstandigheden brengt het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces mee dat een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate op het ambtsbericht mag rusten. Naast het ambtsbericht dient voldoende ander bewijsmateriaal voorhanden te zijn. Wanneer het ambtsbericht binnen het geheel van de bewijsmiddelen het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit rechtstreeks voortvloeit, is een veroordeling uitgesloten.

Dit geldt eens temeer, indien het de verdediging, hoewel zij daartoe uitdrukkelijk de wens te kennen heeft gegeven, heeft ontbroken aan iedere mogelijkheid de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het ambtsbericht te doen toetsen. Onderdeel b van het voorgestelde artikel introduceert daarom ook voor dat geval een bewijsminimum. Uit de woorden «over de rechtmatigheid van de totstandkoming van dat ambtsbericht of de betrouwbaarheid van de daarin vervatte mededelingen» volgt overigens dat het verzoek betrekking dient te hebben op een persoon die daadwerkelijk iets kan verklaren over de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het gelaakte ambtsbericht, in de regel een medewerker van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Artikel 6 EVRM brengt bovendien mee dat, zo de zittingsrechter in de hiervoor bedoelde gevallen toch gebruik maakt van het ambtsbericht, hij dat gebruik nader motiveert. De zittingsrechter dient uit te leggen waarom hij het ambtsbericht betrouwbaar en, voor zover ter zake een verweer is gevoerd, rechtmatig acht. Dat volgt uit de voorgestelde wijziging van artikel 360, eerste lid, Sv.

In onderdeel M wordt verder voorgesteld een incorrecte verwijzing naar artikel 344, derde lid, Sv te herstellen. Het betreft hier louter en alleen een technische aanpassing.

Wolfsen

Naar boven