29 708
Regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

nr. 29
VIERDE NADER VERSLAG1

Vastgesteld 16 december 2005

De vaste commissie voor Financiën2 belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer over de vierde nota van wijziging als volgt nader verslag uit te brengen van haar bevindingen.

De vragen en opmerkingen in dit verslag richten zich met name op de nieuwe onderdelen in de aangepaste delen 1 (algemeen deel), 1A (deel markttoegang) en deel 2 (prudentieel deel). Bovendien op de nieuwe structuur van de Wft.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van deze onderdelen van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

InhoudsopgaveBlz.
   
Algemeen2
Inleiding2
Samenwerking toezichthouders nationaal4
Samenwerking toezichthouders internationaal5
Publicatiemogelijkheden van de toezichthouders5
Aantastbaarheid van rechtshandelingen7
Markttoegang financiële ondernemingen8
Consultaties en adviezen8
Structuurwijziging8
Administratieve lasten/nalevingskosten8
Reactie op ontvangen commentaren9
Artikelsgewijze toelichting9

Algemeen

Met belangstelling hebben de leden van de fractie van het CDA de derde nota van wijziging tot zich genomen. Met instemming hebben zij geconstateerd dat de regering het advies van de Raad van State heeft overgenomen om op sectorale wijze een apart deel 1A toe te voegen over de markttoegang. Zo wordt in op overzichtelijke wijze per sector duidelijk waar men aan moet voldoen om toe te treden tot de markt.

Naar aanleiding van de invoeging van dit nieuwe deel zijn ook de overige delen aangepast.

Een logisch gevolg van een dergelijke wijziging, menen de leden van de fractie van het CDA.

Deze leden hebben ten aanzien van de gewijzigde delen 1 en 2 en naar aanleiding van het nieuwe deel 1A nog de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel voor de Wet op het financieel toezicht. Zij hebben nog enkele nadere vragen en opmerkingen. Eerst willen wij graag opmerken dat een grondig oordeel over het algemene deel nog niet mogelijk is totdat ook het gehele wetsvoorstel bekend is.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij diverse artikelen een toelichting ontbreekt of deze slechts zeer beperkt is. In plaats daarvan wordt volstaan met een verwijzing naar de toelichting bij eerder aan de Tweede Kamer aangeboden delen of naar andere Kamerstukken die zijn geproduceerd tijdens de behandeling van deze eerdere delen. Dit zorgt ervoor dat het bekend raken met de normen en de achtergronden daarvan een uitgebreide studie vergt van de parlementaire geschiedenis rondom de Wft. Kan de regering aangeven waarom er geen nieuwe (of tenminste één doorlopende) toelichting wordt opgenomen in de Wft? Kan de regering de gewenste toelichting toevoegen aan dit wetsvoorstel?

Ook de leden van de de VVD-fractie merken op dat bij een aantal artikelen een toelichting ontbreekt of is deze slechts beperkt is opgenomen, en dat wordt volstaan met een verwijzing naar de toelichting bij eerder aangeboden delen of andere Kamerstukken. Dit draagt naar het oordeel van deze leden niet bij aan een goede beoordeling van de tekst van het wetsvoorstel. Een dergelijke lappendeken van parlementaire stukken waaruit de betekenis van een artikel moet worden afgeleid is voor de huidige gebruikers, die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de Wft, in de praktijk al zeer moeilijk te hanteren. Laat staan dat toekomstige gebruikers (zowel personeel van marktpartijen als medewerkers van toezichthouders) nog op eenvoudige wijze kunnen achterhalen wat de achtergrond is van de normen in de Wft die zij worden geacht na te leven of te handhaven. Ook deze leden vragen of de regering kan aangeven waarom er geen nieuwe (of tenminste één doorlopende) toelichting wordt opgenomen in de Wft? Kan de regering de gewenste toelichting toevoegen aan dit wetsvoorstel? Ten tweede – zo merken de leden van de VVD-fractie op – is de transponeringstabel wat betreft de Wfd niet volledig en niet geheel juist opgenomen. Kan de regering dit aanpassen? Ten derde blijken ook niet alle verwijzingen te kloppen. Kan de regering dit aanpassen?

In de nota naar aanleiding van het derde nader verslag beantwoordt de regering de vragen over de wijze waarop de richtlijn financiële conglomeraten in de Wft zal worden verwerkt, aldus de leden van de VVD-fractie.

Kan de regering in dit verband de stand van zaken melden met betrekking tot de door de Europese Commissie in gang gezette inbreukprocedure? Kan de regering nog eens uitleggen waarom de AFM bevoegdheden krijgt toebedeeld, terwijl het in casu louter om prudentiële voorschriften en prudentieel toezicht gaat? Waarom blijft de regering op een aantal punten volhouden dat het noodzakelijk is verdergaande voorschriften vast te stellen dan waartoe de richtlijn noodzaakt? Is de «constructie» in artikel 2:324, tweede lid, waarin is bepaald dat De Nederlandsche Bank geacht wordt een vergunning te hebben verleend die feitelijk door de AFM is verleend, niet wat gekunsteld? Wat zijn de consequenties van deze constructie indien er zich met betrekking tot die vergunningverlening of bij de betrokken financiële onderneming problemen voordoen? Kan de regering nogmaals uitleggen waarom er niet voor wordt zorggedragen dat de coördinatie goed is geregeld vóórdat de betrokken bepalingen in werking treden? Kan de regering de stelling dat de nalevingskosten «gering» zullen zijn uitgebreid onderbouwen? Hoe gering is «gering»?

De regering heeft in de vierde nota van wijziging volgens de geleerden de operatie stofkam op zeer redelijke wijze uitgevoerd. Echter, er werden nog tal van onvolkomenheden in de tekst en nummering en terminologie geconstateerd. Is de regering bereid een laatste operatie «fijnstofkam» uit te voeren, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de inwerkingtreding per 1 juli 2006 nog haalbaar is, en zo neen, waarom niet.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om in de Wft veel meer aan te sluiten bij de desbetreffende Europese regelgeving, zowel technisch als inhoudelijk. Bijvoorbeeld op het gebied van de definities. Waar in de Wft is er sprake van aanvullend nationaal beleid bovenop de Europese regels? Deze leden willen graag een overzicht waar de teksten verder gaan dan Europese regelgeving en de reden waarom de regering ervoor heeft gekozen om aanvullend nationaal beleid te formuleren. Wat heeft dit voor gevolgen voor het level playing field van de financiële instellingen in Europa?

In hoeverre belemmert of stimuleert deze wet Europese grensoverschrijdende fusies dan wel overnames in de Europese financiële sector, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA.

Welke lessen trekt de regering uit de overname van ABN AMRO en Banca Antonveneta? Zowel in voor de nationale als de internationale toezichtpraktijk? Heeft dit nog mogelijke gevolgen gehad voor het voorliggende wetsvoorstel? Of kan het nog gevolgen hebben?

Kleine marktpartijen, die bijvoorbeeld zijn aangesloten bij de Raad van de Effectenbranche, betalen naar verhouding meer dan de grotere partijen, aldus de leden van de CDA-fractie. Kan de regering uiteenzetten hoe de verdeelsleutel is opgesteld voor de bijdragen in de kosten van het toezicht? Is hierbij rekening gehouden met de omvang en het balanstotaal van het desbetreffende bedrijf of de instelling?

De leden van de CDA-fractie merken op dat ook de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) (Kamerstuk 30 186) op dit moment bij de Kamer in behandeling is. Hierin wordt het toezicht op de zorgverzekeringen geregeld. Valt het toezicht op de aanvullende verzekeringen volgens deze wetsvoorstellen onder de Wmg, de Wfd/Wft of onder beiden? Welke gevolgen heeft dat voor een verzekeraar die zowel een standaardverzekering als een aanvullende verzekering aan een klant aanbiedt?

En waarom is gekozen voor een verschillende vorm van onderscheid in beide wetsvoorstellen: enerzijds het functionele toezicht in de Wft en anderzijds het sectorale toezicht in de Wmg? Waarom sluit dit niet op elkaar aan?

Kan de Nederlandse financiële sector worden gezien als een kwetsbare sector, zo vragen de lede van de fractie van de PvdA. Wordt deze sector door de Wft minder kwetsbaar?

Moeten de concurrentiekracht van de financiële sector en het vestigingsklimaat geen doelstellingen van de wet worden?

De minister van Financiën geeft aan in zijn brief van 21 november jl. (Kamerstuk 29 708, nr. 23) dat er 11 amvb’s in de maak zijn die in de periode december 2005-januari 2006 ter consultatie voorgelegd zullen worden aan de marktpartijen. Marktpartijen zelf hebben aangegeven dat het ondoenlijk is om in zo kort tijdsbestek die algemene maatregelen van bestuur te kunnen beoordelen en vragen hier meer tijd voor. Voor de leden van de fractie van het CDA is kwaliteit van wetgeving belangrijker dan snelheid. Daarom willen zij vragen of een ruimere tijd voor consultatie mogelijk is. Of zou daarmee de invoering van de wet per 1 juli 2006 in gevaar komen? Is het de bedoeling dat de Tweede Kamer in de periode maart-juni 2006 alle amvb’s beoordeelt? De leden van de fractie van het CDA schatten in dat dit een zeer kort tijdsbestek is maar vernemen graag de planning van behandeling in deze van de regering.

Kan de regering aangeven of er in de diverse amvb’s rekening gehouden wordt met het feit dat de invulling van nadere regelgeving zo weinig mogelijk gedelegeerd wordt aan de toezichthouders? Zou de regering ook zo snel mogelijk een overzicht van de administratieve lasten van de amvb’s (ook van de concept-amvb’s) kunnen voorleggen aan de Tweede Kamer? Ook het Actal heeft gevraagd om een toets te kunnen doen over de lagere regelgeving in haar brief van 2 september 2004.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom zoveel amvb’s tegelijk worden behandeld?

De regering is onlangs gestart met de formele consultatie van de algemene maatregelen van bestuur onder de Wft, aldus de leden van de VVD-fractie. Dit betekent dat de regering zich een mening heeft gevormd over het niveau van regelgeving waarop onderwerpen worden geregeld. Uit het onderhavige voorstel voor de Wft, kunnen justitiabelen niet altijd afleiden op welk niveau van regelgeving (amvb of toezichthouderregel) een bepaald onderwerp is/wordt geregeld omdat veelal gebruik is gemaakt van een ruime delegatiegrondslag (bij of krachtens amvb). Overweegt de regering gelet hierop om de delegatiegrondslagen in de Wft zodanig aan te passen dat justitiabelen op voorhand uit de Wft kunnen afleiden op welke niveau een bepaald onderwerp wordt geregeld?

Samenwerking toezichthouders nationaal

De leden van de CDA-fractie krijgen duidelijke aanwijzingen dat er in te veel gevallen overlap is in het toezicht door DNB en AFM op de partijen in de financiële sector. Zijn deze opmerkingen bij de regering bekend en hoe verhouden deze zich tot het convenant dat is afgesloten tussen beide partijen voor wat betreft de uitoefening van hun taken?

Kan de regering aangeven of er een tweede evaluatie zal plaatsvinden over de eventuele overlap in toezicht en mogelijke bijstelling van het convenant?

Het Actal dringt in haar brief van 2 september 2004 erop aan dat de uitvoerings- en beleidsregels van de toezichthouders op zoveel mogelijk terreinen gelijkluidend zijn. Verplichte afstemming tussen de toezichthouders en inperking van de bevoegdheden van de toezichthouders dragen hieraan bij. Wat heeft de regering met het advies van het Actal op dit punt gedaan?

Dit college adviseert tevens de verplichting tot het opvragen van informatie bij de andere toezichthouder te laten gelden voor een zo breed mogelijk gebied zodat dubbele gegevensuitvraag zoveel mogelijk wordt beperkt. Is dit advies inmiddels praktijk en opgenomen in het convenant tussen beide toezichthouders of is men dit nog van plan te doen?

Ten aanzien van de werkwijze van de AFM ontvangen de leden van de CDA-fractie regelmatig serieuze en negatieve signalen. Die werkwijze lijkt er met name op gericht om organisaties voor de rechter te kunnen dagen. Kan de regering aangeven of zij met deze werkwijze bekend is? In eerdere debatten is toch afgesproken dat het toezicht door de AFM risico-georiënteerd zou zijn? Hoe verklaart de regering deze signalen? Zijn er mogelijkheden om invloed op uit te oefenen op de werkwijze van het toezicht door de AFM vanuit het Ministerie van Financien?

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regering kan ingaan op de verschillen en overeenkomsten tussen de nieuwe afdeling 1.3.1 over de samenwerking tussen AFM en DNB, en het convenant, zoals dat nu al bestaat?

Kan de regering ingaan op de mogelijkheid van gezamenlijke teams van DNB en AFM, die zich bezig gaan houden met het toezicht op de AO/IC? Is het juist dat AO/IC zowel prudentiële als gedragsaspecten heeft? Hoe kan er meer samenhang bewerkstelligd worden?

Hoe verhoudt de samenwerkingsparagraaf zich tot het meldpunt overlap? Waarom laat de sector via bijvoorbeeld advocatenkantoren weten dat er veel overlap zou zijn, maar komen er nauwelijks meldingen binnen? Hoeveel meldingen waren er in 2004 en 2005 precies?

De regering stelt in de memorie van toelichting dat er via het Burgerlijk Wetboek voldoende mogelijkheden zijn om als instelling te klagen over het toezicht, aldus de leden van de fractie van het CDA. In de praktijk blijkt echter dat de instellingen moeite hebben om hun klachten over bijvoorbeeld overlap van toezicht, bejegening of communicatie kenbaar te maken bij de toezichthouder zelf. Men heeft enige angst voor de gevolgen van het kenbaar maken van de klachten. De leden van de CDA-fractie vinden het geen vreemde gedachte om een onafhankelijk loket te openen waar de onder toezicht gestelden hun opmerkingen en klachten over het toezicht kenbaar kunnen maken. Dan zou de meldlijn opgeheven kunnen worden. Graag vernemen deze leden de mening van de regering ten aanzien van dit punt. Ook willen zij de regering vragen de voor- en nadelen van dit idee uiteen te zetten.

Samenwerking toezichthouders internationaal

Er wordt een heel hoofdstuk gewijd aan de samenwerking met buitenlandse toezichthouders, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Kan de regering aangeven in hoeverre er momenteel al sprake is van samenwerking over de grenzen heen en hoe die samenwerking eruit ziet. Wat verandert er op basis van deze wet in de samenwerking tussen diverse toezichthouders? Levert dit extra administratieve lasten op voor de Nederlandse instellingen?

Publicatiemogelijkheden van de toezichthouders

De leden van de fractie van het CDA vinden dat er buitengewoon terughoudend omgegaan moet worden met de publicatiebevoegdheid van de toezichthouders. Hoewel in de memorie van toelichting staat dat publicatie geen sanctie is, wordt dit door de betreffende instellingen wel als zodanig ervaren. Wat doet de regering om op dit punt dat gevoel weg te werken en om aan te tonen dat zorgvuldig door de toezichthouders met dit instrument wordt omgegaan en er geen sprake is van een sanctie?

Het betreft hier financiële instellingen waarbij het buitengewoon belangrijk is dat het vertrouwen van de burger groot is. Een gelijkschakeling van de publicatiebevoegdheid met de NMa vinden de leden van deze fractie daarom niet wenselijk. Een apart regime voor publicatiebevoegdheid lijkt deze leden op zijn plaats en zij vragen de regering dan ook om met voorstellen hiertoe te komen.

Daarnaast vinden deze leden dat pas tot publicatie overgegaan mag worden wanneer de beroep- en bezwaarperiode afgerond is en vaststaat dat er sprake is van overtredingen waartegen de bevolking gewaarschuwd moet worden. Is de regering bereid dit in de wet op te nemen? De leden van de fractie van het CDA erkennen dat hieraan een mogelijk nadeel kan kleven dat de beroep- en bezwaarprocedures nodeloos lang gerekt zouden kunnen worden door betrokkenen partijen om publicatie op te kunnen schorten. Wat zijn er voor mogelijkheden om dit echter wel tegen te kunnen gaan? En wat gebeurt er als er tot publicatie wordt overgegaan voordat een beroep- en bezwaarprocedure is afgerond en de instelling in het gelijk wordt gesteld? Dit kan de goede naam van de instelling serieus bedreigen, hoe wordt dit dan rechtgezet? Is de toezichthouder dan aansprakelijk? Komt de eventuele schadevergoeding dan via een kostenregeling voor rekening van de Staat of voor rekening van de instellingen?

Heeft de regering onderzocht wat het effect van dit publicatiebeleid is op Nederland als vestigingsplaats voor bijvoorbeeld asset managers en beleggingsinstellingen? Kennen andere landen in de Europese Unie een dergelijk publicatiebeleid om zo het level playing field te garanderen?

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regering nader kan ingaan op de mogelijkheid om vooraf een waarschuwing te geven? Hoeveel jurisprudentie is er rondom een «redelijk vermoeden» en een «ernstige overtreding»? Hoeveel tijd neemt een eventuele rechterlijke toetsing in beslag? Kan de regering aangeven hoe het staat met de praktische aspecten van publicatie van waarschuwingen? Welke media zullen daarvoor worden gebruikt en hoeveel budget is er voor? Deelt de regering de mening dat het niet moet gaan om een verstopte mededeling op blz. 13 van bijvoorbeeld een weinig gelezen vaktijdschrift?

De financiële markt is bij uitstek gebaseerd op vertrouwen. Publicatie van boetes, hoewel naar de letter van de wet geen straf, zal voor de financiële instellingen in de markt die het betreft, wel degelijk als een boete worden opgevat. Wat onherstelbare reputatieschade kan opleveren. De leden van de VVD-fractie zouden graag zien dat de regering deze bezwaren en bedenkingen thans meer specifiek adresseert. In dat verband hebben zij de volgende vragen:

Kan de regering duidelijk maken waarom een publicatie (aldus de toelichting) geen sanctie is, noch als zodanig uitwerkt? De toelichting op dit punt doet mager aan, de beperkte literatuurverwijzingen lijken selectief. Andere verwijzingen met daarin andere conclusies zijn evengoed mogelijk. Uit de toelichting blijkt niet goed wat nu werkelijk het te verwachten effect van dergelijke publiciteit in de praktijk is. Kan de regering hierop ingaan?

In welke gevallen en omstandigheden (welke overtredingen) kan een toezichthouder een waarschuwing publiceren? In de artikelen 1:78, 1:79 en 1:80 wordt dit niet geregeld, er is ook geen bevoegdheid gecreëerd dit per amvb te regelen, hetgeen de beslissing geheel aan de toezichthouder laat. De minister van Financiën heeft slechts gezegd dat de toezichthouders publiciteitsbeleid moeten ontwikkelen om aan te geven hoe en wanneer gepubliceerd wordt en in welke gevallen niet. Wordt dit publiciteitsbeleid openbaar gemaakt? Duidelijk en gepubliceerd beleid van de toezichthouder is nodig met het oog op het waarborgen van de rechtszekerheid van ondertoezichtgestelden. Ligt het, gezien de aard van dit handhavinginstrument publiciteit, niet meer voor de hand de inzet ervan op het niveau van wet of amvb te regelen? Welke garantie is er dat dit instrument uitsluitend als ultimum remedium zal worden ingezet?

De voorgaande vragen en opmerkingen bij het voorgaande punt gelden evenzeer voor de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 1:81. Voorts spreekt de toelichting op dit artikel het vermoeden uit dat de toezichthouders deze mogelijkheid verschillend zullen interpreteren, overeenkomstig hun specifieke taak. Dat lijkt te impliceren dat (prudentiële) overwegingen, die De Nederlandsche Bank er in een bepaald geval toe brengen niet te publiceren in datzelfde geval niet doorslaggevend hoeven te zijn voor de Autoriteit Financiële Markten. Welke mechanismen voorziet de regering om te verzekeren dat bij een beslissing om al dan niet te publiceren alle relevante overwegingen het gewicht krijgen dat ze verdienen, zonder daarin beperkt te worden door de wijze waarop het toezicht is georganiseerd? Is de regering van mening dat de toezichthouder in dit artikel te weinig ruimte wordt gelaten in een bepaald geval niet te publiceren indien de toezichthouder dat in het specifieke geval wenselijk acht?

Een instelling kan tegen een besluit tot publicatie in bezwaar en beroep komen. Deze vorm van rechtsbescherming is echter betrekkelijk, aangezien (i) bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben en (ii) deze procedure het risico van publiciteit in zich bergt terwijl de instelling die nu juist probeert te vermijden. Een eventuele rectificatie als uitkomst van de procedure verschijnt in de regel lang na de gewraakte publicatie en dan is «het nieuwtje er van af». Een gang naar de voorzieningenrechter (art. 1:80, lid 2) kan aan bezwaar (i) tegemoet komen, mits de toezichthouder niet art. 1:80, lid 3 («onverwijlde openbare waarschuwing wanneer de door de Wft te beschermen belangen geen uitstel toelaten») in stelling brengt. Aan welke situaties moet bij deze bepaling gedacht worden, welke criteria zullen hier gaan gelden, ligt het in bedoeling deze nader te regelen of wordt dat aan de toezichthouders overgelaten? Zo ja, zijn dit zaken die in het door toezichthouders te ontwikkelen publiciteitbeleid zullen worden opgenomen? Zal hierin ook worden opgenomen dat er afstemming tussen de toezichthouders moet plaatsvinden? Zullen hierin ook overwegingen worden opgenomen om tot publicatie over te gaan, met name wanneer publicatie de belangen waarover de prudentiële toezichthouder heeft te waken in gevaar brengt? Een beroep op de voorzieningenrechter bergt immers evenzeer het gevaar van publiciteit in zich. Zou dit een extra overweging zijn het middel van publiciteit met uiterste zorgvuldigheid toe te passen?

Wat rechtvaardigt de vergelijking die in de toelichting wordt gemaakt met de Mededingingswet en de positie van de NMa? Waarom is er geen bepaling opgenomen die de toezichthouder verplicht onverwijld een rectificatie te plaatsen wanneer een door haar gedane publicatie krachtens deze afdeling onterecht is gebleken (rectificatie publiceren op zelfde wijze als de betreffende, onjuiste publicatie)?

Aantastbaarheid van rechtshandelingen

Kan de regering nader ingaan op het nieuwe artikel 1:6p over de civiele aantastbaarheid, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Is het waar dat ieder handelen in strijd met de wet op grond van het BW een onrechtmatige daad oplevert? En is het waar dat als dan sprake is van schade en een causaal verband, dat dan overeenkomsten nietig of vernietigbaar zijn? Wat is dan de reden van art. 1:6p? Hoe verhoudt dit zich tot de antwoorden die de minister gaf in het plenaire debat over de Wfd in september 2004 aangaande vernietigbaarheid en nietigheid? Is het waar dat deze (dreiging van) vernietigbaarheid en nietigheid een enorm disciplinerende werking kan hebben op de financiële sector? En dat deze disciplinerende werking waarschijnlijk sterker is dan die van het risico op boetes en reputatieschade door publicatie van waarschuwingen en oplegging van boetes? En dat dus op deze manier een kleinere toezichthouder zou kunnen volstaan en toezichtkosten beperkt kunnen worden?

De leden van de SP-fractie vragen zich af wat de gevolgen zijn van de Wft voor de civielrechtelijke mogelijkheden van benadeelde consumenten. Er is voor gekozen om rechtshandelingen die in strijd zijn met de Wft niet om die reden automatisch aantastbaar te laten zijn. Uiteraard zijn er civielrechtelijke mogelijkheden voor de consument om de schade te verhalen. Wel vragen deze leden zich af wat artikel 1:6p voor gevolgen heeft voor de positie van de consument, ten opzichte van de huidige situatie. Verder zouden zij ook graag vernemen wat de gevolgen zouden zijn van het generiek omkeren van de bewijslast ten gunste van de benadeelde partij.

Markttoegang financiële ondernemingen

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoeveel markttoetreders er zijn te verwachten die een vergunning op grond van de Wft zullen aanvragen? Hoeveel vergunninghouders zullen er in totaal zijn?

Consultaties en adviezen

Hoe staat de regering tegenover werkgroepen die meedenken over dit soort financiële wetgeving als alternatief of naast de huidige consultatierondes, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA.

Structuurwijziging

Tijdens het op 23 november 2005 gehouden rondetafelgesprek heeft de fractie van de VVD bij monde van het Kamerlid Van Egerschot gevraagd om schriftelijke suggesties om door middel van aanpassingen van de structuur van de Wft de inzichtelijkheid en toegankelijkheid daarvan te vergroten. Conform dit verzoek wijzen de leden van de VVD-fractie graag naar het advies van de door het Ministerie van Financiën geraadpleegde specialisten. In hun bij de Kamerstukken gevoegde advies bepleiten zij een herschikking van de (oorspronkelijke) delen 2 en 3 in twee nieuwe delen over respectievelijk toezicht op financiële ondernemingen en overig toezicht op financiële markten. Hiermee kan wellicht worden voorkomen dat in de wet een voor de praktijk kunstmatig onderscheid wordt gemaakt tussen regels waaraan bij vergunningverlening moet worden voldaan en regels waaraan pas daarna moet worden voldaan. Waarom is dit met het oog op de marktgerichtheid niet nader uitgewerkt?

Administratieve lasten/nalevingskosten

De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat het laatste advies van Actal over de delen 1 en 3 van de WFT dateert van 2 september 2004. Daarin staat dat het effect van de administratieve lasten van de verschillende delen niet los van elkaar kunnen worden gezien. Het totaalbeeld zou vergeleken moeten worden met de reductieplannen. Inmiddels heeft de regering middels de vierde nota van wijziging de hele Wft met uitzondering van hoofdstuk 4 bij de Kamer ingediend. Daarbij missen de leden van het CDA een recente toets van het Actal.

De leden van de CDA-fractie willen de regering namelijk houden aan zijn toezegging om de administratieve lasten voor de financiële sector met 25% te verminderen ultimo 2007. Naar onze inschatting wordt dit een lastige klus gezien de omvang en reikwijdte van de Wft. Graag zien de leden van deze fractie dan ook een onderbouwd advies van Actal over de delen 1, 1a en 2 voor wat betreft de implementatiekosten, administratieve lasten en de eventuele nalevingskosten.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering ook alvast om Actal advies te vragen over deel 3 van de WFT en dit advies zo spoedig mogelijk aan de Kamer te doen toezenden, zodat dit ook betrokken kan worden bij de schriftelijke behandeling van deel 3 van de Wft in januari 2006.

De meeste Wfd-artikelen zijn niet in ongewijzigde vorm overgenomen, maar redactioneel en/of inhoudelijk aangepast, aldus de leden van de VVD-fractie. Het vergt een zorgvuldige studie van de toelichting om vast te kunnen stellen welke artikelen zijn aangepast, hoe dit is gebeurd en waarom, als daar in de toelichting al iets over wordt gezegd. Dit zorgt ervoor dat het voor financiële dienstverleners zeer moeilijk is om de bepalingen uit de Wfd, die ze recent hebben geïmplementeerd, terug te vinden en te herkennen. Dit klemt te meer nu een groot deel van die financiële dienstverleners niet zelf over de (juridische) expertise beschikt om een dergelijke vergelijking uit te voeren. De noodzakelijke externe expertise die ze moeten inhuren (om hun op de Wfd geënte bedrijfsvoering aan de Wft aan te passen) zorgt voor extra nalevingskosten die onnodig zijn en hoog zullen uitvallen. Wat is de reden geweest om de bepalingen niet ongewijzigd over te nemen? Was de regering zich bewust van de extra nalevingskosten die hiermee gepaard gaan?

Kan de regering exact aangeven met welke aanpassingen welke reducties zullen worden behaald, wanneer die zullen worden gerealiseerd en hoe die door Actal zijn beoordeeld? Kan de regering daarbij ook een onderbouwde kwantitatieve inschatting geven van (i) de implementatiekosten van de Wft, die door één van de sprekers tijdens het eerste rondetafelgesprek «exorbitant hoog» werden genoemd, en (ii) de met de Wft te realiseren maatschappelijke baten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Reactie op ontvangen commentaren

Kan de regering een reactie geven op de artikelsgewijze commentaren van respectievelijk de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars en de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, zo vragen de leden van de fracties van het CDA en de PvdA.

Artikelsgewijze toelichting

Over dit onderdeel hebben de leden van de fractie van de VVD de volgende vragen:

Algemeen deel

Legal privilege

Op grond van artikel 5:20, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een advocaat niet verplicht mee te werken aan een verzoek van een toezichthouder om inzage in documenten tussen de advocaat en de cliënt. Deze uitzondering geldt niet voor financiële ondernemingen, aangezien die geen geheimhoudingsplicht hebben. Artikel 51 van de Mededingingswet gaat verder dan de Awb en bepaalt dat dit zogenaamde «legal privilege» zich ook uitstrekt tot gegevens en documenten tussen advocaat en cliënt die zich niet onder de advocaat zelf bevinden. Deze verbreding ten opzichte van de Awb wordt blijkens de toelichting op artikel 51 van de Mededingingswet nodig geacht in verband met het zogenoemde AM en S-arrest (HvJEG, zaak 155/79, JUR 1982, blz. 1575) waarin het Hof van Justitie van de EG heeft bepaald dat uit het beginsel van vertrouwelijkheid tussen advocaat en onderneming voortvloeit dat geschreven mededelingen tussen een advocaat en zijn cliënt, voor zover die betrekking hebben op het voorwerp van een verificatieonderzoek, behoren tot de categorie beschermde documenten. Dat geldt ook als die documenten zich bij de onderneming bevinden. Ook documenten die een interne verslaglegging en samenvatting van het advies van de advocaat bevatten, vallen onder deze bescherming. In de Wft wordt echter een andere afweging gemaakt dan de afweging die de regering heeft gemaakt bij de totstandkoming van de Mededingingswet. Dit leidt tot de situatie dat onder de Wft de toezichthouder de documenten die hij niet kan verkrijgen van de advocaat van een financiële onderneming wel kan opvragen bij de financiële onderneming. De financiële onderneming is dan verplicht deze documenten te verstrekken, terwijl haar advocaat daartoe niet is verplicht. Deelt de regering het standpunt dat op deze wijze het legal privilege kan worden uitgehold, omdat vrijwel alle documenten die de advocaat heeft zich ook bij zijn cliënt zullen bevinden? Deelt de regering het standpunt dat een dergelijke uitholling in strijd is met het arrest van het Hof van Justitie van de EG? Deelt de regering het standpunt dat een generieke oplossing in de Awb een fraaie oplossing zou zijn, maar niet de voorkeur verdient aangezien een dergelijke aanpassing nog vele jaren op zich kan laten wachten? Kan de regering aangeven waarom een dergelijke verbreding wel wenselijk is in het kader van de Mededingingswet, maar niet in de Wft?

Artikel 1:1 Definities

Is de regering bereid het begrippenapparaat van de Wft nogmaals te bezien op consistentie, vooral waar het betreft de verhouding van hoofdstuk 1.1 tot de hoofdstukken 2.6, 5.1. 5.3, 5.4 en 5.5? Zo nee, waarom niet?

Waarom heeft de regering niet alle definities in hoofdstuk 1.1 opgenomen zodat het voor de justitiabelen op voorhand duidelijk is welke definities de Wft kent, ook indien een begrip in meer betekenissen (bijvoorbeeld de begrippen dochtermaatschappij, uitgevende instelling en aanbieder) wordt gebruikt?

Waarom heeft de regering niet gekozen voor verwijzing naar andere wetten indien begrippen uit die wetten worden gebruikt in de Wft? In de Wft wordt echter geen consistente lijn gehanteerd op dit punt. Zo wordt in artikel 1:1 voor de invulling van het begrip «accountant» verwezen naar het BW, wordt in sommige delen van de Wft voor de invulling van het begrip «groep» niet verwezen naar het BW (zie definitie van centrale kredietinstelling), maar in andere delen wel (hoofdstuk 5.1, waarbij echter voor het begrip «groepsmaatschappij», een begrip dat eveneens voorkomt in het BW, niet wordt verwezen naar het BW. Hetzelfde geldt voor het begrip «dochtermaatschappij»).

Het begrip «moedermaatschappij» wordt in artikel 1:1 gedefinieerd terwijl voor de invulling van dit begrip een verwijzing naar het BW kan volstaan. Tegelijkertijd wordt het begrip «moederonderneming» in hoofdstuk 2.6 gedefinieerd en heeft dit begrip een Wft-typische betekenis. Indien in het ene geval wel en in het andere geval niet wordt verwezen naar andere wetten, is het voor de justitiabelen niet op voorhand duidelijk wat onder een bepaald begrip moet worden verstaan en of dit begrip een Wfttypische betekenis heeft of niet. Kan de regering hierop ingaan? Kan de regering aangeven waarom zij het wenselijk acht om de begrippen «moederonderneming» (artikel 1:35a) en «moedermaatschappij» (artikel 1:1) naast elkaar te gebruiken in de Wft? Is de regering niet van mening dat voor het laatste begrip een verwijzing naar het BW volstaat? Zo nee, waarom niet? Kan de regering toelichten waarom zij voor de invulling van het begrip «deelneming» soms verwijst naar het Burgerlijk Wetboek (BW), soms niet, in bepaalde hoofdstukken (hoofdstuk 2.6) een specifieke betekenis toekent aan dit begrip en bijvoorbeeld in artikel 2:46 in een artikellid aangeeft wat onder dat begrip moet worden verstaan? Kan zij dit ook doen voor het begrip «dochtermaatschappij»? Kan de regering garanderen dat het niet gedefinieerde begrip «zeggenschap» overal in de Wft dezelfde betekenis heeft?

Op verschillende plekken word in artikel 1:1 de mogelijkheid gecreëerd om «bij amvb» of «bij of krachtens amvb» de reikwijdte van de Wft uit te breiden (voorbeelden zijn te vinden in de definitie van «beleggingsobject», «financieel product», «krediet» en «professionele marktpartij»). Dit geschiedt echter niet op consistente wijze. In het ene geval wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij amvb de reikwijdte uit te breiden, in het andere geval bij of krachtens amvb. Kan de regering dit verschil in benadering toelichten? Is de regering de mening ook niet toegedaan dat een dergelijke uitbreiding van de reikwijdte niet op het niveau van een ministeriële regeling dan wel op het niveau van de toezichthouderregel dient te geschieden, aangezien de totstandkoming van deze regeling of regels met minder democratische waarborgen is omkleed?

Onder de definitie van het begrip «toezichthouder» vallen zowel DNB als AFM. Dit dwingt de wetgever tot duidelijkheid overal in de tekst van de Wft waar verwarring zou kunnen ontstaan welke toezichthouder wordt bedoeld. Zou het niet eenvoudiger en nauwkeuriger zou zijn telkens in de tekst van de desbetreffende wetsbepalingen aan te geven welke toezichthouder de wetgever bedoelt? Een goed voorbeeld van een wettelijke voorziening waar onduidelijk is aan welke toezichthouder een bepaalde bevoegdheid toekomt is te vinden in artikel 1:59; zie het commentaar hieronder op dit artikel. Dezelfde opmerking kan over de definitie van het begrip «registerhouder» worden gemaakt.

Het blijft merkwaardig, dat een belangrijke categorie financiële ondernemingen, pensioenfondsen, niet onder deze definitie valt en dus ook in het algemeen niet onder de reikwijdte van de Wft zal komen. Ook de Raad van State heeft in zijn verslag op dit punt gewezen. Dat een pensioenfonds een bijzonder soort instelling is die niet rechtstreeks onder de auspicien van Financiën valt, zij toegegeven. Daar staat dan wel tegenover dat pensioenfondsen onder toezicht staan van de (inmiddels de facto met De Nederlandsche Bank N.V. gefuseerde PVK). Men kan zich afvragen of een toekomstige technische aanpassing van de Pensioen- en spaarfondsenwet, die sowieso nodig zal zijn bij inwerkingtreding van de Wft, gekoppeld aan een gedeeltelijke vantoepassingverklaring van (deel 3 van) de Wft op pensioenfondsen, een wetgevingstechnisch wel zo consequente benadering is. Kan de regering hierop ingaan?

Zou het niet beter zijn, in verband met de definitie van het begrip «gekwalificeerde deelneming», in de tekst van de Wft duidelijk te maken dat het tijdelijk houden van effecten of het kunnen uitoefenen van stemrechten op stukken waarop een financiële onderneming zekerheidsrechten heeft verkregen (bijvoorbeeld ingevolge pandovereenkomsten of financiëlezekerheidsovereenkomsten) niet beschouwd wordt als het houden van een gekwalificeerde deelneming? Terwijl het waarschijnlijk niet mogelijk is de «inlener» van effecten te beschermen vanwege de concept richtlijn waar het nader rapport (blz. 25) melding van maakt, blijft niettemin de kwestie van de positie van pandhouders en financiëlezekerheidshouders onopgelost. Hetzelfde geldt voor de «custodian» die (vanwege de onvolkomenheden van de beschikbare bewaarsystemen) als rechthebbende op in bewaring gegeven stukken te gelden heeft. Kan de regering het wetsvoorstel op dit punt verduidelijken?

De term «hoofdvestiging» is onduidelijk. Kan de regering in de toelichting met enkele voorbeelden aangeven hoe men vaststelt waar van een onderneming die geen rechtspersoon is, de hoofdvestiging is gelegen?

Aanbieden: onderdeel a van de definitie van «aanbieden» is moeilijk leesbaar. Het is voor de justitiabelen niet onmiddellijk duidelijk wat moet worden begrepen onder «aanbieden». Is de regering bereid dit onderdeel te verduidelijken?

Bank: deelt de regering het standpunt dat nu het bestanddeel «opvorderbare gelden» in de definitie van «bank» apart wordt gedefinieerd in artikel 1:1 en daarin het bestanddeel «op enig moment» is opgenomen, het niet langer nodig is om in de definitie van «bank» het bestanddeel «al dan niet op termijn» te gebruiken?

Deposito: wij begrijpen dat dit begrip wordt gedefinieerd om te worden gebruikt in het Deel Gedragstoezicht. In de definitie van «depositogarantieregeling» dat wordt gebruikt in het Deel Prudentieel Toezicht wordt het bestanddeel «depositohouders» gebruikt. Kan de regering toelichten of «depositohouders» houders van deposito’s zijn zoals hier gedefinieerd? Zo nee, is de regering dan bereid het begrip «depositohouder» te vervangen door een ander begrip?

Effect: onderdeel a van de definitie van «effect» is moeilijk leesbaar. Kan de regering toelichten of zij van mening is dat een «geldmarktinstrument» kwalificeert als «effect»? Hoe verhoudt dit zich tot de definitie van «financieel instrument» die lijkt te suggereren dat een geldmarktinstrument geen effect is? Is een «geldmarktinstrument» tevens «een instrument dat gewoonlijk op de geldmarkt wordt verhandeld»?

Financieel instrument: volgens de toelichting op dit begrip kan «een instrument dat gewoonlijk op de geldmarkt wordt verhandeld» worden omschreven als een «schuldinstrument waarvan de looptijd korter is dan een jaar». Kan de regering toelichten waarom dit niet uit de wettekst zelf blijkt?

Gekwalificeerde deelneming: kan de regering toelichten waarom in deze definitie de begrippen «stemmen» en «stemrechten» door elkaar worden gebruikt? Wat is het verschil tussen deze begrippen en waarom worden zij afwisselend gebruikt in de Wft (zie hoofdstuk 5.3)? Kan de regering voorts toelichten of en wat het verschil is tussen het in deze definitie gebruikte begrip «geplaatst aandelenkapitaal» en «geplaatst kapitaal» (bijvoorbeeld in de hoofdstukken 5.1 en 5.3) en hoe deze begrippen zich verhouden tot het in hoofdstuk 5.3 omschreven begrip «kapitaal»?

Grondstoffenderivaat: deelt de regering het standpunt dat deze definitie verbetering behoeft? Deelt de regering het standpunt dat nu uit het begrip «financieel instrument» blijkt dat een «grondstoffenderivaat» een financieel instrument is, en uit de definitie van «grondstoffenderivaat» blijkt dat een «grondstoffenderivaat» een «financieel instrument» is, het voor de justitiabelen nog steeds niet duidelijk is wat een «grondstoffenderivaat» is? Deelt de regering het standpunt dat het voorgestelde begrip «grondstoffenderivaat» niet materieel omschrijft wat onder een dergelijk derivaat moet worden verstaan?

Persoon: deelt de regering het standpunt dat nu dit begrip wordt gedefinieerd het ook als zodanig dient te worden gebruikt door de gehele Wft? Kan de regering garanderen dat daar waar in de Wft het begrip «persoon» wordt gebruikt zowel natuurlijke personen als rechtspersonen worden bedoeld? Is de regering van mening dat dit begrip ook consistent door de hele Wft wordt gebruikt (zie de definitie van «besloten kring», «professionele belegger» en «professionele marktpartij» en de artikelen 1:3, 1:40, 1:42 onderdeel c, 1:56, 1:70)? Vallen onder het begrip «persoon» alleen de Nederlandse rechtssubjecten (bijvoorbeeld in de definities van «besloten kring», «professionele marktpartij» en «professionele belegger») en vallen de buitenlandse vergelijkbare rechtsvormen buiten het begrip «persoon»?

Artikel 1:6

Dit artikel lijkt een inhoudelijke wijziging ten opzichte van art. 2.2.k Wfd met zich mee te brengen. In plaats van «indien geen openbaar aanbod wordt gedaan tot het deelnemen aan die overeenkomst» wordt nu een getalscriterium gehanteerd. De toelichting geeft wel aan dat, maar niet waarom dit getalscriterium wordt geïntroduceerd. De wijziging houdt een mogelijke beperking in t.o.v. de Wfd. Werkgevers met meer dan 100 werknemers, die een dergelijk aanbod zouden doen, vallen niet onder de Wfd, maar wel onder de Wft. Graag een toelichting van de regering.

Is de regering van mening dat het opschrift van paragraaf 1.1.2.2 de lading van paragraaf 1.1.2.2 dekt en dat het voor justitiabelen duidelijk is waar deze paragraaf betrekking op heeft? Deelt de regering het standpunt dat nu een elektronischgeldinstelling tevens kwalificeert als kredietinstelling, in het opschrift «elektronischgeldinstellingen» kan vervallen?

Artikel 1:6e, lid 1, onderdeel b

Deelt de regering het standpunt dat de tekst van dit artikel niet duidelijk maakt waar dit artikel betrekking op heeft?

Artikel 1:6m, onderdeel c

Na omzetting van Wfd in Wft is hier een inhoudelijke wijziging t.o.v. het oude artikel 2.2.k Wfd teweeggebracht. In plaats van «indien geen openbaar aanbod wordt gedaan tot het deelnemen aan die overeenkomst» wordt nu een getalscriterium gehanteerd. De toelichting geeft wel aan dat, maar niet waarom dit getalscriterium wordt geïntroduceerd. De wijziging houdt een mogelijke beperking in ten opzichte van de Wfd. Werkgevers met meer dan 100 werknemers, die een dergelijk aanbod zouden doen, vallen niet onder de Wfd, maar wel onder de Wft. Deelt de regering onze mening dat deze beperking ten opzichte van de Wfd niet gerechtvaardigd is en dat hier een Wfd-conforme implementatie dient plaats te vinden?

Artikel 1:16

In het wetsvoorstel toezicht financiële verslaglegging wordt bepaald dat de AFM toezicht zal houden op accountants. In het kader van de Wft verdient het aandacht dat uit artikel 1:16 Wft blijkt dat de AFM zelf de accountant aanwijst die haar jaarrekening controleert terwijl de AFM in het kader van de Wet toezicht accountantsorganisaties weer toezicht houdt op dezelfde accountant. Dit leidt tot de vraag hoe dit zit bij de accountantscontrole op andere ZBO’s. Het meest dringende geval is De Nederlandsche Bank, omdat die op basis van gelijkwaardigheid samen met de AFM toezicht houdt op de financiële sector. Vanuit dat gezichtspunt is het vreemd dat de AFM toezicht houdt op de accountant die de jaarrekening van De Nederlandsche Bank controleert. Cruciaal is het begrip «wettelijke controle» in het Wetsontwerp toezicht accountantsorganisaties. Dit betreft de controles op grond van de wettelijke regelingen, vermeld in de bijlage van het wetsvoorstel toezicht accountantsorganisaties. Omdat volgens Hoofdstuk III van de Bankwet 1998 de bepalingen van Titel 9 (Jaarrekening) van Boek 2 BW (behoudens een aantal niet terzake doende uitzonderingen) op De Nederlandsche Bank van toepassing zijn, is de accountantscontrole van de jaarrekening van De Nederlandsche Bank een gewone controle ex BW 2:393 lid 1. Ergo: de AFM ziet toe op de accountant die haar eigen jaarrekening controleert èn op de accountant die de jaarrekening van de Nederlandsche Bank controleert. Kan de regering hierop ingaan?

Artikel 1:7 en 1:8

Deze artikelen geven aan wat het resultaat van het prudentieel toezicht en het gedragstoezicht zou moeten zijn, maar geven geen enkele indicatie wat dit toezicht nu eigenlijk behelst. De Raad van State is van oordeel dat dit wetstechnisch niet erg fraai is. Nu zou dit geen inhoudelijk bezwaar hoeven zijn, als het niet zo was dat het geven van inhoud aan deze twee vormen van toezicht een zeer nuttig richtsnoer kan zijn voor zowel de toezichthouders als de betrokken financiële ondernemingen hoe te handelen in het bepaald niet denkbeeldige geval van «overlap» of onduidelijkheid wie nu de bevoegde autoriteit is. De «heldere taakafbakening» waar de memorie van toelichting over spreekt (blz. 6) zal nu eerst in de details van de delen 2 en 3 van het wetsvoorstel kunnen worden verwezenlijkt, zonder dat het onderliggende beginsel in de wet is verwoord. Kan de regering hierop reageren?

Toegegeven zij overigens dat de memorie van toelichting een poging doet om aan de twee vormen van toezicht nadere inhoud te geven (blz. 5–7 en blz. 28–30). Maar de opmerkingen in de memorie over de verwevenheid van en de gezamenlijke doelstellingen van de twee vormen van toezicht (bijvoorbeeld: «Toezicht op de integriteit hangt samen met zowel het gedragstoezicht als het prudentieel toezicht» (blz. 29)) geven aan dat een «heldere taakafbakening» niet zo eenvoudig zal zijn.

De memorie van toelichting lijkt voorts aan te geven dat het systeemtoezicht van de Nederlandsche Bank N.V. als zodanig geen onderdeel is van het prudentieel toezicht, en daarmee dat dit systeemtoezicht een andere wettelijke verankering (nl. de Bankwet) kent dan het prudentieel toezicht. Is het niet logischer dat ook deze vorm van toezicht onder de bepalingen van de Wft komt te vallen?

Waarom is er niet voor gekozen om aan de artt. 1:7 en 1:8 toe te voegen dat de Minister in voorkomende gevallen aan de twee toezichthouders te publiceren aanwijzingen zal geven ter voorkoming/oplossing van overlap in de onderscheiden bevoegdheden van deze twee organisaties?

Het komt ons voor dat een regeling die de afbakening van competenties van de toezichthouders op dit punt vaststelt, bij uitstek in dit Algemeen Deel thuishoort. Waarom bevat het huidige wetsvoorstel bevat zo’n regeling niet?

Artikel 1:10, lid 2

Van dit artikel omschrijft de taak van de raad als het toezien op «het doelmatig en doeltreffend functioneren van het bestuur». Het gaat, aldus de wettekst, om toezicht op de taken van het bestuur veeleer dan de taken van de AFM zelf. De functie van de raad zou dus beperkt zijn. Het gaat, in de korte typering van de memorie van toelichting, om good governance. Klopt het dat de raad van toezicht voor wat betreft diens taak en bevoegdheden niet kan terugvallen op de in wet, literatuur en jurisprudentie uitgekristalliseerde positie van de raad van commissarissen van een NV? De memorie van toelichting is zuinig in de omschrijving van wat van de raad van toezicht wordt verwacht. Voor wat betreft bevoegdheden zegt de memorie alleen dat de raad van toezicht zonodig algemene aanwijzingen aan het bestuur kan geven. Dit lijkt voor de raad onnodig beperkend. Ook blijft onduidelijk waar nu de grens ligt van het toezicht dat de raad uitoefent en het toezicht dat de Minister van Financiën zelf uitoefent. Kan de regering op deze punten meer duidelijkheid scheppen?

Artikel 1:11

Zo niet duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de wettekst dat er een wettelijk verankerd consultatierecht is voor alle betrokken marktpartijen? De term «vertegenwoordiging» suggereert immers ten onrechte dat marktpartijen verplicht zouden kunnen zijn zich te verenigen teneinde die consultatie te kunnen doen plaatsvinden. De term «daarvoor in aanmerking komende» suggereert ten onrechte dat er ook sprake kan zijn van een vertegenwoordiging die daarvoor niet in aanmerking komt, terwijl het juist de bedoeling is dat alle mogelijk door de regelgeving geraakte marktpartijen hun stem kunnen laten horen. Graag een reactie van de regering.

Artikel 1:13

Waarom is er niet gekozen voor consultatierecht van betrokken marktpartijen?

Artikel 1:13 lid 5 en 1:16 lid 7

De opgestelde begroting c.q. jaarrekening kan alleen dan door de Minister worden afgekeurd indien er sprake is van « strijd met het recht of het algemeen belang». Dit beperkt het goedkeuringsrecht van de Minister en geeft de toezichthouders een zeer grote mate van vrijheid terzake van de inrichting van de begroting/jaarrekening. Waarom heeft de regering niet gekozen voor een grotere betrokkenheid?

Artikel 1:21

Zou dit artikel niet beter onder het hoofdje «inleidende bepalingen» opgenomen kunnen worden?

Artikel 1:22 lid 2

Zie onze opmerkingen t.a.v. artikel 1:11.

Artikel 1:23

Artikel 23 Wft geeft aan dat de toezichthouder de kosten in rekening brengt ..., terwijl in art. 23 van de Wfd is opgenomen dat de toezichthouder de kosten in rekening kan brengen. Kan de regering dit verschil toelichten? Klopt het dat deze verzwaring niet overeenkomt met het uitgangspunt dat bestaande wetten beleidsneutraal zullen worden overgezet in de Wft?

Artikel 1:26

De redactie van dit artikel laat in het midden of «de noodzakelijke voorzieningen» genoemd in het eerste lid uitsluitend kunnen bestaan uit de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, dan wel of mogelijk ook andere voorzieningen kunnen worden getroffen. Kan de regering dit verduidelijken? Daarnaast is er de vraag of het niet nuttig zou zijn ook hier een wettelijk verankerde consultatie van marktpartijen verplicht te stellen? (Een uitzondering zou daarbij kunnen worden gemaakt voor die situaties die onverwijlde voorzieningen vereisen.) Uiteindelijk zijn de hier bedoelde voorzieningen zeer ingrijpend, niet in de laatste plaats ook voor de betrokken financiële ondernemingen.

Artikel 1:27

Kan de evaluatie naar voren worden gehaald, naar 2007 en daarna jaarlijks, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA?

Artikel 1:35a, lid 6

De regering heeft aangegeven om in de Wft de beoordelingsvrijheid van de toezichthouder in te perken door verwijdering van het bestanddeel «naar haar oordeel». Kan worden toegelicht waarom dat in dit artikel niet is gebeurd?

Artikel 1:37a, lid 1

Is de regering van mening dat nu het begrip «groepslid» wordt gedefinieerd in hoofdstuk 2.6 en in dit artikel geen verwijzing is opgenomen naar dat begrip, het onduidelijk is of met het begrip «groepslid» wordt verwezen naar het begrip «groep» als bedoeld in het BW?

Artikel 1:42

Deelt de regering het standpunt dat in dit artikel het begrip «deelneming» gedefinieerd in het BW) dient te worden vervangen door «gekwalificeerde deelneming»?

Artikel 1:51 onderdeel b

Is dit niet eenvoudiger te formuleren?

Artikel 1:52 aanhef en onderdeel b en c

Kan de regering garanderen dat de verwijzingen in dit artikel juist zijn?

Artikel 1:58, lid 2

Beoogt lid 2 te regelen dat De Nederlandsche Bank een aanwijzing kan geven? Dient dit dan ook niet ook uit de tekst van dit artikellid te blijken?

Artikel 1:58 lid 1

Moet het bepaalde in artikel 1:65 niet ook hier van toepassing zijn? Het belang van de betrokken financiële onderneming lijkt dit zeker te rechtvaardigen.

Artikel 1:59

Zou het niet verstandig zijn om de te benoemen curator te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkstelling? Het is twijfelachtig of de curator terzake een aansprakelijkheidsverzekering kan afsluiten. Men zou kunnen denken aan volledige bescherming behoudens in gevallen van opzet en bewuste roekeloosheid (vgl. art. 7:661 B.W. terzake van de aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever of derden).

Het artikel laat in het midden welke van de twee toezichthouders tot het instellen van de stille curatele bevoegd is. Kan de regering hierover meer duidelijkheid verschaffen?

Het artikel laat ook in het midden onder welke omstandigheden de stille curatele in wijdere kring dan wel algemeen bekend kan worden gemaakt. Gezien het grote belang van de betrokken financiële onderneming, lijkt nodig dat spelregels hieromtrent worden vastgelegd. De Memorie van Toelichting zegt er wel iets over, maar geeft bijvoorbeeld niet precies aan wie (de toezichthouder? En/of de curator?) onder welke voorwaarden de stilte mag doorbreken. Kan de regering hierop ingaan?

Artikel 1:62, lid 3

In art. 73, lid 3 Wfd was bepaald dat regels ter zake van het opleggen van een bestuurlijke boete in overeenstemming met de Minister van Justitie zouden kunnen worden opgesteld. In de Wft is deze verwijzing naar de Minister van Justitie verdwenen. De toelichting zwijgt hierover. Zou de regering hierop in kunnen gaan?

Artikel 1:64

Waarom zou het in dit artikel gestelde alleen moeten gelden indien de onder toezicht gestelde «de gevolgtrekking kan verbinden... etc.» Moet dit criterium niet worden geobjectiveerd?

Artikel 1:67

Artikel 78 Wfd regelt de opschortende werking van bezwaar en beroep tegen een beschikking waarbij een boete wordt opgelegd. Een vergelijkbaar artikel ontbreekt in de Wft. Waarom?

Artikel 1:68

Terwijl de samenloop van vervolging door de toezichthouder en de strafrechter wordt geregeld (wat deze laatste betreft overigens alleen vanaf het moment dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen), is lijkt de samenloop van het vóóronderzoek door de toezichthouder, ECD of OM niet of nauwelijks geregeld. Deze omissie kan de betrokken financiële ondernemingen behoorlijk wat hoofdbrekens kosten en zou moeten worden weggenomen. Kan de regering hierop ingaan?

Artikel 1:72

Artikel 84, leden 3 en 4 Wfd zijn niet overgenomen. Waarom niet?

Artikel 1:74 (informatieverstrekking door toezichthouder aan rechter-commissaris, bewindvoerder, curator), artikel 1:76 (informatieverstrekking aan strafvorderlijke instantie) en artikel 1:77 (informatieverstrekking aan Europese Centrale Bank, accountant, actuaris, beurs) voorstel Wft.

Deze artikelen gaan in de Wft ook voor financiële dienstverleners gelden, hetgeen t.o.v. de oorspronkelijke Wfd een verzwaring betekent voor financiële dienstverleners. Kan de regering toelichting waarom dit is gebeurd?

Artikel 1:75

Dit artikel ontbreekt. De toelichting zwijgt hierover. Kan de regering hier duidelijkheid over verschaffen?

Artikel 1:83, lid 1 sub d

Zou hier niet een materialiteitscriterium moeten worden ingebouwd?

Artikel 1:83, lid 1 sub e en f

Zou het niet de voorkeur hebben om in de wettekst of de toelichting te verduidelijken dat het de vergunninghouder toegestaan is gedeeltelijk van de vergunning gebruik te maken, en dat het niet volledig gebruik maken van de vergunning niet tot mogelijke intrekking of beperkingen leidt?

Artikel 1:83, lid 1 sub g

Overdracht van een gedeelte van een financiële onderneming is bij grotere financiële instellingen schering en inslag. Dit zou alleen dan tot intrekking van de vergunning of tot beperkende maatregelen aanleiding mogen zijn indien de financiële onderneming na overdracht geen enkele materiele vergunningplichtige activiteit meer onderneemt.

Dient in het algemeen terzake van de in artikel 1:83 bedoelde maatregelen ook niet de betrokken financiële onderneming te worden gehoord alvorens tot deze maatregelen wordt overgegaan?

Artikel 1:93 (register)

In het register ontbreken de verbonden bemiddelaars, die wel in het Wfd register zijn opgenomen. Is dit bewust gedaan? Graag een toelichting van de regering.

Artikel 1:95, lid 2 (beroep)

De mogelijkheid bezwaar te maken tegen beschikkingen van AFM is ten opzichte van de Wfd vervallen. Wat is de reden voor het weglaten geweest?

Deel 1a, markttoegang

Algemeen

In dit deel wordt (onder meer in de artikelen 1a:3, lid 2, 1a:10, lid 2 en 1a:53, aanhef en onderdelen a en c en wellicht in meer artikelen) telkens verwezen naar een vergunning die is verleend «op grond van dit deel». Deelt de regering het standpunt dat ook ondernemingen die een niet op grond van het deel Markttoegang verleende vergunning/verklaring van ondertoezichtstelling, maar die beschikken over een vergunning/verklaring van ondertoezichtstelling die is verleend op grond van de bestaande toezichtwetten in aanmerking komen voor een Europees paspoort? Het voorgaande geldt ook voor de toevoeging van de zinsnede «»op grond van afdeling», «of op grond van het deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen» in deze afdeling. (zie ook de artikelen 1a:54, 1a:58, 1a:59, 1a:73, 1a:74, 1a:78, 1a:79, 1a:84, 1a:90, 1a:94 en 1a:95).

Onduidelijk is wat er is gebeurd met de Wfd-vergunning. Wordt die omgezet in een Wft-vergunning?

Ten opzichte van de Wfd blinkt dit deel niet uit in inzichtelijkheid. Het is een zoekplaatje. Met name de logica van de vergunningbepalingen ontbreekt, in ieder geval vanuit marktperspectief. Er zijn drie «niveaus» van vergunningen:

1) instellingsgerichte vergunningen: aan verzekeraars en kredietinstellingen verleende vergunningen voor het uitoefenen van «het bedrijf» (van verzekeraar/kredietinstelling).

2) vergunningen die zien op een financiële dienst in combinatie met een financieel product: voor het aanbieden van beleggingsobjecten, krediet en deelnemingen in een beleggingsinstelling

3) vergunningen die enkel zien op een financiële dienst: adviseren (over alle financiële producten) en bemiddelen (waarbij weer onderscheid wordt gemaakt in krediet, verzekeringen en andere financiële producten). Het wordt daarmee voor de financiële dienstverlener uit de Wfd niet eenvoudig om te herkennen waaronder de activiteiten vallen die hij uitvoert. Kan de regering deze bepaling duidelijker verwoorden?

De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de inrichting van de wettekst op dit punt ten behoeve van de markt die ermee moet gaan werken. Op dit moment blijkt het voor de sector het zeer lastig te beoordelen of de vergunningssystematiek die met de Wfd is ingevoerd, in de Wft in gelijke vorm blijft bestaan.

Artikel 1a:8, lid 2

Is de verwijzing naar lid 6 van artikel 1a:7 wel juist, nu artikel 1a:7 geen lid 6 kent?

Artikel 1a:9

De verhouding van de leden 2 en 4 is onduidelijk. Mogen deze clearinginstellingen beginnen met hun werkzaamheden na de kennisgeving of pas na twee maanden?

Artikel 1a:11, lid 2

Is dit artikellid onvolledig? In de eerste plaats wordt geen rekening gehouden met het feit dat in bepaalde gevallen de Minister van Financiën degene is die de verklaring van geen bezwaar verleent en niet De Nederlandsche Bank. Ten tweede geldt voor gekwalificeerde deelnemingen in elektronisch geldinstelllingen weliswaar geen plicht om een verklaring van geen bezwaar te verkrijgen, maar dit betekent niet dat de houders van gekwalificeerde deelnemingen in een elektronisch geldinstelling niet preventief worden getoetst in het kader van de vergunningverlening (zie de artikelen 9 Wtk en 30d Wtk). In dit artikel ontbreekt derhalve een regeling voor deze preventieve toets van houders van gekwalificeerde deelnemingen in een elektronischgeldinstelling. Is dit in overeenstemming met de richtlijn elektronisch geld en met het level playing field dat deze richtlijn voorstaat. Kan de regering hierop ingaan?

Artikel 1a:12

Dit artikel bepaalt dat een bank die ook beleggingsdiensten verleent preventief wordt getoetst op bepaalde gedragsregels. Eenzelfde artikel is opgenomen voor banken met zetel buiten Nederland. Banken met zetel binnen de EU behoeven op grond van de Wft niet aan deze gedragsregels te worden getoetst, ook indien in de lidstaat waar de vergunning is verleend niet preventief wordt getoetst op deze gedragsregels. Dit brengt met zich dat deze ondernemingen aan minder zware eisen hoeven te voldoen om toegang te krijgen tot de markt. Het zal dan gemakkelijker zijn via een andere lidstaat toegang te krijgen tot de Europese markt waar de vergunning wordt getoetst aan de bankenrichtlijn en niet ook nog aan gedragsregels. Wij zijn van mening dat de Nederlandse bankvergunningprocedure kan leiden tot een ongelijke concurrentieverhouding indien in andere Europese lidstaten niet ook wordt getoetst op deze gedragsregels. Is de regering van mening dat Europese richtlijnen ertoe verplichten om preventief te toetsen op gedragsregels? Kan de regering inzicht geven welke lidstaten preventief toetsen op gedragsregels en welke lidstaten dat niet doen? Kan de regering aangeven of deze laatste lidstaten de Europese richtlijnen onjuist hebben geïmplementeerd.

Artikel 1a:13 en 1a:21

In dit artikel wordt het openen van een bijkantoor en het verrichten van diensten op eenzelfde wijze gereguleerd. Is dit in overeenstemming met de Europese bankenrichtlijn (2000/12/EG), omdat die richtlijn voor het verrichten van diensten door kredietinstellingen (en financiële instellingen) uitgaat van een zuivere meldingsplicht (de kredietinstelling/financiële instelling mag onmiddellijk overgaan tot het verrichten van diensten nadat daarvan kennis is gegeven aan de eigen toezichthouder en behoeft geen instemming van de toezichthouder). Kan de regering hierop ingaan? Kan de regering verduidelijken wat de verhouding is van de artikelen 1a:16a en 1a:16b tot artikel 1a:13?

Artikel 1a:52 lid 1

Hier staat een beperking opgenomen tot «in Nederland». In de Wfd betrof dit «in/vanuit Nederland». Idem, lid 2 (ontheffing): In de Wft kan een ontheffing voor bepaalde tijd worden gegeven, in de Wfd stond die beperking niet. Kan de regering toelichten waarom deze verzwaring t.o.v. de Wfd is opgenomen?

Artikel 1a:52 lid 2

De bepalingen over ontheffingen zijn een zoekplaatje, zo bepaalt dit artikel dat ontheffing mogelijk is. Vervolgens moet (zonder dat daar overigens naar wordt verwezen) worden teruggebladerd naar art. 1:84 lid 1 aanhef, waarin staat dat de bepalingen uit de afdeling waartoe dit artikel behoort (1.6.1 Vergunningen) van overeenkomstige toepassing zijn op (zie 1:84, lid 1, onderdeel d) een ontheffing van de verboden, bedoeld in (onder meer) artikel 1a:52. Artikel 1:82 lid 1 leert vervolgens dat er voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden aan een ontheffing; een ontheffing kan ook gedeeltelijk worden verleend (dat staat weer in 1:84, lid 1, onderdeel d, laatste volzin). In de Wfd was de ontheffing, met voorschriften of beperkingen, in één artikel geregeld (art. 18 Wfd). Kan de regering toelichten waarom artikel 18 Wfd dermate verspreid in de Wft is opgenomen?

Artikel 1a:52 lid 1

Dit artikel bepaalt dat het verboden is in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsobjecten aan te bieden. Dit artikel en tevens de artikelen 57, 72, 77, 83 en 89 van deel 1a van het voorstel Wft wijken af van de tekst van de Wfd in die zin, dat de Wfd uitgaat van activiteiten die in of vanuit Nederland plaatsvinden. Graag een toelichting.

Artikel 1a:52 lid 2

Dit artikel bepaalt dat de AFM op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing kan verlenen van het eerste lid. Deze bepaling, tevens opgenomen in de artikelen 57, 72, 77, 83 en 89 van deel 1a van het voorstel Wft wijken af van de tekst van de Wfd in die zin, dat de Wfd niet ingaat op de beperking voor bepaalde tijd. Waarom is dit niet hetzelfde?

Artikel 1a:106

Het voorgestelde artikel leidt ertoe dat de bestaande beslistermijn van 13 weken uit artikel 16 Wtk wordt verlengd met twee maanden (bijna zes maanden), hetgeen een verzwaring van de notificatieprocedure voor banken is. Kan de regering hierop ingaan?

Deel Prudentieel Toezicht

Artikel 2:43 lid 2

Kan de regering toelichten of alle leden van de raad van bestuur van een financiële onderneming vanuit Nederland hun werkzaamheden dienen te verrichten, ook indien een raad van bestuur bestaat uit meer dan twee leden? Binnen een internationaal opererend concern waarvan de raad van bestuur uit een veelvoud aan personen bestaat is het geenszins ondenkbaar en zelfs doorgaans wenselijk, dat enkele leden van die raad van bestuur hun functie voor een belangrijk deel uitoefenen vanuit een ander land. Kan de regering toelichten of het haar bedoeling is dat ook van het tweede lid een ontheffing kan worden aangevraagd (volgens de toelichting was dit eerst wel het geval; de reden van schrapping is niet duidelijk)?

Artikel 2:45

Is het correct dat dit artikel dezelfde materie regelt als het voorgestelde artikel 2:38? Kan de regering in bevestigend geval overwegen om de artikelen 2:38 en 2:46 in dezelfde paragraaf te regelen aangezien deze artikelen betrekking hebben op dezelfde materie? Is de regering de mening toegedaan dat het voorgestelde vierde lid van artikel 2:45 het derde lid dient te zijn en het vijfde lid het vierde lid?

Artikel 2:46

De Wft geeft geen definitie van het begrip «uitbesteding». Waarom niet?

Artikel 2:61

Hoort artikel 2:61 niet thuis in het Deel Markttoegang omdat het betrekking heeft op werkzaamheden waarvoor nog geen vergunning is verkregen, ook al ziet dit artikel op een bank die reeds in het bezit is van een bankvergunning?

Afdeling 2.3.9a

Op vele plaatsen in de Wft zijn (verschillende) meldingsplichten te vinden. Zou het niet duidelijker zijn voor de justitiabelen indien zij aan de hand van de titel van een afdeling kunnen afleiden wat daarin wordt geregeld?

Artikel 2:123, lid 1, onderdeel f

Het is voor de justitiabelen thans onvoldoende duidelijk in welke gevallen een verklaring van geen bezwaar moet worden aangevraagd. Kan de regering verduidelijken wat onder een financiële dan wel een vennootschappelijke reorganisatie moet worden verstaan?

Artikel 2:123, lid 5

Waarom zijn ook andere vormen van tijdelijke verkrijging van aandelen of stemrechten (bijvoorbeeld in het kader van het «inlenen» van aandelen) niet uitgezonderd van de plicht om een verklaring van geen bezwaar te verkrijgen?

Bij de toetsing van gekwalificeerde deelnemingen in elektronischgeldinstellingen wordt een beslistermijn van 8 weken gehanteerd, terwijl voor de toetsing van gekwalificeerde deelnemingen in andere financiële ondernemingen een beslistermijn van 13 weken geldt. De motivering van de minister dat de richtlijn elektronisch geld een lichter toezichtregime beoogt, overtuigt naar onze mening niet. De Europese wetgever heeft immers in de richtlijn elektronisch geld reeds een lichter toezichtregime opgenomen door onder meer te bepalen dat aan elektronischgeldinstellingen minder hoge eisen worden gesteld ten aanzien van het minimum eigen vermogen en het bedrijfseconomisch toezicht. Waarom wil de regering deze termijn niet verkorten tot 8 weken? Voor de toetsing van gekwalificeerde deelnemingen door banken volgt de beslistermijn van 13 weken overigens niet uit de Europese bankenrichtlijn en zou kunnen worden aangesloten bij de Awb termijn (redelijke termijn van 8 weken). Kan de regering hierop ingaan?

Momenteel dienen financiële ondernemingen bij een transactie in meerdere landen tegelijk een verklaring van geen bezwaar of goedkeuring aan te vragen waarmee aanzienlijke administratieve lasten gepaard gaan. Bij de behandeling van het Wetsvoorstel aanpassing van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar heeft de regering aangegeven dat deze administratieve lasten hoofdzakelijk ontstaan, omdat de Europese richtlijnen ook voor middellijke gekwalificeerde deelnemingen goedkeuring van de betrokken toezichthouders eisen. De minister heeft voorts aangegeven dat zij voornemens was zich in het kader van de Europese discussie over de terugdringing van de administratieve lasten sterk te maken voor een harmonisatieslag op dit punt. Op dit moment vinden in Europa onderhandelingen plaats over de wijziging van artikel 16 van de Bankenrichtlijn. Kan de regering aangeven of zij het bovenstaande onder de aandacht van de Europese wetgever heeft gebracht?

Artikel 2:124 lid 3

Is het correct dat de verwijzing naar de afdelingen 1.4.2 en 1.4.3 onjuist is en dat verwezen moet worden naar de afdelingen 1.4.1 en 1.4.2?

Artikel 2:125 lid 1

Moet de verwijzingen in dit artikel niet zodanig worden aangepast dat daaruit blijkt dat de verlening van de verklaring van geen bezwaar geschiedt op grond van de artikelen 2:124, lid 2 of 2:127 lid 1 en niet op grond van de artikelen 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dan wel 2:123, eerste lid?

Artikel 2:126

Deelt de regering het standpunt dat de formulering van het eerste lid verbetering behoeft, omdat uit deze formulering niet kan worden afgeleid wanneer een toetsing op betrouwbaarheid plaatsvindt?

Artikel 2:127, aanhef en onderdeel a en 2:128, aanhef en onderdeel b

Kan de regering garanderen dat de afwijkende formuleringen ten opzichte van de huidige toezichtwetten niet ertoe zullen leiden dat De Nederlandsche Bank een strengere toetsing zal uitvoeren?

Artikel 2:128, aanhef en onderdeel a

Deze bepaling lijkt verder te gaan dan de daarmee corresponderende bepaling uit artikel 23, lid 2, onderdeel a, Wtk. Laatstgenoemde bepaling beperkt de toetsing door De Nederlandsche Bank of de Minister van Financiën tot bepaalde solvabiliteitsregels, hetgeen in het voorgestelde artikel niet is overgenomen. Is dit een verzwaring ten opzichte van de huidige situatie? Kan de regering hierop ingaan?

Artikel 2:130

In dit artikel zijn meldingsplichten opgenomen. Voor een deel zijn deze meldingsplichten gebaseerd op de Europese richtlijnen. Voor een deel heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen op dit punt verder te gaan dan noodzakelijk is op grond van de richtlijnen. Kan de regering aangeven waarom zij van mening is dat in meer gevallen dan de gevallen genoemd in de Europese richtlijnen het wenselijk dan wel noodzakelijk is dat een melding wordt gedaan? Hoe weegt de regering dit tegen haar doelstelling om de administratieve lasten te verminderen?

Artikel 2:133

Kan de regering aangeven wat het verschil is met de formulering in de artikelen 2:133, lid 1 («gezonde en prudente bedrijfsuitoefening») en 2:136 lid 4 («financiële positie»)?

Artikel 2:138, lid 3, onderdeel a

Kan de regering toelichten wat wordt bedoeld met de zinsnede «voorzover op zijn werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing zijn». Kan de regering aangeven aan welke andere wettelijke bepalingen financiële instellingen dienen te voldoen?

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Tichelaar

De griffier van de commissie,

Berck


XNoot
1

Abusievelijk is het vijfde nader verslag eerder gepubliceerd (ondernummer 28).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Ondervoorzitter Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Tichelaar (PvdA), Voorzitter Koopmans (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Koomen (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Heemskerk (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Egerschot (VVD) en Irrgang (SP).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Koenders (PvdA), Dittrich (D66), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Vacature (PvdA), Duyvendak (GL), van Gent (GL), Vacature (algemeen), De Krom (VVD), Atsma (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Omtzigt (CDA), Eerdmans (LPF), Noorman-den Uyl (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Rambocus (CDA), Stuurman (PvdA), Luchtenveld (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Vries (VVD), Van Beek (VVD) en Gerkens (SP).

Naar boven