Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201929689 nr. 996

29 689 Herziening Zorgstelsel

Nr. 996 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juni 2019

Op uw verzoek reageer ik in voorliggende brief op het artikel in Zorgvisie van 17 mei jongstleden. De bestuurder van Buurtzorg Nederland reageert in dat artikel op mijn brief van 14 mei aan uw Kamer over de bekostiging en het toekomstperspectief wijkverpleging. De heer De Blok pleit er onder meer voor om samenwerking niet aan zorgaanbieders op te leggen om zo bestuurlijke drukte te voorkomen. Tevens wijst hij op problemen met ongecontracteerde aanbieders en merkt hij op dat ik die problemen niet aanpak.

Het is helaas zo dat er zich in de dagelijkse praktijk veel problemen voordoen in de wijkverpleging. Die knelpunten heb ik in mijn brief beschreven en uitgebreid besproken met zorgverzekeraars, zorgaanbieders (zowel de koepels Actiz en Zorgthuisnl, alsmede diverse individuele zorgaanbieders), de beroepsgroep en patiënten/cliënten. Het gaat daarbij overigens niet alleen om de knelpunten van vandaag, maar ook om knelpunten die we in de nabije toekomst met elkaar het hoofd zullen moeten zien te bieden.

Ik deel de vrees dat de gezamenlijke plannen zullen leiden tot bureaucratische ballast niet. Ik heb er immers voor gekozen om met partijen het uitgangspunt van samenwerking in de wijk te delen, en het aan de lokale praktijk (tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders) over te laten om te komen tot resultaatsafspraken daarover. Ik heb er alle vertrouwen in dat die partijen er geen enkel belang bij hebben om met elkaar bureaucratische afspraken te maken. Daar waar de samenwerking al goed gaat, zullen ze er ook voor zorgen dat deze goede samenwerking wordt voortgezet. Ik verplicht hen niet tot een bepaald model van samenwerking; wel moet er landsdekkend tot samenwerking worden gekomen.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat het bij het inrichten van de samenwerking er niet alleen om gaat dat wijkverpleegkundige organisaties onderling goed samenwerken maar dat zij dit vooral ook doen met andere zorgprofessionals en zorginstellingen en het sociale wijkteam van de gemeente.

Ik ben het eens met de bestuurder van Buurtzorg Nederland dat het schaarse personeel zo eerlijk en slim mogelijk moet worden ingezet. Daarom pleit ik juist ook voor meer samenwerking, voor het verminderen van administratieve lasten en voor het bevorderen van innovatie. De afspraken daarover zijn neergelegd in het hoofdlijnenakkoord wijkverpleging 2019–2022 en de uitvoering daarvan is door partijen ter hand genomen.

Ik ben het niet eens met zijn stelling dat ik geen werk maak van de aanpak van niet-gecontracteerde zorg. Ik heb met partijen in het hoofdlijnenakkoord wijkverpleging vergaande afspraken gemaakt om het contracteerproces te verbeteren en niet-gecontracteerde zorg terug te dringen. Een eerste monitor (NZa monitor contractering wijkverpleging 2019) is onlangs verschenen en na de zomer volgen nog twee rapportages. Uit die rapportages zal blijken of de huidige aanpak voldoende effectief is of dat nadere inzet nodig is.

Ik ga er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge