Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629689 nr. 100

29 689
Herziening Zorgstelsel

nr. 100
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 juni 2006

Tijdens het algemeen overleg van 8 juni jl. over de geestelijke gezondheidszorg heb ik toegezegd een aantal vragen van de vaste kamercommissie voor volksgezondheid, welzijn en sport schriftelijk te zullen toelichten. De vragen hadden betrekking op een viertal onderwerpen, te weten:

1. het separeerbeleid in het kader van de Wet Bopz;

2. de benutting van AWBZ-premiemiddelen in 2005;

3. de risico’s van zorgverzekeraars bij de overheveling;

4. de gebrekkige samenwerking tussen het CIZ en het BJZ bij kinderen met meervoudige problematiek.

ad 1

Mevrouw Kant (SP) heeft vragen gesteld rond het separeerbeleid in het kader van de Wet Bopz. Deze vragen zijn door de SP ook gesteld in het Verslag van de Wijziging van de Wet Bopz (voorwaardelijke machtiging en dwangbehandeling). Bij gelegenheid van de nota naar aanleiding van het verslag zullen wij deze vragen beantwoorden.

ad 2

De heer Rouvoet (CU) heeft gevraagd naar de AWBZ premiemiddelen die volgens een bericht van het CTG/ZAio in 2005 niet benut zijn en in 2006 ingezet zouden kunnen worden.

In 2006 geldt in de AWBZ de 1%-margeregeling. Deze regeling houdt in dat de onbenutte premiemiddelen die in het boekjaar 2005 overblijven, tot maximaal 1 % van de contracteerruimte (maximaal € 175 mln.), alsnog incidenteel inzetbaar zijn voor het jaar 2006. Door een aantal besluiten en autonome ontwikkelingen is er geen bedrag op basis van de 1%-margeregeling beschikbaar voor 2006. Een uitgebreide toelichting op deze ontwikkelingen vindt u in de bijgevoegde brief aan het CTG/ZAio.1

ad 3

De vaste kamercommissie heeft gevraagd om een nadere toelichting over de risico’s die zorgverzekeraars lopen rond de uitvoering van de geneeskundige GGZ onder de Zorgverzekeringswet in 2007. In mijn brief van 2 juni 2006 (Kamerstuk 2005–2006, 29 248, nr. 26) ben ik ingegaan op een invoeringsmodel waarbij de geneeskundige GGZ-prestaties worden opgenomen in de polis voor 2007, maar de feitelijke uitvoering nog plaatsvindt door de zorgkantoren.

Bij dit invoeringsmodel lopen de zorgverzekeraars nog geen financieel risico, aangezien de huidige situatie van uitvoering door de zorgkantoren feitelijk nog een jaar wordt voortgezet, maar dan, onder de Zorgverzekeringswet, op basis van de gegeven volmacht.

Met de inwerkingtreding van de geneeskundige GGZ-prestaties onder de Zvw per 1 januari 2007, hebben verzekerden ook recht op acht zittingen eerstelijnspsychologie. Onderzocht wordt of zorgverzekeraars dit meteen risicodragend zelf kunnen uitvoeren.

ad 4

De heer Rouvoet heeft naar aanleiding van een concrete casus de samenwerking tussen het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en het Bureau Jeugdzorg (BJZ) aan de orde gesteld. Bij de zorg voor jeugdigen met meervoudige problematiek zijn meerdere indicatieorganen betrokken, waardoor het afgeven van een integrale indicatie soms niet mogelijk is of indicatieorganen naar elkaar gaan verwijzen. In het thema harmonisering indicatiestellingen van Operatie JONG wordt gewerkt aan verbetering op het terrein van de toegang tot geïndiceerde (jeugd)zorg en speciaal onderwijs. Voor jeugdigen die vanwege hun problematiek meerdere indicaties nodig hebben, worden enkelvoudige procedures en routes ontwikkeld met afspraken over eenduidige cliëntroute, informatie-uitwisseling, geharmoniseerde vragenlijsten en mandatering van diagnostiek. Voor de jeugd-ggz is recent een protocol indicatiestelling jeugdigen met psychiatrische problematiek vastgesteld. Ook voor jeugdigen met een licht verstandelijke handicap zal een protocol ontwikkeld worden. Bij beide protocollen zijn de bureaus jeugdzorg en het CIZ betrokken. Met het in werking treden van dergelijke samenwerkingsafspraken zullen problemen zoals in de door de heer Rouvoet naar voren gebrachte casus in het vervolg grotendeels of geheel worden voorkomen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.