Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629688 nr. 7

29 688
Voorstel van wet van het lid Crone houdende regels inzake de toegankelijkheid, veiligheid, bereikbaarheid en redelijke prijsstelling van basisbetaaldiensten (Wet toegankelijkheid en bereikbaarheid basisbetaaldiensten)

nr. 7
VERSLAG

Vastgesteld 15 december 2005

De vaste commissie voor Financiën1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave Blz.

Inleiding 2

Algemeen 3

Bereikbaarheid 4

Taakverdeling 6

Zorgplicht 6

Aanbesteding 7

Administratieve lasten 7

Europese wet- en regelgeving 8

Budgettaire aspecten 8

Samenloop 9

Commentaar 9

Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van dit initiatiefwetsvoorstel. Met de indiener van dit voorstel onderschrijven zij het uitgangspunt van deze wet dat iedereen in ons land moet kunnen deelnemen aan het betalingsverkeer. Deze leden hebben voor de inhoudelijke beoordeling van dit wetsvoorstel een aantal vragen en opmerkingen waarvan zij het commentaar van de indiener op hoge prijs stellen.

De leden van de PvdA-fractie zien dit wetsvoorstel met instemming tegemoet, vooral om een halt toe te roepen aan de massale sluiting van bankkantoren. Dit leidt immers tot uitholling van de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in stadswijken en op het platteland. In vijf jaar tijd is het aantal bankkantoren gehalveerd en in dit tempo sluit in 2011 het laatste bankkantoor zijn deuren. De leden van de PvdA-fractie geven dan ook de voorkeur aan een snelle parlementaire behandeling en inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, zodat zo snel mogelijk de consument beschermd wordt tegen de alsmaar sneller verdwijnende bancaire dienstverlening.

De leden van de fractie van de VVD hebben met interesse kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel. Deze leden hebben over het voorstel enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie hebben met instemming kennisgenomen van dit wetsvoorstel.

Met de indiener zijn wij van mening dat toegang tot betaaldiensten een voorwaarde is voor deelname aan onze samenleving en dat deze toegang op dit moment in sommige gevallen ontbreekt, of te beperkt is. Deze wet draagt volgens deze leden bij aan een betere toegankelijkheid en kan daarom op onze steun rekenen. Wij ondersteunen de intentie om bepaalde zorgplichten dwingend op te leggen via deze wet, in plaats van via het vrijblijvende en tot nu toe ineffectieve Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB).

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van bovenstaand wetsvoorstel. Het voorstel bevat regels, die tot doel hebben om iedereen in redelijke mate in staat te stellen deel te nemen aan het maatschappelijke betalingverkeer. Het wetsvoorstel introduceert hiertoe een aantal algemene zorgplichten op het gebied van toegankelijk, veiligheid, redelijke prijsstelling en toegankelijkheid. Alhoewel deze leden sympathie hebben voor de zorgen van de indiener voor de toegang tot betaaldiensten voor sommige afnemers, zoals ouderen en gehandicapten, hebben zij nog wel vragen over de rol van de overheid in deze. Zou de indiener, overeenkomstig de opmerkingen van de Raad van State, dieper in willen gaan op de vraag of er sprake is van evident falen van de markt, of de overheid het probleem effectief kan aanpakken en of een wet de meest aangewezen weg is om de problematiek op te lossen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de doelstellingen van de initiatiefwet betreffende toegankelijkheid, veiligheid, bereikbaarheid en redelijke prijsstelling van basisbetaaldiensten, maar twijfelen – gelet op het advies van de Raad van State – nog wel over nut en noodzaak van het optreden door de wetgever in dezen.

De leden van de SGP-fractie hebben belangstellend kennis genomen van het initiatiefvoorstel om de bereikbaarheid van basisbetaaldiensten te garanderen. De doelstelling van het voorstel vinden zij sympathiek. Ook de leden van de SGP-fractie vinden het erg belangrijk dat mensen gemakkelijk gebruik kunnen maken van basale diensten. Wel vragen zij zich af of de gekozen oplossing noodzakelijk is om het doel te bereiken.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom de indiener van dit wetsvoorstel niet of althans in onvoldoende mate is ingegaan op de kritiek van de Raad van State betreffende artikel 3, waar het gaat om prijsafspraken door banken die een aanbod doen alsmede de gevolgen van dit wetsvoorstel voor nieuwkomers op de markt van betaaldiensten.

De leden van de fractie van de VVD stellen vast dat een zeer groot deel van de Nederlandse bevolking elektronisch geld van zijn rekening haalt. Zo maakt niet minder dan 95% gebruik van pinautomaten. Slechts 5% van de bevolking komt ook daadwerkelijk bij bankkantoren binnen om geld te halen. Kan de initiatiefnemer, in het kader van deze cijfers, aangeven waarop de noodzaak voor het indienen is gebaseerd? Hoe ziet hij de proportionaliteit gezien deze cijfers?

Diverse banken hebben uit onderzoek vastgesteld dat hun klanten in overgrote meerderheid tevreden zijn over de dienstverlening en het voorzieningenniveau. De nut- en noodzaak van dit wetsvoorstel is dan ook zeer discutabel. Kan de initiatiefnemer hierop reageren?

De initiatiefnemer geeft aan dat het serviceniveau van de banken de laatste jaren aanmerkelijk is afgenomen. Kan de initiatiefnemer in dit verband ingaan op telebankieren en internetbankieren? Zijn dit niet uitbreidingen van service?

Is de indiener bekend met het artikel «Beschikbaarheid bankkantoren acceptabel», zoals dat is verschenen in Bank- en Effectenbedrijf van oktober 2005? Hierin is te lezen dat de bereikbaarheid van bankdiensten niet als een generiek maatschappelijk probleem wordt ervaren, onder meer door innovaties in de dienstverlening. Kan de indiener hierop ingaan?

Uit welk recent marktonderzoek blijkt dat mensen niet te spreken zijn over de dienstverlening en het voorzieningenniveau van banken?

Kan de initiatiefnemer ingaan op de vele initiatieven die worden genomen om diverse vormen van dienstverlening, waaronder bankdiensten, gebundeld aan te bieden in kleine kernen? Wat zegt dit over het nut van het wetsvoorstel?

Allereerst willen de leden van de SGP-fractie stilstaan bij de analyse van de problemen. De cijfers die in de toelichting worden genoemd dateren vooral uit 2003. Op diverse plaatsen in het land zijn er initiatieven die min of meer bewerkstelligen wat in het wetsvoorstel wordt beoogd. Zijn er nadere recente gegevens die duidelijk maken hoe groot het probleem is dat met dit wetsvoorstel kan worden opgelost? In hoeveel dorpen of stadswijken is er sprake van een volledige afwezigheid van basisbetaaldiensten?

De indruk van deze leden is dat het wetsvoorstel een oplossing beoogt te bieden voor slechts twintig locaties. Kan worden aangegeven wat de afstand is van deze locaties tot het dichtstbijzijnde bankkantoor of servicepunt? Gaat het vooral om zeer uitgestrekte dorpen of om dichtbevolkte stadswijken? De aanwezigheid van bankdiensten hangt nauw samen met andere lokale diensten zoals postkantoren, supermarkten, winkels en openbaar vervoer. De leden van de SGP-fractie zouden graag de visie van de indiener vernemen op de samenhang tussen (de afwezigheid van) deze diensten en bankkantoren. Deelt hij de opvatting van deze leden dat de bankkantoren niet los gezien kunnen worden van deze basale diensten? Is het een bewuste keuze om alleen een regeling te treffen voor bankdiensten?

Op sommige plaatsen zijn initiatieven ontplooid om te komen tot bundeling van activiteiten. In zeker opzicht zijn deze activiteiten een methode om te voldoen aan de normen van het wetsvoorstel. Toch zou het voor kunnen komen dat deze lokale initiatieven net niet alle diensten omvatten die volgens het wetsvoorstel aanwezig moeten zijn. Zou een initiatief van de minister om een dergelijk gebied onder deze wet te laten vallen, niet juist frustrerend kunnen werken voor lokale creativiteit die zo dicht mogelijk aansluit bij de lokaal gevoelde wensen?

Deze leden zouden verder graag de visie van de indiener horen op de vraag wie af moet wegen of er op een bepaalde locatie een fysiek bankkantoor moet zijn of dat een fysieke locatie voor basisbetaaldiensten voldoende is.

Terecht constateert de indiener dat het maatschappelijk belang van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van basisbetaaldiensten niet omstreden is. Een andere vraag is wie de verantwoordelijkheid heeft om te garanderen dat deze diensten ook echt beschikbaar zijn. Heeft de indiener ook contact gehad met de banken om te bezien of zij zelf al de nodige initiatieven ondernemen om tegemoet te komen aan het in de toelichting genoemde gebrek aan klantvriendelijkheid? Is het gezien die ontwikkeling realistisch te verwachten dat er nog voortdurend bankfilialen gesloten zullen worden? Zou het niet veel logischer zijn dat banken weer zelf het initiatief nemen om de ontbrekende locaties op te vullen, gezien de volgens de indiener lage kosten om een servicepunt in stand te houden?

De vergelijking met de aanwezigheid van bijvoorbeeld supermarkten wordt door de indiener weliswaar gemaakt, maar naar de mening van de leden van de SGP-fractie niet voldoende uitgewerkt. De beschikbaarheid van voedsel en de beschikbaarheid van geld zijn beide belangrijk. Volgens het voorstel van de indiener zou het echter kunnen gebeuren dat er wel basisbetaaldiensten aanwezig zijn in een bepaald dorp, terwijl de plaatselijke supermarkt wellicht twee jaar geleden is gesloten. Zou het niet in de lijn van het voorstel liggen om ook een regeling te treffen voor supermarkten? Hebben basisbetaaldiensten zonder de aanwezigheid van winkels zelfstandige waarde?

Bereikbaarheid

De leden van de CDA-fractie merken op dat de indiener van dit wetsvoorstel in de memorie van toelichting duidelijk maakt dat zijns inziens de minister van Financiën moet ingrijpen indien er geen bankfiliaal aanwezig is in een straal van 3 km of indien in het gebied meer dan 5000 mensen wonen. Kan de indiener een nadere toelichting geven op de consequenties van zijn voorstel voor het vestigen van een bankfiliaal indien deze voorwaarden worden gesteld op bijvoorbeeld 5 km en 10 000 inwoners. Kan de indiener aangeven hoeveel bankfilialen er in zijn voorstel moeten worden geopend en in het alternatief van 5 km en 10 000 inwoners.

De indiener van dit wetsontwerp heeft als uitgangspunt voor de maatschappelijke betekenis van het betalingsverkeer een vergelijk gemaakt met de Telecommunicatiewet. In die sector hebben zich de afgelopen jaren enorme technologische ontwikkelingen voorgedaan. Indien men daarmee rekening houdt, is de indiener dan niet van mening dat deze wet, gegeven deze ontwikkelingen, anders zou zijn geformuleerd. Zou de indiener er niet verstandiger aan hebben gedaan andere vergelijkingen te maken, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een levensmiddelenbedrijf waar de inwoners van een regio met een straal van 3 km en een inwoneraantal van 5000 tenminste iedere week gebruik van maken. Realiseert de indiener van het wetsvoorstel zich wel dat het aantal bezoekers van een bankfiliaal in de door hem gedefinieerde regio onder de 10 per dag blijft en dat ieder levensmiddelenbedrijf bij een dergelijk aantal klanten reeds lang het bedrijf gesloten had.

Is de indiener van het wetsvoorstel zich ervan bewust dat de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) zich ten aanzien van de Postwet baseert op een straal van 5 km i.p.v. 3 km?

De indiener van dit wetsvoorstel gaat er vanuit dat een basis betaalpakket bestaat uit de volgende elementen:

– het opnemen, storten en wisselen van contant geld;

– het overmaken van geld naar een spaarrekening;

– het ophalen van een betaalpas of pincode;

– het opwaarderen of afwaarderen van de chipknip;

– het openen van een betaal- of spaarrekening;

– het betalen van een rekening of acceptgiro;

– het doen van een spoedbetaling.

Kan de indiener van dit wetsvoorstel per categorie duidelijk maken in hoeverre de aanwezigheid van een bankfiliaal in een straal van 3 km noodzakelijk is. De leden van de CDA-fractie hebben de ervaring dat vele onderdelen van dit pakket kunnen worden uitgevoerd zonder aanwezigheid van een bank in hun omgeving. Zou de indiener van dit wetsvoorstel bij de beantwoording van deze vraag rekening kunnen houden met het bestaan van moderne middelen zoals internettelefoon en safe-post?

Kan de indiener van dit wetsvoorstel een toelichting geven op de in artikel 1 gegeven definitie van een betaaldienst? Bij de beantwoording wordt hij verzocht duidelijk aan te geven in hoeverre de fysieke aanwezigheid van een bankkantoor gegeven zijn normen (3 km en 5000 inwoners) noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie vragen de indiener in te gaan op het betwistbare argument dat massale sluiting van bankkantoren slechts lokale problemen betreft, die van een lokale oplossing moeten worden voorzien. Bij talloze basisvoorzieningen is immers sprake van een landelijke normering. Kan de indiener de vergelijking maken met enkele andere voorzieningen, bijvoorbeeld de normering van het Besluit algemene richtlijnen post (Barp). Daarin is een landelijke norm vastgesteld voor de postale dienstverlening die op 2102 dienstverleningspunten moet worden aangeboden, waarbij een spreidingsnorm geldt van een dienstverleningspunt in een woonkern van meer dan 5000 inwoners en binnen een straal van 5 kilometer. De leden van de PvdA-fractie zien niet in waarom wat voor postale dienstverlening wel kan, voor bancaire dienstverlening niet zou kunnen. Deelt de indiener deze mening?

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het wetsvoorstel de Crone-norm wordt gehanteerd: één bankvestiging op elke drie kilometer of op vijfduizend mensen. In het concept-voorstel wat aan deze initiatiefwet vooraf ging (Witteveen/Melkert) werd nog gesproken over één vestiging op iedere vijf kilometer en iedere tienduizend mensen.

De leden van de fractie van de VVD willen graag weten waarop deze normen zijn gebaseerd? Waarom zijn deze in het voorstel Crone aangescherpt?

De indiener merkt op dat het wetsvoorstel in eerste instantie gericht is op een bepaald geografisch gebied waarin geen enkele basisbetaaldienst wordt aangeboden. De indiener stelt dat op dit moment «niet geheel duidelijk is hoeveel situaties dit op dit moment het geval is, en in de toekomst zal zijn». De leden van de fractie van de VVD zijn niet te spreken over deze passage. De probleemanalyse hoort geheel op orde te zijn bij een (initiatief)wetsvoorstel. Immers, wanneer een en ander «niet geheel duidelijk is», is het fundament van dit voorstel op drijfzand gebouwd. Graag ontvangen zij een toelichting van de initiatiefnemer op dit punt.

De leden van de D66-fractie merken op dat de indiener denkt aan een minimum van één loket per 5000 inwoners of binnen een afstand van 3 kilometer. Kan de indiener aangeven, uitgaande van deze norm, om hoeveel extra loketten het uiteindelijk ongeveer gaat? Hoe is men gekomen tot het aantal van 20 verzorgingsgebieden dat naar verwachting door de minister aangewezen wordt? Op welke manier stelt de minister vast dat in een bepaald geografisch gebied één of meer betaaldiensten onvoldoende bereikbaar zijn?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel negen basisbetaaldiensten vastlegt die aanwezig moeten zijn. Onduidelijk is hoe is bepaald welke diensten er moeten zijn. Zijn deze normen vastgesteld op basis van onderzoek of is er een andere methode gebruikt om tot een keuze te komen?Een andere vraag is hoe vastgesteld wordt of er voldoende bankkantoren in de regio zijn. Wordt er bij de normen van 5000 inwoners en 3 kilometer uitgegaan van een vaste regio-indeling of kan er in de praktijk veel discussie ontstaan over de vraag door wie en hoe de regio wordt vastgesteld?

Taakverdeling

De leden van de CDA-fractie merken op dat de indiener van het wetsvoorstel de wettelijke voorziening van betaal- en postdiensten als een katalysator ziet om diverse maatschappelijke diensten, die verdwijnen uit stadswijken en het platteland een nieuwe kans te geven. Is dit eigenlijk wel een taak voor particuliere banken of niet veeleer een uitdaging voor (plaatselijke) overheden, die in de afgelopen tijd gemeentehuizen, politieposten en scholen hebben gesloten?

Leefbaarheid speelt in het voorstel Crone een zeer belangrijke rol, zo constateren de leden van de VVD-fractie. De vraag is waarom hier een centrale rol voor banken is weggelegd, zoals in het wetsvoorstel wordt gesuggereerd. Kan de indiener hier op ingaan?

Deze leden willen graag weten hoe de bevoegdheid die in dit voorstel aan de minister wordt toegekend, zich verhoudt tot reeds bestaande bevoegdheden van de minister op andere terreinen? Met welke bevoegdheid zou men dit kunnen vergelijken?

Meer principieel vragen de leden van de SGP-fractie zich af om welke redenen de indiener het garanderen van de aanwezigheid van banken als een overheidstaak ziet en andere diensten niet. Graag ontvangen zij een nadere toelichting.

Zorgplicht

De leden van de SP-fractie zetten wel vraagtekens bij de keuze van de indiener om geen concrete voorwaarden op te nemen, maar slechts algemene zorgplichten die zullen worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Hoewel deze leden de wens om snel in te kunnen springen op maatschappelijke problemen begrijpen, vragen zij toch of bepaalde zorgplichten niet toch in de wet kunnen worden opgenomen. Aangezien het hier om minimumverplichtingen gaat lijkt het deze leden voor de hand te liggen dat deze ongeacht plaats en tijd hetzelfde zouden moeten zijn. Kan de indiener in ieder geval een indicatie geven van de minimumverplichtingen die volgens hem zouden moeten gelden met betrekking tot minimumbedragen, openingstijden, fysieke toegankelijkheid en betaalbaarheid? Kan de indiener aangeven waarom deze niet universeel in deze wet kunnen worden vastgelegd? Is er bijvoorbeeld reden om aan te nemen dat deze per verzorgingsgebied of periode anders zouden moeten zijn? Waaruit zal de «grondige beschouwing van de ontwikkelingen in de samenleving», waarna het minimum niveau van dienstverlening exact kan worden vastgesteld moeten bestaan?

De leden van de D66-fractie merken op dat indiener geen uitspraken doet over de manier waarop de zorgplichten precies moeten worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Kan de indiener wel een indicatie geven wat er in de lagere regelgeving wel en niet wordt opgenomen? Ook het minimum niveau moet worden bepaald na een grondige beschouwing van de ontwikkelingen in de samenleving. Kan de indiener aangeven hoe een dergelijke grondige beschouwing eruit ziet?

De leden van de SGP-fractie vinden dat de toelichting op het punt van de zorgplicht niet erg duidelijk maakt wat de indiener beoogt. Er worden weinig concrete richtlijnen gegeven waaraan de bankkantoren moeten voldoen. Kan worden toegelicht aan, bij nadere regels te stellen, eisen de indiener denkt? Is hij niet met deze leden van mening dat op zijn minst duidelijk moet zijn volgens welke criteria wordt bepaald of er maatregelen moeten worden genomen? Wie is verantwoordelijk voor de noodzakelijke «grondige beschouwing van de ontwikkelingen in de samenleving»?

Aanbesteding

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat er gebeurt indien de Minister van Financiën een gebied aanwijst overeenkomstig de normen waarin de memorie van toelichting gewag maakt indien geen enkele aanbieding van een bankinstelling zal optreden. Indien die situatie zich voordoet, en de leden van de CDA-fractie achten dat geenszins onmogelijk, wat zal dan de minister van Financiën doen? Trekt hij zijn aanbod in of zal hij een nieuwe bieding doen met een hogere vergoeding? Kortom is de indiener van het wetsvoorstel niet veel te optimistisch in zijn verwachting dat de bestaande of nieuwe aanbieders van betaaldiensten belangstelling hebben om een nieuw filiaal te openen, waar in het verleden zo’n filiaal nooit aanwezig was of in de afgelopen jaren gesloten?

Het is de bedoeling van de indiener om via een methode van aanbesteding te komen tot de keuze van een bankkantoor dat basisbetaaldiensten aanbiedt. De leden van de SGP-fractie zouden graag vernemen of dit systeem in combinatie met een heffing niet het risico in zich bergt dat banken juist besluiten om extra servicepunten in een bepaald dorp te sluiten?

Om te komen tot een goede vaststelling van de heffing is het tevens van belang dat duidelijk is voor welk deel van de kosten van een servicepunt precies een heffing wordt geheven. Hoe wordt de grondslag precies vastgesteld? Van welke organisaties wordt die heffing precies geheven? Zou bijvoorbeeld een bankbedrijf dat slechts vijf van de negen basisdiensten aanbiedt ook in aanmerking komen?

Administratieve lasten

De leden van de fractie van de VVD maken zich zeer grote zorgen over de administratieve lasten en nalevingskosten die met dit wetsvoorstel gepaard kunnen gaan. Daarom willen deze leden dat de Actal zich over het wetsvoorstel buigt. Waarom heeft de initiatiefnemer zelf niet om een dergelijk advies gevraagd? Vindt hij dit niet belangrijk?

Kan de indiener een inschatting maken van de administratieve lasten die samen hangen met dit wetsvoorstel? Zo ja, wat bedragen deze kosten dan (inclusief nalevingskosten) ? Zo nee, waarom niet?

Hoe zal deze wet gehandhaafd gaan worden? Zal hiervoor een bureau worden ingesteld dat analyses gaat uitvoeren? Zo nee, hoe gaat de wet dan gehandhaafd worden? Zo ja, wie gaat deze toezichthouder betalen?

Wat zou een dergelijke oprichting/aanwijzing/uitbreiding van een toezichthouder kosten?

In een gebied kan het bevolkingsaantal fluctueren. Wat gebeurt er wanneer het inwonertal van een verzorgingsgebied net onder de door de indiener gehanteerde grens gaat, en een jaar later weer erboven?

Kan dit voorstel leiden tot hogere prijzen voor bancaire diensten? Zo ja, om welke stijging gaat het dan, zo nee, waarom niet?

Europese wet- en regelgeving

De leden van de fractie van de VVD hebben zorgen over de inpassing van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel in Europeesrechtelijke kaders.

Hoe verhoudt het wetsvoorstel zich tot Europese wet- en regelgeving op het gebied van vrije vestiging; aanbesteding; staatssteun en universele dienstverlening.

Graag ontvangen zij een toelichting van de indiener op elk van deze gebieden.

Meer specifiek zijn de leden van de VVD-fractie geïnteresseerd in de verhouding met het recente voorstel van de Europese Commissie over betalingen in de interne markt.

Gaat deze initiatiefwet verder dan het voorstel zoals dat nu in Europa voorligt? Zo ja, op welke onderdelen? En als dat zo is, levert dit dan geen concurrentienadeel op voor Nederlandse banken (geen gelijk speelveld)?

De leden van de D66-fractie hebben vragen over de invloed van voorliggend wetsvoorstel op het vrije verkeer. De Raad van State wijst erop dat de heffing mogelijk strijdig is met het Europese recht. Kan de indiener ingaan op de door de Raad genoemde benodigde rechtvaardigheidsgronden voor de heffing – los van de hoogte van de heffing – en ook de proportionaliteit aantonen? Kan de indiener ingaan op de tweede overweging van de richtlijn 2004/18/EG, zijnde dat voor het plaatsen van overheidsopdrachten altijd de beginselen van het Verdrag geëerbiedigd moeten worden?

Budgettaire aspecten

Is het eigenlijk wel mogelijk om op een objectieve wijze te berekenen wat de kosten zijn van een bankfiliaal, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Welke normen hanteert de indiener voor de personele bezetting van het door hem bedoelde filiaal die aan alle door hem aangegeven vereisten van een betaaldienst voldoet? Als die kosten, inclusief een winstopslag en het rentebeslag, moeilijk te bepalen zijn, is het dan wel mogelijk de vergoeding voor zo’n filiaal te bepalen?

Zullen banken in het vooruitzicht van aanvaarding van het wetsvoorstel niet worden aangemoedigd om een bestaand bankfiliaal te sluiten met als overweging dat zij bij een eventuele heropening de kosten daarvan vergoed zullen krijgen?

Deze leden vragen voorts of dit wetsvoorstel er niet toe leidt dat het aanbieden van betaaldiensten onaantrekkelijker wordt. Zij gaan er daarbij vanuit dat banken die geen betaaldiensten aanbieden niet worden aangeslagen voor de kosten die uit het wetsvoorstel voortvloeien.

Kan de indiener bij benadering aangeven wat de hoogte van de kosten zijn die bij aanvaarding van zijn voorstel in rekening worden gebracht bij het bankwezen in Nederland. Bij die raming dient tevens rekening gehouden te worden met de toezichtkosten. Wat zal daarvan het gevolg zijn voor de tarieven van het betalingsverkeer die banken hun cliënten in rekening brengen? De indiener van dit wetsvoorstel gaat er kennelijk impliciet van uit dat alle thans bestaande algemene banken eenzelfde structuur van bankfilialen heeft. De leden van de CDA-farctie constateren echter dat er grote verschillen bestaan in de aanwezigheid van bankfilialen in de regio. Tenminste één bank heeft veel meer vestigingen in regio’s dan de andere bankinstellingen. Kan de indiener van het wetsvoorstel aan deze leden duidelijk maken wat de gevolgen zijn van zijn voorstellen voor de kostenverdeling, die inherent is aan zijn voorstel.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er inderdaad geen sprake is van een vestigingsverplichting zoals door de banken, met name door de Postbank, steeds wordt gesuggereerd. Als het wetsvoorstel voorziet in een openbare aanbesteding voor het in stand houden van een aantal basisbetaaldiensten, waarop banken mogen inschrijven, worden juist innovatieve initiatieven beloond. Een goede bank kan hiermee dus extra geld verdienen en betere service verlenen, en daarmee nieuwe rekeninghouders binnenhalen. De netto bijdrage in de kosten die de winnende bank ontvangt, wordt weliswaar betaald door de overige banken door middel van het omslaan van de kosten, maar uiteindelijk blijft het een financiële verschuiving binnen de bankensector. De kosten zullen bovendien gering zijn en niet meer dan 0.1% van de nettowinsten van de banken bedragen. Dit is een relatief kleine bijdrage aan de oplossing van een belangrijk maatschappelijk probleem. Vindt de indiener ook dat de banken hun maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten nemen? Heeft de indiener inzicht waarom de bancaire sector niet kiest voor het maatschappelijke belang van een algemene bereikbaarheid, toegankelijkheid, veiligheid en betaalbaarheid van het betalingsverkeer, maar voor de commerciële belangen van de grootbanken in de vorm van winstmaximalisatie?

De leden van de D66-fractie vragen de indiener de berekening van de jaarlijkse kosten van het aanbieden van betaaldiensten nader te onderbouwen?

Samenloop

Kan de indiener van dit wetsvoorstel aangeven hoe zijn voorstel zich verhoudt tot de Wet op het financiële toezicht (29 708, Wft)? Behoort zijn voorstel geen deel uit te maken van deze wet?

Commentaar

De Nederlandse (Vereniging van) Banken hebben (heeft) kritisch gereageerd op het wetsvoorstel. Ziet de indiener kans deze kritiek te ontzenuwen, zo vragen de leden van ChristenUniefractie.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Tichelaar

De adjunct-griffier van de commissie,

Vente


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Ondervoorzitter, Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Tichelaar (PvdA), Voorzitter, Koopmans (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Koomen (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Heemskerk (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Egerschot (VVD) en Irrgang (SP).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Koenders (PvdA), Dittrich (D66), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Vacature (PvdA), Duyvendak (GL), Van Gent (GL), Vacature (algemeen), De Krom (VVD), Atsma (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Omtzigt (CDA), Eerdmans (LPF), Noorman-den Uyl (PvdA), Mosterd (CDA), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Rambocus (CDA), Stuurman (PvdA), Luchtenveld (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Vries (VVD), Van Beek (VVD) en Gerkens (SP).