Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429688 nr. 2

29 688
Voorstel van wet van het lid Crone houdende regels inzake de toegankelijkheid, veiligheid, bereikbaarheid en redelijke prijsstelling van basisbetaaldiensten (Wet toegankelijkheid en bereikbaarheid basisbetaaldiensten)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat iedereen recht heeft op een goede toegang tot het betalingsverkeer en het daarom wenselijk is de toegankelijkheid, veiligheid, bereikbaarheid en een redelijke prijsstelling van basisbetaaldiensten te waarborgen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders bepaald – verstaan onder:

a. aanvrager: een rechtspersoon die een aanvraag voor een opdracht heeft ingediend bij Onze Minister;

b. afnemer: een afnemer of potentiële afnemer van een door een kredietinstelling aangeboden of verleende basisbetaaldienst;

c. basisbetaaldienst:

1°. het mogelijk maken contant geld op te nemen van een betaalrekening;

2°. het mogelijk maken contant geld te storten op een betaalrekening;

3°. het mogelijk maken geld over te maken van een eigen betaalrekening naar een eigen spaarrekening of het mogelijk maken geld over te maken van een eigen spaarrekening naar een eigen betaalrekening;

4°. het mogelijk maken eurobankbiljetten en -munten om te wisselen in eurobankbiljetten en -munten van een andere waarde;

5°. het mogelijk maken een bij een eigen betaalrekening behorende betaalpas of een daarbij behorende pincode in ontvangst te nemen;

6°. het mogelijk maken een tegoed in elektronisch geld op een bij een betaalrekening behorende betaalpas op te waarderen of in eurobankbiljetten en -munten of op een betaalrekening uitbetaald te krijgen;

7°. één bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere dienst die verband houdt met het betalingsverkeer;

d. gastgebruik: het verlenen van basisbetaaldiensten aan afnemers die een betaalrekening houden bij een andere kredietinstelling in verband met een betaalrekening bij deze andere kredietinstelling;

e. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

f. nettokosten: kosten die een kredietinstelling maakt ter voldoening aan een opdracht waartegenover geen dekkende vergoeding door afnemers bestaat verminderd met op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de opdracht;

g. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

h. opdracht: een opdracht als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

i. opdrachtnemer: de kredietinstelling die op grond van een opdracht basisbetaaldiensten verzorgt;

j. toezichthouder: De Nederlandsche Bank N.V.;

k. servicepunt: fysieke lokatie waar één of meer basisbetaaldiensten worden aangeboden;

l. verzorgingsgebied: een ingevolge artikel 3, eerste lid, door Onze Minister aangewezen geografisch gebied.

HOOFDSTUK 2 UNIVERSELE DIENSTVERLENING BASISBETAALDIENSTEN

Artikel 2

Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten aanbieden dragen er zorg voor dat deze diensten voor iedere afnemer toegankelijk, veilig en tegen een redelijke prijs beschikbaar zijn. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de toegankelijkheid, veiligheid en prijs van betaaldiensten.

Artikel 3

1. Indien naar het oordeel van Onze Minister één of meer basisbetaaldiensten onvoldoende bereikbaar zijn in een bepaald geografisch afgebakend gebied en de door hem gewenste bereikbaarheid niet door het normale functioneren van de markt wordt of zal kunnen worden gegarandeerd, kan hij het gebied aanwijzen als verzorgingsgebied en de verzorging van desbetreffende basisbetaaldiensten in één of meer servicepunten in het verzorgingsgebied voor ten hoogste vijf jaar opdragen aan de aanvrager die deze tegen de laagste raming van de nettokosten aanbiedt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld aan welke moet worden voldaan bij het uitvoeren van een opdracht. Deze regels zullen in ieder geval inhouden dat de aanvrager ten tijde van het uitvoeren van de opdracht in het bezit is van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 38, eerste lid, van de Wet op het kredietwezen 1992, dan wel dat het aan deze krachtens de artikelen 31, 32, 32a, 50 of 51 of op grond van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die wet is toegestaan het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen in Nederland.

3. In de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan een opdracht de voorwaarde wordt verbonden dat gastgebruik wordt toegestaan voor één of meer van de aangewezen basisbetaaldiensten.

4. Onze Minister maakt het voornemen om over te gaan tot het verlenen van een opdracht bekend. Er wordt mededeling van het voornemen gedaan in de Staatscourant. Daarbij wordt melding gemaakt van de mogelijkheid een aanvraag in te dienen voor een opdracht.

5. De voorgenomen opdracht vermeldt de te verzorgen basisbetaaldiensten, het servicepunt of de servicepunten, het verzorgingsgebied en de periode waarvoor de opdracht zal worden verstrekt.

6. Een aanvraag voor een opdracht kan binnen acht weken na de datum van de in het vierde lid bedoelde bekendmaking worden ingediend bij Onze Minister.

7. De aanvraag omvat een raming van de nettokosten per kalenderjaar.

8. Een opdracht wordt niet verleend indien de aanvrager naar verwachting van Onze Minister de opdracht niet naar behoren zal kunnen uitvoeren.

9. Indien naar het oordeel van Onze Minister twee of meer aanvragers dezelfde kwaliteit kunnen leveren en de ramingen van de nettokosten van deze aanvragers gelijk zijn, wordt door middel van het lot beslist aan wie de opdracht wordt verleend.

Artikel 4

1. Een opdrachtnemer dient binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar waarin hij basisbetaaldiensten heeft verzorgd bij Onze Minister een aanvraag in voor vergoeding van de in dat kalenderjaar gemaakte nettokosten vermeerderd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen redelijke winstopslag.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de bij de aanvraag om een vergoeding te verstrekken berekening van de nettokosten.

3. De vergoeding voor de gemaakte nettokosten en de winstopslag wordt toegekend indien naar het oordeel van Onze Minister de hoogte van de nettokosten voldoende is aangetoond. De vergoeding voor de nettokosten is niet hoger dan de door de aanvrager geraamde nettokosten.

4. Van de toegekende vergoeding wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

5. De vergoeding, vermeerderd met een renteopslag ter hoogte van de wettelijke rente welke wordt berekend over de periode gelegen tussen de laatste dag van het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft en de dag waarop de vergoeding beschikbaar wordt gesteld, wordt uitbetaald binnen vier weken nadat de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde termijn is verstreken.

Artikel 5

1. Indien ingevolge artikel 4 aan degene die op grond van een opdracht basisbetaaldiensten heeft verzorgd, een vergoeding wordt toegekend, is elke kredietinstelling die in het betreffende kalenderjaar basisbetaaldiensten heeft aangeboden, aan de Staat der Nederlanden een bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage wordt vastgesteld naar rato van de omzet die een kredietinstelling in Nederland heeft behaald met het verlenen van betaaldiensten in het kalenderjaar waarop de te betalen vergoeding betrekking heeft. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van het bepalen van de omvang van deze omzet.

2. De verschuldigde bijdrage wordt door Onze Minister binnen zes maanden na toekenning van de vergoeding vastgesteld en aan degene die de bijdrage is verschuldigd, meegedeeld.

3. De bijdrage wordt berekend door de te betalen vergoeding te vermenigvuldigen met de in het vierde lid bedoelde breuk.

4. De teller van de breuk bestaat uit de jaaromzet in Nederland van de in het eerste lid bedoelde kredietinstelling in het kalenderjaar waarop de te betalen vergoeding betrekking heeft. De noemer van de breuk bestaat uit de som van de jaaromzetten in Nederland van de bijdrageverschuldigde kredietinstellingen in het kalenderjaar waarop de te betalen vergoeding betrekking heeft.

5. De bijdrage wordt betaald binnen vier weken na ontvangst van de beschikking waarin de bijdrage is vastgesteld.

6. Op verzoek een opdrachtnemer, wordt een door hem te betalen bijdrage verrekend met de door hem te ontvangen vergoeding.

HOOFDSTUK 3 UITVOERING VAN DE WET

Paragraaf 3.1. De verhouding tussen Onze Minister en de toezichthouder

Artikel 6

Het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald berust bij de toezichthouder.

Artikel 7

1. De toezichthouder verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die deze nodig heeft voor de beoordeling van de wenselijkheid en uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens met betrekking tot het betalingsverkeer.

2. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht, bedoeld in artikel 6, nodig blijkt.

3. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het tweede lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 25 vallen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 de noodregeling is uitgesproken, surseance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

4. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het derde lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing zijn.

5. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

6. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het derde lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 25 is van toepassing.

7. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

8. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

Artikel 8

1. De toezichthouder brengt jaarlijks over zijn werkzaamheden en bevindingen ingevolge deze wet aan Onze Minister verslag uit.

2. De toezichthouder maakt het verslag openbaar.

Paragraaf 3.2 Bevoegdheden van Onze Minister en de toezichthouder

Artikel 9

1. Onze Minister kan bij een kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt alle inlichtingen inwinnen, of doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 5.

2. Een kredietinstelling waarvan de inlichtingen, bedoeld is het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen een door Onze Minister te stellen termijn.

Artikel 10

1. De toezichthouder kan bij een kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt alle inlichtingen inwinnen, of doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn voor het toezicht op de naleving van deze wet.

2. Een kredietinstelling van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.

Artikel 11

Ten aanzien van de personen die door de toezichthouder zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de toezichthouder heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.3 Corrigerende en sanctionerende bevoegdheden

Artikel 12

1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van een overtreding van artikel 9, tweede lid.

2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

Artikel 13

Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van artikel 9, tweede lid.

Artikel 14

1. De toezichthouder kan aan een kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt, die handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde deze strijdigheid op te heffen. De opdrachtnemer of de kredietinstelling volgt de gegeven aanwijzing op binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.

2. De aanwijzing vermeldt de handelingen welke de kredietinstelling naar het oordeel van de toezichthouder dient te verrichten of na te laten.

Artikel 15

1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 3, tweede en derde lid, 5, vijfde lid, 10, tweede lid, en 14, eerste lid, laatste volzin.

2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 16

1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, 3, tweede en derde lid, 5, vijfde lid, 10, tweede lid, en 14, eerste lid, laatste volzin.

2. De bestuurlijke boete komt toe aan de toezichthouder.

3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 17

1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

4. De toezichthouder kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

5. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 2 en 3, tweede en derde lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 19

1. Indien de toezichthouder voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft zij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de toezichthouder de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 17, is aangewezen.

Artikel 20

1. De toezichthouder legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

c. de termijn, bedoeld in artikel 22, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 21

1. De werking van de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 19, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 22

1. De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 19, tweede lid, is aangewezen.

3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt de toezichthouder schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.

4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de boete heeft opgelegd.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter desgevraagd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 23

1. De bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 24

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Paragraaf 3.4 Geheimhouding

Artikel 25

1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent een kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt zijn verstrekt of zijn verkregen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende kredietinstelling in staat te stellen haar beroep of bedrijf voort te zetten.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen doen mits deze niet kunnen worden herleid tot individuele instellingen.

Paragraaf 3.5 Bezwaar en beroep

Artikel 26

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Paragraaf 3.6 Kosten van het toezicht

Artikel 27

De toezichthouder kan de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van het toezicht op de naleving van deze wet volgens bij ministeriële regeling te stellen regels in rekening brengen bij elke kredietinstelling die basisbetaaldiensten aanbiedt.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 28

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1, onderdeel c, sub 7°, 2, 3, tweede lid, en 4, eerste lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan eenieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 29

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 30

Deze wet wordt aangehaald als: Wet toegankelijkheid en bereikbaarheid basisbetaaldiensten.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

Bijlage bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet toegankelijkheid en bereikbaarheid basisbetaaldiensten

Artikel 1

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer:Bedrag (vast tarief):
1.€ 54 450
2.€ 217 810

Artikel 2

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 1, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal, van toepassing met de daarbij behorende factor1:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten aanbieden met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000; Factor: 1;

Categorie II: Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten aanbieden met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000; Factor: 2;

Categorie III: Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten aanbieden met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder dan € 4 537 800 000; Factor: 3;

Categorie IV: Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten aanbieden met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800 000 maar minder dan € 45 378 020 000; Factor: 4;

Categorie V: Kredietinstellingen die basisbetaaldiensten met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020 000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de toezichthouder beschikbaar zijn gesteld, kan de toezichthouder aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie 2 van toepassing.

Tabel 1

Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel:Tariefnummer:
artikel 9, tweede lid,1
artikel 10, tweede lid,1
artikel 14, eerste lid.2

XNoot
1

Onder eigen vermogen wordt in dit geval verstaan:

– in geval van rechtspersonen en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover dezen een jaarrekening opstellen: het eigen vermogen zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

– in geval van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover deze geen jaarrekening opstellen: het privé-vermogen van de gezamenlijke vennoten, zoals dat blijkt uit hun laatste aangifte; en

– in geval van natuurlijke personen (eenmanszaken): het privé-vermogen zoals dat blijkt uit zijn laatste aangifte voor de vermogensbelasting.