29 686
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met een herziening van de behandeling van de omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en een aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 7 oktober 2004

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

InhoudsopgaveBlz.
   
Algemeen2
Inleiding2
Omzetting afgewaardeerde vorderingen2
Overig4
Aanpassingen in de regeling voor tijdelijke afwaarderingsverliezen op deelnemingen5
Artikelsgewijze toelichting5
  Artikel I, onderdeel E (artikel 13ba van de Wet Vpb) 5
 * Artikel I, onderdeel F (artikel 13bb van de Wet Vpb)7
 * Artikel I, onderdeel G (artikel 13ca van de Wet Vpb)7
 * Artikel I, onderdeel H (artikel 13d van de Wet Vpb)7
 * Artikel IV7
 * Artikel V8

ALGEMEEN

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD, de LPF en D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.

Inleiding

De leden van de CDA-fractie zijn de regering erkentelijk voor haar bereidheid de voorliggende wetswijzigingen bij nota van wijziging uit het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel te halen en in een afzonderlijk wetsvoorstel in te dienen. Bovendien heeft dit de Raad van State de mogelijkheid gegeven de na haar eerdere commentaar voorgestelde wijzigingen ten aanzien van omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen te bezien. Genoemde leden hechten aan een zorgvuldige procedure ten aanzien van dergelijke wetgevingstrajecten.

De leden van de fractie van de LPF merken op dat dit wetsvoorstel is aangekondigd in de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 december 2002. De beoogde reorganisatiefaciliteit zou aldus moeten worden vormgegeven «dat ook voor conversiewinst een vrijstelling zal gelden voorzover deze het bedrag van de compensabele verliezen overtreft. Wel zullen daaraan additionele voorwaarden worden gesteld teneinde te voorkomen dat de op het conversietijdstip aanwezig (latente) verliezen worden uitgesteld om op die manier verliesverrekeningsmogelijkheden uit te stellen» (Kamerstukken II 2002/2003, 27 505, nr. 5, p. 9).

Omzetting afgewaardeerde vorderingen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgenomen wijzigingen ten aanzien van het regime voor omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen. Het regime voor de behandeling van afgewaardeerde schulden is recent per 1 januari 2001 aangepast. Met de Raad van State hebben de leden van de CDA-fractie de toenmalige wetswijzigingen bekritiseerd.

In de praktijk bleek de regeling reeds snel een groot struikelblok voor bedrijfseconomisch noodzakelijke herstructureringen. In de brief van 11 december 2002 erkende de toenmalige staatssecretaris dat en gaf weer dat met name het verschil in behandeling tussen een kwijtschelding en een omzetting als oorzaak werd ervaren.

Ook het oorspronkelijk aan de Raad van State aangeboden wetsvoorstel bevatte nog immer de elementen van de per 1 januari 2001 ingevoerde systematiek. Echter naar aanleiding van het advies van de Raad van State is voor een andere aanpak gekozen. Met de Raad van State is de CDA-fractie van oordeel dat een terugkeer naar de systematiek zoals die voor 1 januari 2001 gold, een goede ontwikkeling is.

Door de voorgestelde wijzigingen vindt de heffing die moet voorkomen dat dubbele verliesneming optreedt niet meer plaats op het niveau van de schuldenaar, maar wordt het afwaarderingsverlies op het niveau van de schuldeiser teruggenomen. Genoemde leden constateren met genoegen dat de regering hiermee invulling geeft aan een wens uit literatuur en fiscale praktijk. Deze leden hebben echter wel enkele vragen bij de wijze waarop de regering deze reparatie invult.

De leden van de VVD-fractie zijn verheugd met het voorliggende wetsvoorstel, dat tot doel heeft het in 2001 ingevoerde artikel 12 VpB weer af te schaffen. Dit artikel is 4 jaar geleden ingevoerd om dubbele verliesverrekening van in Nederland gevestigde belastingplichtigen tegen te gaan. Het niet voorziene en onbedoelde effect ervan was het sterk bemoeilijken van schuldsaneringen van in zwaar weer geraakte (veelal jonge en innovatieve) ondernemingen. Deze leden vragen de speciale aandacht van de regering voor deze groep van ondernemingen, die een financiële herstructurering hebben moeten uitvoeren in de periode van inwerkingtreding van artikel 12. Het zijn veelal kennisrijke en kapitaalintensieve bedrijven met een aanzienlijke toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie in termen van werkgelegenheid, innovatie en concurrentiekracht.

De leden van de VVD-fractie zijn van oordeel dat de groep van ondernemingen, die een herstructurering hebben moeten invoeren in de periode van inwerkingtreding van artikel 12, als gevolg van deze bepaling nog geruime tijd financieel kwetsbaar blijven. Afschaffing van artikel 12 met terugwerkende kracht – onder de bepleitte voorwaarde – zal de continuïteit van de betrokken ondernemingen aanzienlijk verbeteren en bijdragen aan de doelstellingen van deze regering. Volgens de leden van de VVD-fractie zal het aldus repareren van de niet voorziene en onbedoelde effecten van de invoering van artikel 12 als een gunstig signaal voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat worden gezien. De leden van de VVD-fractie vernemen graag de reactie van de regering over de voorgestelde terugwerkende kracht.

De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel wordt toegelicht dat het huidige wetsvoorstel ten opzichte van de eerder in dit verslag genoemde aankondiging als volgt is aangepast ten gunste van het (middel)grote bedrijfsleven: «De aankondiging betrof de invoering van een gedeeltelijke vrijstelling voor conversiewinst. Het wetsvoorstel gaat op dit punt verder dan aangekondigd. Voorgesteld wordt de bepaling op grond waarvan conversiewinst wordt getroffen door vennootschapsbelasting te laten vervallen. Het voorstel beoogt op dit punt tegemoet te komen aan bezwaren geuit door het bedrijfsleven dat de huidige regeling belemmerend werkt in financiële reorganisaties».

De leden van de LPF-fractie vragen wat de rechtvaardiging is voor de versoepeling ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel waarin de conversiewinst slechts werd belast indien en voor zover deze meer bedroeg dan de compensabele verliezen? Op welke wijze rechtvaardigt de regering de extra «reorganisatiefaciliteit» voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen die inkomstenbelastingplichtigen moeten ontberen?

Indien een gunstige reorganisatiefaciliteit voor het bedrijfsleven wordt gecreëerd, is de regering in tijden van bezuinigingen dan bereid in ruil daarvoor de liquidatieverliesregeling1 af te schaffen? Zo neen, is de regering dan bereid het huidige wetsvoorstel in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever aan te passen? Zo neen, waarom niet?

In hoeverre zijn volgens de regering de voorgestelde artikelen 13ca en 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in overeenstemming met het Europees recht? Deze leden verzoeken de regering bij haar antwoord specifiek in te gaan op punt 3 van het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs van 30 september 2004 en – ten aanzien van artikel 13ca – het arrest Saint Gobain van het hof van Justitie der Europese Gemeenschappen.

De leden van de fractie van D66 staan positief tegenover het voorstel om artikel 12 Wet Vpb te laten vervallen. Artikel 12 is in het verleden ingevoerd om dubbele verliesverrekening tegen te gaan. In de praktijk bleek artikel 12 echter al snel het onbedoelde en onvoorziene effect te hebben van het bemoeilijken van schuldsaneringen van in zwaar weer geraakte (veelal jonge en innovatieve) ondernemingen. Artikel 12 zorgt hierdoor onbedoeld voor een verslechtering van het (kennisintensieve) ondernemingsklimaat. De leden van de D66-fractie vinden dit niet gewenst.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de temporisering van winstneming bij de creditrice tot het moment waarop de deelneming in waarde stijgt door middel van een nieuw in te voeren opwaarderingsreserve wordt geëffectueerd. Kan de regering aangeven waarom een geheel nieuw instrument aan het arsenaal is toegevoegd? Zijn er andere, eenvoudiger oplossingen te vinden? Ware het niet eenvoudiger geweest – analoog aan de systematiek van artikel 13bb en 13c – de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing te verklaren op positieve voordelen uit hoofde van de deelneming tot het bedrag van het afwaarderingsverlies? Of is een regeling, zoals artikel 28b kent, waarbij belastingplichtige jaarlijks de waardestijging van de deelneming tot de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming moet rekenen (tot het bedrag aan afwaardering) niet mogelijk?

En als de regering dan bezwaren ziet wat betreft strijdigheid met het EU-recht, gelden deze bezwaren dan ook niet voor de sanctiesystematiek van de artikelen 13bb en 13c?

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het algemene deel van de memorie van toelichting wordt gesteld dat de behandeling van het omzetten van afgewaardeerde vorderingen in de vennootschapsbelasting en in de aanmerkelijkbelangsfeer gelijk is. Deze leden hebben echter de indruk dat de voorgestelde regelingen voor beide heffingen niet geheel overeenstemmen. Zo is bijvoorbeeld in de inkomstenbelasting als regel een afrekening ineens voorgeschreven op het moment van omzetting, en in de vennootschapsbelasting niet. Kan de regering dit verschil in behandeling toelichten? En kan zij ook aangeven in welke andere opzichten de regeling voor de vennootschapsbelasting in het voorstel afwijkt van die voor de inkomstenbelasting? Waarop zijn die (eventuele) andere verschillen gebaseerd?

Overig1

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven of het de bedoeling is dat een stijging van de waarde in het economisch verkeer van een vennootschap er toe kan leiden dat zowel de opwaarderingsreserve vrijvalt ten laste van de winst, alsook de tijdelijke afwaarderingsverliesregeling moet worden terug genomen.

Kan de regering een reactie geven op het door de redactie van Vakstudie Nieuws benoemde artikel 13b-lek? Waarom heeft de regering het opnieuw indienen van dit voorstel niet aangegrepen om ook hier aandacht aan te besteden?

Kan de regering een reactie geven op de suggestie van de redactie van Vakstudie Nieuws om voor de correctie van het afwaarderingsverlies bij voeging van een dochtermaatschappij/debitrice tot een fiscale eenheid eveneens de correctie bij de creditrice te laten plaatsvinden?

De leden van de fractie van de PvdA hebben met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel enige vragen over een aantal onduidelijkheden en situaties waarin mogelijk sprake kan zijn van dubbele belastingheffing dan wel van het ten onrechte achterwege blijven van belastingheffing. Voor deze vragen verwijzen deze leden naar de aan de vaste commissie voor Financiën aangeboden commentaren van VNO-NCW d.d. 20 september 2004 (Fin0 400 428), van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) d.d. 30 september 2004 (Fin0 400 455) en van Versatel Telecom International N.V. d.d. 20 september 2004 (Fin0 400 437). Zij verzoeken de regering om een reactie op deze commentaren. Voorts verzoeken deze leden aandacht te schenken aan het door mr. drs. A.C.P. Bobeldijk van PriceWaterhouseCoopers 16 september 2004 toegezonden artikel «Het herzien wetsvoorstel inzake afgewaardeerde vorderingen: eind goed, al goed?» (Fin0 400 420) en het commentaar op het wetvoorstel in Vakstudie Nieuws nr. 36 van 28 juli 2004.

Ook de leden van de VVD-fractie ontvangen graag van de regering een gemotiveerde reactie op het commentaar van de NOB op dit wetsvoorstel.

Aanpassingen in de regeling voor tijdelijke afwaarderingsverliezen op deelnemingen

De leden van de CDA-fractie hebben eveneens met belangstelling kennisgenomen van de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen. Wat is de reden van een betrekkelijk laat invoeren van deze maatregelen? Temeer daar problematiek waarop deze wijzigingen zien in de literatuur al een aantal jaren geleden aan de orde geweest is.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel E (artikel 13ba van de Wet Vpb)

Kern van de nieuw gekozen systematiek wordt artikel 13ba, aldus de leden van de CDA-fractie. In dit artikel wordt aangegeven wat de fiscale gevolgen zullen zijn van de omzetting van een afgewaardeerde vordering en bovendien wordt in ditzelfde artikel aangegeven wat de fiscale consequenties zijn van een stijging van de actuele waarde van de ontstane deelneming. Kan de regering aangeven of het vervreemden van de afgewaardeerde vordering door uitgifte van rechten op aandelen ook kan leiden tot de sanctiebepaling van artikel 13ba?

Kan de regering aangeven waarom een vennootschap verplicht het bedrag aan de opwaarderingsreserve dient te doteren ter grootte van de eerdere gepleegde afwaardering, terwijl een natuurlijk persoon op wie het nieuwe artikel 3.98a van toepassing is ook voor directe afrekening mag kiezen?

De temporisering van winstneming bij de creditrice tot het moment waarop de deelneming in waarde stijgt wordt door middel van een nieuw in te voeren opwaarderingsreserve geëffectueerd. Kan het regering aangeven waarom ervoor gekozen is om de opwaarderingsreserve te integreren in het voorgestelde artikel 13ba? Ware het niet eenvoudiger voor een dergelijk nieuw instrument een apart artikel te kiezen?

De opwaarderingsreserve valt vrij met het verschil tussen actuele waarde van de deelneming en de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de omzetting. Onder de actuele waarde in het economisch verkeer wordt verstaan de waarde aan het eind van het boekjaar. Waarom is dit niet in de wettekst opgenomen?

Indien de oorspronkelijk schuldenaar aan een derde wordt vervreemd, valt de opwaarderingsreserve onbelast vrij. Als slechts een gedeelte van de deelneming vervreemd wordt, schuift het corresponderende deel van de opwaarderingsreserve door naar de overige aandelen. Zou het niet meer in de rede liggen als dit corresponderende deel onbelast vrij zou vallen?

Kan het regering aangeven of valutakoerswijzigingen, welke de waarde economisch verkeer van de deelneming beïnvloeden, ook de vrijval van de opwaarderingsreserve tot gevolg kunnen hebben?

Verscheidene auteurs – zo vervolgen de leden van de CDA-fractie – wijzen op de samenloop van deze regelingen voor omzetting van afgewaardeerde vorderingen met fusie, danwel splitsing. Kan de regering de gevolgen van een dergelijke actie in samenhang met de voorgestelde regelingen met betrekking tot omzetting van afgewaardeerde vorderingen toelichten?

Kan het voorkomen dat binnen een concern tweemaal een opwaarderingsreserve vrijvalt ter grootte van de waardestijging van de voormalig schuldenaar, omdat binnen dit concern een tweetal een afgewaardeerde vorderingen zijn omgezet? Is dit proportioneel als men bedenkt dat indien deze vorderingen niet zouden zijn omgezet, ieder van de twee vorderingen slechts voor de helft zou moeten zijn opgewaardeerd? Is de maatregel die de regering in dit wetsvoorstel om deze reden neemt voldoende? Kan de regering ingaan op de suggestie om hiervoor een pro-rata benadering toe te passen?

Het is de vraag of het zevende en achtste lid van artikel 13ba voldoende ingekaderd zijn om belastingvrije realisatie van de opwaarderingsreserve te voorkomen, zo stelt de redactie van Vakstudie Nieuws in hun commentaar op het oorspronkelijk wetsvoorstel. De leden van de fractie van het CDA verzoeken hierop een reactie van de regering.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering aan te geven hoe de voorgestelde regeling uitwerkt indien de schuldeiser niet of niet langer in Nederland woont of gevestigd is. Onder welke omstandigheden kan dan het bedrag van de waardedaling van de vordering na de omzetting daarvan in de Nederlandse heffing worden betrokken?

De leden van de VVD-fractie vragen of de vrijval van de opwaarderingsreserve op grond van artikel 13ba ook kan worden belast voor zover met betrekking tot de (omzetting van de) schuldvordering of de waardestijging van deelneming reeds een andere staat een bedrag tot de winst van de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam heeft gerekend? Zo ja, hoe kan dan dubbele belasting worden voorkomen?

Wat gebeurt er bij de crediteur wanneer de deelneming aanvankelijk in waarde is gestegen, waardoor de opwaarderingreserve gedeeltelijk is vrijgevallen, en de deelneming vervolgens weer (evenveel) in waarde daalt? Kan de deelneming dan weer worden afgewaardeerd? Zo niet, is dat dan niet onevenwichtig ten opzichte van situaties waarin de deelneming steeds dezelfde waarde houdt?

Hoe werkt het voorgestelde artikel 13ba uit indien de schuldeiser een omvangrijk belang heeft of krijgt in de debiteur van de afgewaardeerde vordering, maar ten aanzien van dit belang geen beroep kan doen op de deelnemingsvrijstelling? Geldt artikel 13ba dan niet, en kan dan winstneming dan worden uitgesteld totdat de winst door dividenduitkering of verkoop van de aandelen wordt gerealiseerd?

Het voorgestelde vierde lid van artikel 13ba maakt dat de schuldeiser het toerekenen van een bedrag ter grootte van de afwaardering tot de winst achterwege mag laten, indien de schuldenaar wordt betrokken «in de heffing van een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is», aldus de leden van de CDA-fractie. Waarom ziet dit vierde lid slechts nog op «geheel of gedeeltelijk prijsgeven» en niet meer op alle «besmette» handelingen, zoals dit onder het oude tweede lid nog wel het geval was? Kan de regering ingaan op de stelling in de fiscale literatuur dat een dergelijke onderworpenheidseis strijdig zou zijn met EG-recht?

Naar aanleiding van het vierde lid van het voorgestelde artikel 13ba zouden de leden van de VVD-fractie graag van de regering willen weten of deze bepaling wel in overeenstemming is met het EG-recht, zoals door het Hof van Justitie geïnterpreteerd in het arrest-Eurowings. Kan Nederland hier wel een beroep doen op voorkoming van misbruik, nu niet per definitie sprake zal zijn van volstrekt kunstmatige constructies die bedoeld zijn om de belastingwetgeving te omzeilen?

Artikel I, onderdeel F (artikel 13bb van de Wet Vpb)

Hoe beoordeelt de regering de stelling van de redactie van Vakstudie Nieuws dat hybride leningen ex artikel 10, lid 1, onderdeel d, niet onder de terbeschikkingstellingsregelingen in box 1 dienen te vallen, maar in box 2 dienen te worden opgenomen, zo vragen de leden van de fractie van het CDA.

De toelichting op de wijziging van artikel 13bb stelt dat het huidige artikel 13bb slechts ziet op de situatie dat een hybride schuldvordering wordt afgewaardeerd, zo merken de leden van de VVD-fractie op. In verband daarmee wil de regering de reikwijdte in artikel 13ba, tweede lid, onderdeel a, verduidelijken. Kan de regering aangeven wat de reikwijdte van deze bepaling naar huidig recht is, en zo ja, of de wetswijziging tot een materiële wijziging leidt? Zo ja, wat is dan het overgangsrecht?

Artikel I, onderdeel G (artikel 13ca van de Wet Vpb)

In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat onder de huidige wetstekst bij letterlijke lezing de vijfjaarstermijn opnieuw begint te lopen bij verhanging binnen concern, aldus de leden van de VVD-fractie. Vervolgens vermeldt de toelichting dat de tweede volzin van het voorgestelde nieuwe tweede lid de aanvang van de vijfjaarstermijn in voorkomende gevallen vervroegt. Ook vermeldt de toelichting dat het beginpunt van de vijfjaarsperiode niet meer automatisch het nieuwe verwervingstijdstip is. Kan op grond hiervan worden aangenomen dat onder de huidige wetgeving de letterlijke lezing een juiste interpretatie van het geldende recht is?

De memorie van toelichting spreekt over onduidelijkheid ten aanzien van het tot vierde lid te vernummeren huidige derde lid, in verband waarmee de regering buiten twijfel wil stellen dat de daar beschreven opzetjes hun doel niet bereiken. Wat zijn de gevolgen van dergelijke opzetjes onder de huidige wetgeving? Moet de huidige wet naar de letter worden uitgelegd, en zo niet welke interpretatiemethode dient dan te worden gevolgd?

De voorgestelde nieuwe volzin van het tot vijfde lid vernummerde lid 4 schrijft een evenredigheidsbenadering voor. Welke benadering dient onder de huidige wetgeving te worden gevolgd?

De voorgestelde aanvulling van het tot zesde lid vernummerde lid 5 dient volgens de memorie van toelichting omdat twijfel kan bestaan over de interpretatie van de huidige wettekst. Welke interpretatie staat de regering naar huidig recht voor, en op grond van welke interpretatiemethode?

Artikel I, onderdeel H (artikel 13d van de Wet Vpb)

Met het voorgestelde artikel 13d wordt de pakketbenadering onmogelijk gemaakt. Kan de regering aangeven wat onder de huidige wetgeving de benadering dient te zijn? Indien sprake is van een materiële wijziging van het recht, wat is dan het overgangsrecht, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Artikel IV

De eerder in dit verslag gestelde vragen van de leden van de VVD-fractie naar aanleiding van aanpassingen in artikel 13ca zijn ook relevant met het oog op de overgangsbepaling van artikel IV. In de toelichting op dat artikel staat dat de wijzigingen van artikel 13ca voor een deel verduidelijkingen zijn die geen wijzigingen aanbrengen in het toepassingsbereik van deze bepaling. Kan de regering exact aangeven om welke verduidelijkingen het gaat en in welke opzichten er wel sprake is van een wijziging van het geldende recht? Welk overgangsrecht zal gelden in het geval de rechter het huidige artikel 13ca niet uitlegt op de wijze die de regering thans ter verduidelijking in de wet wil vastleggen?

Kan de regering ingaan op de overgangsregeling van artikel IV voor reeds bestaande artikel 13ca-deelnemingen in gevallen waarin de deelneming geen deel meer uitmaakt van het vermogen van de moedermaatschappij als gevolg van een verhanging binnen fiscale eenheid gevolgd door ontvoeging van die eenheid? Kan artikel IV dan worden toegepast indien de ontvoeging zich reeds voor inwerkingtreding van de nieuwe regeling heeft voorgedaan, en het afwaarderingverlies daardoor reeds definitief is geworden?

Artikel V

«Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.» Begrijpen de leden van de CDA-fractie het goed dat per deze datum de wet van toepassing wordt? Kan de regering in dat geval aangeven welke systematiek voor belastingplichtigen geldt wanneer deze datum niet gelijk valt met de wisseling van kalenderjaar? Kan de regering bovendien ingaan op het voorbeeld door VNO-NCW geschetst op bladzijde twee en drie van haar commentaar van 2 februari 2004 (Fin0400054)1 met betrekking tot de samenloop van oude en nieuwe systematiek?

Met het voorstel wordt de wettelijke regeling gerepareerd. Zij krijgt nu de vorm die zij reeds in 2001 had kunnen krijgen. Het besef dat de huidige regeling een bedrijfseconomisch ongewenste werking had en daarnaast tot forse overkill kon leiden, was reeds van stond af aan bij velen aanwezig. Onder die omstandigheden vragen de leden van de CDA-fractie zich af, of het niet gerechtvaardigd zou zijn, dat het wetsvoorstel wordt voorzien van een aanvullende regeling waarmee voor die ondernemingen die in de afgelopen periode noodgedwongen met de toepassing van artikel 12 zijn geconfronteerd, het nadeel dat zij in vergelijking met de situatie voor 2001 respectievelijk die na 2004 hebben geleden, wordt weggenomen. In dit licht hebben de leden van de CDA-fractie met belangstelling kennisgenomen van de brief van VNO-NCW van 20 september 2004 (Fin0 400 428), waarin een voorstel voor een dergelijke regeling wordt gedaan. Zij zouden zich dan ook kunnen vinden in een regeling waarin de toepassing van artikel 12 alsnog ongedaan wordt gemaakt doch dubbele verliesneming wordt voorkomen door uitsluiting van het bedrag dat ter zake van de omgezette vordering door schuldeisers ten laste van de Nederlandse belastinggrondslag is gebracht.

Het geven van (materieel) terugwerkende kracht aan fiscale wetswijzigingen heeft zich in het verleden een aantal malen voorgedaan (bijvoorbeeld: artikel 3.20 IB (privé gebruik bestelauto), artikel 8.13 IB (aanvullende kinderkorting), artikel 15 Wet Vpb in relatie tot de 16e standaardvoorwaarde, de afschaffing van artikel 53b (buitenlandertarief)).

De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat door het herstellen van deze onbillijkheid een gunstig signaal zou worden afgegeven voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat. De mogelijkheid dat artikel 12 in strijd is met EG-recht is een aantal malen gesignaleerd in de literatuur (zie o.a. G.H. de Soeten in Wfr 6478 en D.M. Weber in Wfr 6591). Dit kan naar de mening van de leden van de CDA-fractie mede een argument vormen om tot de aanvulling over te gaan.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of hardheidsclausulebeleid voor de groep van ondernemingen die een herstructurering hebben moeten invoeren in de periode van inwerkingtreding van artikel 12, nadrukkelijk geboden is. Zij bepleiten daarom het -onder voorwaarden- geven van terugwerkende kracht aan het voorliggende wetsvoorstel. Zonder terugwerkende kracht ontstaan er volgens de leden van deze fractie rechtsongelijkheid tussen de ondernemingen die voor 2001 hun financiële herstructurering regelden, respectievelijk na 2004 regelen, aan de ene kant en de ondernemingen, die in de tussenliggende 4 jaren tot schuldsanering moesten overgaan, aan de andere kant. De ratio achter de invoering van artikel 12 in 2001 was het tegengaan van dubbele verliesverrekening van in Nederland belastingplichtige (institutionele) beleggers. Bij het geven van terugwerkende kracht aan het voorliggende wetsvoorstel kan het verzwarende element van het vervallen van artikel 12 volgens de leden van de VVD-fractie echter moeilijk bij de betrokken Nederlandse schuldeisers worden gerealiseerd. Deze leden kunnen zich daarom goed vinden in het voorstel van VNO-NCW in hun brief aan de Tweede Kamer (Fin 0400428) om «de conversiewinst met terugwerkende kracht vrij te stellen naar rato dat schuldeisers hun vordering niet ten laste van de Nederlandse belastinggrondslag hebben afgewaardeerd. Dit is het geval bij buitenlandse en particulieren beleggers.» De leden van de VVD-fractie vernemen graag de reactie van de regering op dit voorstel.

De leden van de VVD-fractie menen dat de herleving van de verliezen daarmee gekoppeld wordt aan de voorwaarde dat de schuldeisers in het buitenland gezeteld zijn of particulieren zijn. Daarmee wordt volgens deze leden de conversiewinst vrijgesteld indien en voorzover de desbetreffende schuldvorderingen niet ten laste van de Nederlandse belastinggrondslag zijn afgewaardeerd. Er is dan geen fiscaal voordeel genoten en de Staat heeft geen fiscale schade opgelopen.

De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom de wetswijziging niet met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Artikel 12 heeft al met al maar gedurende een korte periode – 4 jaar – bestaan. Ook deze leden vragen of er hierdoor geen rechtsongelijkheid ontstaat tussen partijen die voor 2001 en na inwerking van het wetsvoorstel tot schuldsanering zijn respectievelijk zullen overgegaan en bedrijven die in de tussenliggende periode tot schuldsanering moesten overgaan? Zij verzoeken de regering hierop te reageren.

In dit licht vragen de leden van de D66-fractie ook om in te gaan om het voorstel van de VNO-NCW van 20 september 2004 (Fin0400428) om in ieder geval de conversiewinst die onder het huidige artikel 12 Wet Vpb bij de schuldenaar in aanmerking is genomen met terugwerkende kracht ongedaan te maken indien en voorzover schuldeisers hun vordering niet ten laste van Nederlandse belastinggrondslag hebben afgewaardeerd. Dit is het geval bij buitenlandse en particuliere beleggers. In deze situatie is geen onrechtvaardig voordeel genoten en heeft de staat geen fiscale schade geleden.

De voorzitter van de commissie,

Tichelaar

De griffier van de commissie,

Berck


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Ondervoorzitter, Smits (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Tichelaar (PvdA), Voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Koomen (CDA), Fierens (PvdA), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Heemskerk (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD) en Van Egerschot (VVD).

Plv. leden: Rouvoet (CU), Koenders (PvdA), Dittrich (D66), Balemans (VVD), Kortenhorst (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Duyvendak (GL), Van Gent (GL), De Ruiter (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Omtzigt (CDA), Eerdmans (LPF), Noorman-den Uyl (PvdA), Mosterd (CDA), Van Bommel (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), Rambocus (CDA), Stuurman (PvdA), Luchtenveld (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Vries (VVD) en Van Beek (VVD).

XNoot
1

Artikelen 13d, 13e en 13f van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

XNoot
1

De in dit onderdeel van het verslag genoemde commentaren zijn ter beschikking gesteld aan de staatssecretaris van Financiën.

XNoot
1

Dit commentaar is ter beschikking gesteld aan de staatssecretaris van Financiën.

Naar boven