Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Op 9 juli jl. heeft het Werelderfgoedcomité van Unesco een State of Conservation (hierna:
SoC) voor Waddenzee Werelderfgoed vastgesteld. In dit besluit komt een aantal zorgen
en verzoeken betreffende Unesco Werelderfgoed Waddenzee aan bod. Unesco verzoekt Nederland,
Duitsland en Denemarken om uiterlijk 1 februari 2026 te reageren op deze zorgen. Met
het oog op het Commissiedebat Wadden op 12 februari 2026 is Unesco geïnformeerd dat
de reactie uiterlijk 15 februari 2026 wordt verstuurd. Hierbij informeer ik u over
de conceptreactie, conform mijn toezegging aan uw Kamer (TZ202409-031).
Het Werelderfgoedcomité spreekt in de SoC haar zorgen uit over de trage voortgang
van de strategische plan-MER en herhaalt dat milieueffect rapportages noodzakelijk
zijn bij projecten met mogelijke impact op de Waddenzee. Het Werelderfgoedcomité herhaalt
dat de gaswinning vanaf Ternaard niet past bij de Werelderfgoedstatus.
Nieuw in deze SoC is dat Unesco de drie landen verzoekt om een bufferzone in te stellen
voor het Werelderfgoed. Dit gaat dan om een gebied rondom de Waddenzee waar extra
regels zouden moeten gaan gelden om de Uitzonderlijke Universele Waarde (OUV) te beschermen.
Unesco verzoekt ook om informatie over het Programma aanlanding Wind op zee (hierna:
«Door de Wind»). Op 26 februari 2025 is Unesco geïnformeerd over de Heritage impact
assessment voor Door de Wind. Op 21 januari 2026 is Unesco geïnformeerd over de huidige
stand van zaken met betrekking tot Door de Wind.
De kernverplichting van het Unesco Werelderfgoedverdrag is de instandhouding van de
OUV. Het Nederlandse beleid is dat er in en rond werelderfgoederen ruimte moet zijn
om in samenhang met behoud van de OUV activiteiten zoals aanlanding van kabels, (garnalen)visserij
en bereikbaarheid te laten plaatsvinden.
De SoC is de eerste (proces)stap als er sprake zou zijn van een bedreiging van de
OUV van het Werelderfgoed. Als blijkt dat de OUV te veel is aangetast, kan dat uiteindelijk
leiden tot het verlies van de status van Werelderfgoed. De Waddenzee is nog verschillende
processtappen verwijderd van een eventueel verlies van de status van Werelderfgoed.
Wel heeft het Unesco Werelderfgoedcomité de afgelopen drie jaren een SoC voor de Waddenzee
vastgesteld. Het comité heeft in de laatste SoC geen stappen gezet die een mogelijk
verlies van de status dichterbij kunnen brengen, zoals bijvoorbeeld het sturen van
een missie.
De SoC bouwt voort op onze reactie van vorig jaar die ik u op 28 januari 2025 heb
toegestuurd (Kamerstuk 32 725, nr. 6). Met Duitsland en Denemarken werk ik aan een strategische milieueffectrapportage
(plan-MER) om inzicht te krijgen in cumulatieve effecten van activiteiten in de Waddenzee.
De verwachting is dat deze in 2027 gereed is. Over de voortgang bent u op 2 oktober
jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 467).
Op verschillende aspecten is positieve voortgang te benoemen. Binnen Nederland werken
we, conform afspraken in de Agenda voor het Waddengebied 2050, verder aan een nieuwe
balans tussen ecologie en economie, rekening houdend met het multifunctionele gebruik,
middels onder andere het Beleidskader Natuur Waddenzee. Voor Ternaard geldt dat de
Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) een overeenkomst met NAM en Exxon Mobil
heeft gesloten om geen gas te winnen vanaf Ternaard. Hierover bent u op 18 november
jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 529 / 29 684, nr. 1345).
Wat betreft de bufferzone zijn de drie landen van mening dat een bufferzone geen meerwaarde
heeft ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving. Extra regels stuiten ook op
veel weerstand bij de andere overheden. Voor Nederland geldt dat, met inwerkingtreding
van de Omgevingswet, initiatiefnemers en bevoegde gezagen de impact op de OUV moeten
meenemen in de beoordeling van activiteiten. Verder wordt de bescherming van de OUV
ook expliciet geregeld in de omgevingsplannen.
In de bijlage vindt u de volledige conceptreactie richting Unesco. Denemarken zal
namens de drie landen de definitieve reactie indienen.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie