29 683
Dierziektebeleid

nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 maart 2005

Hierbij ontvangt u mijn reactie op het rapport «Naar een veestapel met meer natuurlijke weerstand».

Het InnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster is een organisatie die is ingesteld door het kabinet om grensverleggende vernieuwingen in de landbouw en op het platteland te agenderen en te initiëren. Vanuit deze taakstelling heeft het InnovatieNetwerk opdracht verleend aan de Animal Sciences Group (ASG) van Wageningen UR en het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) om een eerste verkenning uit te voeren naar mogelijkheden om het huidige dierziektenbeleid te versterken. Het doel hiervan is het genereren van debat, het aanzetten tot ontwikkeling van nieuwe kennis en het stimuleren van initiatieven in praktijk en beleid.

Rapport

In het rapport «Naar een veestapel met meer natuurlijke weerstand» van ASG en CLM wordt een beeld geschetst van een meer robuuste veehouderij, waarin dieren beter bestand zijn tegen veranderingen in de omgeving, met een versterking van de natuurlijke weerstand. Daartoe zouden andere dierhouderijsystemen en productieketens moeten worden ontwikkeld die uitgaan van het versterken van het eigen vermogen van dieren om weerstand te bieden aan ziekten. Het rapport geeft aan waarom een dergelijke benadering noodzakelijk én kansrijk is.

Het rapport bevat een aantal interessante gedachten. Zo legt het rapport de nadruk op preventie. Verder spreekt het rapport van een paradigmaverschuiving, daarmee doelend op de sterke nadruk die op hygiëne wordt gelegd. Kiemen zouden onder bepaalde omstandigheden niet langer een bedreiging vormen, maar een bondgenoot zijn in de strijd tegen dierziekten. Ook wijst het rapport op de rol van genetische selectie.

Reactie

Ik sta sympathiek tegenover een aantal gedachten in het rapport, die zeker aandacht behoeven. Zoals de suggestie om een immunoloog te benoemen in de Raad voor Dierenaangelegenheden. Er is, zoals het rapport ook stelt, reeds een aantal onderzoeksprojecten gericht op een meer robuuste veehouderij, zoals de invloed van voeding en houderij op de weerstand van de dieren.

Toch dient ten aanzien van het rapport ook enige nuancering en relativering aangebracht te worden, met name op het gebied van de besmettelijke dierziekten, en moet de verwachting realistisch blijven.

Aangaande de verhoging van de natuurlijke weerstand tegen besmettelijke dierziekten worden twee mechanismen in het rapport genoemd:

– Verbetering van de weerstand tegen ziekten door goede houderijomstandigheden en voeding; deze weerstand kan de ernst bepalen waarmee de ziekte verloopt, maar deze weerstand beschermt niet tegen een infectie met zeer besmettelijke dierziekten, zoals mond- en klauwzeer, varkenspest en Aviaire Influenza. De koppeling die het rapport legt met de voormalige OIE-lijst-A-ziekten is niet onderbouwd;

– Genetische weerstand: het niet vatbaar zijn voor een ziekte (= genetische resistentie). Een verminderde vatbaarheid of het onvatbaar zijn voor een ziekte is slechts aangetoond bij een beperkt aantal ziekten. Tot dusverre heeft dit alleen voor de ziekte scrapie bij schapen geleid tot een bestrijdingsaanpak in de praktijk. Deze aanpak is vernieuwend en de resultaten worden nauwgezet gevolgd.

Voorts dient gerealiseerd te worden dat het vergroten van de genetische selectie mogelijk pas op langere termijn vruchten zal afwerpen. Overigens is het de vraag of het selecteren op weerstand tegen bepaalde besmettelijke dierziekten ooit vruchten zal afwerpen. Ook is het ontwerpen van nieuwe robuuste veehouderijsystemen, waarbij het benutten en versterken van de natuurlijke weerstand van de dieren centraal staat, geen zaak van korte termijn.

Ik deel niet de mening dat het huidige dierziektebeleid zou zijn vastgelopen. Wel heb ik eerder aangegeven dat ik in de toekomst beter gebruik wil maken van de mogelijkheden die vaccinatie biedt, met name in het kader van het beteugelen van uitbraken van bestrijdingsplichtige ziekten.

Gelet op het feit dat Nederland vrij is van een aantal dierziektes en er grote belangen mee zijn gemoeid deze vrijstatus te behouden, blijft een strikte hygiëne van essentieel belang. Dit geldt zowel op bedrijfsniveau als op sectorniveau.

Ik zal de aanbevelingen van dit rapport overigens betrekken bij de programmering van het diergeneeskundig en immunologisch onderzoek. Dit zal ik met de voorzitter van de Raad voor Dieraangelegenheden opnemen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Naar boven