Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 29675 nr. 41 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2007-2008 | 29675 nr. 41 |
Vastgesteld 21 april 2008
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 en de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat2 hebben op 27 maart 2008 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:
– de brief van de minister van LNV d.d. 20 februari 2008 met de beleidslijn MZI’s en ter aanbieding van het evaluatierapport Perspectieven voor mosselzaadinvang (MZI) in de kustwateren (29 684, nr. 65);
– de brief van de minister van LNV d.d. 3 maart 2008 met haar reactie op de uitspraak van de Raad van State inzake de vergunningverlening aan de mosselvisserij in de Waddenzee (29 675, nr. 30);
– de brief van de minister van LNV d.d. 11 maart 2008 met aanvullende informatie betreffende de uitspraak van de Raad van State over de mosselsector (29 675, nr. 31).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand samenvattend verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Koppejan (CDA) stelt vast dat de uitspraak van de Raad van State grote gevolgen heeft voor de toekomst van de mosselvisserij en daarmee voor de werkgelegenheid van veel mensen. De politiek heeft in het verleden toezeggingen gedaan en moet daarom alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat mosselvisserij toekomst heeft, ook op de Waddenzee. Er moet een duurzamer vorm van visserij komen, maar de mosselvisserij moet in de tussentijd wel kunnen doorgaan. De mosselsector en de natuurbeschermingsorganisaties zouden een juridische wapenstilstand moeten sluiten.
– De minister moet het volgende doen: op korte termijn:
– in 2008 een vergunning verlenen voor de voorjaarsvisserij, zodat het onderzoek kan worden geïntensiveerd;
– een vergunning verlenen voor de reguliere najaarsvisserij in 2008;
– een juridisch houdbare vergunning afgeven voor de volgende jaren;
– in overleg met de mosselsector versneld de maatregelen uitvoeren die bijdragen aan duurzame visserij;
– haast maken met het definiëren van habitattypen en hun natuurlijke staat van instandhouding in de Waddenzee;
– het aanstellen van onafhankelijke adviseurs; op middellange termijn:
– het aanwijzingsbesluit en het beheerplan voor de Waddenzee vaststellen;
– in het kader van de evaluatie de Vogel- en Habitatrichtlijn aanpassen.
Mevrouw Jacobi (PvdA) wil dat het ministerie, de natuurbeschermingsorganisaties en de mosselvisserij gezamenlijk tot een werkbare oplossing komen. Het is daarom positief dat de minister alle partijen aan tafel heeft gekregen. Er moet snel duidelijkheid komen over wat de gevolgen zijn van de uitspraak van de Raad van State.
– Kan het project onderzoek duurzame schelpdiercultuur (PRODUS) worden geïntensiveerd? Dit is nodig om voldoende betrouwbare gegevens te verzamelen.
– Welke route zou «kwartiermaker» Heldoorn met de mosselsector en ngo’s moeten volgen? De minister moet daar leiding aan geven en de Kamer goed informeren over onder andere keuzes en deadlines.
– Hoe gaat het ministerie de biodiversiteit in de Waddenzee in beeld brengen? Is er een duidelijk eindbeeld in het licht van de dynamiek in de Waddenzee?
– Wil de minister het Visserij Innovatie Platform (VIP) intensiveren? Dit is belangrijk voor de verduurzaming van de (mossel)visserij (in de Waddenzee).
– Komt er nog dit jaar een beheerplan voor de Waddenzee?
De heer Van der Vlies (SGP) betoogt dat de boterham van 3500 huishoudens en een stukje Nederlandse cultuur op het spel staan door de uitspraak van de Raad van State. De sector heeft geïnvesteerd in verduurzaming van de vismethoden. De minister moet zich daarom houden aan de belofte om tot 2020 ruimte te bieden aan de mosselvisserij. De overheid moet de hand in eigen boezem steken, omdat zij onvoldoende heeft beseft wat de gevolgen zijn van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de aanwijzing van Natura 2000-gebieden.
– Verwacht de minister dat het ooit mogelijk wordt om een juridisch houdbare invulling te geven aan het voorzorgsprincipe en concrete afgebakende instandhoudingsdoelstellingen te formuleren voor een dynamisch ecosysteem als habitattype H1110?
– Wanneer moet de definitieve aanwijzing van Natura 2000-gebieden gereed zijn?
– In hoeverre is de voorgestelde precisering afhankelijk van lopend onderzoek?
– Hoe gaan andere EU-lidstaten om met de invulling van instandhoudingsdoelstellingen?
– Kunnen de problemen op Europees niveau worden opgelost?
– Door slechte zaadval loopt PRODUS achter op schema en het is lastig om wetenschappers op één lijn te krijgen. Is het in dat licht reëel om te veronderstellen dat in 2009 een vergunning kan worden verleend?
– Hoe kan de minister garanderen dat de mosselsector overleeft in de periode tot een houdbare vergunning? Is zij bereid om deze periode financieel te overbruggen?
– Verwacht de minister dat de natuurbeschermingsorganisaties en de mosselsector tot afspraken over het beleid kunnen komen?
Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD) vraagt naar de stand van zaken bij de aanvragen voor MZI’s. Worden aanvragen voor de Noordzee toegekend? MZI’s kunnen de mosselsector in de toekomst nieuwe mogelijkheden bieden.
– De overheid moet de belofte nakomen dat de mosselsector tot 2020 de tijd krijgt voor verduurzaming.
– Landen als Frankrijk gaan uit van «bestaand gebruik». Waarom kan dit principe niet worden toegepast op de mosselsector in de Waddenzee?
– Ziet de minister, in het licht van de uitspraak van de Raad van State, mogelijkheden om een nieuwe vergunning af te geven? Zo nee, verwacht zij dan in de herfst een vergunning te kunnen verlenen?
– Kan het aanwijzingsbesluit inzake habitattype H1110 worden heroverwogen?
– De regering moet zich actief opstellen tijdens de Europese evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn.
De heer Graus (PVV) vindt het onacceptabel dat de mosselsector te gronde wordt gericht door Europese regels en activistische natuurbeschermingsorganisaties. Waarom moeten de mosselvissers bewijzen dat zij de natuur niet schaden? Deze harde werkers dragen al eeuwenlang bij aan de Nederlandse cultuur, tradities en voedselvoorziening.
– De minister mag zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Raad van State. Zij behoort niet te buigen voor de linkse milieu- en natuuractivisten die de mosselsector om zeep helpen.
– De huidige onderzoeken kosten alleen maar veel geld en bieden geen zekerheid. Waarom wordt niet onderzocht wat er zou gebeuren met het ecosysteem als er geen mosselvissers meer waren?
– Mosselvissers die veel hebben geïnvesteerd in duurzaamheid, dreigen het slachtoffer te worden van natuuractivisten doordat zij hun investeringen niet kunnen terugverdienen.
De heer Polderman (SP) pleit voor behoud van de Zeeuwse mosselvisserij. Daarbij moet wel een evenwicht worden gevonden tussen economie en ecologie. Het telen van mosselen staat in Nederland op een ongekend hoog niveau. Het zou triest zijn als deze sector verdwijnt.
– In hoeverre is de Waddenzee «natuur»? Met bijvoorbeeld het aanleggen van de Afsluitdijk heeft de mens al zwaar ingegrepen. In dat licht moet worden beoordeeld of de mosselvisserij bijdraagt aan het beheer van het gebied.
– De doelenformulering in het kader van Natura 2000 is erg statisch; een onderschatting van de dynamiek van de natuur in een gebied als de Waddenzee.
– Hoe wil de minister komen tot een wetenschappelijke, maatschappelijk verantwoorde onderbouwing voor een houdbare vergunning in 2009?
– Kan er een bemiddelingscommissie worden ingesteld onder leiding van een deskundige met gezag?
– Ziet de minister iets in een tijdelijke regeling op basis van het aanscherpen van habitattype H1110 en het zoeken van draagvlak bij wetenschap, natuurbeschermingsorganisaties en visserij?
De heer Cramer (ChristenUnie) betoogt dat de ontstane onzekerheid de beoogde verduurzaming in de mosselsector bemoeilijkt. De minister lijkt de zaken onvoldoende op orde te hebben. Het zoeken naar oplossingen is overgelaten aan de stakeholders, zonder actieve sturing door de overheid; de minister heeft zich te reactief opgesteld. De betrokken partijen moet naast elkaar gaan staan in plaats van tegenover elkaar.
– De overheid had beter moeten laten onderbouwen dat de mosselzaadvisserij geen schade toebrengt aan de natuur en er juist goed mee samengaat. Een vergunning maakt meer kans met een goede wetenschappelijke onderbouwing.
– Hoe gaan landen als Duitsland en Denemarken om met de natuurbescherming in de Waddenzee?
– Kunnen er wel natuurdoelen worden vastgelegd voor de Waddenzee? Duidelijk moet worden wat het ecosysteem aankan en welke randvoorwaarden moeten worden gesteld.
– De minister moet de initiatieven voor verduurzaming ondersteunen. Wat houdt verduurzaming voor haar in?
– Welke mogelijkheden biedt de vergunningverlening voor wetenschappelijke doeleinden? Worden de kwaliteit en de voortgang van het onderzoek gewaarborgd? Wordt overwogen om het bevissingsgebied te verruimen?
Mevrouw Ouwehand (PvdD) beklemtoont dat het Waddengebied een natuurgebied is met een uniek ecosysteem, en dus geen particulier viswater. Het draagvlak van het ecosysteem moet het uitgangspunt vormen bij de vraag of economische activiteiten mogelijk zijn. Het voorzorgprincipe vereist dat de natuurwaarden worden beschermd.
– De juridische procedures zijn te wijten aan het ministerie, dat een vergunning verstrekte zonder dit goed te onderbouwen.
– Er moet nog veel onderzoek worden gedaan voordat duidelijk is wat nodig is om mosselbanken duurzaam te beschermen en beheren. Op korte termijn mogen daarom geen vergunningen worden verleend voor het oogsten van mosselzaad.
– Het ministerie heeft de mosselsector te lang in onzekerheid gelaten. De overheid moet daarom haar verantwoordelijkheid nemen voor een warme sanering.
De minister kan zich vinden in het pleidooi van de woordvoerders voor zorgvuldige en houdbare oplossingen op korte en lange termijn. Er moet een evenwicht worden gevonden tussen het behoud van de Waddenzee als natuurgebied en de belangen van de mosselsector; dit vereist commitment van de betrokken partijen. De uitspraak van de Raad van State is hard aangekomen, bij de mosselsector maar ook bij het ministerie van LNV. Het is belangrijk dat de betrokken partijen om de tafel gaan zitten om een weg te vinden naar een duurzame toekomst. Zowel de mosselcultuur als de natuur in de Waddenzee is van nationaal belang; beide moeten worden doorgegeven aan volgende generaties.
– Deskundigen van het ministerie vullen de natuurdoelen voor het habitattype H1110 in, waarbij zij rekening houden met de dynamiek van het systeem.
– Het streven is om PRODUS te verdiepen, te verbreden en te versterken, zodat er meer betrouwbare informatie beschikbaar komt. De mosselsector en de natuurorganisaties is gevraagd om een ecoloog toe te voegen aan het begeleidingsteam voor het uitvoeren van een review van de onderzoeksopzet.
– PRODUS is gericht op de volgende vragen:
1. Kunnen zich meerjarige sublitorale mosselbanken en samenhangende natuurwaarden ontwikkelen bij afwezigheid van mosselzaadvisserij?
2. Wat zijn de effecten van mosselzaadvisserij op mosselzaadval in latere jaren?
3. Wat zijn de karakteristieken van de huidige sublitorale natuurwaarden?
4. Wat zijn de verschillen in natuurwaarden van mosselpercelen en wilde mosselbanken?
– De uitspraak van de Raad van State heeft betrekking op de voorjaarsvergunning voor 2006. De situatie is nu anders, onder andere doordat het onderzoek verder is. De minister wil een onderzoeksvergunning afgeven voor het voorjaar.
– Het verlenen van een vergunning voor de najaarsvisserij lijkt minder bezwaarlijk, omdat deze zich vooral richt op mosselbanken die de winter waarschijnlijk niet overleven. Ook hierover moet echter nog meer wetenschappelijke kennis worden verzameld.
– Mosselinformateur/kwartiermaker Heldoorn heeft een verbreding van zijn opdracht aanvaard. Hij zal zoeken naar een bestuurlijk en juridisch houdbare, duurzame oplossing voor de (middel)lange termijn, waarbij de natuur wordt beschermd en de mosselvisserij kan blijven bestaan.
– De minister wil de regie houden over de onderhandelingen. Zij zal nog voor de zomer met de sector en de natuurbeschermingsorganisaties rond de tafel gaan zitten om te bezien wat het gezamenlijke perspectief is. Beide partijen stellen zich constructief op; de minister wil hen op hun verantwoordelijkheid aanspreken en vraagt commitment.
– De heer Heldoorn moet in het licht van het beheerplan de volgende vragen beantwoorden:
1. Wat is de huidige stand van de waddennatuur?
2. Hoe heeft die zich de laatste jaren ontwikkeld?
3. Wat is het streefbeeld voor de waddennatuur?
4. Is daarover voldoende kennis?
5. Welke maatregelen zijn denkbaar om behoud en herstel vorm te geven?
6. Hoe kunnen die gefaseerd worden uitgevoerd?
7. Welke financiële consequenties zijn daaraan verbonden?
8. Welke rol kan het Waddenfonds hierin spelen?
– De mosselsector moet de volgende vragen beantwoorden:
1. Wat is de huidige stand van de duurzaamheid van de sector?
2. Welke ontwikkelingen hebben zich daarin de afgelopen jaren voorgedaan?
3. Wat zijn de effecten van de mosselvisserij op de natuur?
4. Is voldoende kennis voorhanden op bovengenoemde vragen te beantwoorden: wat weten wij wel en niet?
5. Welke maatregelen en aanpassingen zijn mogelijk om negatieve effecten op de natuur te beperken?
6. Welke mogelijkheden bieden nieuwe technieken en welke maatregelen zijn daarbij nodig?
7. Hoe kunnen maatregelen op een zorgvuldige manier in de tijd worden gezet, zodat mosselvissers zich kunnen aanpassen?
8. Wat zijn de financiële consequenties?
– De experimenten met de MZI’s zijn gericht op het vinden van alternatieven. Opschaling moet op een verantwoorde manier gebeuren om juridische procedures te voorkomen.
– De minister is bezig met een haalbaarheidsstudie naar MZI’s op de Noordzee, waarvan zij in de loop van het jaar de resultaten verwacht. Dit jaar worden er zes experimenten toegestaan.
– Het VIP richt zich vooral op de Noordzee en minder op de Waddenzee.
– Voor exclavering is wetenschappelijk onderzoek nodig waaruit blijkt dat gebieden niet relevant zijn voor het behoud van de habitat en de daarin levende soorten. Dit lijkt weinig kansrijk. Bovendien kan dit ertoe leiden dat de in het kader van Natura 2000 vastgestelde nationale doelen niet worden gehaald.
– Het ministerie beziet hoe andere EU-landen met vergelijkbare problemen omgaan. Een aantal buitenlandse ecologen zal worden gevraagd om een second opinion. In Denemarken zijn onlangs twee vergunningen van de mosselsector ingetrokken op grond van een risicoanalyse. Duitsland werkt met kwaliteitscategorieën, gekoppeld aan beschermingsniveaus.
– De evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn biedt waarschijnlijk niet veel extra ruimte, maar de mogelijkheden worden wel verkend.
– Het streven is om de Natura 2000-gebieden voortvarend maar zorgvuldig aan te wijzen. Dit zal in ieder geval voor het einde van het jaar gebeuren. Het is onzeker of het beheerplan dan ook al gereed is.
– De mosselsector valt niet onder «bestaand gebruik», omdat dit principe niet kan worden toegepast bij projecten met potentieel significante effecten voor Natura 2000-gebieden. Er moet zekerheid zijn dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
– De minister wil alles op alles zetten om de natuurbelangen in de Waddenzee en de mosselsector met elkaar in evenwicht te brengen. Het is dan ook te vroeg om nu al na te denken over compensatie voor de mosselsector. Bovendien is het normaal in de mosselsector dat er goede en slechte jaren zijn; dit valt onder het ondernemersrisico.
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).
Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).
Samenstelling:
Leden: Van der Staaij (SGP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Mastwijk (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Roland Kortenhorst (CDA), voorzitter, Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van der Ham (D66), Nicolaï (VVD), Haverkamp (CDA), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Jansen (SP), Cramer (ChristenUnie), Roemer (SP), Koppejan (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ten Broeke (VVD), ondervoorzitter, Ouwehand (PvdD), Polderman (SP), Tang (PvdA) en De Rouwe (CDA).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Van Gent (GroenLinks), Hessels (CDA), Jager (CDA), Van Bommel (SP), Koşer Kaya (D66), Neppérus (VVD), Van Gennip (CDA), Aptroot (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Jacobi (PvdA), Besselink (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Leeuwen (SP), Knops (CDA), Depla (PvdA), Agema (PVV), Verdonk (Verdonk), Thieme (PvdD), Lempens (SP), Waalkens (PvdA) en Van Heugten (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29675-41.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.