29 674
Evaluatie Wet Werk en Bijstand

nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 maart 2006

Via deze brief wil ik u informeren over mijn besluit ten aanzien van de financiering van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de overwegingen die hebben geleid tot dit besluit. De VNG is 15 maart jl van dit besluit op de hoogte gesteld.

Met de Wet werk en bijstand (WWB) hebben gemeenten een grotere vrijheid en financiële verantwoordelijkheid gekregen voor de uitvoering van de bijstand. Ook de rol van de gemeenteraad is belangrijker geworden: deze raad stelt de kaders vast voor de WWB, en controleert de uitvoering hiervan door de gemeente. Samenwerking tussen gemeenten kan bijdragen aan doelmatiger en doeltreffender uitvoering van de WWB. Ik ben dan ook voorstander van samenwerking en bied gemeenten hiertoe ondersteuning in het kader van de stimuleringsregeling voor samenwerking, waar op dit moment 187 gemeenten gebruik van maken.

Gemeenten kunnen voor de uitvoering van de WWB zelf kiezen welke samenwerkingsvorm zij wensen. Gemeenten kunnen ook samenwerken in een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam met volledige overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Dat kan op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). In dat geval bestaat het risico dat de individuele gemeenten die deelnemen aan het samenwerkingsverband meer op afstand komen te staan. De huidige wijze van financiering – waarin deze vorm van samenwerking rechtstreeks één budget overgemaakt krijgt voor de bijstand – versterkt die afstand.

Ik hecht er aan de betrokkenheid van de individuele gemeenten bij de uitvoering te waarborgen. Om dit te realiseren heb ik besloten om vanaf 1 januari 2007 elke gemeente haar eigen budget te geven, dat zij zelf kan inbrengen in het samenwerkingsverband. Op die manier is beter gegarandeerd dat het college van B&W, de verantwoordelijke wethouder en de gemeenteraad meer betrokken zijn bij de uitvoering van de WWB en daarop meer invloed en controle blijven uitoefenen.

Door iedere gemeente een eigen budget te geven, ontstaat er geen onzekerheid meer over de omvang van het budget als gemeenten gaan samenwerken. Bij de huidige financiering van samenwerkingsverbanden bestaat deze onzekerheid wel, omdat gemeenten door deze vorm van samenwerking meestal te maken krijgen met een overgang van een historisch bepaald budget naar het objectief verdeelmodel.

Bijkomend voordeel van deze nieuwe wijze van financiering is dat de verdelende werking van het verdeelmodel verbeterd wordt. Dit blijkt uit een onderzoek van APE in het kader van het onderhoudstraject voor de verdeelmodellen WWB, dat ik u binnenkort aanbied.

Ook bij de verantwoording van de besteding van het budget moet duidelijk zijn wat de resultaten van de individuele gemeenten zijn. De verantwoording moet dus zijn uitgesplitst naar de individuele gemeenten en voorzien zijn van een oordeel van de afzonderlijke gemeenteraden. De lichte toename van de administratieve lasten die dit met zich meebrengt valt in het niet bij het belang dat de verantwoordelijke wethouder en de lokale politiek hun rol kunnen waarmaken.

Dit besluit zal nog formeel geregeld worden via een bepaling in de wet. Deze wetswijziging zal zo spoedig mogelijk aan u worden voorgelegd.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Naar boven