Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629674 nr. 10

29 674
Evaluatie Wet Werk en Bijstand

nr. 10
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2006

Hierbij doe ik u informatie toekomen die ik heb toegezegd tijdens het Algemeen Overleg over WWB-aangelegenheden in uw Kamer op 16 februari 2006.

Wetgevingstraject voor een verplichte tegenprestatie voor uitkering

In reactie op het verzoek van de heer Van der Sande om een wetgevingstraject te starten inzake een verplichte tegenprestatie van uitkeringsgerechtigden voor hun uitkering heb ik de verwachting uitgesproken dat een afzonderlijk traject niet sneller zal gaan dan de voorgenomen wetswijziging voor de participatiebanen. Ik heb toegezegd die verwachting te toetsen en u nader te informeren. Gebleken is dat het wetgevingstraject inzake het wetsvoorstel over participatiebanen op dit moment zodanig gevorderd is dat het starten van een nieuw wetgevingstraject eerder tijdverlies oplevert dan tijdwinst. Zoals het er thans voor staat zal het wetsvoorstel over participatiebanen op 7 april 2006 in de Ministerraad worden behandeld. Vorenstaand onderwerp komt hierin aan de orde.

Categoriale bijzondere bijstand

In antwoord op de vraag van mevrouw Noorman-den Uyl of gemeenten de doelgroep bij het afsluiten van een collectieve (aanvullende) ziektekostenverzekering mogen beperken tot uitsluitend bijstandsgerechtigden, deel ik mee dat deze beperking niet is toegestaan. De doelgroep van de voorziening moet onafhankelijk zijn van de bron van het inkomen. Dit om te waarborgen dat de voorziening ook toegankelijk is voor personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren, zoals overige uitkeringsgerechtigden en werkenden met een minimuminkomen. Bij het afbakenen van de doelgroep ten behoeve waarvan de gemeente een collectieve (aanvullende) verzekering wil afsluiten, ligt het meer in de rede aansluiting te zoeken bij de hoogte van het inkomen (bijvoorbeeld een percentage van het wettelijk minimumloon).

Daarnaast heeft mevrouw Noorman-Den Uyl gevraagd of het klopt dat chronisch zieken en gehandicapten met een inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon naast categoriale bijzondere bijstand voor een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering andere vormen van categoriale bijstand kunnen krijgen. Dit is inderdaad mogelijk. Gemeenten kunnen op grond van artikel 10, tweede lid, Invoeringswet WWB, een categoriale regeling treffen ten behoeve van de doelgroep chronisch zieken en gehandicapten. De categoriale bijzondere bijstand moet dan betrekking hebben op voor de doelgroep aannemelijke kosten in verband met chronische ziekte en handicap. De gemeente is overigens bij zowel individuele als categoriale bijstandsverlening bevoegd om de draagkracht in het inkomen zelf vast te stellen. Met betrekking tot de vaststelling van het vermogen geldt eenzelfde bevoegdheid.

Beslistermijn en bevoorschotting

Ik heb toegezegd de tijdens het AO gesignaleerde problematiek van de beslistermijn op de aanvraag om een uitkering en eventuele bevoorschotting op te zullen nemen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Inmiddels heb ik, op 21 februari jl., deze problematiek in het Bestuurlijk Overleg met de VNG aan de orde gesteld. Ik heb in dit Overleg gemeld samen met de VNG te willen werken aan een oplossing, zo mogelijk zonder nadere regelgeving voor gemeenten. Over de uitkomsten zal ik u zo spoedig mogelijk nader informeren.

Vrijwilligersvergoeding voor overblijfouders

Mevrouw Van Gent heeft mij gevraagd om een reactie op een krantenartikel over de fiscale behandeling van de onkostenvergoeding die vrijwillige overblijfkrachten ontvangen. Omdat ik nog geen kennis had genomen van dit artikel, heb ik een uitgestelde reactie toegezegd, die ik u hierbij geef.

Ik heb kennis genomen van het artikel «Vrijwilliger bij overblijf vreest fiscus» uit de Volkskrant van 16 februari 2006. Het artikel maakt melding van een brief die een aantal organisaties in de tussenschoolse opvang aan Staatssecretaris Wijn van Financiën heeft gezonden. In deze brief wordt aandacht gevraagd voor de positie van overblijfkrachten die als vrijwilliger de tussenschoolse opvang verzorgen op de basisschool. De vrijwilligersregeling is niet van toepassing als de overblijfkracht een marktconforme vergoeding voor zijn of haar werkzaamheden ontvangt. De schrijvers van de brief vragen om duidelijkheid over de hoogte van de marktconforme beloning. In het artikel komt ook de positie bijstandsmoeders aan de orde. Als die zouden afhaken omdat ze bang zijn gekort te worden op hun uitkering, zou dat gevolgen kunnen hebben voor de opvang in de grote steden, die bijna volledig op bijstandsmoeders zou draaien.

De vrijlating van de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in de Wet werk en bijstand sluit voor wat betreft bedragen en begrippen aan bij de fiscale regeling ter zake. Voor het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een marktconforme beloning gelden bij de WWB dezelfde criteria als bij de fiscale wetgeving. In afwachting van het standpunt van de staatsecretaris van Financiën onthoud ik mij van commentaar.

Second opinion in de WWB

Mevrouw Noorman-den Uyl heeft verzocht na te gaan wat het instrument second opinion zou kunnen betekenen voor de WWB. Dit nu in het kader van de Wet maatschappelijke opvang (WMO) in een aantal gemeentes pilots zullen worden gestart met second opinion (TK 2005–2006, 30 131, nr, 81). Tijdens de parlementaire behandeling van de WWB is een amendement ingediend met het doel het instrument van second opinion te introduceren in de WWB (TK 2002–2003, 28 870, nr. 21). Mijn ambtsvoorganger heeft indertijd aangegeven dit amendement overbodig te achten. Dit, omdat de positie van de cliënt in de WWB explicieter is verankerd dan in de Abw. In het kader van de WWB dragen gemeenten zorg voor de realisering en vormgeving van cliëntenparticipatie en betrekken zij zowel cliënten als hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de WWB. Ik onderschrijf de visie van mijn ambtsvoorganger en zie geen aanleiding het instrument second opinion in de WWB in te voeren.

Formulierenbrigades als best practise

Ik heb toegezegd om gemeenten via een verzamelbrief te attenderen op de mogelijkheid om formulierenbrigades c.q. brigades bijzondere bijstand in te zetten om niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen tegen te gaan. Ik zal deze suggestie opnemen in de eerstvolgende verzamelbrief, waarvan uw Kamer een afschrift ontvangt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof