nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 november 2005
Hierbij stuur ik u het rapport «Het systeem van crisisbeheersing.
Bevoegdheden en verplichtingen bij de voorbereiding op en het optreden tijdens
crises»1, dat in opdracht van mijn ministerie
is geschreven door de heer E. T. Brainich von Brainich Felth. In het
beleidsplan Crisisbeheersing 2004–20072
en in mijn brief van 9 juli 20043 heb ik
deze studie aangekondigd. In het onderzoek wordt het huidige wetgevingsinstrumentarium
doorgelicht op bruikbaarheid bij crisisbeheersing in het algemeen en op bruikbaarheid
bij de bescherming van de vitale infrastructuur in het bijzonder. Het rapport
bevat een inventarisatie van de voor crisisbeheersing relevante wet- en regelgeving.
Daarbij geeft de auteur de knelpunten en hiaten aan die er zijns inziens in
de wet- en regelgeving zijn. Voor verschillende beleidsterreinen en vitale
sectoren worden door hem voorstellen voor verbetering gedaan. Kortheidshalve
verwijs ik naar de inhoudsopgave. Deel 4 van het rapport vat de conclusies
en aanbevelingen samen.
Deel I (Beleidskader en uitgangspunten) bevat een interessante rode draad,
namelijk drie toetspunten die betrekking hebben op zowel de preparatie- als
de responsfase:
– wat zijn de bevoegdheden en verplichtingen van overheden en bedrijven
tot eigen optreden;
– hoe is de informatie over de uitvoering van de verplichtingen
en de uitoefening van bevoegdheden naar een hoger – toezichthoudend –
orgaan geregeld;
– welke zijn de mogelijkheden van dat hoger orgaan om te kunnen
ingrijpen?
Deze drie elementen maken dat «de cirkel rond is», aldus de
auteur. Naar zijn mening is de cirkel nu niet altijd rond en zijn er dus hiaten
in de noodzakelijke wetgeving.
In het kabinet zal op een later moment – in het kader van een wetsvoorstel –
inhoudelijk over de aanbevelingen worden gesproken. Hierbij worden alle elementen
van de huidige wetgeving op het gebied van crisisbeheersing en benodigde aanpassingen
in samenhang bekeken. In dat verband zal ook het rapport aan de
orde komen. Overigens is reeds bij de totstandkoming van het beleidsplan Crisisbeheersing
2004–2007 op enkele punten al gebruik gemaakt van de in de conceptversie
van het rapport ontwikkelde gedachten.
Deel 2 van het rapport (Generieke wetgeving) behandelt bovensectorale
onderwerpen. In paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de noodwetgeving in het
algemeen en wordt op dit terrein een aantal aanbevelingen gedaan. In algemene
zin merk ik hierover het volgende op. Met de herziening van de noodwetgeving
in de negentiger jaren, die onder meer heeft geleid tot de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden, werden terminologie en procedures geharmoniseerd.
Die herziening zag niet op de inhoud van de sectorale noodwetgeving. Mede
aan de hand van de aanbevelingen in het rapport kan thans worden bezien waar
eventueel leemtes in die sectorale wetgeving zijn en hoe deze kunnen worden
opgevuld. Daarbij teken ik aan dat de vakdepartementen zelf verantwoordelijk
zijn voor hun eigen (nood)wetgeving. Daarom zal ik over de in het rapport
beschreven generieke kernpunten en de conclusies en aanbevelingen dienaangaande
overleg voeren met mijn ambtgenoten. Eventuele voorstellen tot wijzigingen
in de generieke wetgeving, onder meer op het terrein van de aansturing van
de lagere overheden, zullen door mij met voorrang bij de Kamer worden ingediend.
De juridische borging van de relatie tussen bedrijfsleven en overheid
betreffende het beheer van de vitale infrastructuur en de te nemen maatregelen
vereist nog inhoudelijke studie en overleg met het bedrijfsleven. Aan verbeteringen
op dit terrein dient prioriteit te worden gegeven. Uitgangspunt blijft dat
de bescherming van de vitale infrastructuur primair de verantwoordelijkheid
is van het desbetreffende vakministerie respectievelijk bedrijf.
Deel 3 van het rapport betreft de sectorale wetgeving. Voor enkele in
dit deel behandelde wetten ben ik als vakminister voor «openbare orde
en veiligheid» en «openbaar bestuur» zelf verantwoordelijk,
doch het merendeel betreft wetgeving waarvoor een of meer ambtgenoten primair
verantwoordelijk zijn. Niettemin ben ik als coördinerend bewindspersoon
voor crisisbeheersing verantwoordelijk voor een goede interdepartementale
voorbereiding op crises en bewaak ik de voortgang. Om deze reden zal ik overleg
voeren met mijn ambtgenoten over de vraag of zij de conclusies en aanbevelingen
onderschrijven, en over de wijze waarop eventuele knelpunten kunnen worden
weggenomen.
In het beleidsplan Crisisbeheersing 2004–2007 is in wetgeving voorzien.
In 2006 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. Het tijdpad zal worden
afgestemd met andere departementen. In dat kader zal worden bezien welke conclusies
en aanbevelingen van dit rapport bij de uitwerking van het beleidsplan zullen
worden betrokken.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes