Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529666 nr. 8

29 666
Voorstel van wet van de leden Hamer, Dijsselbloem en Kraneveldt houdende opneming in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs van de verplichting voor scholen om bij te dragen aan de integratie van leerlingen in de Nederlandse samenleving

nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 8 februari 2005

Ondergetekenden hebben met belangstelling kennisgenomen van de reacties van de fracties op het wetsvoorstel. Zij beantwoorden de vragen en opmerkingen van de fracties aan de hand van de indeling van het verslag.

1. ALGEMEEN

De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van het onderwijs bij de integratie van leerlingen in onze pluriforme samenleving en memoreren dat zij eerder benadrukten dat segregatie in het onderwijs niet kan worden geaccepteerd als een gegeven. Daarbij benadrukten zij ook het belang van ontmoeting tussen kinderen van verschillende achtergronden en culturen. Zij hechten eraan dat burgerschapsvorming en sociale integratie wettelijk worden vastgelegd, maar willen weten waarom de indieners het noodzakelijk hebben geacht een eigen initiatiefwetsvoorstel in te dienen, nu het kabinet heeft aangegeven een wetsvoorstel voor te bereiden en voor advies heeft voorgelegd aan de Raad van State. De leden van de CDA-fractie hebben ook ernstige twijfels bij de noodzaak en wenselijkheid van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel omdat zij het van belang vinden dat schoolbesturen de ruimte hebben en houden om zelf invulling te geven aan nieuwe wettelijke doelen. Het verheugt de indieners dat de leden van de CDA-fractie een aantal belangrijke uitgangspunten en overwegingen met hen delen en zij hopen hen aan de hand daarvan alsnog te overtuigen van de noodzaak en de wenselijkheid van het onderhavige wetsvoorstel. De indieners merken op dat zij hun wetsvoorstel reeds indienden op 24 juni 2004 en dit was al eerder aangekondigd in de media. Dat was twee dagen na het algemeen overleg dat de vaste commissie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voerde met minister Van der Hoeven over onderwijs, integratie en burgerschap. Tijdens dat overleg hebben de indieners herhaald dat zij voornemens waren dit wetsvoorstel in te dienen. De eerste indiener had dit al eerder zowel in algemeen overleggen als in de media gemeld. In dit algemeen overleg maakte de minister ook melding van een regeringsbesluit om mogelijk wettelijk vast te leggen dat scholen moeten bijdragen aan burgerschap en integratie (29 536, nr. 3, blz. 13). Het desbetreffende wetsvoorstel van de zijde van de regering heeft de Kamer enkele dagen geleden pas ontvangen. Dat is dus ruim zes maanden na het indienen van het onderhavige wetsvoorstel. Met hun wetsvoorstel beogen de indieners recht te doen aan de essentiële rol die beheersing van de Nederlandse taal speelt bij integratie en zij besteden expliciet aandacht aan de cultuurontmoetingsfunctie binnen het onderwijs. De indieners hechten eraan dat er op school niet alleen over maar ook met andere culturen wordt gesproken. De indieners rekenen dat tot de missie van de school. Het wetsvoorstel van de regering is veel lichter van vorm dan het onderhavige initiatiefwetsvoorstel en moet nog nader inhoud krijgen via de kerndoelen. De indieners begrijpen de ernstige twijfels van de leden van de CDA-fractie niet: het initiatiefwetsvoorstel laat de scholen juist grote ruimte bij het bepalen van de wijze waarop zij de integratiedoelstellingen gestalte geven. Niet het «hoe», maar slechts het «dat» wordt wettelijk vastgelegd. Naar het oordeel van de indieners worden de leden van de CDA-fractie dan ook op hun wenken bediend, waar het gaat om de autonomie.

De leden van de PvdA-fractie stellen dat het onderwijs geen instrument is om de hele maatschappij te hervormen, maar dat het onderwijs ook geen extra dimensie mag toevoegen aan de segregatieproblematiek. De indieners delen deze visie. Zij menen dan ook niet dat dit wetsvoorstel de gehele segregatieproblematiek in de Nederlandse samenleving zal gaan oplossen, maar zij zijn wel ervan overtuigd dat het een waardevolle bijdrage zal leveren aan de sociale integratie en contacten tussen leerlingen met verschillende achtergronden en culturen zal bevorderen. De indieners zien de noodzaak segregatie in het onderwijs te bestrijden, een noodzaak die zij volledig onderschrijven, en zij zullen daarvoor ook met voorstellen komen. Daarnaast staat de verantwoordelijkheid van scholen (sociale) integratie van hun kinderen te bevorderen, dat in dit wetsvoorstel centraal staat omdat dit wetsvoorstel zich richt op de sociale integratie van leerlingen. De indieners staan positief tegenover het Rotterdams initiatief om door middel van wachtlijsten gemengder onderwijs te krijgen. Zij beseffen dat er mogelijk juridische haken en ogen vastzitten aan de Rotterdamse aanpak, maar waarderen dat Rotterdam tenminste concrete stappen zet. Zij constateren echter dat het kabinet niet eensluidend positief heeft gereageerd op dit initiatief. De positieve grondhouding van de indieners tegenover het Rotterdamse initiatief staat echter los van hun initiatiefwetsvoorstel, in die zin dat een kritische houding tegenover het Rotterdams initiatief niet hoeft te betekenen dat men tevens kritisch staat tegenover het onderhavige initiatiefwetsvoorstel.

De leden van VVD-fractie vragen naar de toegevoegde waarde van de wetswijziging. De indieners zien de toegevoegde waarde van hun initiatiefwetsvoorstel in de explicitering van de cultuurontmoetingsfunctie, het schooltaalachterstandenbeleid en de burgerschapsvorming. In het verleden heeft de Onderwijsinspectie gesteld dat zij onvoldoende wettelijk kader had voor toezicht op de wijze waarop scholen hieraan gestalte geven. Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijk kader aangereikt, en scholen allemaal gestalte geven aan integratiedoelstellingen die gelden binnen het onderwijs. Het geeft toch de wettelijke basis waarop de inspectie in de toekomst scholen echt kan aanspreken op hun bijdrage aan en inzet voor de integratie. De scholen zijn vrij bij de uitvoering hiervan, maar moeten wel hierover verantwoording afleggen De leden van de SP-fractie hebben twijfels bij de uitwerking van het wetsvoorstel en missen een bepaling dat leerlingen samen naar school moeten gaan en niet op zwarte en witte scholen moeten zitten. Zij achten de invoering van een acceptatieplicht noodzakelijk en stellen dat samen naar school gaan vele malen efficiënter en effectiever is dan ingewikkelde interculturele bijeenkomsten organiseren en bepleiten een combinatie van de voorstellen. De indieners begrijpen de overwegingen van de leden van de SP-fractie, maar menen dat deze overwegingen leiden tot discussies over de vrije schoolkeuze door ouders en de vrijheid van onderwijs. Deze discussies moeten zeker worden gevoerd, maar het zou jammer zijn indien veranderingen die op kortere termijn kunnen worden geregeld, achterwege blijven, doordat complexere discussies nog niet zijn afgerond. De indieners hebben ervoor gekozen om in dit wetsvoorstel het bredere vraagstuk van de acceptatieplicht niet op te nemen. Dit neemt niet weg dat (een deel van) de indieners vinden dat ook dit moet worden geregeld en daartoe met initiatieven zullen komen.

De leden van de GroenLinks-fractie erkennen dat de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen kunnen bijdragen aan integratie maar noemen ze toch tamelijk krachteloos en enigszins vrijblijvend. Daarnaast stellen de leden van de GroenLinks-fractie dat de indieners met dit wetsvoorstel gedetailleerd willen voorschrijven hoe scholen integratiebevorderende maatregelen moeten nemen. Indien dit laatste waar zou zijn, dan zou dat onverenigbaar zijn met het eerste bezwaar van GroenLinks van krachteloosheid en vrijblijvendheid. Deze laatste bewering bestrijden de indieners. Zij wijzen erop dat ze juist het «hoe» uitdrukkelijk niet in een limitatieve opsomming hebben weergegeven, maar dat zij slechts hebben willen vastleggen dat scholen gestalte moeten geven aan drie aspecten van integratie binnen het onderwijs. De indieners menen dat autonomie in de uitvoering geenszins synoniem is met krachteloosheid en vrijblijvendheid. Uit de contacten die de indieners hebben met het onderwijsveld blijkt dat de grootste ergernis over overheidsbemoeienis niet zozeer de omstandigheid betreft dat politiek eisen stelt aan het onderwijs, maar dat ook de manier waarop gedetailleerd wordt voorgeschreven. De indieners staan positief tegenover de Rotterdamse aanpak van segregatie, waarbij het werken met dubbele wachtlijsten één van de oplossingen kan vormen. Zij hebben echter ervoor gekozen om in dit wetsvoorstel niet de toeleiding van leerlingen te behandelen, maar de praktische aanpak. De indieners zijn wel van mening dat ook de inschrijving ter hand moet worden genomen (zie ook het bovenstaande antwoord op de vraag van de SP).

De leden van de D66-fractie onderschrijven dat een pluriforme samenstelling van de schoolbevolking kan bijdragen aan meer wederzijds begrip en een betere integratie, maar hebben enige vragen en opmerkingen, met name bij de keuze voor een wettelijke verplichting. De indieners hebben gekozen voor een wettelijke verplichting in plaats van een stimuleringsmaatregel, omdat zo'n stimuleringsmaatregel ertoe zou leiden dat scholen die toch al goed op weg zijn met initiatieven voor integratie geprikkeld zullen worden, terwijl het de indieners er juist om gaat dat scholen die op dit vlak nog geen of bewust geen initiatieven ontplooien, en soms met het mono-etnische karakter van hun onderwijs een eigen dimensie toevoegen aan de segregatieproblematiek, zullen worden geprikkeld.

De leden van de ChristenUnie steunen de gedachte achter het wetsvoorstel, maar menen dat het gekozen middel erg zwaar is voor het bereiken van het beoogde doel. Zij vragen ook in te gaan op de mening van onderwijsorganisaties dat dit wetsvoorstel zou betekenen dat de overheid treedt in de verantwoordelijkheid van scholen, en de opvatting dat twee beleidsstandpunten van de minister inmiddels voldoende garantie bieden voor een vaste plek van bevordering van burgerschap en sociale integratie in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. De indieners zijn blij met de steun van de ChristenUnie voor de gedachte achter het wetsvoorstel. Zij wijzen erop dat het wetsvoorstel de scholen juist veel vrijheid laat bij de precieze vormgeving van de integratiedoelstellingen en dat het wel meevalt met de zwaarte van het middel. Slechts scholen die op geen enkele wijze wensen gestalte te geven aan de integratiedoelstellingen, zouden handelen in strijd met dit wetsvoorstel, en een belangrijk deel van de werking hangt ook samen met de openbaarheid van de bevindingen van de inspectie in dezen. De indieners zien de manier waarop het wetsvoorstel is geformuleerd daarom als in de geest van autonomie en deregulering en niet als in strijd daarmee. De indieners bestrijden dat de genoemde beleidsstandpunten van de minister voldoende garantie bieden dat burgerschap en integratie een vaste plek krijgt binnen het funderend onderwijs. Overigens blijkt ook de Minister die mening te zijn toegedaan anders zou zij immers geen wetsvoorstel in die richting hebben ingediend.

De leden van de SGP-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van het onderhavige initiatief en vragen hoe dit zich verhoudt tot het streven van het kabinet om burgerschapsvorming en sociale integratie te verankeren in de onderwijswetgeving. Zij vragen op welke punten de indieners denken af te wijken van de door het kabinet voorgestelde wetswijzigingen. De leden van deze fractie vinden het scheppen van nieuwe verplichtingen een overbodig en daardoor wellicht zelfs contraproductief middel om de gewenste houding bij scholen te stimuleren. De indieners wijzen nogmaals erop dat zij dit wetsvoorstel hebben aangekondigd en dat bekend was dat ook het kabinet maatregelen zou voorstellen. Pas nu is de inhoud van het voorstel van de minister bekend. Zij sluiten ook niet uit dat de regering zich mede heeft laten inspireren door hun initiatiefwetsvoorstel. Zij menen dat de leden van de SGP-fractie ten onrechte suggereren dat de integratiedoelstellingen geheel zouden kunnen worden gescheiden van de pedagogische opdracht van scholen. Zij zien ook geen spanning met de vrijheid van onderwijs. Zoals ook gesteld in de reactie op het advies van de Raad van State, heeft de indruk van een discrepantie tussen de wettelijke norm en de toelichting alles te maken met de filosofie van autonomie en deregulering. Scholen mogen vanuit hun eigen uitgangspunten gestalte geven aan de integratiedoelstellingen van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel betekent een bevestigend antwoord op de vraag of scholen moeten bijdragen aan integratie, maar is voor het overige zo ruim geformuleerd dat dit geen inbreuk maakt op de vrijheid van onderwijs en dit is ook niet beoogd.

Schoolplan/schoolgids

De leden van de VVD-fractie stellen dat het verplichten van scholen tot het opnemen van een plan van aanpak niet leidt tot een beter resultaat met betrekking tot het wegwerken van de taalachterstanden van leerlingen. Zij zien meer heil in resultaatafspraken met scholen die middelen ontvangen uit de gewichtenregeling. De indieners menen dat zo'n plan van aanpak in ieder geval garandeert dat de scholen bewuste keuzes maken in hun taalachterstandenbeleid, dat ouders ook weten wat de school hieraan doet en dat het betrokkenen een aangrijpingspunt aanreikt om intern de discussie aan te gaan op de keuzes en methodes in dezen. Voor de indieners is echter het belangrijkste dat op een of andere wijze een goede aanpak van taalachterstanden wordt gewaarborgd. De indieners willen hier graag in goed overleg met de Kamer uitkomen.

De leden van de SP-fractie stemmen in met opneming van taalachterstandenbeleid in het schoolplan en burgerschap als onderdeel van de kerndoelen. De indieners danken de leden van de SP-fractie voor deze steun.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben twijfels bij de wettelijke verplichting om integratiebevorderende maatregelen in de schoolgids op te nemen. Hun twijfels betreffen de verhouding tot het streven naar autonomie en deregulering, de gedachte om het initiatief aan de scholen te laten, de vrees voor nodeloze bureaucratie, extra administratieve lasten zonder extra budget en GOA-middelen die al zijn geoormerkt voor vooren vroegschoolse educatie. De indieners laten het initiatief juist aan de scholen, bij de vormgeving van het taalachterstandenbeleid en bij de burgerschapsvorming. De bureaucratie en extra administratieve lasten beperken zich tot een passage in de schoolgids. Als het goed is schrijven scholen zo'n passage ook al in het pedagogisch plan, zodat zij deze via de schoolgids slechts aan de ouders hoeven te expliciteren. Als zo'n passage ontbreekt in het pedagogisch plan, dan is het goed dat deze er alsnog komt. Op deze wijze verantwoordt de school zich publiekelijk ook richting ouders over de beoogde inzet en inspanning. Op de noodzaak van extra budget gaan zij hieronder in bij de vraag van de leden van de PvdA-fractie inzake het taalbeleid.

Burgerschapsvorming

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar het advies van de Onderwijsraad en krijgen de indruk dat de indieners een meer beperkte invulling van burgerschapsvorming kiezen. Deze indruk is niet juist. De Onderwijsraad maakt een onderscheid tussen drie verschillende niveaus. Allereerst vindt burgerschapsvorming plaats op het niveau van de interne relaties binnen school, gericht op het deel uitmaken door de leerlingen van de microgemeenschap die de school is. Dit komt tot uitdrukking in het naleven en waar mogelijk aanvaarden van en vormgeven aan de basisnormen en -doelstellingen die binnen de school gelden. Dit niveau van burgerschapsvorming richt zich primair tot de leerling in zijn verhouding tot zijn medeleerlingen en het onderwijspersoneel (schoolburgerschap). Vervolgens kan burgerschapsvorming gericht zijn op het mesoniveau van de plaatselijke gemeenschap, in de vorm van het zinvol participeren in (op boven- en buitenschools niveau georganiseerde) maatschappelijke activiteiten. Hierbij gaat het dus vooral om de leerling als toekomstig participant in de maatschappij, als (toekomstig) burger in zijn relatie tot medeburgers (maatschappelijk burgerschap). Ten slotte kan burgerschapsvorming gericht zijn op het macroniveau. Het gaat hierbij om het bijbrengen van kennis van en instemming met de maatschappelijke en politieke praktijken van de samenleving, in het bijzonder het ontstaan en functioneren van de democratische rechtsstaat, en het stimuleren van de bereidheid en bekwaamheid om daaraan in de toekomst te participeren (staatsburgerlijke vorming). De indieners vinden de niveaus die de Onderwijsraad onderscheidt belangwekkend, maar zij hebben op advies van de Raad van State ten behoeve van de zelfstandige leesbaarheid de aspecten van omgangsvormen en betrokkenheid bij de samenleving besproken. Deze aspecten raken de drie niveaus die de Onderwijsraad onderscheidt.

De leden van de VVD-fractie menen dat het niet nodig is om een apart onderdeel burgerschapsvorming op te nemen in de kerndoelen van het funderend onderwijs. Zij stellen dat in de kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw voortgezet onderwijs voldoende waarborg zit dat leerlingen de hier bedoelde waarden en normen meekrijgen en vragen of dit niet leidt tot lastenverzwaring voor docenten en leerlingen. De indieners verschillen met de leden van de VVD-fractie van mening over de noodzaak burgerschapsvorming apart te vermelden. De indieners verwijzen naar de woorden van de partijaanvoerder van de VVD, de heer Van Aartsen op het symposium ter ere van het vijftigjarig bestaan van de Telderstichting. Deze stelde dat het onderwijs leerlingen normen en waarden en een besef van «neo-patriottisme» moet bijbrengen. Dat zou passen in «het gedeeld verhaal over ons land» dat op school moet worden bijgebracht. In een interview in De Volkskrant van 30 december 2004 betoogde de partijaanvoerder van de VVD dat op school de grondtoon van de natie moet worden onderwezen. Hij gaf wel heel specifieke uitwerking aan dit idee: «Vrijheid en tolerantie moeten aan bod komen, maar ook de Deltawerken, Cruijff en Van Basten.» Burgerschapsvorming hoeft niet de status te krijgen van een apart vak, maar zou te makkelijk kunnen ondersneeuwen indien het niet apart wordt genoemd. Bovendien zou het zonder zo'n aparte vermelding onnodig ingewikkeld worden om scholen erop aan te spreken, indien zij geen recht doen aan dit kerndoel. Het is moeilijk om te bepalen of een aparte vermelding van burgerschapsvorming zou leiden tot een lastenverzwaring. Het ligt voor de hand dat de beoogde aandacht voor omgangsvormen en betrokkenheid bij de samenleving des te beter beklijft, naarmate deze aspecten beter zijn opgenomen in het algehele lesprogramma. Op dat moment wordt het echter juist moeilijk om eventuele lastenverzwaring te kwantificeren.

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat burgerschapsvorming breder is dan alleen een aangeklede vorm van burgerschapsvorming. Zij vragen om een beoordeling van het Rotterdamse project «Levensvaardigheden» in relatie tot dit wetsvoorstel. De indieners zijn enthousiast over het Rotterdamse project. Zij waarderen de positieve opbrengsten van het project. Het is een plaatselijk initiatief dat in ieder geval in hoge mate beantwoordt aan het aspect van omgangsvormen, zoals de indieners dit beogen.

De leden van de GroenLinks-fractie stellen dat scholen zich al zeer bewust zijn van hun opvoedende taak en zien een verplichte opneming van burgerschapsvorming in de kerndoelen als een overbodige verplichting. Zij vragen zich af of de verplichting niet leidt tot extra bureaucratische lasten. De indieners vragen zich af waar deze leden burgerschapsvorming willen regelen, als burgerschapsvorming huns inziens niet mag worden verankerd via het onderhavige wetsvoorstel en evenmin via de kerndoelen. De indieners onderkennen dat er grote verschillen bestaan tussen scholen en vinden dat het Nederlandse onderwijs nog niet voldoet als sommige scholen zich inderdaad al zeer bewust zijn van hun opvoedende taak. Dit wordt ook door scholen zelf aangegeven. Het gaat om de wijze waarop dit bewustzijn doorwerkt in het lesprogramma. De eventuele extra bureaucratische lasten vallen nogal mee, nu scholen geprikkeld worden om op eigen wijze gestalte te geven aan de burgerschapsvorming.

De leden van de D66-fractie vragen wat het wetsvoorstel precies toevoegt aan de algemene eis via de kerndoelen en willen weten wat precies moet worden verstaan onder actieve participatie binnen de Nederlandse samenleving. De indieners willen de eis van burgerschapsvorming juist formuleren op een zo hoog mogelijk niveau opdat scholen zoveel mogelijk vrijheid kan worden gegeven bij de wijze waarop zij deze vormgeven. Vandaar de keuze een en ander in wetgeving vast te leggen en niet in onderliggende, meer uitgewerkte kerndoelen.

Onder actieve participatie binnen de Nederlandse samenleving verstaan de indieners dat mensen niet enkel deelnemen aan hun eigen gemeenschap binnen onze samenleving, maar op uiteenlopende manieren in contact komen met gemeenschappen die tot andere culturen worden gerekend. Dat kan bijvoorbeeld geschieden via opleiding, vrijetijdsbesteding, arbeid en lokale besluitvorming.

Interculturele ontmoetingen

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het noodzakelijk zou zijn om de ontmoeting met leerlingen van andere culturen wettelijk te verplichten, nu de minister van OCW in haar beleidsbrief «Onderwijs, integratie en burgerschap» een beleidsmaatregel op gemeentelijk niveau heeft voorgesteld. Zij willen ook weten hoe de voorgestelde wettelijke verplichting zich verhoudt tot de vrijheid van onderwijs. De minister schrijft in haar beleidsbrief inderdaad over «Stimulering op gemeentelijk niveau van uitwisselingen van scholen, de organisatie van gezamenlijke sportactiviteiten en cultuurevenementen», maar de indieners vinden dit te vrijblijvend. De minister heeft ook geen sturingsmiddelen om gemeenten hiertoe aan te zetten. De indieners hebben destijds met instemming kennisgenomen van de woorden van CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen, die in zijn speech op 13 januari 2004 sprak: «Onderwijs moet gericht zijn op het bevorderen van de integratie. Eigenlijk zou de onderwijsinspectie een protocol moeten ontwikkelen om te toetsen of scholen een voldoende bijdrage leveren aan de integratie.» En «Er moet een brug worden geslagen tussen de islamitische identiteit van migranten en de Westerse traditie van democratie en rechtsstaat.» («Ontkenning, pacificatie en kentering in het Nederlands integratiebeleid»). Met hun initiatiefwetsvoorstel willen de indieners tegemoet komen aan de wens van de CDA-voorman. Scholen die om welke reden dan ook, niet toekomen aan de cultuurontmoetingsfunctie, mogen huns inziens hierop worden aangesproken. Deze initiatiefwet biedt darvoor een wettelijke basis. De indieners wijzen erop dat de vrijheid van onderwijs niet als hoofdgedachte heeft dat men ontmoeting met andere culturen wenst te ontlopen, zodat invoering van een wettelijke verplichting van de cultuurontmoetingsfunctie ook niet hiermee botst.

De leden van de VVD-fractie stellen dat een gedetailleerde invulling van kerndoelen niet past in de huidige trend van autonomie en deregulering. Zij willen weten wat het voorstel toevoegt aan de praktijk om af te wijken van de huidige ontwikkeling. De indieners wijzen erop dat hier sprake is van een misverstand: zij gaan niet over tot een gedetailleerde invulling van een kerndoel en wijken dus ook niet af van de ontwikkeling. De indieners hebben er juist voor gekozen de verantwoordelijkheid van scholen op het vlak van integratie in algemene termen in deze wet op te nemen in plaats een meer specifieke bepaling in de kerndoelen.

Het is aan de scholen zelf om op hun eigen wijze inhoud geven aan de cultuurontmoetingsfunctie.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom werd gekozen voor de term «andere culturen» en niet voor «alle culturen» of «andere etniciteiten». Ook vragen zij een oordeel over de opvatting dat scholen in een multi-etnische of multiculturele omgeving in principe ook multi-etnisch of multicultureel zou moeten zijn samengesteld. Zij stellen dat de vrijheid die wordt geboden bij de wijze waarop scholen de cultuurontmoetingsfunctie gestalte geven, niet mag ontaarden in vrijblijvendheid en noemen het een hiaat in de bestaande wetgeving dat aan het uitgangspunt dat leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving op geen enkele wijze inhoud wordt gegeven. De indieners hebben gekozen voor de aanduiding «andere culturen» omdat deze een zekere ontmoetingsfunctie voorschrijft, zonder dat de scholen worden overvraagt. Als leerlingen met alle culturen in aanraking zouden moeten komen, dan zou dit voor sommige scholen teveel organisatie vergen. De indieners willen echter niet te gedetailleerd voorschrijven wat de aard moet zijn van de contacten, omdat dan weer het risico ontstaat dat de creativiteit van scholen te zeer door regelgeving wordt beperkt. De indieners onderschrijven het oordeel van de leden van de PvdA-fractie, dat de etnische samenstelling van een school in principe een afspiegeling moet zijn van zijn directe omgeving. De indieners zien echter dat er ingrijpender wetswijzigingen nodig zijn als men dit zou willen afdwingen. Ondertussen mag dat echter geen excuus vormen om maar alles op de lange baan te schuiven. De indieners zijn het van harte eens met de uitspraak dat de vrijheid bij de cultuurontmoetingsfunctie niet mag ontaarden in vrijblijvendheid en daarom hebben zij het wetsvoorstel ook juist in deze vorm ingediend. De bestaande vrijblijvendheid in de wetgeving die enkel de vermelding dat leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving teweegbrengt, krijgt met dit wetsvoorstel eindelijk inhoud.

De leden van de SP-fractie stellen dat wederzijdse bezoeken niet zullen bijdragen aan het voorkomen van de nieuwe tweedeling in de Nederlandse maatschappij en vragen of de taak van interculturele ontmoetingen wel thuishoort bij de scholen. De indieners verwachten niet dat het wetsvoorstel onderwijssegregatie zal laten verdwijnen, maar zij zijn ervan overtuigd dat de segregatie alleen maar ernstiger vormen aanneemt indien jongeren uit verschillende culturen opgroeien zonder elkaar zelfs maar te ontmoeten. De indieners menen dat de scholen in dezen wel degelijk een taak hebben, want scholen moeten jongeren voorbereiden op een samenleving waarin nu eenmaal verschillende culturen naast elkaar voorkomen. Onderwijs dat daarmee geen rekening houdt, faalt. Onderlinge contacten bieden het voordeel dat jonge mensen beter worden voorbereid op de samenleving maar ze kunnen ook het begin zijn van samenwerking tussen scholen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe scholen oplossingen moeten vinden voor het inplannen van verplichte multiculturele ontmoetingen, die ten koste zouden gaan van andere activiteiten. De indieners vragen zich af of de leden van de GroenLinks-fractie de multiculturele ontmoetingen dan niet belangrijk vinden. Ook vragen de leden van de GroenLinks-fractie naar de verplichting bij basisscholen met een gemengde populatie. De indieners vinden dat de multiculturele ontmoetingen ook dan van belang zijn, maar ingepast in andere vakken. De cultuurontmoetingsfunctie kan dan in sommige gevallen binnenshuis worden georganiseerd en het is een goede zaak als daarvoor expliciete aandacht bestaat. Chatten met andere leerlingen kan ook soms plaatsvinden in het kader van maatschappijleer of andere vakken. Scholen met een gemengde samenstelling hebben de leerlingen al in huis. Dan is het ook goed om expliciet aandacht aan de achtergrond van de leerlingen te besteden. De indieners voelen er niet voor om te komen met specifieke vrijstellingsregels voor basisscholen met een gemengde populatie. De ontmoeting met andere culturen zal ook voor leerlingen op zulke scholen de moeite waard zijn. In voorkomende gevallen zullen scholen in hun schoolgids kunnen verantwoorden dat zij een zodanig multiculturele samenstelling hebben, dat alleen al daarmee de cultuurontmoetingsfunctie is gerealiseerd.

De leden van de D66-fractie vragen of het wenselijk is om de cultuurontmoetingsfunctie verplichtend op te leggen en vragen hoe de scholen in delen van het land met een mono-etnische samenstelling op structurele basis ontmoetingen zullen gaan organiseren. De indieners achten het ontoereikend om te kiezen voor stimuleringsmaatregelen. Zoiets zou immers vooral prikkels geven aan scholen die op dit punt toch al aan de weg timmeren en niet leiden op het beoogde effect dat alle scholen initiatieven ontplooien. De indieners onderkennen dat de realisatie van cultuurontmoetingsfunctie in sommige regio's lastiger kan zijn, hoewel de indieners ook zien dat deze mono-etnische delen van Nederland steeds kleiner worden. In alle gevallen krijgen ook deze kinderen in hun latere leven, bijvoorbeeld als zij gaan studeren of elders gaan werken, alsnog te maken met andere culturen. Het zou goed zijn als zij al eerder op school daarmee te maken hebben gehad. De indieners willen vooral niet de manier waarop voorschrijven maar scholen kunnen bijvoorbeeld ontmoetingen organiseren door via bijvoorbeeld chatten of een wederzijds schoolbezoek met gezamenlijke activiteiten te organiseren. Maar, nogmaals, dat is dus de creativiteit van de school.

Taalbeleid

De leden van de CDA-fractie stellen dat taalachterstanden zo vroeg mogelijk dienen te worden weggewerkt, maar vragen waarom er een wettelijke bepaling noodzakelijk is voor deze zorg. De indieners hechten eraan dat scholen ertoe worden gebracht om hun taalachterstandenbeleid te formuleren. Zonder dat het beleid is geformuleerd, is het moeilijk om ook op schoolniveau te discussie te voeren over de mate waarin het beleid toereikend is.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de consequenties van de bezuiniging op onderwijsachterstandenbeleid voor kosten van het wetsvoorstel en vragen of de indieners ook over hun initiatiefwetsvoorstel spreken met organisaties in het onderwijsveld. De indieners zijn het eens met de leden van de PvdA-fractie dat voorkómen beter is dan genezen, en zij zien de gevolgen van de bezuiniging op onderwijsachterstandenbeleid met grote zorg tegemoet. Ook onder deze omstandigheden blijft echter de noodzaak bestaan dat scholen hun beleid ten aanzien van taalachterstanden formuleren en kenbaar maken. De indieners hebben inmiddels gesproken met verschillende betrokkenen uit het onderwijsveld. Dit gesprek vond plaats op 8 december 2004. De meningen van aanwezigen liepen uiteen van zeer afwijzend tot zeer positief.

2. UITVOERINGSGEVOLGEN

De leden van de CDA-fractie kunnen zich niet voorstellen dat de verantwoording in schoolplan en schoolgids niet zal leiden tot extra regeldruk of administratieve lastendruk. Zij vragen om een dereguleringstoets uit te laten voeren en vragen naar het oordeel van onderwijsorganisaties over de uitvoeringsgevolgen. De indieners menen dat de druk die een passage in het schoolplan en de schoolgids met zich meebrengt, moeilijk valt te kwantificeren. De indieners vinden dat hun initiatiefwetsvoorstel een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de bestrijding van een van de ernstigste problemen waarmee de huidige samenleving te maken heeft. Van een dereguleringstoets verwachten zij weinig heil. Zo betreft de operatie «Kappen dor hout» van de minister van Onderwijs 612 regels die formeel nog wel gelden, maar al lang niet meer worden gebruikt. Dat betekent dus dat ze ook nauwelijks vermindering van de bureaucratie voor scholen opleveren. De indieners gaan ervan uit dat hun wetsvoorstel geen extra kosten voor de scholen met zich meebrengt, maar mocht dit na verloop van tijd na inwerkingtreding toch het geval blijken, dan zijn zij bereid om te bezien of daartoe middelen moeten worden vrijgemaakt. Sommige onderwijsorganisaties suggereren dat het initiatiefwetsvoorstel wel degelijk zware uitvoeringsgevolgen met zich zullen meebrengen. De indieners zijn het met hun standpunt niet eens om dezelfde redenen, waarom zij deze kritiek van de leden van de CDA-fractie afwijzen. Zij constateren dat er sprake is van een dubbele argumentatie: eerst zegt men dat er geen wettelijke regeling hoeft te komen omdat het al gebeurt, en vervolgens is het bezwaar dat het teveel tijd kost. Die vlieger gaat dus niet op. Het is het één of het ander. Overigens zou dit dan ook gelden voor het wetsvoorstel van de minister.

Meer principieel zijn de indieners van mening dat logisch sluitstuk van een benadering waarbij scholen veel eigen vrijheid en verantwoordelijkheid hebben, een transparante verantwoording is van hoe met deze vrijheden en verantwoordelijkheden is omgegaan. Een verantwoording die, zoals gezegd, vooraf en achteraf vorm krijgt, waarbij zowel de ouders hun invloed kunnen hebben als de overheid. De onderwijsinspectie kan toezien op de daadwerkelijke invulling van de gegeven vrijheid en verantwoordlijkheid. De enquetecommissie «Blok» pleitte in haar conclusies een aanbevelingen voor het wegnemen van vrijblijvendheid bij zowel de migranten als bij de instituties van de ontvangende maatschappij. Om die reden mag het nader vormgeven van de belangrijke rol van het onderwijs in het integratieproces geen vrijblijvendheid meer zijn maar is een wettelijke plicht dringend gewenst.

Hamer

Dijsselbloem

Kraneveldt