29 664
Binnenvisserij

nr. 97
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 maart 2010

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 heeft op 3 februari 2010 overleg gevoerd met minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 13 november 2009 over de beleidsvoornemens met betrekking tot de binnenvisserij en de verankering van de VBC’s en de visplannen (29 664, nr. 94);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 26 november 2009 over de motivering van de rechtbank inzake de voorlopige voorziening voor de visserij op wolhandkrab met aalfuiken (32 123-XIV, nr. 70);

– de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 7 januari 2010 over de motivering van de rechtbank inzake de voorlopige voorziening voor de visserij op wolhandkrab met aalfuiken (32 123-XIV, nr. 132).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Atsma

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Dortmans

Voorzitter: Koppejan

Griffier: Peen

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Atsma, Jacobi, Koppejan, Ouwehand, Polderman, Snijder-Hazelhoff en Van der Vlies,

en minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Goedemorgen, ik heet iedereen en in het bijzonder de minister van harte welkom bij dit algemeen overleg over binnenvisserij.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Het is goed dat we een overleg starten over de beleidsvoornemens van de binnenvisserij. We vinden het MSC-keurmerk een goede ontwikkeling. Wat doet het ministerie om de sectororganisatie hierin bij te staan? Zij geeft zelf aan een plan van aanpak op te stellen en voor financiële ondersteuning te zorgen. Is dat wat de minister voor ogen heeft met de primaire verantwoordelijkheid van de sector zelf?

Dan kom ik bij de VBC’s (visstandbeheercommissies) en de visplannen. De PvdA is blij dat er een planmatige bevissing moet komen per VBC-gebied. De PvdA heeft meermalen, ook per motie, deze wens geuit. Deze planmatige bevissing wordt verplicht gesteld. Voor de staatswateren en het IJsselmeer is dit relatief eenvoudig, via huurovereenkomsten, te regelen. Kan de minister voor de overige wateren zorgen voor een snelle aanpassing van de regelgeving, zodat er niet al te lang twee verschillende regimes naast elkaar bestaan? Ik ben bezorgd over de VBC’s en daar is ook alle reden toe. Beroepsvissers kijken heel argwanend tegen deze ontwikkeling aan. Zij vragen zich af welke positie zij straks zullen hebben. Zij zijn ook argwanend ten opzichte van de sportvisserij. De sportvissers willen graag met de beroepsvissers een doorstart maken op het gebied van monitoring. Ze willen de beroepsvissers betrekken bij de registratie van de visstand. Ik vraag de minister om vandaag een brug te slaan. De VBC’s kunnen een manier zijn om de vissers weer bij elkaar te krijgen. Er moet vertrouwen zijn dat we het met goede visplannen in de gebieden kunnen gaan regelen. Ik denk dat LNV op dit moment niet op afstand moet blijven, juist gezien de argwanende geluiden. LNV moet gaan sturen. Hoe krijgen we dit op het juiste spoor?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De PvdA-fractie heeft natuurlijk ook zorgen over het feit dat natuur- en waterbeschermers niet in de beleidsvoornemens zijn opgenomen. Vooralsnog ontbreekt het aan duidelijke rijksdoelstellingen met betrekking tot het beheersen. Maakt mevrouw Jacobi zich daar inderdaad zorgen over?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ja, dat zijn ook mijn zorgen. Deze zorgen spelen sowieso een rol. De zorgen die ik net noemde, hadden echter meer een menselijke insteek. Uiteindelijk zijn het de mensen die het tot een succes maken. Als we al zo starten, ook gezien de zorgen rondom de natuur, zie ik het zwerk drijven. Ik hoop eigenlijk dat het een frisse start wordt.

Dan kom ik bij de visplannen. Gaat het om één visplan per vissoort? Of gaat het om één visplan voor een heel gebied? Komen er aparte visplannen voor sportvissers en beroepsvissers?

Een van de beleidsvoornemens is dat er gewerkt zal worden aan het verhogen van de dekkingsgraad van de VISpas. In het persbericht van Sportvisserij Nederland bij de presentatie van de VISpas 2010 staat dat er meer wateren onder vallen, maar dat er ook enkele belangrijke wateren zijn uitgevallen, zoals de Waal, de Maas en de Lek. Beroepsvissers hebben de opname hiervan in de VISpas tegengehouden. Eerder hebben wij aangekaart dat dit een zwak punt is in de VISpas. Als visrechthebbenden of federaties bepaalde wateren niet willen inbrengen, kunnen alleen de leden van de federatie of de visrechthebbenden daar terecht. De reguliere sportvisser heeft zo het nakijken. Ik denk dat dit niet goed is voor het uitrollen en de acceptatie van de VISpas. De minister schrijft dat het breed uitrollen van de VISpas handig is zodat de visser niet op elk water met verschillende voorwaarden te maken krijgt. Kan de minister hier een actievere rol in spelen en bevorderen dat er meer wateren in de VISpas komen? Kan zij in ieder geval ervoor zorgen dat er geen wateren meer uitvallen? De minister zegt dat zij inzet op stroomlijning van de VISpasvoorwaarden. Wat gaat zij doen om te voorkomen dat gestroomlijnde uniforme voorwaarden conflicteren met het maatwerk dat de VBC’s vragen?

Wij zijn niet overtuigd van de noodzaak om de Kamer voor de Binnenvisserij volledig op te heffen. De ervaring en kennis van deze organisatie hebben we juist nodig bij het opstellen van de visplannen. Het opheffen lijkt mij dus een foute zaak.

Dan kom ik bij de stroperij. Is er op dit gebied sprake van versterking? Ik hoor geluiden dat het team in Friesland dat zich bezighoudt met stroperij mogelijk door bezuinigingen wordt opgeheven. Ik denk dat dit niet kan. De stroperij-aanpak is juist een succesvoorwaarde voor de VBC’s en voor het sturen op onze binnenwateren.

De regels voor nachtvisserij en electrovisserij worden vervangen door algemene regels. Wij denken dat dit gevaar van stroperij oplevert, als deze regels in de algemene regels worden opgenomen. Hierdoor kan er een versoepeling van de regels optreden. Moeten de vergunningen voor nachtvisserij niet ook onderdeel worden van de visplannen?

Mijn laatste opmerkingen gaan over de recreatieve visserij op de Wadden. Daar is veel correspondentie over geweest. De aanleiding hiervoor was het reguleren van de staandwantmethode, met name aan de Noordzeekant. Het blijkt nu dat alle beperkingen, op het gebied van staandwantvisserij en het Aalbeheerplan, op de schouders terechtkomen van de allerkleinste beroepsvissers en de recreatieve visserij op de Wadden, die daar al eeuwenoud is. Ik vind dat we een beetje zijn doorgeslagen.

De heer Polderman (SP): Voorzitter. De rust lijkt enigszins te zijn weergekeerd voor de binnenvisserij. We hebben brieven vol plannen en beloften gekregen. Het is een goed idee dat er een keurmerk komt. Er komen eindelijk VBC’s en visbeheerplannen. De visakte wordt afgeschaft en er komt één PO (productenorganisatie). Die rust is hard nodig, want we konden vorig jaar door de bomen het bos amper meer zien, met alle AO’s, VAO’s, moties en amendementen over de binnenvisserij.

Echter, hoewel de rust in deze «ballentent», als ik dat zo oneerbiedig mag zeggen, is wedergekeerd, is dat buiten deze muren niet het geval. Er is nog geen cent uitbetaald. Er is nog geen oplossing voor de wolhandkrab of de zegenvisserij. Er zijn nog geen werkzame VBC’s. We hebben vooralsnog ook nog geen idee of er al één paling meer in de Sargassozee is gearriveerd. In de maanden september, oktober en november moet het gebeuren voor de palingvissers. Ze verdienen dan 40% van hun jaaromzet. Via de commissie hebben we om een evaluatie gevraagd. De minister heeft in haar brief laten weten welk onderzoek gepland staat. Ze schrijft dat de precieze cijfers met betrekking tot het aalverbod echter nog niet te geven zijn. Toen ik om de evaluatie vroeg, had ik wat meer voor ogen. Ik wil ook weten wat de gevolgen zijn voor deze beroepsgroep. Hoeveel zijn er überhaupt nog over, na deze moeilijke maanden waarin geen visser een cent heeft ontvangen? Ik heb de voorwaarden gezien van het Productschap Vis en ik vraag me af of iedere visser daaraan kan voldoen. Willen wij nog wel een beroepsvisserij in Nederland? Willen wij de eeuwenoude kennis over onze rivieren behouden of willen wij deze kwijt?

Bij wolhandkrabben gaat het niet zozeer om de handhaving, maar vooral om de wil. De vissers zijn innovatief. Dat is logisch, want hun toekomst staat op het spel. Ik kreeg een brief van de voorzitter van de Vereniging van Beroepsvissers, waarin hij verschillende methoden om aalvrij wolhandkrabben te vangen beschrijft. Die methoden zijn allemaal afgewezen met het argument van handhaving. Eerder stelde ik al dat er gehandhaafd moet worden tijdens het aalverbod. Het controleren van een visfuik en een aangepaste visfuik moet sowieso gebeuren. Wie schetst mijn verbazing toen ik las dat de methode van stukjes fuikenwand aan de voorkant van de schietfuik een voorstel was van de AID zelf. Is dat zo? Waar staat de minister dan met haar handhavingsargument, als de AID zelf een dergelijk voorstel doet? De rechter heeft gehakt gemaakt van het beleid van de minister met betrekking tot het regelen van de compensatie. De rechter stelt ook dat het handhavingsprobleem niet op het bordje van de visser terecht hoeft te komen. Kan de minister aangeven hoe dit traject verder verloopt? Zijn er al meer vissers die naar aanleiding van deze uitspraak naar de rechter zijn gestapt? Veel van de ellende kan opgevangen worden door een verbod op het vangen van aal in de bewuste maanden in combinatie met een aanlandingsverbod. Is de minister bereid om voor de komende stop de noodwet aalvistuigen te vervangen door een aanlandingsverbod op paling? Zo nee, waarom niet?

Wat gebeurt er als de VBC’s in januari 2011 niet gereed zijn? Verschillende vissers vissen in verschillende gebieden. Dat kost tijd en geld. Tot nu toe is het nooit gelukt om de VBC’s werkzaam te krijgen. De belangrijkste oorzaak daarvoor is dat de belangen van de beroepsvisserij en van de sportvisserij niet zo eenvoudig te verenigen zijn. Naar aanleiding van het initiatief van de supermarkten om geen aal meer te verkopen, wordt in Hét Visblad, dat door de sportvisserij wordt uitgegeven, het volgende gesteld: «Het past uitstekend binnen de visie van Sportvisserij Nederland om te komen tot een volledige stop op de exploitatie van aal, op het gebied van de visserij, kwekerij en consumptie». In alle onderhandelingen over de door de VBC’s op te stellen visplannen draagt Sportvisserij Nederland dit uit. Dat mag, maar op die manier kan dus op geen enkele wijze worden meegewerkt aan een visplan waarin in een enkele vorm sprake is van exploitatie van die aalstand. Zo komen die visstandbeheercommissies er dus niet. Ik stel voor dat LNV zitting neemt in de VBC’s of anders een duidelijke uitspraak doet ten aanzien van de uitgangspunten en de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de door de VBC’s op te stellen visplannen, met inbegrip van het beheer en het herstel van de aalstand. Als we dat overlaten aan de VBC’s, met zulke tegenstrijdige inzichten, is dat vragen om problemen.

Ik verwacht van deze minister dat ze meer doet dan de visserij op papier regelen, zonder enige feeling met de realiteit. We zijn onze beroepsvissers wel wat verplicht, gezien de puinzooi van de afgelopen jaren. Er is nog geen compensatie, er zijn alleen maar stapels nieuwe, dure en tijdrovende verplichtingen. Als we deze beroepstak in stand willen houden, moeten we daar wat voor doen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): De heer Polderman zegt dat er zo niets van de VBC’s terechtkomt. Die zorg deel ik. Hij zegt dat LNV in ieder geval deel moet gaan uitmaken van de VBC’s. Zou er niet ook nog meer regie nodig zijn? Ik vind alleen er deel van uitmaken te mager. Wat zou er nog meer moeten gebeuren?

De heer Polderman (SP): Ik was blij dat de PvdA ook zei dat LNV er veel meer bij betrokken moet zijn, met name met op het regievlak. Voordat de VBC’s aan het werk gaan, moeten we duidelijke uitgangspunten en doelstellingen krijgen die ten grondslag liggen aan de door de VBC’s op te stellen visplannen. Ik vraag dus net als u om regie. Ik denk dat een taak als onafhankelijke scheidsrechter of regisseur voor LNV daar zeker bij past. Als dit niet gebeurt, zal het niet lukken. Dat is de praktijk van de afgelopen jaren.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog een vraag over de wolhandkrab. Men heeft ervaring opgedaan met het vangen van wolhandkrab door middel van een pvc-buis. Je zou dit als een pilot kunnen zien. De minister heeft gezegd dat dit niet algemeen geldend is. Is het u bekend wat deze «pilot» heeft opgeleverd? Zouden we hier het komende jaar in de praktijk ons voordeel mee kunnen doen?

De heer Polderman (SP): Nee, want ik denk juist dat het probleem is dat alles verboden is. U spreekt van een pilot. Een aantal vissers heeft het in de praktijk geprobeerd. Zij werden in de weg gezeten, zeker niet gestimuleerd. Er is een uitspraak geweest van de rechter in Leeuwarden die een van de vissers in het gelijk heeft gesteld. De rechter zei dat het niet op het bordje van de visser ligt om dit te doen. Hij beriep zich hierbij op de tijdsdruk die erop zat. Het woord «pilot» is dus wat mij betreft te positief en te optimistisch. Was het maar een pilot geweest. Het is alleen maar moeilijker geworden. Als er weer een verbod komt in die maanden, kunnen we het voor volgend jaar beter regelen. Dan is de tijdsdruk eraf. Ik pleit voor een aanlandverbod gecombineerd met een vangstverbod, zodat we de bijverdienste van de vangst van wolhandkrab met aangepaste aalfuiken beter kunnen regelen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Zou het niet handig zijn als we in de komende maanden alsnog met die systematiek in de praktijk gaan kijken naar een praktische manier voor handhaving, zonder daarbij in bureaucratie te verzanden?

De heer Polderman (SP): Dat lijkt mij een goed idee, maar ik ben benieuwd of de minister dat toestaat.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. We spreken vandaag over de binnenvisserij, met twee belangrijke stromingen, de sport- en de beroepsvisserij. Voor de VVD-fractie zijn sport en hobby belangrijke issues. In dit geval wil ik echter toch benadrukken dat we ons moeten realiseren dat we een grote verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van de beroepsvisserij. Er is een hoop gebeurd de afgelopen jaren. Veel beroepsvissers verkeren in financieel zwaar weer. Er moet duidelijkheid komen over de vraag wat wel of niet kan. Vissers moeten zekerheid krijgen over de vraag met welke netten ze mogen vissen. Dat staat voor ons als een paal boven water.

Wij vinden dat men in een goede harmonie uit de VBC’s moet komen. Als niet duidelijk is dat de sportvisserij en de beroepsvisserij daarmee gezamenlijk uit de voeten kunnen, wordt het helemaal niets. Ook wij vragen daarom aan de minister om veel meer sturend aanwezig te zijn en oplossingsgericht naar wegen te zoeken. Als we resultaten willen voor de toekomst, moeten we daaruit kunnen komen.

In een vorig debat heeft de minister toezeggingen gedaan over de zegenvergunning. De heer Van der Vlies heeft daar nadrukkelijk om gevraagd. Uit het veld horen we dat er op ambtelijk niveau allerlei andere signalen zijn. Er is nog helemaal niets geregeld. De afspraken die we gemaakt hebben, zijn dus een farce.

Minister Verburg: Voorzitter, mag ik via u aan mevrouw Snijder vragen om zo feitelijk mogelijk aan te geven welke geluiden zij hoort? Anders is het voor mij onmogelijk om daar adequaat op te reageren.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De minister heeft in een debat op 19 maart 2009 de heer Van der Vlies toegezegd dat de beroepsvisserij zich geen zorgen hoeft te maken over de uitgifte van de zegenvergunningen. Ik ben niet de enige die kritiek heeft. Volgens mij zei de heer Polderman ook dat er niets is geregeld. Ik heb gehoord dat de dag na dat debat de uitspraak van de minister over de uitgifte van zegenvergunningen op ambtelijk niveau werd tegengesproken.

Minister Verburg: Het gaat om één zegenvergunning, toch? We moeten even precies zijn.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ja. Ik ben overigens niet de enige die dit signaleert.

Dan kom ik bij de financiële vergoedingen. We hebben afspraken gemaakt over het Aalbeheerplan. Deze hebben grote gevolgen. Hoe staat het met de uitbetaling van de uitkeringen waar we over hebben gesproken? Tot nu toe is er niets geregeld.

We hebben meerdere keren gesproken over het vissen op de wolhandkrab. De wolhandkrab is een exoot. Eigenlijk moeten we heel blij zijn dat vissers de wolhandkrab opvissen en dat deze voor hen van waarde is. Mevrouw Jacobi zei dat de vissers al van alles hebben geprobeerd. De AID is zelfs helemaal weg van een van de proeven of pilots die de sector zelf wil. Er is echter ook hier niets geregeld. Waar gaan we naartoe? Wanneer geven we duidelijkheid, zodat de sector met goede netten op de wolhandkrab kan vissen?

Zoals iedereen zich wellicht kan herinneren, waren we heel kritisch over het Aalbeheerplan dat we in gang hebben gezet. We hebben toen ook gezegd: zijn we niet weer het braafste jongetje van de klas? Glasaalverboden zouden toch op Europees niveau geregeld moeten worden? Ik hoor dat Frankrijk via allerlei slinkse wegen probeert om toch glasaal te kunnen blijven exporteren. Ik hoor dat een aantal andere lidstaten, zoals Duitsland, Engeland, Noord-Ierland, Spanje, Portugal en Italië, gewoon doorgaat met zijn palingvisserij, en waarschijnlijk dus nog geen aalbeheerplan in Brussel heeft neergelegd en goedgekeurd. Hebben wij op onze sector op achterstand gezet? Wat is de uiteindelijke winst voor de paling die naar de Sargassozee zou moeten?

Minister Verburg: Mag ik ook hier de bron van hebben? U hebt het over verschillende landen. Hebt u daar ook bronnen van?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Wij hebben allemaal bronnen. De bronnen zitten hier. We krijgen e-mails. U hebt er geen idee van hoe benaderbaar Kamerleden zijn. Ik vraag de minister wat ervan waar is. Ik ga ervan uit dat de minister weet wat er op Europees niveau wel of niet is geregeld. Ik ventileer hier de ongeruste geluiden die ik hoor. Het is niet de bedoeling dat wij alles verbieden en dat de Fransen uiteindelijk toch gewoon glasaal exporteren.

Ik deel de mening van mijn voorganger over de vergunningen voor de nachtvisserij en de electrovisserij. Dit moet goed geregeld blijven. Anders zijn er grote risico’s dat er dingen gebeuren die wij niet willen. De vergunningen moeten onder de VBC’s vallen.

Als laatste wil ik iets zeggen over de recreatieve visserij op de Wadden, hoewel dit onderwerp misschien een beetje buiten dit AO ligt. Waarom moet daar zo scherp gelaveerd worden? Die visserij functioneert al zo lang op de Wadden en heeft daar geen schade berokkend. Wij hebben inmiddels een motie van de eilanden, waarin wordt verzocht om actie. Deze motie heeft de minister ook ontvangen. Ik vraag de minister om daar met een ruimere blik naar te kijken. Wat is er in alle voorgaande jaren daar gebeurd? Ik vraag de minister om niet met een vrij strakke hand te zeggen dat er niets mag. Dat is de dood in de pot voor de Wadden.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Bij het wetgevingsoverleg Visserij heb ik een brandende vraag gesteld. Hoe wordt het nu eindelijk eens mogelijk dat de sportvissers en de beroepsbinnenvissers op één lijn komen? Dat moet wel een keer gebeuren. Mevrouw Jacobi zegt dat er aan de ene kant argwaan leeft, maar dat er aan de andere kant ook bereidheid is bij de sportvissers. Ik ga maar eens aan de andere kant uit de boot hangen. De heren van de sportvisserij zitten op de tribune; ze moeten maar even geen stekels opzetten, maar ik hoor juist dat de sportvisserij eigenlijk de beroepsbinnenvisserij gevangen houdt door onverzettelijkheid, door het niet tonen van goede wil om er samen op een constructieve manier uit te komen. Het kan niet van één kant komen. Ik ga dan maar aan de beroepsbinnenvisserijkant hangen. Er zijn hardnekkige signalen dat men in het overleg te weinig naar elkaar toe komt door een stelselmatig «njet». Dat schiet niet op. De minister gaat nog steeds uit van de goede wil van beide kanten. Ik wil dat ook graag doen, maar dat moet nu eindelijk, na alle jaren dat we hiermee bezig zijn, gaan blijken. We moeten komen tot een constructief visplan. Daarin moeten de ecologische en de economische duurzaamheid van de sportvisserij, maar in het bijzonder van de beroepsbinnenvisserij leidend zijn. Daar moet tenslotte een boterham verdiend worden. Ik vraag een toezegging van de minister en een stukje regie, anders schiet het niet op.

Voorzitter: Atsma

De heer Van der Vlies (SGP): Bij de VISpas stuurt men aan op een verhoging van de dekkingsgraad en op een stroomlijning van de voorwaarden. Wat voor effect heeft dit op het gewenste maatwerk voor regionaal visstandbeheer via de visplannen? Het is niet de bedoeling dat verschillen in benadering een rol gaan spelen.

Een systeem van vangstregistratie is belangrijk. Vangstregistratie is een belangrijke basis onder de visplannen. Hoe moet een systeem eruitzien waarin ook sportvissers hun vangst op controleerbare wijze gaan registreren? Dat lijkt mij vooralsnog niet al te gemakkelijk, maar wel nodig.

Het verzet tegen het opheffen van de Kamer voor de Binnenvisserij is vrij breed. Het slechten van geschillen en de expertise die daar is verzameld, zouden op het spel staan. Ik vraag hierop een reactie van de minister.

Dan kom ik bij het vergunningenstelsel voor de nachtvisserij versus de visstroperij. Is het al mogelijk om van het vergunningenstelsel naar de algemene regels te gaan en tegelijkertijd de visstroperij tegen te houden? Ik denk dat er een spanningsveld groeit als dit gaat gebeuren. Ik hoor graag van de minister hoe zij denkt dit in de tang te houden.

Ik heb, zoals mevrouw Snijder zei, de vorige keer een fors punt gemaakt van de zegenvisserij. Naar aanleiding van een mededeling van de minister heb ik toen mijn motie ingehouden. De toekomstvisie biedt wel hoop. De minister wil de verantwoordelijkheid voor de uitgifte van huurovereenkomsten en schriftelijke toestemmingen bij de sectororganisaties leggen. Dat vind ik positief. Daarbij ga ik er wel van uit dat dit ook gebeurt voor de uitgifte van de vergunning voor de zegenvisserij, waarbij de verantwoordelijkheid wordt overgedragen van LNV aan de sectororganisatie voor de beroepsbinnenvisserij, niet aan die van de sportvisserij. Dan krijgen we een herhaling van zetten; daarom vraag ik op dit punt een bevestiging.

Dan kom ik bij het aalbeheer en het verbod op aalvistuigen. Het is toch een heel merkwaardige situatie. Handhaving is een breekpunt voor de beroepsbinnenvisserij op aal en bijvangsten, maar is geen breekpunt voor de terugzetplicht voor de sportvisserij op aal. Waarom is handhaving het breekpunt als verschillende lidstaten nog steeds geen goedgekeurd aalbeheerplan hebben? Dit signaal is namelijk heel hardnekkig. Ik kan ook rugnummers noemen. De sanctie hiervoor is tot nu toe niet uitgerold. De landen zijn net genoemd. Als dit zo is, wringt het. Dat kunnen we niet accepteren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp de vraag van zowel de SGP als de VVD over de andere lidstaten, maar ik verbaas me erover dat beide fracties niet zeggen dat de minister zich in Europa sterk zou moeten maken en de collega’s zou moeten aanspreken. Het lijkt alsof deze partijen vinden dat het ook wel wat minder kan met ons eigen aalbeheerplan. Dat lijkt me niet de bedoeling.

De heer Van der Vlies (SGP): Met alle respect, ik heb mevrouw Ouwehand wel eens sterker meegemaakt. Zij herinnert zich ongetwijfeld wat ik de vorige keer daarover heb gezegd, toen dit ook al aan de orde was. Toen hebben we de minister aangemoedigd. Zij heeft dit volstrekt aanvaard. Zo kennen wij haar ook, daadkrachtig als ze is en hopelijk zal blijven. Als wij hier strenge regels maken, met alle consequenties voor de sector van dien, is het niet de bedoeling dat er een landje verderop een potje van wordt gemaakt. Dat kan toch niet. We hebben de minister daarop aangesproken. Nu zijn we een paar maanden verder en ik hoor dat dit nog altijd niet is geëffectueerd. Daar maak ik bezwaar tegen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij dat zo duidelijk is uitgesproken welke kant we op moeten als het aan de SGP-fractie ligt.

De heer Van der Vlies (SGP): Dan kom ik bij de uitspraak van de rechtbank in Dordrecht over de wolhandkrab. Er is iets merkwaardigs aan de hand met de aangepaste visfuiken. Aangepast aalvistuig is blijkbaar niet te handhaven. Aangepaste visfuiken en aangepast aalvistuig liggen beide onder water. De AID heeft meegedacht en heeft een constructief voorstel van de sector doorgeleid. De inkomenspositie van betrokkenen is zo langzamerhand een kwestie van «to be or not to be». We moeten het niet sentimentaliseren, maar het spant erom voor deze mensen. Daar raak ik geëmotioneerd van. Zelfs de AID vindt dat het op een bepaalde manier kan, maar het wordt toch tegengehouden. Voor het komende seizoen hebben we nog wat ruimte om daarmee aan de gang te gaan, om in samenspraak met de sector tot werkbare oplossingen op dit punt te komen. We moeten de beroepsvissers niet in de kou laten staan.

Ik sluit me kortheidshalve aan bij de vragen die gesteld zijn over de schadevergoedingsregeling.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het gebeurt niet zo vaak, maar als de Partij voor de Dieren de minister steunt, klinkt er van mijn kant tromgeroffel. Dat moeten we vieren. Vorige week was dit het geval in het debat over de Oostvaardersplassen. Wij steunen de minister ook in haar beleid met betrekking tot het Aalbeheerplan en de wolhandkrab. Wij hadden het Aalbeheerplan graag nog wat scherper gezien. Mijn collega’s maken zich zorgen over de vraag of andere lidstaten zich wel aan de afspraken houden. De minister zou misschien kunnen dreigen met de Nederlandse inzet voor een totaal Europees vangstverbod voor paling. Dat zou de andere lidstaten wat angst kunnen aanjagen. We kennen de minister als daadkrachtig, dus wie weet kan zo’n dreiging helpen. Ik zou er erg voor zijn; dat is geen geheim.

De heer Polderman (SP): Ik ken het standpunt van de Partij voor de Dieren over het Aalbeheerplan. Dat kan ik volgen. Steunt mevrouw Ouwehand ook de lijn van de minister met betrekking tot de wolhandkrab? Concludeert ze daarmee dat de vangst van de wolhandkrab ook maar afgelopen moet zijn? Daar komt het namelijk op neer. Dat is toch merkwaardig. Mevrouw Snijder zei net al dat de wolhandkrab een exoot is. Wij zouden blij moeten zijn dat deze gevangen wordt. Dat vissers er iets mee verdienen, is mooi meegenomen. Het verbaast me dat mevrouw Ouwehand dit niet goedkeurt en de sector deze bron van inkomsten wil onthouden. Dat kan ik niet rijmen met haar algemene visie op exoten en dat soort zaken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Volgens mij is het de inschatting van de minister dat het geen invasieve exoot is. Het is dus niet per se nodig om deze dieren uit de wateren te vangen. De heer Polderman kent natuurlijk heel goed onze grote zorgen over met name de manier waarop krabben, kreeften en zeker ook vissen aan hun einde komen. Zolang deze dieren een vreselijke dood tegemoet gaan, staan wij nooit te springen om visserij op welke diersoort dan ook. Kan de minister inzicht geven in de manier waarop de in Nederland gevangen krabben en kreeften aan hun einde komen? Welke technieken zijn er inmiddels onderzocht en beschikbaar om deze beesten een wat humanere dood te bezorgen, dan levend het kokende water in te gaan?

De heer Polderman (SP): Mevrouw Ouwehand zou zich eens moeten verdiepen in de mensonterende manier waarop de prooidieren van de wolhandkrab aan hun einde komen. Dat is pas schrikbarend. De natuur is echt niet zo lief als mevrouw Ouwehand misschien denkt. Wat dat betreft vind ik haar verontwaardiging wat eenzijdig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ons wordt wel eens verweten dat we dieren gelijkschakelen met mensen. Dat doen we nooit. Ik hoor alleen de heer Polderman een soortgelijk argument inbrengen. Ik denk dat mensen met het ingrijpen in de natuur, bijvoorbeeld vissen, jagen of zelfs bijvoeren, een heel andere verantwoordelijkheid hebben dan twee vissen of twee krabben die elkaar tegenkomen onder water en vanuit dringende eerste levensbehoefte de wetten van de natuur volgen. Dat is misschien een heel andere visie dan de SP erop na houdt. Wij denken dat dieren geen mensen zijn en andersom, al valt daar natuurkundig wel wat over te zeggen.

Ik heb zojuist de minister gesteund in haar aalbeheerplan en de beslissingen met betrekking tot de wolhandkrab. Dan is het natuurlijk wel weer uit met de pret, want de minister kent ons als buitengewoon kritisch op haar beleid met betrekking tot de visserij. Ik moest glimlachen bij de inbreng van mijn collega’s over de visstandbeheercommissies. Ik moest denken aan een kleuterklas. Er is een grote zak met snoep en iedereen staat erom te vechten. Wij gedragen ons hier als de kleuterjuf die de snoepjes eerlijk tussen Jantje en Pietje moet verdelen. Ik begrijp heel goed dat er botsende belangen zijn, niet alleen tussen de sportvisserij en de beroepsvisserij, maar ook op het gebied van waterbeheer en natuurbescherming. Echter, voor botsende belangen is de overheid uitgevonden. Deze commissie is breed voorstander van het werken met beheercommissies en beheerplannen, ook bijvoorbeeld bij Natura 2000. Wat zien we daar? We maken er vechtcommissies van. We kunnen wel zeggen dat de overheid zich nergens mee moet bemoeien, maar we zitten hier uiteindelijk wel weer te debatteren over de ruzies die daar ontstaan. Ik vind dat er veel duidelijker kaders gesteld moeten worden. De beslissingen moeten hier vallen. We moeten het beheer van de wateren niet overlaten aan polderclubjes, waarin belangen op individueel niveau worden uitgevochten. Ik vind de insteek van die commissies dus verkeerd.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mevrouw Ouwehand, u hebt twee oren, maar volgens mij hebt u daar een poosje niets mee gedaan. Dat hebben we namelijk net allemaal gezegd. U trekt een vergelijking met een kleuterklas, maar ik heb niemand iets anders horen zeggen dan dat de VBC’s betere sturing moeten hebben. U doet nu alsof u dit zelf hebt bedacht. Uw oren mogen wel eens gewassen worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We blijven wel werken met zulke commissies. Ik hoor mevrouw Jacobi niet zeggen dat we vandaag gaan bepalen wat de doelstellingen zijn en er desnoods een verdere uitvoering aan geven. Mevrouw Jacobi is voor deze commissies.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ja, om het beheer te organiseren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan had u duidelijker moeten zeggen dat het u alleen maar om de uitvoering gaat van hier vastgestelde plannen. Dat is het verschil tussen ons standpunt en dat van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Wij hebben allemaal duidelijk gevraagd om meer sturing. Wat wilt u? Wilt u zeggen dat we alles wel kunnen afschaffen, omdat er toch niet meer gevist wordt?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De Partij voor de Dieren is geen groot fan van de visserij; dat is geen geheim. Er zijn botsende belangen met vooral waterkwaliteit en natuurbeheer. Dat geluid kent u bijvoorbeeld ook van ons bij Natura 2000, maar we miskennen de plek van ondernemers zeker niet. Voor botsende belangen is de overheid in het leven geroepen, vinden wij. Ik heb mijn collega’s alleen maar horen spreken over de sportvisserij en de beroepsvisserij die er samen niet uitkomen, maar hoe zit het met de implementatie van de Kaderrichtlijn Water? Wie komt er op voor de natuurbelangen? Dat belang is zo kwetsbaar; daarom vind ik dat we dit hier veilig moeten stellen in plaats van in zo’n commissie.

Door de interrupties is het al duidelijk dat de Partij voor de Dieren geen voorstander is van het in het leven roepen van polderclubs waarin publieke belangen onderling worden uitgevochten. Wij vinden dat er duidelijke rijksdoelstellingen moeten komen voor deze commissies. We leggen ons neer bij de realiteit dat deze commissies er komen; we krijgen ze niet afgeschaft. Daarom moet er wel zo veel mogelijk gestuurd worden. Dat is dus een ander uitgangspunt dan mijn collega’s vandaag hebben verwoord, maar we hebben maar twee zetels in de Kamer op een totaal aantal van 150. Vanuit de gedachte dat we dus niet om die commissies heen kunnen, vraag ik de minister welke mogelijkheden zij ziet om de doelstellingen voor die commissies duidelijker te krijgen. Het gaat ons vooral om doelstellingen vanuit een ecologische benadering, de Kaderrichtlijn Water, natuurbescherming en dierenwelzijn. Er moet gekeken worden naar de manier waarop er wordt gevist en de dieren aan hun einde komen. Laten we vooral ook de Habitatrichtlijn niet vergeten. Welke voorstellen gaat de minister daarvoor doen?

De minister schrijft in haar brief dat het opstellen en het naleven van het visplan de verantwoordelijkheid is van alle deelnemers in de commissie. Het is toch niet de bedoeling dat het naleven alleen maar aan de bereidwilligheid van de commissieleden wordt overgelaten en dat we geen handhaving hebben op bijvoorbeeld de naleving van de Kaderrichtlijn Water? Wie gaat die plannen toetsen? Komt er een toets van die plannen op de vigerende natuurwetgeving?

Dan kom ik bij de Gedragscode van de sportvisserij. De minister heeft in de Nota Dierenwelzijn aangekondigd dat er een evaluatie komt. In de voortgangsrapportage heeft ze geschreven dat die evaluatie in 2009 klaar zou zijn. Dat is kennelijk niet gelukt; we hebben in ieder geval nog niets gezien. Hoe zit het met de bezorgdheid van de minister over het welzijn van de dieren die voor de lol of voor de hobby uit het water worden gehaald en al dan niet worden teruggezet? Ik vraag de minister om een visie daarop. Ik ben benieuwd wanneer de evaluatie komt en of de minister de Gedragscode meestuurt naar de Kamer. Vooralsnog heb ik er nog niet veel over kunnen vinden. Op de website van Sportvisserij Nederland staan drie aandachtspunten, bijvoorbeeld dat men natte handen moet hebben als men een vis beetpakt, maar die lijken me voor een gedragscode nogal magertjes. Wat kan de minister daarover zeggen?

Het lijkt me een slecht plan om het vergunningenstelsel voor de nacht- en electrovisserij af te schaffen. Anderen hebben dit ook al gezegd. Kan de minister hierop reageren?

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Het CDA vindt het een goede zaak dat wij in dit overleg specifiek stilstaan bij de ontwikkelingen in de binnenvisserij, een sector die het moeilijk heeft. Het CDA vindt het van belang dat er ook voor de binnenvisser een toekomst blijft om zijn vak uit te oefenen, eventueel in combinatie met andere water- en visserijgerelateerde werkzaamheden. De initiatieven om de inkomsten van beroepsvissers te verbreden met zogenaamde blauwe diensten, visstandmonitoring en activiteiten op het gebied van toerisme en recreatie juichen wij van harte toe. Wij vragen de minister om deze initiatieven zo veel mogelijk te ondersteunen.

Het CDA vindt het ook een goede zaak dat de minister werk maakt van de verankering van de visstandbeheercommissies. Een decentraal visstandbeheer doet veel meer recht aan de verschillen die er per regio bestaan in de ontwikkeling van visstanden. Een duurzaam, decentraal visstandbeheer, inclusief aalbeheer, maar bijvoorbeeld ook het beheer van andere vissoorten zoals rode baars, dient zo snel mogelijk in de plaats te komen van een generiek vangstverbod op aal. Wij zijn dan ook blij met de opdracht die het ministerie van LNV verstrekt aan een adviesbureau om een wetenschappelijk onderbouwd model voor decentraal aalbeheer te ontwikkelen. Wat is de planning? Wanneer kunnen wij op dit punt een concreet voorstel van de minister verwachten? In dat verband lijkt het ons ook wenselijk dat IMARES in 2010 en volgende jaren weer ontheffing krijgt voor het uitvoeren van onderzoek in de proefgebieden in het benedenrivierengebied en het Friese merengebied.

Om tot een effectief en een financieel beheersbaar decentraal visstandbeheer te komen, hebben wij nog wel een aantal vragen en opmerkingen. Wij vragen ons af of het wenselijk is om te werken met zo’n groot aantal VBC’s. Het zijn er ongeveer 50. Is het mogelijk om dit aantal drastisch terug te brengen en tevens veel meer aansluiting te zoeken bij de stroomgebieden? De stroomgebieden vormen immers ook het uitgangspunt voor de stroomgebiedbeheerplannen ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water.

De nu gekozen opzet van VBC’s, waarbinnen de direct betrokkenen gezamenlijk een visplan opstellen, vraagt om de actieve medewerking van alle, in de VBC betrokken partijen. Als in de praktijk blijkt dat een van die partijen niet meewerkt en het proces frustreert, welke middelen heeft de minister dan om in te grijpen en alsnog af te dwingen dat er op korte termijn een goed onderbouwd visplan ligt? Zou dit niet een argument kunnen zijn om de rechtsprekende functie van de Kamer voor de Binnenvisserij te handhaven binnen een door alle betrokken partijen, beroepsvissers en sportvissers, bepleite «Kamer nieuwe stijl»?

Hoe staat het met het uitzetten van glasaal in kansrijke binnenwateren? In hoeverre wordt er nog uitvoering gegeven aan het idee van het uitzetten van schieraal in de zee?

Er leeft bij velen de behoefte om meer inzicht te krijgen in hoe andere Europese landen in 2009 en de daaropvolgende jaren invulling geven aan het door Europa gevraagde aalbeheerplan en dus aan duurzaam aalbeheer. Is de minister bereid de Kamer een vergelijkend overzicht te geven van de inspanningen van landen als Duitsland, Engeland, Ierland, Noord-Ierland, Spanje, Portugal en Italië? Wat hebben deze landen in 2009 gedaan op het gebied van vangstbeperkingen en het uitzetten van glasaal? Wat zijn ze van plan te doen in de komende jaren?

Hoe staat het met de uitvoering van het amendement-Koppejan/Jacobi? In dit amendement is vastgelegd dat vissers die in 2009 zijn getroffen door een vangstverbod op aal van twee maanden een financiële tegemoetkoming krijgen, waarvoor naast de reeds door de minister toegezegde€ 700 000 door de Kamer nog eens € 500 000 extra beschikbaar is gesteld.

Het CDA vindt het positief dat er binnen de sector gewerkt wordt aan één productorganisatie voor de binnenvisserij. Ook juichen wij de initiatieven toe om tot een MSC-keurmerk te komen voor schubvis en aal. Zijn de middelen voor certificeringsassessments, die beschikbaar zijn gesteld tijdens de begrotingsbehandeling voor 2010 middels het amendement-Koppejan c.s., toereikend om ook aan de vraag van de binnenvissers te voldoen?

Onze complimenten voor Sportvisserij Nederland, die van de VISpas een groot succes heeft gemaakt. Het stimuleren van de verdere implementatie van de Gedragscode Dierenwelzijn voor de sportvisserij, inclusief de evaluatie van de gedragscode, vinden wij een goede zaak.

Wij zijn blij met het wetsvoorstel van de minister om visstroperij als misdaad strafbaar te stellen in de Wet op economische delicten. Hiermee gaat wederom een CDA-wens in vervulling. Wordt de inzet van regionale stroperijteams, inclusief het stroperijteam in Friesland, onverminderd voortgezet? Hoe wordt de bestrijding van visstroperij buiten de kerngebieden aangepakt? Is de huidige opsporingscapaciteit en -inzet met betrekking tot de bestrijding van stroperij voldoende om deze ook daadwerkelijk terug te dringen? Kan de minister aantonen dat met het bestaande beleid de visstroperij afneemt?

Ik sluit me aan bij de opmerkingen van mijn collega’s over de wolhandkrab. Ik vraag de minister dringend om in overleg met de visserijsector te zoeken naar een andere aanpak, waarbij de vangst van wolhandkrab voortgezet kan worden.

Ik sluit af met de evaluatie van de Regeling gebruik grote vistuigen. Deze regeling is meer dan een jaar geleden in werking getreden. De minister heeft toegezegd om deze op haar effectiviteit te evalueren. Zou ze dit ook willen doen? Ik pleit voor meer maatwerk met betrekking tot het beëindigen van de recreatieve staandwantvisserij. De Uitvoeringsregeling visserij zou volgens de CDA-fractie moeten voorzien in de mogelijkheid tot ontheffing voor kleinschalige vormen van recreatieve visserij met vaste vistuigen, al dan niet gekoppeld aan maatvoering van die vistuigen en of de periode waarin daarvan gebruik gemaakt mag worden.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in eerste termijn. Ik ben erg blij dat we vandaag spreken over de binnenvisserij, omdat ik denk dat daar alle reden toe is. De binnenvisserij bevindt zich in woelig water en heeft te maken met grote uitdagingen, waarbij veel ondernemerschap en toekomstgerichtheid worden gevraagd. De binnenvisserij heeft te maken met nieuwe ontwikkelingen, net zoals de sportvisserij. De sportvisserij is een sector met een behoorlijke omzet. Er zijn 2 miljoen beoefenaren van de sportvisserij. De sportvisserij heeft ook een effectieve en goede organisatie. Beide sectoren hebben in toenemende mate te maken met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen en ook met nieuwe doelen, zoals het belang van natuurontwikkeling, waterbeheer, visstandbeheer en dierenwelzijn. Deze stellen allemaal eisen voor nu en voor de toekomst aan beide sectoren en de overheid. Daarom gaan we stevigere beleidsvoornemens neerzetten met betrekking tot de binnenvisserij. Deze heb ik eind vorig jaar aan de Kamer gestuurd.

Een van de belangrijkste onderwerpen is het steviger inzetten op de visstandbeheercommissies. Ik ben blij dat de Kamer daar ook voor voelt. We zijn al tien jaar bezig om die commissies te stimuleren. We gaan dit nu met wat meer voortvarendheid doen, omdat we zien dat in een aantal gebieden de drive en de motivatie er is om met een visstandbeheercommissie te gaan werken, maar dat er ook gebieden zijn waar dit niet zichtbaar is. In die gebieden heb ik al een aantal keren iemand gevraagd om met de mensen om de tafel te zitten om te kijken of er visstandbeheercommissies tot stand gebracht kunnen worden. Er zijn heel wat burgemeesters in Nederland die geprobeerd hebben om daartoe te komen, met uitnodigingen en ook door het uitoefenen van iets meer druk. Dat heeft allemaal niet geholpen. In sommige gebieden blijft een soort tegendruk bestaan om te komen tot die visstandbeheercommissies. Ik herinner me heel helder de debatten die we in de Kamer hebben gevoerd over het Aalbeheerplan. Ook daar werd de bijna wanhopige vraag gesteld: waarom werken in sommige gebieden de visstandbeheercommissies niet? Waarom zijn die er nog niet? In alle gebieden hadden die visstandbeheercommissies er kunnen zijn, als degenen die een rol daarin spelen het belang en de meerwaarde ervan zouden zien. Deze spelers hebben namelijk een belangrijke rol. Het heeft meerwaarde om met elkaar in een commissie te zitten en afspraken met elkaar te maken over de uitvoering, de handhaving en de registratie. Partnerschap heeft meerwaarde. Dat had men moeten zien. Ik ben de Kamer zeer erkentelijk voor de steun om meer verbindend werk te maken van de visstandbeheercommissies dan tot nu toe is gebeurd of gelukt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): U gaat het toch in de Visserijwet opnemen?

Minister Verburg: Ja, maar ik heb veel liever dat de meerwaarde ook in de praktijk wordt erkend. Ik verwijs graag naar de manier waarop we er met de mosselsector en de natuurorganisaties in het Waddengebied zijn uitgekomen. Ik heb al eerder gezegd dat men, na jaren elkaar de tent uit te vechten, een jaar met elkaar bezig is. Beide organisaties vinden het vreemd dat ze er zo lang over gedaan hebben, omdat ze nu heel plezierig samenwerken. Dit is echt een win-winsituatie. Sterker nog, ze vinden elkaar zelfs aardig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is natuurlijk prachtig en die champagne zal best goed gesmaakt hebben, toen dat convenant werd gesloten. Het gaat erom dat er afspraken zijn over de bescherming van de natuur en dat deze ook door de overheid worden nageleefd. Dat gebeurde echter niet bij het voorbeeld dat de minister aanhaalt. Er was overeenstemming over de mosselvisserij in de Waddenzee, maar uiteindelijk bleek deze niet te voldoen aan onze Natuurbeschermingswet. Toen deze beslissing werd aangevochten door een andere club, moest de Raad van State met een uitspraak komen. Dit is toch geen voorbeeld om aan te geven dat het werkt? Dat mensen elkaar aardig vinden, is misschien leuk, maar dat was het doel niet.

Minister Verburg: Het is jammer dat mevrouw Ouwehand er weer over begint. Op de vergunning was al dat voorbehoud gemaakt. De natuurbeschermingsorganisaties hebben ingestemd met die stap. Vervolgens is er een organisatie die nog meer wil en naar de Raad van State stapt. Dat is haar goed recht, maar ik vind het in de hele ontwikkeling wel erg jammer.

We hebben het nu over de VBC’s en ik wil de samenwerking in het Waddengebied toch als voorbeeld houden. We gaan stappen zetten en deze meer wettelijk verankeren. We doen dit door de voorwaarden aan te scherpen. Ik heb met de beroepsvisserij, de sportvisserij en de waterbeheerders gezocht naar een aanpak en een organisatiemodel waarmee dit kan. Eind vorig jaar heb ik de VBC-voorwaarden in huurovereenkomsten van de staatswateren aangescherpt. Deze vormen het merendeel van de Nederlandse binnenwateren, ongeveer 80 000 hectare. In dit gebied opereert een aanzienlijk deel van de Nederlandse beroepsbinnenvisserij. In de huurovereenkomsten is per 1 januari van dit jaar naast de verplichte deelname aan de VBC’s, ook de verplichting tot het opstellen van een visplan opgenomen. Per 1 januari 2011 moeten vissers deze visplannen gereed hebben en gaan vissen volgens die plannen. Ik heb in mijn brief van november geschreven dat we starten met de voorbereiding van regelgeving, om ervoor te zorgen dat die verplichting tot het opstellen van visplannen en het vissen volgens die plannen uiteindelijk voor alle binnenwateren gaat gelden. Dan hebben we een sluitend stelsel.

Verschillende sprekers zijn ingegaan op de verbreding en de versterking van de beroepsvisserij. Ik zou die ook mede willen stimuleren. We zien bijvoorbeeld meer mogelijkheden door het beter vermarkten van producten, bijvoorbeeld door certificering. Meerdere sprekers hebben gezegd dat die certificering van groot belang is en ik ben het daarmee eens. Het budget is toereikend om de overheidsrol ten aanzien van de certificering te spelen. Het is een certificaat dat uit de markt moet komen. De ondernemers hebben daarin zelf een verantwoordelijkheid. Waar we kunnen steunen, zoals we dat doen bij de Waddenzee en de Noordzeevisserij, zullen we dat doen.

Andere versterkingspunten zijn de verbreding van de visserij naar andere soorten, zoals wolhandkrab en schubvis, het inzetten van beroepsvissers in onderzoeks- en beheertaken en het benutten van de toeristische potentie. Het is wel van belang dat de sector daarover zelf onderling afspraken maakt, maar ook met de sportvisserij. Ik zie dat er initiatieven worden genomen. Men zet zich in voor certificering; dat is mooi. De beroepsvissers worden opgeleid voor het doen van onderzoeksvisserijen en monitoring. Vissers vissen al op wolhandkrabben en rivierkreeften in een aantal visstandbeheercommissies. Het kan dus wel. Er zijn inmiddels ook afspraken gemaakt over de benutting van de schubvis.

Wij stimuleren het ontwikkelen van businessplannen en bedrijfsplannen en we laten daar cursussen in geven. Dat is een belangrijk punt, omdat dit het ondernemerschap kan versterken. Het helpt vissers bij het nadenken over een toekomstige markt, marketing en marktbewerking. Dat is van groot belang.

Hoe zit het met het vergunningenstelsel voor nacht- en electrovisserij? Dit zal op den duur worden opgenomen in de algemene regels, maar dit moet zorgvuldig gaan, niet van de ene op de andere dag. Het is wel van belang dat we daarnaar toe werken de komende tijd.

Mevrouw Jacobi vroeg wanneer de visstandbeheercommissies overal zullen werken en er een met het waterbeheer afgestemd visplan zal liggen. De verscherping in de staatswateren is al rond. Daarmee doen we ook ervaring op. We hebben al een aantal punten geïdentificeerd die ik met mijn collega van Verkeer en Waterstaat wil uitwerken. Dit ministerie speelt hierin ook een belangrijke rol. We moeten het ook hebben over de handhaving. Hoe moet een waterbeheerder handhaven? Uiteindelijk zal de wettelijke verankering van de VBC’s in 2012 volledig zijn, dus ook in de overige wateren. Echter, hoe eerder hoe liever, dat ben ik met de Kamer eens. Als partners samenwerken, kunnen ze daarvan de vruchten definiëren en ook plukken.

Mevrouw Jacobi had het over argwaan bij de verschillende partijen. Ik denk dat er maar één manier is om die argwaan weg te nemen, namelijk door met elkaar aan tafel te gaan zitten en te weten dat men gezamenlijk aan de lat staat. Wij hebben het eerder geprobeerd zonder een wettelijke onderbouwing. Nu leggen we een wettelijke onderbouwing en verbinden deze met de vergunningen. Dan ontstaat er dus een noodzaak om dit te doen. Wij begeleiden dit proces. Er zijn 50 VBC’s. Het zou wel een beetje ingewikkeld worden als LNV in alle commissies zit, maar we investeren erin via de beroepsorganisatie. We stellen die beroepsorganisatie, die overigens nog bezig is om zich organisatorisch te versterken, in staat om de mogelijkheid van begeleiding te geven. We laten het dus niet zomaar over aan de ontwikkelingen in de praktijk.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik begrijp dat, maar wie toetst en beoordeelt de belangenafweging? Anders blijft het een kat-en-muisspel, zoals dat zich de afgelopen jaren hier en daar heeft voltrokken.

Minister Verburg: Dat is een terechte vraag. Dat doet de waterbeheerder. Hij is betrokken bij de visstandbeheercommissie, hij geeft de rechten van het water uit en hij stelt uiteindelijk het visplan vast. Met de verschillende waterbeheerders ontwikkelen wij een uniform en helder systeem. Het is niet de bedoeling dat elke waterbeheerder iets anders doet.

De heer Van der Vlies (SGP): Daarbij zijn de leidende principes de ecologische en economische duurzaamheid? Beide principes dus? U begrijpt wel wat ik daarmee wil zeggen.

Minister Verburg: Er moet natuurlijk een balans zijn in ecologie en economie, waarbij ook de sportvisserij betrokken is. U bedoelde dat ongetwijfeld. Alle spelers zitten om de tafel. Het gaat om de balans, waarbij men rekening houdt met de eisen van goed waterbeheer, de Kaderrichtlijn Water en de natuurlijke omstandigheden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wie voert de toets uit op de Kaderrichtlijn Water en de Habitatrichtlijn? Welke mogelijkheden zijn er om een beheerplan dat kwalitatief niet helemaal op orde is, bij te sturen? Kan de minister dit doen? Of wordt het overgelaten aan een beroepsmogelijkheid bij de rechter? Wat is de juridische status?

Minister Verburg: Zo’n visplan is bindend. De waterbeheerder is in veel gevallen ook verantwoordelijk voor goed waterbeheer. Dat valt onder andere onder de Kaderrichtlijn Water. De Kaderrichtlijn Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn niet één op één gelijk, maar liggen wel in elkaars verlengde en worden zorgvuldig beheerd. Een visplan wordt gezamenlijk vastgesteld. Als een van de partijen het er niet mee eens is, is een gang naar de rechter mogelijk. In de praktijk komt men in gebieden waar een visplan werkt en waar een visstandbeheercommissie is tot goede afspraken. De naleving ervan is ook goed geregeld.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mijn vraag aan de minister is een vervolg op wat mevrouw Ouwehand inbracht. Laten we er geen doekjes om winden, er zijn verschillende visies op de vraag hoe we met het aalherstel bezig moeten zijn. Dat is in vorige debatten ook duidelijk geworden. Er is wetenschappelijk onderzoek voor nodig. Ik geloof dat Witteveen+Bos met een dergelijk rapport bezig is. Het duurt nog wel enige jaren voordat we een wetenschappelijke onderbouwing hebben per gebied. Ik denk dat het heel goed is om het aalbeheer te decentraliseren. Per gebied is de aalstand heel verschillend. Heeft LNV hier inmiddels criteria voor opgesteld? Dan krijgen we daar tenminste geen gedoe meer over.

Minister Verburg: Dat is even een ander chapiter. Dat gaat over het Aalbeheerplan. Die visstandbeheercommissies zijn in een aantal gebieden in ontwikkeling. In een paar gebieden, bijvoorbeeld in Friesland, zijn er visstandbeheercommissies die goed werken en waarbij ook de provincie aan tafel zit. Ik heb in een eerder algemeen overleg gezegd dat de regionale uitvoering van het Aalbeheerplan geen eenvoudige zaak is. Ik ben echter wel bereid om te kijken of we tot een pilot kunnen komen. Ik herhaal hier dat het niet zal meevallen, maar ik zie mogelijkheden, als alle spelers positief meespelen en er op tijd een positieve beoordeling overheen komt van ICES. Het moet namelijk Europees wel goedgekeurd worden, om in dat gebied een pilot op te zetten.

We praten hier in het algemeen over het instellen van visstandbeheercommissies. Dat betekent dat hier en daar nog letterlijk moet worden begonnen, ondanks het feit dat burgemeesters en andere mensen op mijn verzoek al heel lang aan de slag zijn geweest om die commissies vrijwillig en op basis van wederzijdse overtuiging op te zetten. Dat lukt maar niet. De inzet van betrokken spelers zelf is hierbij dus cruciaal.

Mevrouw Jacobi vroeg of de visplannen gelden voor een gebied of voor een soort. De visplannen gelden voor een gebied, en dus voor alle visrechthebbenden in dat gebied, zowel sportals beroepsvissers.

Mevrouw Snijder en de heer Polderman vroegen of LNV zitting neemt in de visstandbeheercommissies. De beroepsorganisaties en de waterbeheerders zitten er wel in, LNV niet, maar LNV stimuleert wel de totstandkoming van deze commissies.

Ik ben in overleg met de sectororganisaties voor de beroepsen de sportvisserij over de vangstregistratie. Dit onderwerp is nadrukkelijk aan de orde in het overleg over de aanscherping van de VBC-voorwaarden. Inzicht in de vangsten door de beroeps- en de sportvissers is nodig om in de VBC’s tot een duurzaam visstandbeheer te kunnen komen, maar is ook een voorwaarde om een goed visplan te kunnen opstellen. Dat betekent dat die vangstregistraties permanent en vast onderdeel zullen moeten uitmaken van de werkwijze van de visstandbeheercommissies.

De heer Van der Vlies vroeg hoe ik aan kijk tegen de opstelling van de sportvisserij in de VBC’s ten aanzien van de aal. Het is van belang dat het Aalbeheerplan niet alleen in Nederland, maar in alle Europese lidstaten wordt uitgerold. De Europese Commissie heeft bepaald dat elke lidstaat een aalbeheerplan moet maken. Frankrijk heeft geen vergunning om glasaal te exporteren. Punt. Frankrijk heeft weliswaar nog geen goedgekeurd aalbeheerplan, maar dat betekent nog niet dat Frankrijk zijn gang mag gaan. Frankrijk wil wel glasaal exporteren, maar dat kan niet op grond van de CITES-wetgeving. CITES wil hiervoor alleen maar ruimte geven, als er een goedgekeurd Europees aalbeheerplan ligt. Zo horen de spelregels te zijn. Toen de EU-Commissaris Borg afscheid nam, heb ik met hem daarover gesproken. Hij zei dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat alle Europese lidstaten zo spoedig mogelijk werken met een goed aalbeheerplan. Dat is onderdeel van de punten die hij overdraagt aan zijn opvolger. Als dit niet gebeurt, komt er vanuit Europa een sluiting van een halfjaar tot stand. Ik zal de nieuwe EU-Commissaris scherp houden op het terrein van «gelijke monniken, gelijke kappen». Overigens is in Ierland, een van de landen die mevrouw Snijder noemde, de aalvisserij totaal stilgelegd. Ik zal bij de nieuwe EU-Commissaris het verzoek neerleggen om zo spoedig mogelijk een overzicht te geven van alle aalbeheerplannen en de uitwerking daarvan. Ik hoop dat hiervan gemakkelijk een overzicht is te maken.

De heer Van der Vlies (SGP): De inzet is prima. Laten we hopen dat er bij de nieuwe Commissaris een nieuwe inzet komt om de landen die achterblijven straf aan te pakken. Op papier klopt het nu wel, maar de handhaafbaarheid en het treffen van effectieve sancties ontbreken tot nu toe. Dat is overigens geen verwijt aan de inzet van deze minister. Er is dus al een verzuim. Als anderen niet gehouden worden aan de verplichtingen, wringt dat gigantisch in een sector die zo getroffen wordt in inkomen.

Minister Verburg: Ik zie de grote betrokkenheid van de Kamer als een steun in de rug.

De heer Van der Vlies had een vraag over de houding van de sportvisserij. Ik vind het belangrijk dat beide partijen zich inzetten voor het visstandbeheer en het Aalbeheerplan. Dat kan geen van de partijen alleen. Wij hebben elkaar nodig en ik doe een sterk beroep op iedereen om daaraan een bijdrage te leveren.

Wij hebben eerder gesproken over de Kamer voor de Binnenvisserij. Wij zijn bezig met het terugdringen van het aantal zbo’s. Dat hebben we nodig om de administratieve lasten en de regeldruk terug te dringen. Het besluit is al genomen. Ik zie dat er aarzelingen zijn ten aanzien van twee punten, de visrechten en de geschillenbeslechting. De geschillenbeslechting vindt niet in de Kamer voor de Binnenvisserij plaats. Ik zal kijken of de visrechten kunnen worden ondergebracht en zo ja, hoe en waar. Het rechtvaardigt echter niet het in stand houden van een heel zelfstandig bestuursorgaan. Ik zeg de Kamer toe dat ik dit zorgvuldig zal uitwerken. Ik zal ook nagaan hoe op dit moment de geschillenbeslechting plaatsvindt. Ik laat de Kamer dat apart weten. Als beide zaken tot zorgen leiden, moeten deze zorgen geadresseerd worden.

De heer Polderman vroeg opnieuw om een aanlandingsverbod voor paling. Ik heb al eerder hierop een antwoord gegeven. Paling wordt op veel verschillende plekken gevangen, in meren, rivieren, polders en kustwateren. Die aal kan overal aangeland worden. Het afkondigen van een aanlandingsverbod is dus een loos gebaar, omdat niemand zegt dat men met die aal naar een haven of naar een afslag moet varen. Dat is onmogelijk om te controleren. Als we het niet kunnen controleren, voldoen we niet aan de Europese verplichtingen en sluit Europa de aalvisserij een halfjaar voor 50%.

De heer Polderman (SP): U zegt dus dat een aanlandingsverbod moeilijker te controleren is dan een vangstverbod. Dat begrijp ik niet. Er wordt toch op meer plekken gevangen dan aangeland? Die controle lijkt me dan geen steekhoudend argument.

Minister Verburg: De mensen van de Algemene Inspectie Dienst kennen de vissers die op aal vissen en kennen ook de gebieden. Op die manier kunnen ze controleren. Dat is gemakkelijker te doen dan een aanlandingsverbod. We hebben hierover al vaker gesproken. Ik denk dat het verstandig is om het te houden zoals we het nu hebben georganiseerd.

Er is 1,2 mln. beschikbaar voor de uitbetaling van de vissers. Op 13 januari is er een regeling opengesteld op grond waarvan vissers een aanvraag kunnen indienen. Die openstelling sluit op 15 februari. De regeling is opgesteld in overleg met de sector. De aanvraag kunnen worden ingediend bij het Productschap Vis. Dat beoordeelt de aanvragen en verstrekt de tegemoetkomingen. De uitbetaling vindt plaats zo spoedig mogelijk na 15 februari. Het valt in de praktijk niet mee om de aanvragen precies te controleren, omdat er tot nu toe heel weinig bekend is over de vraag wie er hoeveel paling vangt. Dat is buitengewoon ingewikkeld. Ik ben blij dat het Productschap Vis dit doet. Het valt in de praktijk om den drommel niet mee om verifieerbare gegevens te verkrijgen op basis waarvan men het beschikbare budget rechtvaardig kan verdelen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Hoeveel aanvragen zijn er op dit moment binnen?

Minister Verburg: Dat weet ik niet. Het is nu 3 februari; 13 januari is de regeling opengesteld. Ik neem aan dat ondernemende palingvissers graag de uitbetaling tegemoetzien. Ik roep hen hier nog eens op om de termijn niet te laten verlopen. Kom met zo zorgvuldig mogelijk opgestelde gegevens en verzoeken, dan kan de uitbetaling vlot plaatsvinden. Ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één aalvisser is die deze kans zou laten lopen. Het is toch een belangrijk onderdeel van het inkomen.

De heer Polderman (SP): Ik snap dat de minister zegt dat het verkrijgen van de gegevens lastig is, maar ik snap niet waarom ze een aantal vergunningen heeft ingetrokken. Als we de relatie tussen uittrekkende schieraal en rode aal goed willen monitoren, moeten we de vergunningen niet intrekken, die een aantal vissers de afgelopen periode had. De minister zegt immers zelf dat die gegevens zo belangrijk zijn.

Minister Verburg: Wij hebben het nu zo vormgegeven. Wij hebben al eerder gesproken over het voorstel van de heer Polderman. Dat is moeilijk te handhaven. Uiteindelijk zijn dat toch wel de soorten die het voortbestaan en de overleving van de aal en de aalstand mede bepalen. Ik denk dat we daar nu niet op terug moeten komen. We moeten wel kijken hoe we de komende jaren het regionale beheer verder vormgeven en eventueel kunnen starten met een pilot in het noorden van het land.

De heer Koppejan vroeg hoe het staat met het uitzetten van glasaal. Daar heb ik jaarlijks € 300 000 voor gereserveerd. Het Productschap Vis werkt dit plan verder uit en voert het uit. Binnenkort zal dit van start gaan.

Er zijn vragen gesteld over de uitspraken van de rechtbank in Leeuwarden en Dordrecht. Afgelopen maandag is er in Leeuwarden een uitspraak gedaan in een zaak tussen het OM en een visser die het aalvisverbod heeft overtreden. De politierechter heeft geoordeeld dat de verdachte pas strafbaar is voor het vissen met een aalfuik vanaf het moment dat de Europese Commissie het Nederlandse Aalbeheerplan met een schriftelijke beslissing formeel heeft goedgekeurd. Het OM heeft de uitspraak in beraad. Dat betekent dat het nog onder de rechter is. Ik kan en wil er op dit moment niet zo veel over zeggen, gezien de scheiding van de machten in Nederland, die ik respecteer.

Mevrouw Jacobi vroeg zich af of het stroperijteam in Friesland blijft bestaan. Er is geen sprake van opheffing van dit team. Ik heb het sterke voornemen om ook de komende jaren de teams in stand te houden. Dat is effectief. Dat is risico gebaseerd opereren. Die teams moeten zo slagvaardig mogelijk opereren, want er is geen overdaad. We kunnen geen blik AID’ers of KLPD’ers opentrekken. Die teams moeten dus bij elkaar blijven en een buitengewoon scherp plan van aanpak hebben. We moeten ervoor zorgen dat er meldingen komen en dat deze teams de «grote vissen» kunnen pakken. Dat heeft impact. We brengen visstroperij inderdaad onder bij de Wet op de economische delicten. Dan kunnen we ook doorpakken. Stroperij is broodroof van mensen die legaal vissen en moet keihard aangepakt worden. Dat betekent wel strategisch opereren.

Mevrouw Jacobi vroeg welke rol ik wil spelen om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk water onder de VISpas gaat vallen. Dat is een goed streven; ik vind dat Sportvisserij Nederland daar goed werk in doet. Als alle visstandbeheercommissies er zijn, wil ik dat dit voor al die wateren geldt. De inzet van Sportvisserij Nederland is hiervoor wenselijk, in de verschillende commissies. Het is mijn streven om hiervoor te zorgen en ik zal dit bevorderen waar ik kan, met de waterbeheerders en de andere partijen zelf.

Hoe gaan we verder met de wolhandkrab? Dit is een belangrijk punt. Een aantal sprekers verbaasde zich erover dat het nog niet is geregeld terwijl zelfs de AID heeft gezegd dat het een goed voorstel is. Het is inderdaad nog niet geregeld. De AID zit hier op mijn verzoek constructief in om het mogelijk te maken. We zijn er nog niet helemaal uit, want het moet controleerbaar en handhaafbaar zijn. Ik vind de wijze van samenwerken en samen zoeken naar een oplossing die iedereen past en handhaafbaar is in ieder geval vruchtbaar. We hebben nog even de tijd. Ik zeg toe dat ik de Kamer voor het zomerreces zal informeren over de vraag hoe we dit bij de komende sluitingsperiode vorm zullen geven.

Dan kom ik bij de staandwantvisserij en de recreatieve visserij met staandwant. Wij hebben hierover eerder gesproken en het staat mij nog heel helder voor de geest dat mevrouw Jacobi aandrong op maatregelen, ook langs de kust. Ik denk dat het belangrijk is om hier maatregelen te nemen om de visserijdruk te verminderen en een bijdrage te leveren aan duurzaam beheer van andere visstanden in de kustwateren. Er is ook sprake van recreatieve visserij in de visserijzone. Dat vindt plaats in het gebied van de Nederlandse kust dat grenst aan de Noordzee. Het recreatief vissen met beroepsvistuigen kan een substantiële impact hebben op de visstand vanwege de soorten die worden gevangen. Bovendien heeft vis gevangen met staandwant praktisch geen overlevingskans. Ik heb ook aanwijzingen dat recreatief gevangen vis illegaal wordt doorverkocht. De Kamer vindt het tegengaan van illegale handel in vis toch ook belangrijk, dacht ik. Ik denk dat beide regelingen, voor de kustzone en voor de visserijzone, leiden tot een generiek en uniform beleid. Net als op de binnenwateren, is het gebruik van beroepsvistuigen voorbehouden aan de beroepsvisserij. Ik dacht dat de Kamer daar ook een voorstander van was. Het is natuurlijk wel mogelijk om recreatief te vissen in de kustwateren met de hengel.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Met het staandwant was nu juist beoogd om de kleinschalige duurzame visserij te ordenen. Er moet een regeling komen aan de Noordzeekust, omdat daar veel spanningen zijn tussen de staandwantvissers, de KNRM, de recreatiefunctie enzovoort. We hebben daar nog kilometers staandwant toegestaan. Het probleem is niet opgelost. De meest duurzame vissers op het Wad hebben een probleem gekregen, net als een paar recreanten die het eeuwenoude visgebruik toepassen. Ik verzoek om maatwerk om dit goed te regelen. De mensen die er geen last van zouden moeten hebben, zijn er de dupe van. Het is niet goed geregeld.

Minister Verburg: We moeten toch een beetje consequent zijn. Wij hebben eerder de problematiek van staandwant besproken. U hebt daar zelf een rol in gespeeld, evenals anderen. Wij willen een vermindering van de visserijdruk. Wij willen voorkomen dat beroepsvissers het brood uit de mond wordt gestoten. Wij willen helderheid creëren. Wij zijn daarmee aan de slag gegaan; ik ben ook in Brussel daarmee bezig. Nu, bij het volgende algemeen overleg zegt u alweer dat er een uitzondering moet komen voor bepaalde vissers en voor de Waddenzee, omdat daar niets fout gaat. Dat wordt wel ingewikkeld. Zo kunnen we niet één lijn trekken of toekomstgericht opereren. Ik doe een beroep op de Kamer om de lijn die we hebben ingezet een poosje vast te houden en te bekijken wat deze lijn kan opleveren aan de bestrijding van illegale handel in vis en het verminderen van de visserijdruk.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dit schiet toch wel echt door. Iets wat eeuwenlang op de Waddenzee gebeurt, wordt gekoppeld aan het Aalbeheerplan. Iedereen verbaast zich hierover, zelfs Brussel. Het is toch doorgeschoten, als daar niet meer op de recreatieve manier gevist kan worden? Dat is toch de dood in de pot? Dat bedoelen wij. Ik heb het niet over de grootschalige staandwantvisserij. Mevrouw Jacobi vroeg ook om maatwerk. Nu is er helemaal niets mogelijk.

De heer Koppejan (CDA): Ik begrijp de reactie van de minister ook niet goed. Bij het Aalbeheerplan wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen recreatieve visserij, sportvisserij en beroepsvisserij. Wij vragen om ook maatwerk toe te passen op het recreatief vissen met kleinschalig staandwant. De minister zegt dat dit een enorme impact heeft op de visstand. Dan wil ik daar graag een onderbouwing van zien.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb een oplossing. Ik zou er heel veel voor overhebben als de minister gehoor geeft aan de dringende oproep hier om voor de kleine duurzame staandwantvissers op het Wad en het recreatieve medegebruik een oplossing te zoeken, net zoals de minister heeft gedaan voor andere zaken op het Wad. Ik denk aan een gezamenlijk contract dat past bij de natuurdoelen. Dan zijn we volgens mij af van dit gedoe en hebben we maatwerk kunnen regelen.

Minister Verburg: Ik ben benieuwd wat mevrouw Jacobi hiervoor overheeft. Ik zeg toe dat ik nog eens goed naar kijk naar de mogelijkheden, met het voorkomen van ongewenste bijzaken en elementen die wij niet willen. We moeten elkaar wel goed verstaan. We proberen de visdruk te verlagen. We proberen aal te sparen. We proberen illegale handel in vis tegen te gaan. Ik zeg toe dat ik voor het Waddengebied hier nog eens goed naar zal kijken. Ik ga kijken wat mogelijk is binnen de randvoorwaarden die ik heb geschetst en ik zal een voorstel doen voor eind februari.

Mevrouw Ouwehand had een vraag over de Gedragscode voor de sportvisserij. Deze wordt geëvalueerd. Dit voorjaar is de evaluatie afgerond. Ik zal de Kamer dit rapport, met een reactie, toesturen.

De heer Koppejan vroeg of het aantal VBC’s niet drastisch zou moeten worden teruggebracht. Ik sluit niet uit dat dit later gaat gebeuren, maar laten we nu eerst zorgen dat die VBC’s overal in de benen komen en dat ze goed gaan functioneren. Als ze goed en professioneel functioneren, is het eventueel mogelijk dat ze gaan fuseren om meer georiënteerd te raken op de stroomgebieden. Ik ben de laatste die dat zal tegenhouden, maar ik wil ze eerst in de benen, in beweging, slagvaardig, daadkrachtig en effectief hebben.

Dan kom ik bij de zegenvergunning. De vorige keer heb ik gezegd dat er met de vergunning zelf niets verandert, maar het is uiteindelijk de bedoeling dat de zegenvergunning uitgegeven wordt door de sportvisserij, dus niet meer door LNV. Ik begrijp dat het overleg daarover niet altijd even gemakkelijk gaat. Ik heb volgende week een gesprek met Sportvisserij Nederland. Ik zal daar dit punt onder de aandacht brengen. Ook hier geldt dat samenwerking van twee kanten moet komen. In de uitgifte is nog niets veranderd en dat zal voorlopig ook niet het geval zijn. We zien er wel op toe dat de sportvisserij dit uiteindelijk gaat doen, onder goede condities.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik had juist gevraagd om de uitgifte aan de koepel van de beroepsvisserij te geven. Waarom moet ook dit onderdeel bij de sportvisserij worden ondergebracht? Het kan toch ook anders. Deze keuze wordt gemaakt, de minister neemt de tijd voor zorgvuldigheid. Zij gaat uit van de goede wil. Ik wil daar ook graag van uitgaan, maar de praktijk is tot nu toe wat weerbarstiger.

Minister Verburg: Als u mij toestaat, wil ik mij hier nog even op beraden. Ik kom er in tweede termijn op terug.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe het zit met het doden van krabben en kreeften. Het beleid rond dierenwelzijn en het doden van vis is in eerste instantie in Nederland gericht op gekweekte soorten zoals paling en meerval. Daar wordt goede voortgang geboekt. Op dit punt hebben wij verder geen aparte acties en activiteiten lopen. Het welzijnsbeleid voor vis moet nog helemaal ontwikkeld worden. We moeten speerpunten ontwikkelen. Voor krabben en kreeften is er dus nog geen nieuws te melden.

De heer Koppejan vroeg wanneer ik de Regeling gebruik grote vistuigen wil evalueren. Ik zal deze nu nog niet evalueren; ik wil dit doen op basis van de ervaringen in 2009 en 2010. Dit zal dus in 2011 gebeuren.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar toezeggingen en antwoorden. Is het mogelijk om in de toekomst generieke vangstverboden, zoals die voor het aalbeheer, overbodig te maken of alleen voor regionale gebieden van toepassing te laten zijn, als wij erin slagen om het decentraal visstandbeheer vorm te geven?

Ik zit nog steeds met de onenigheid in de VBC’s. Wat gebeurt er als men er niet uitkomt? De minister zegt dat de waterbeheerder uiteindelijk het visplan vaststelt. Als partijen er niet uitkomen, vindt daar de beslissing plaats. Dat kan dus een waterschap zijn of Rijkswaterstaat, afhankelijk van het feit of het regionale of rijkswateren zijn. We praten over belangenconflicten, belangen tussen sportvissers en beroepsvissers. Vaak moeten volksvertegenwoordigers, de politiek, daar uiteindelijk keuzen in maken. Echter, als ik de minister goed begrijp, is het hier een ambtenaar die besluit. Of zie ik dat verkeerd? Kunnen ook de gekozen bestuurders van het waterschap hier een rol in spelen?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik ben zeer verheugd over de reactie van de minister op decentraal aalbeheer en de mogelijkheid van een pilot. Ik ben verheugd over de inzet van de minister om maatwerk te creëren voor het Waddengebied. Op de meeste punten is de inzet volgens mij naar tevredenheid. Ik zit nog met één ding. Er komen VBC’s, er komt een VISpas voor alle wateren. Er zijn veel vergeven rechten, maar er moet straks ook toegang geboden worden aan andere vissers. Hoe gaat de minister hiermee om?

Minister Verburg: Het ligt aan mij, maar ik heb de vraag niet helemaal scherp.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Er zijn gebieden waar bijvoorbeeld «heerlijke visrechten» gelden. Straks gaat de VISpas voor alle wateren gelden. Hoe verhouden de VISpas en de vergeven rechten zich met elkaar?

De heer Polderman (SP): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden. Ik zit een beetje met de scheiding van de belangen tussen de sportvissers en de beroepsvissers in de VBC’s, net zoals de heer Koppejan. Hoe zit het met het tijdpad en de tijdsdruk die erop zit? Het is toch niet duidelijk wat er gebeurt. Voor de rijkswateren heeft men één jaar de tijd, voor de andere wateren is het nog onduidelijk. Dat gaat de minister in de wet regelen. Begrijp ik het goed dat de rol van de waterbeheerder cruciaal wordt en dat deze er als een scheidsrechter bovenop moet zitten? We kennen allemaal de systematiek van de waterschappen en hun besturen. Het komt op mij over als een terugtrekkende beweging van het ministerie, alsof het ministerie het bij een ander op het bordje legt. Dat is toch niet de bedoeling?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar toezeggingen. Wij gaan ervan uit dat de kwestie rondom de wolhandkrab voor het zomerreces is geregeld.

Er is hier tussen neus en lippen door wel heel veel opgehangen aan de Kaderrichtlijn Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het moet mij van het hart dat de Vogel- en Habitatrichtlijn op heel weinig wateren in Nederland van toepassing is. De VVD wil ook niet nog allerlei toeters en bellen bij de Kaderrichtlijn Water.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden. Ik sluit me aan bij de zorgen van de heer Koppejan over de beoordeling van de belangen van de diverse partijen door de waterbeheerder. Het woord uniformering viel hierbij. Hoe gaan we dat regelen?

We wachten de beslissing met betrekking tot de wolhandkrab af.

De minister heeft gezegd dat ik in tweede termijn een antwoord krijg op mijn vraag over de zegenvisserij. Ik stel voor, heel klip en klaar, om de verantwoordelijkheid van LNV over te dragen aan de beroepsvisserij, uiteraard onder bepaalde condities.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben benieuwd naar de stand van zaken met betrekking tot humanere dodingsmethoden voor paling. Dit loopt al heel erg lang. Ik ben teleurgesteld dat de minister zegt dat er nu niets is voor krabben en kreeften. Zij kan natuurlijk wel wat doen.

Ik hoor dat de collega’s vragen hebben over de visstandbeheercommissies, maar ik wil ze scherper stellen vanuit het perspectief dat ik in eerste termijn al schetste. Wij zullen de belangenafweging moeten maken. Wat gebeurt er als in een visstandbeheercommissie overeenstemming wordt bereikt en de waterbeheerder zijn goedkeuring geeft, maar uiteindelijk blijkt dat het vastgestelde visplan niet voldoet aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water en eventueel de Vogel- en Habitatrichtlijn stellen? Vindt die toets wel plaats? Hoe zit het met de rechtspositie van ondernemers die zich baseren op de afspraken in de VBC als de toets op de wetgeving niet wordt gedaan? Daar zit het fundamentele verschil tussen mij en de collega’s, denk ik.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in tweede termijn.

Is het mogelijk dat er op een gegeven moment geen generieke verboden meer zijn, maar dat er maatwerk wordt geleverd per visstandbeheercommissie? Voor mij is dat wenselijk en ik kan me voorstellen dat dit ook de wens is van de Kamer. Dat zou betekenen dat per regio in kaart is gebracht wat daar kan. Dat stelt ons in staat om transparant en helder regionaal te opereren. Dat is ons streven, maar we zijn er nog lang niet.

Wie toetst er op de visplannen? Hoe wordt er getoetst? Hoe wordt zo’n visplan vastgesteld? Meerderen vroegen zich af of hier sprake is van een arbitraire wijze. Het antwoord is: nee. Ik kan me echter voorstellen dat dit antwoord alleen niet overtuigend is. De toetsingscriteria en de toetsingswijze voor het visplan worden op dit moment ontwikkeld. Ik zal de Kamer deze criteria en de wijze waarop er wordt getoetst rond de zomer doen toekomen. Dan kan de Kamer zichzelf ervan overtuigen dat er geen sprake is van een arbitraire werkwijze.

Mevrouw Snijder wil niet allerlei toeters en bellen aan de Kaderrichtlijn Water hangen. Ik dank haar voor de steun voor mijn beleid, want dat doe ik ook niet.

De heer Van der Vlies heeft gevraagd of de verantwoordelijkheid voor de vergunning voor de zegenvisserij kan worden overgedragen aan de beroepsvisserij. Het visrecht op schubvis ligt bij Sportvisserij Nederland. Dat is niet zomaar te veranderen. Ik vind ook niet dat we dat moeten willen. Ik heb in de eerste termijn gezegd dat ik dit volgende week met Sportvisserij Nederland zal bespreken. Dan is het mogelijk dat wij daar zonder meer uitkomen en dat zal ik de Kamer laten weten. Mochten wij daar helemaal niet uitkomen, dan blijft de vergunningverlening liggen bij LNV. Dan heb ik mijn inzet en de borging hiervoor gelijk aangegeven.

Ik heb net gezegd dat wij nog geen criteria hebben voor kreeften en krabben, wel voor paling en meerval. Aan het einde van dit jaar is er een operationeel bedwelmingsapparaat gereed voor paling en meerval.

Toezeggingen

De voorzitter: De minister heeft de volgende toezeggingen gedaan:

– Zij stuurt de Kamer een brief over de wolhandkrab.

– Zij stuurt de Kamer een brief over visrechten en geschillenbeslechting.

– Zij stuurt de Kamer een brief over de toetsingscriteria en de wijze van handhaven met betrekking tot het visplan.

– Zij zal voor het einde van de maand de Kamer een brief sturen over een eventuele oplossing voor het recreatief vissen met staandwant op de Wadden.

De heer Van der Vlies (SGP): In verband met de afweging of ik een VAO moet aanvragen, heb ik nog een vraag over de vergunningen voor de zegenvisserij . In de brief van de minister van november staat heel uitdrukkelijk dat de verantwoordelijkheid voor de uitgifte van de documenten voor de beroepsvisserij bij de eigen sectororganisatie wordt gelegd en dat dit ook geldt voor de sportvisserij. Daar heb ik mij op georiënteerd; dat vind ik een goede lijn. Het is prima dat er volgende week overleg is. Wanneer krijg ik daar uitsluitsel over? Ik wil wachten met het VAO tot dan. Als het niet goed gaat, komt er een VAO.

Minister Verburg: Nadat ik heb gesproken met Sportvisserij Nederland, zal ik de Kamer een brief sturen. Dan hebt u uitsluitsel.

De voorzitter: Dat is dus helder, los van de uitkomst van het overleg komt er een brief.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), voorzitter, Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD), Dibi (GroenLinks), Polderman (SP), Elias (VVD) en Linhard (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Luijben (SP), Tang (PvdA), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Pieper (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD), Vendrik (GroenLinks), Lempens (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD) en Van Dam (PvdA).

Naar boven