Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129664 nr. 103

29 664 Binnenvisserij

Nr. 103 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 juni 2011

Sinds het Beleidsbesluit Binnenvisserij van september 1999 vormen de visstandbeheercommissie’s (VBC’s) een belangrijke hoeksteen van het beleid om te komen tot een duurzaam visstandbeheer en een duurzame visserij op de binnenwateren. In de VBC’s maken de gezamenlijke visrechthebbenden (de sport- en beroepsvissers) afspraken over de vormgeving van een duurzame visserij per VBC-gebied. Hierbij kunnen de direct betrokkenen dus zelf het voortouw nemen voor de invulling van de onderlinge visserijafspraken. Bovendien maakt dit maatwerk per gebied mogelijk, waarbij visserijafspraken kunnen worden gemaakt die passend zijn bij de lokale omstandigheden van de visstand.

Stapsgewijs is dit verder ingevuld en aangescherpt. In eerste aanleg is dit VBC-stelsel op vrijwillige basis ingericht, waarbij in de periode tot 2005 is gewerkt aan de opstart en instelling van een landelijk dekkend VBC-netwerk. In 2008 is besloten het vrijblijvende karakter, waarbij vissers zelf konden besluiten al dan niet mee te doen aan een VBC, los te laten. Dit heeft er toe geleid dat per 2010 de voorwaarde voor sport- en beroepsvisserij om deel te nemen aan een VBC, een gezamenlijk visplan op te stellen en te vissen volgens dit visplan verplicht is gesteld voor de staatswateren. Deze verplichting is opgenomen in de huurovereenkomsten en toestemmingen zoals het ministerie van EL&I die uitgeeft voor de staatswateren.

Om een verschil in aanpak tussen staatswateren, met een verplichting om in een VBC te zitten en een gezamenlijk visplan op te stellen, en regionale wateren, waar deze verplichtingen niet van toepassing zijn, ongedaan te maken, is in november 2009 aan uw Kamer aangekondigd dat een traject zal worden gestart om de visplanverplichting in de Visserijwet 1963 en de daarop gebaseerde regelgeving op te nemen. Hiermee wordt voorzien in uniforme spelregels voor alle binnenwateren: staatswateren en regionale wateren.

In de afgelopen periode hebben zowel mijn voorganger als ik tijdens verschillende overleggen met uw Kamer gesproken over de wijze waarop het VBC-beleid verder moet worden vormgegeven. Ik heb hierbij aangegeven dat ik mij nog wilde beraden en nog tijd nodig had om ook de resultaten van de ingestelde verplichting voor de staatswateren te kunnen meewegen. Tegelijk heb ik, laatstelijk in het Algemeen Overleg van 23 maart j.l., aangegeven dat ik vast wil houden aan de eerder gecommuniceerde inzet om tot wettelijke verankering over te gaan.

Mijn voornemen is om in de komende periode hier verdere invulling aan te geven. Dit betekent dat ik op korte termijn een wetswijzigingtraject zal starten om de werkwijze met visplannen, die worden opgesteld door de VBC’s, op grond van de Visserijwet 1963 verplicht te gaan stellen voor alle binnenwateren. Daarmee zal de visplanverplichting in de visserijregelgeving worden opgenomen.

Ik wil dit doen om de huidige onevenwichtigheid in het systeem, met een verschillend regime voor staatswateren en regionale wateren, weg te nemen. Bovendien vind ik het van belang om de vrijblijvendheid uit het systeem te halen. Na wijziging van de regelgeving is het straks klip en klaar dat alle vissers in een VBC-gebied moeten deelnemen aan de opstelling van een gezamenlijk visplan voor dat VBC-gebied en moeten gaan vissen volgens dat visplan. Dit betekent dus dat wanneer er geen gemeenschappelijk visplan ligt er in dat VBC-gebied niet gevist mag worden.

Ik ben mij bewust dat, met de instelling van deze verplichting en het wegnemen van de vrijblijvendheid uit het systeem, dit niet zal betekenen dat overal zonder slag of stoot visplannen tot stand zullen komen. De ervaring tot dusver met de staatswateren leert dat de lange historie van tegenstellingen op de binnenwateren tussen vissers onderling en tussen sport- en beroepsvissers en de daarbij horende geschillen, niet met een eenvoudige visplanverplichting onmiddellijk zal verdwijnen. Ik acht het van belang dat die geschillen niet in de weg staan aan de totstandkoming van werkbare visplannen.

Ik zal daarom een wetsvoorstel voorbereiden waarmee de rol van de Kamer voor de Binnenvisserij wordt gewijzigd, waarbij de huidige toetsende rol op doelmatigheid van bevissing in relatie tot huurovereenkomsten en toestemmingen voor beroeps- en sportvisserij, zal worden vervangen door een toetsing van de visplannen. Ook wordt daarmee voorzien in een rol bij het oplossen van geschillen tussen de verschillende deelnemers aan de VBC’s, waar die aan het totstandkomen van een deugdelijk visplan in de weg staan.

Dit is aantrekkelijk omdat hierbij gebruik wordt gemaakt van een reeds bestaande structuur met kennis en expertise met betrekking tot de binnenvisserij. Bovendien zijn de sectororganisaties voor beroeps- en sportvisserij al vertegenwoordigd in de Kamer voor de Binnenvisserij.

De toetsing van de Kamer van de visplannen zal zich concentreren op de beoordeling of sprake is van een gezamenlijk visplan wat leidt tot een duurzame bevissing van de betreffende wateren. De Kamer voor de Binnenvisserij beoordeelt in dat kader of de mate en de wijze van bevissing, zoals die in het betreffende visplan wordt voorgestaan, passen in het streven naar een duurzame visstand. Daarbij dienen de visstanden die voor het betreffende gebied in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden gehanteerd als maatstaf. De reden is dat het kabinet de lastendruk voor betrokken partijen en voor de overheid zo laag mogelijk wil houden. In dat licht sluit ik bij de toetsing van de visplannen door de Kamer voor de Binnenvisserij aan bij geldende normen. Het is aan de VBC-partijen zelf om desgewenst in de visplannen invulling te geven aan verdergaande visserijafspraken, bijvoorbeeld over vangstregistraties en benutting van schubvis, bovenop datgene wat vanuit de KRW-kaders al noodzakelijk is.

Ik schetste in het voorgaande de uitgangspunten van het stelsel. Voor de verdere uitwerking hiervan is nog tijd nodig. Zowel voor de verplichtstelling van de visplannen als voor de taakverandering van de Kamer voor de Binnenvisserij is een wijziging van de Visserijwet 1963 noodzakelijk. Dit betekent dat het nieuwe stelsel niet eerder dan per 1 januari 2013 in werking zal kunnen treden. Over de verdere uitwerking van het stelsel zal ik in de komende periode met de betrokken partijen (beroepsvisserij, sportvisserij en waterbeheerders) in overleg treden.

Tot het moment dat de nieuwe regelgeving van kracht is, zal de huidige aanpak van de VBC’s en de visplannen ongewijzigd worden voortgezet. Dit betekent dat voor de staatswateren periodiek een geactualiseerd visplan moet worden opgesteld, aan de waterbeheerder moet worden voorgelegd en door de minister van EL&I moet worden vastgesteld. Voor de niet-staatswateren geldt geen verplichting, maar zijn visrechthebbenden en waterbeheerders eerder verzocht zoveel mogelijk bij deze systematiek aan te sluiten. Ik heb hierbij aangegeven het proces van de visplannen als een groeiproces te zien en de visplannen als groeidocumenten. Dit proces maakt het mogelijk in de komende jaren stapsgewijs verder te werken aan het systeem van VBC’s en visplannen, als opmaat naar wettelijke verankering.

Tegen deze achtergrond is het niet langer noodzakelijk om tot aanwijzing van een bemiddelaar over te gaan, anders dan de nieuwe rol van de Kamer voor de Binnenvisserij.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker