nr. 68
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2006
Goederenvervoer is van cruciaal belang om te kunnen produceren en consumeren
en daarmee een belangrijke voorwaarde voor economische groei. Dit belang neemt
toe omdat «produceren» steeds meer het organiseren en beheersen
van voortbrengingsketens wordt. Goederenvervoer wordt daardoor in toenemende
mate een onderdeel van het productieproces en een concurrentiemiddel voor
producerende en dienstverlenende bedrijven. Dit leidt zowel tot kansen als
tot problemen. Kansen omdat Nederland vanuit zijn huidige positie in staat
is om een belangrijke rol te spelen als verbindende schakel in deze ketens.
Problemen omdat het goederenvervoer van en naar Nederland, en binnen Nederland,
een voortgaande groei zal blijven kennen en daarmee op een gegeven moment
de grenzen van milieu, veiligheid en ruimtebeslag, kan raken, zoals nu soms
al gebeurt.
Deze brief bevat mijn ambitie om de logistieke concurrentiekracht van
Nederland te versterken. Met deze ambitie geef ik een antwoord op twee vraagstukken.
Ten eerste: wat is het perspectief voor de transporten logistieke sector in
ons land? Of – breder geformuleerd – voor supply chain activiteiten?
Ten tweede: hoe kunnen we de doorgaande groei van het goederenvervoer combineren
met scherpere eisen aan milieu, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit? Oftewel:
hoe moeten we omgaan met het probleem dat de directe baten van transport –
in de zin van werkgelegenheid – in de toekomst zullen afnemen, terwijl
de directe lasten – in termen van milieubelasting, onveiligheid en ruimtebeslag –
in elk geval in relatieve zin blijven toenemen? En dat terwijl de indirecte
baten – in de zin van verbetering van het vestigingsklimaat –
vaak veel moeilijker zichtbaar te maken zijn.
Het antwoord op beide vragen is het versterken van de logistieke concurrentiekracht
van ons land door beter te worden in supply chain management (SCM). De potentie
is er om op deze manier met vervoer meer toegevoegde waarde te genereren en
de concurrentie het hoofd te bieden. De uitdaging is om dat op
dusdanige wijze te doen dat ons land leefbaar blijft.
De brief geeft aan wat partijen – de rijksoverheid (Verkeer en Waterstaat,
Financiën, Economische Zaken, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieu, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),
andere overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties –
moeten doen om de kansen op dit gebied te benutten en belemmeringen weg te
nemen. Ik zie de publicatie van deze brief dan ook als het startsein voor
een gezamenlijke inspanning waarbij verschillende maatschappelijke actoren
vanuit hun onderscheiden verantwoordelijkheden gezamenlijk vormgeven aan de
hier geformuleerde ambitie. In dat kader wil ik een Ronde Tafel Proces starten
waarin overheid en het (brede) bedrijfsleven gezamenlijk de inzet afstemmen
om de potentie van SCM optimaal te benutten.
Mijn ambitie sluit aan bij de inzet van dit kabinet voor een sterke economie
en zijn streven om de concurrentiekracht van Nederland te herstellen. De brief
sluit aan bij het beleid van het kabinet gericht op versterking van het hoger
onderwijs, onderzoek en innovatie, zoals dit uitgewerkt wordt in het Innovatieplatform.
De brief is een uitwerking van de Nota Mobiliteit. Daarbij ga ik uit van
het beleid uit die nota en van het beleid uit de Nota Ruimte, de notitie Pieken
in de Delta, het recente Kabinetsstandpunt Schiphol en de Nota Zeehavens:
Ankers van de economie. In deze nota’s is het belang van de mainports
Rotterdam en Schiphol, de overige havens en de ontsluitende infrastructuur
voor de economie van Nederland duidelijk benoemd. Daarom komen infrastructuur
en ruimtelijke ontwikkeling in deze brief relatief summier aan de orde.
Met deze Beleidsbrief Logistiek en Supply Chains1 kom ik mijn toezegging na die ik de Tweede Kamer heb gedaan in december
2005 tijdens de begrotingsbehandeling 2006. De leden Van Hijum en Hofstra
vroegen mij toen een visie te ontwikkelen op het goederenvervoer en de logistieke
concurrentiekracht van Nederland en die visie van een actieprogramma te voorzien.
Deze brief bevat de gevraagde visie en het actieprogramma. De brief vormt
tevens de kabinetsreactie op de adviezen Samen Slimmer
in Ketens van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
(AWT) (VW04000984), Naar een vitalere supply chain door
krachtige innovatie van de Commissie van Laarhoven (tevens Bloemblad Logistiek
in het kader van het V&W – Kennis- en Innovatieberaad) en het IBO-rapport
Beprijzing van het gebruik van rijksinfrastructuur door het goederenvervoer (Tweede Kamer, 05–29 644, nr. 12).
De brief is opgesteld in overleg met een aantal van mijn collega’s,
namelijk die van Economische Zaken, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieu, Financiën, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit. Bij de totstandkoming van de brief is tweemaal
het Overlegorgaan goederenvervoer geraadpleegd, dat voor deze gelegenheid
was uitgebreid met andere maatschappelijke organisaties, o.a. uit de hoek
van milieuorganisaties. Tevens is het Nationaal mobiliteitsberaad geconsulteerd
over de hoofdlijnen van de brief. Tenslotte zijn informele gesprekken gevoerd
met het producerende en verladende bedrijfsleven.
De in de brief genoemde acties zijn reeds financieel gedekt of zullen
worden gefinancierd uit de reguliere begroting van V&W voorzover dit primair
de V&W verantwoordelijkheid betreft. Voor een aantal acties moet het bedrijfsleven
zelf een beroep doen op reguliere (innovatie-)instrumenten, waarbij
voor sommige van deze instrumenten geldt dat men zich daarvoor moet kwalificeren.
De structuur van de brief is als volgt: ik begin met een analyse van onze
logistieke concurrentiekracht. Vervolgens formuleer ik mijn ambitie en schets
ik de strategische acties die ik voor ogen heb om deze ambitie te realiseren.
Als bijlagen treft u aan een cijfermatig achtergronddocument van de Adviesdienst
Verkeer en Vervoer, het verslag van de sessies van het Overlegorgaan Goederenvervoer
en het advies van de Commissie van Laarhoven.1
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K. M. H. Peijs