29 625
Interpellatie inzake het Europees Grondwettelijk Verdrag

nr. 4
GEWIJZIGDE MOTIE VAN HET LID VAN AS TER VERVANGING VAN DIE GEDRUKT ONDER NR. 3

Voorgesteld 8 juni 2004

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat de beslissing inzake Turkse toetreding tot de Europese Unie een zeer ingrijpende is, die qua importantie niet onderdoet voor de ondertekening van het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie;

overwegende, dat in Nederland een referendum zal worden gehouden over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie;

overwegende, dat de regering het houden van een referendum beschouwt als een nuttig instrument om de transparantie en de legitimiteit van het Europese integratieproces te vergroten;

overwegende, dat het niet gepast zou zijn om pas een referendum te houden over de toetreding van Turkije wanneer de onderhandelingen met dat land zijn afgerond en Turkije zal hebben voldaan aan door de Europese Unie gestelde voorwaarden voor toetreding;

overwegende, dat de Europese Raad in december 2004 onder Nederlands voorzitterschap een beslissing zal nemen over het wel of niet openen van toetredingsonderhandelingen in Turkije;

verzoekt de regering om in te stemmen met het houden van een referendum over de toetreding van Turkije nog voor de Europese Raad van december 2004, indien mogelijk in combinatie met het reeds afgesproken referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie,

en gaat over tot de orde van de dag.

Van As

Naar boven