Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 december 2017
Tijdens de regeling van werkzaamheden van Uw Kamer op dinsdag 31 oktober 2017, heeft
het lid De Graaf (PVV) verzocht om een brief waarin de Kamer wordt geïnformeerd over
het beschikbare instrumentarium bij extremistische sprekers en over de casus El Alami.
Voor informatie over de casus El Alami verwijs ik u naar de antwoorden op de schriftelijke
vragen van de leden De Graaf en Wilders (beiden PVV) aan de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en mijzelf over het artikel «België zet haatprediker uit naar Nederland».1
Het Kabinet is er alles aan gelegen om extremistische sprekers te beletten hun extremistische
ideeën te verspreiden. Dit onderwerp is daarom ook opgenomen in het regeerakkoord.
Oproepen tot een gewapende strijd, geweld of haat zaaien tegen andere bevolkingsgroepen
of gezindten kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Ook zijn er zorgen over gedragingen die op gespannen voet staan met de democratische
rechtsorde en die als antidemocratisch en anti-integratief beschouwd worden.
In alle gevallen geldt dat bij verdenkingen van strafbare feiten, zoals bijvoorbeeld
het aanzetten tot haat of geweld, het Openbaar Ministerie vervolging kan instellen.
Het beledigen van mensen of groepen om wie of wat zij zijn (art 137c Sr) is strafbaar.
Om de ernst van het delict te benadrukken is het voornemen van de regering erop gericht
de strafmaat voor haatzaaien (art 137d Sr) te verdubbelen van 1 naar 2 jaar.
Voor personen uit derde landen die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale
veiligheid vormen – bijvoorbeeld omdat zij die oproepen tot haat of geweld – geldt
dat het staand beleid is om hen geen visum te verlenen of om het visum in te (laten)
trekken. Wanneer is vastgesteld dat de derdelander een gevaar vormt voor de openbare
orde of de nationale veiligheid wordt de persoon gesignaleerd in het Schengen Informatiesysteem
(SIS) ter fine van toegangsweigering. Voor EU-onderdanen geldt, anders dan voor niet-EU-onderdanen,
dat toegangsweigering alleen kan plaatsvinden indien er een actuele bedreiging van
een fundamenteel belang van de samenleving bestaat.
Personen met de Nederlandse nationaliteit, zoals de heer El Alami, kan de toegang
tot Nederland niet worden ontzegd. Om extremistische sprekers met een Nederlandse
nationaliteit te verhinderen hun extremistische boodschap te verspreiden heeft het
lokaal gezag beperkte mogelijkheden om preventief op te treden. In uitzonderlijke
gevallen kan de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding uitkomst
bieden. De wet maakt het mogelijk om, met het oog op de bescherming van de nationale
veiligheid, vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Bij de toepassing van de
wet gaat het erom dat van een persoon, op basis van diens gedragingen, een dreiging
uitgaat voor de veiligheid van Nederland. Dat deze wet effectief kan zijn in het voorkomen
dat extremistische sprekers hun boodschap kunnen verspreiden blijkt uit de uitspraak
van de rechtbank Den Haag d.d. 23 november 2017 over de toepassing van de wet bij
een extremistische spreker aldaar. De rechtbank oordeelde dat de Minister zich terecht
op het standpunt stelt dat de gedragingen van de betrokken imam een gevaar vormen
voor de nationale veiligheid en dat om die reden een gebiedsverbod terecht is opgelegd.
2
De overheid concentreert zich daarnaast op het weerbaar maken van de samenleving via
de zogenoemde drie-sporen-aanpak (dialoog, aanspreken en handhaven) bij problematische
gedragingen.3 Deze aanpak wordt door gemeenten toegepast in de context van omstreden sprekers die
zich schuldig maken aan actieve onverdraagzaamheid of andere vormen van anti-integratief
gedrag dat strijdig is met de uitgangspunten van de Nederlandse rechtsstaat. Het gaat
hier bijvoorbeeld om een structurele dialoog tussen gemeente en gemeenschap om wederzijds
duidelijk te maken welke gedragingen en uitingen als ongewenst beschouwd worden. Als
het gaat om het voorkomen van het verspreiden van een intolerante boodschap ligt er
ook een evidente rol voor de lokale gemeenschap. De gemeenschap kan een essentiële
rol spelen bij het voorkomen van de verspreiding van extremistische boodschappen door
dergelijke sprekers géén podium te bieden.
Het is belangrijk om te benadrukken dat grondwettelijke vrijheden zoals de vrijheden
van godsdienst, meningsuiting en vereniging, in onze rechtsstaat voor iedereen worden
beschermd. Deze vrijheden zijn niet onbeperkt. Zij vinden hun grens waar de vrijheden
van anderen in het gedrang komen, wanneer wordt aangezet tot haat of geweld of als
de veiligheid in het geding komt. Per geval moet een individuele afweging worden gemaakt.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus