nr. 6
VERSLAG
De vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat1,
belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt
verslag uit van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de in dit verslag opgenomen vragen
en opmerkingen afdoende beantwoordt, acht de commissie de openbare behandeling
van het wetsvoorstel voldoende voorbereid. Het verslag volgt de opbouw van
de memorie van toelichting en behandelt alleen die onderdelen van de memorie
waarover door de genoemde fracties inbreng is geleverd.
ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het voorstel tot
wijziging van de Wegenverkeerswet in verband met de voorgenomen centralisering
van het verlenen van ontheffingen voor exceptioneel vervoer. Deze leden verwachten
dat het voorstel kan bijdragen aan een vermindering van de administratieve
lasten voor burgers en bedrijven.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van
het voorstel van de wijziging van de Wegenverkeerswet 1994. Zij zijn verheugd
met de wetswijziging omdat het een gecentraliseerde afgifte van ontheffingen
voor exceptioneel transport bewerkstelligt wat onder andere meer transparantie
en rechtszekerheid voor de aanvrager betekent. Het zal de administratieve
lasten druk verlagen en de verkeersveiligheid bevorderen.
2. Doelstelling van dit wetsvoorstel
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de wetswijziging (lagere)
wegbeheerders de bevoegdheid verliezen om zelfstandig ontheffingen voor exceptioneel
transport te kunnen verlenen. Kan de regering evenwel toelichten waarom wegbeheerders
nog wel hun eigen voorschriften aan centraal afgegeven ontheffingen kunnen
verbinden? En kan de regering aangeven in welke gevallen de RDW
wegbeheerders dient te raadplegen? Deze leden achten het voorts van belang
dat het indienen van een aanvraag zo efficiënt en snel mogelijk kan plaatsvinden.
De door de regering gehanteerde «één loketgedachte»
spreekt deze leden dan ook bijzonder aan. Zij vragen de regering om nader
toe te lichten op welke wijze en op welk moment dit ene loket gerealiseerd
wordt.
3. Handhaving
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of afgifte van een ontheffing
ook vatbaar is voor bezwaar. Kan de regering ook aangeven hoe de Inspectie
Verkeer en Waterstaat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het voorstel
beoordeelt? Welke prioriteit wordt toegekend aan handhaving van de voorschriften?
4. Administratieve lasten
De leden van de CDA-fractie verbazen zich dat de kosten per ontheffingsaanvraag
als gevolg van de centralisatie naar verwachting per saldo zullen toenemen.
Kan de regering aangeven waarom de centralisatie niet leidt tot een grotere
doelmatigheid (onder andere schaalvoordelen, minder personeel, lagere overhead)?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering vanwege de investeringen
vooralsnog af ziet van een verdergaande inzet van ICT bij de ontheffingverlening.
Hierdoor zouden de administratieve lasten voor het bedrijfsleven nog verder
afnemen. Zo is gedacht aan de mogelijkheid om wegbeheerders en aanvragers
rechtstreeks toegang te verlenen tot het geautomatiseerde systeem, om zo direct
op een aanvraag een actuele route digitaal terug gezonden te krijgen die dezelfde
dag gereden kan worden. Kan de regering deze afweging nader toelichten? Welke
investeringen moeten worden gepleegd? Welke financiële voordelen zou
de inzet van ICT hebben op bijvoorbeeld de organisatiekosten, de administratieve
lasten?
De leden van de fracties van CDA en VVD vragen of het klopt dat de zogenaamde
langlopende ontheffingen (die een geldigheid hebben van 1 tot 3 jaar) bijna
altijd afgegeven worden. Zo ja, kan er dan niet voor gekozen worden om de
transporten in deze categorie onder bepaalde voorwaarden wettelijk toe te
laten staan? Dit zal de administratieve lasten druk nog meer verlagen.
De leden van de CDA-fractie constateren voorts dat ten behoeve van sommige
wegbeheerders een meldingsplicht bestaat op het moment dat met het transport
gereden gaat worden. De bereikbaarheid van de verschillende wegbeheerders
veroorzaakt hierbij regelmatig problemen. Verhoudt een dergelijke meldplicht
bij de wegbeheerder zich wel tot het systeem van de centrale ontheffingverlening
en tot de doelstellingen van de wetswijziging? Wordt het voordeel van één
loket door deze meldplicht ongedaan gemaakt?
5. Financiële lasten
De leden van de CDA-fractie vragen de regering om nader toe te lichten
waarom in de nieuwe situatie kosten worden doorberekend die in de oude situatie
niet werden doorberekend. Gedoeld wordt op «de kosten voor het aanleveren
van gegevens op een door de Dienst Wegverkeer voorgeschreven wijze»,
evenals «de kosten als gevolg van een extra afdracht aan Rijkswaterstaat».
De leden van de VVD-fractie constateren dat een groot deel van de wegbeheerders
al een deel van de ontheffingsbevoegdheid heeft gemandateerd aan
de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Daarbij zijn weggegevens overgedragen.
Voor langlopende ontheffingen zal in «een startsituatie» twee
euro per wegbeheerder worden gerekend. Hoe lang duurt deze startsituatie?
Welke kosten maakt een wegbeheerder eigenlijk voor langlopende ontheffingen?
ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 149B, 2e lid
De leden van de VVD-fractie constateren dat er in de praktijk niet tot
een zogenaamde uniforme beslisruimte kan worden gekomen. Kan de regering aangeven
hoe in theorie de uniforme beslisruimte is geformuleerd? Nu er in de praktijk
niet een uniforme beslisruimte voor de RDW is, ontstaat er onduidelijkheid
voor de aanvragers van ontheffingen over in welke gevallen de RDW zelfstandig
een aanvraag kan afhandelen en in welke gevallen de wegbeheerders benaderd
moeten worden. Wegbeheerders kunnen voor identieke wegtypes afwijkende voorschriften
en beslisruimte voorschrijven. Waarom is een uniforme beslisruimte voor identieke
wegtypes niet mogelijk?
De voorzitter van de commissie,
Atsma
De griffier van de commissie,
Roovers
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Duivesteijn (PvdA), Dijksma (PvdA), Hofstra (VVD), ondervoorzitter,
Atsma (CDA), voorzitter, Van Gent (GL), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP),
Van der Staaij (SGP), Oplaat (VVD), Geluk (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Depla
(PvdA), Van As (LPF), Mastwijk (CDA), Duyvendak (GL), Koopmans (CDA), Gerkens
(SP), Bruls (CDA), Van Lith (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Boelhouwer
(PvdA), Dubbelboer (PvdA), De Krom (VVD), Hermans (LPF), Dezentjé Hamming
(VVD) en Van Hijum (CDA).
Plv. leden: Heemskerk (PvdA), Samsom (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD),
Hessels (CDA), Vos (GL), Smeets (PvdA), De Ruiter (SP), Slob (CU), Aptroot
(VVD), Szabó (VVD), Van Dijken (PvdA), Waalkens (PvdA), Herben (LPF),
Van Winsen (CDA), Halsema (GL), Jager (CDA), Vergeer (SP), Ten Hoopen (CDA),
Van Haersma Buma (CDA), Giskes (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Van Dam
(PvdA), Verdaas (PvdA), Van Beek (VVD), Van den Brink (LPF), Luchtenveld (VVD)
en Buijs (CDA).