Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201529544 nr. 601

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 601 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 april 2015

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 9 maart 2015 over het ontwerpbesluit tot aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Kamerstuk 29 544, nr. 590).

De vragen en opmerkingen zijn op 26 maart 2015 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 3 april 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

De adjunct-griffier van de commissie, Klapwijk

Inhoudsopgave

blz.

     

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

1. Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

2. Vragen van de leden van de SP-fractie

2

 

3. Vragen van de leden van de CDA-fractie

2

 

4. Vragen van de leden van de D66-fractie

3

 

5. Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

3

     

II

Antwoord/Reactie van de Minister

4

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

1. Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende besluit. Zij vinden het positief dat mensen als gevolg van dit voorstel niet langer hun maandelijkse inkomen hoeven door te geven aan UWV (Uitvoeringsinstantie werknemersverzekeringen). Het UWV kan dan de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering naast dit inkomen berekenen op grond van de gegevens uit de polis administratie. Dit is iets waar de genoemde leden op hebben aangedrongen en het is goed dat wordt geregeld dat het UWV hier meer service kan verlenen. De vraag is even wat het effect is van dit besluit.

In de WIA (wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) geldt het principe dat werken moet lonen. Je houdt meer over als je meer werkt. Wordt door dit besluit dit principe voor zowel de WIA als de WAO (wet arbeidsongeschiktheid) toegepast? Ondersteunt dit besluit het principe dat werken moet lonen? Zo ja, hoe, zo nee, waarom niet, zo vragen de genoemde leden.

In hoeverre sluit dit besluit aan bij de Wet Werk en Zekerheid die per 1 juli 2015 ingaat waar inkomsten uit werk ook verrekend worden met de WW (werkloosheidswet) uitkering, zo informeren de leden van deze fractie.

2. Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het voorliggende ontwerpbesluit.

Door aanpassing van het Schattingsbesluit zal een klein deel van de WAO-gerechtigden een lagere WAO-uitkering ontvangen. De genoemde leden vragen of bekend is om welke mensen het gaat en hoe groot deze groep exact is. Welke overwegingen heeft het kabinet om deze groep mensen niet te compenseren voor de inkomensachteruitgang? Vindt het kabinet het een wenselijke situatie dat een groep WAO-gerechtigden er jaarlijks tot € 2.400 bruto op achteruit gaan? Kan het kabinet aangeven welke gevolgen deze maatregel heeft voor de koopkracht van de groep mensen die door deze maatregel wordt getroffen? Is het kabinet bereid om de WAO uitkering van deze groep niet te verlagen, zo informeren genoemde leden.

3. Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit. Er wordt een nieuw systeem van de berekening van het fictieve arbeidsongeschiktheidspercentage geïntroduceerd. Circa één procent van de WAO-gerechtigden zal een arbeidsongeschiktheidsklasse zakken, waardoor de uitkering lager wordt. Om hoeveel mensen gaat het precies en om hoeveel inkomensverlies gaat dit voor deze mensen opleveren, minimaal of maximaal, zo vragen zij.

De leden van deze fractie willen graag weten hoeveel mensen met een beperking inmiddels door de gemeente voor indicatie worden voorgedragen bij het UWV om in het doelgroepenregister te worden opgenomen. Ook het aantal mensen (procentueel) dat voor deze keuring in aanmerking komt, willen deze leden graag weten en wat hiervoor de verklaring is.

Na gedegen lezing komen de genoemde leden tot de conclusie dat het schattingsbesluit voor mensen met een arbeidsbeperking nog strenger is dan bij de WIA. Deelt het kabinet deze

mening en wat is de uitleg hiervoor, zo vragen zij.

4. Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij hebben hierover enkele vragen.

De genoemde leden lezen dat de wijziging van het schattingsbesluit negatieve inkomensgevolgen heeft voor een aantal mensen. Deze leden vragen waarom de Minister deze negatieve inkomenseffecten niet gemeld heeft in de toelichting op deze wijziging van de Verzamelwet.

De leden van deze fractie vragen of er ook uitkeringsgerechtigden zijn voor wie de aanpassing van het Schattingsbesluit leidt tot een hogere uitkering. Indien dit het geval is, vragen deze leden op welke uitkeringsgerechtigden dit van toepassing is.

Volgens de toelichting heeft de aanpassingen van het Schattingsbesluit een negatief inkomenseffect voor WAO-gerechtigden die meer uren werken dan de urenomvang van hun maatman, zo lezen deze leden. Zij vragen wat het effect op de uitkering zal zijn, als deze mensen besluiten om dan minder uren te gaan werken.

De genoemde leden zijn van mening dat werken altijd moet lonen, en dat meer uren werken, meer moet lonen. Daarom vragen deze leden of de voorgenomen aanpassing van het Schattingsbesluit er toe leidt dat het niet loont om meer uren te gaan werken.

5. Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Hierover willen zij nog een aantal vragen en opmerkingen voorleggen.

Op basis van een steekproef van het UWV is een inschatting gemaakt dat enkele honderden WAO-gerechtigden een arbeidsongeschiktheidsklasse omlaag zullen gaan door deze wijziging. Hun uitkering zal hierdoor op jaarbasis gemiddeld € 2.400,- lager uitvallen. Voor iemand met een laag inkomen en vaste hoge lasten is dat een forse achteruitgang.

In het ontwerpbesluit is aangegeven dat voor deze groep uitkeringsgerechtigden een compensatie in de vorm van een half jaar uitgestelde inwerkingtreding is voorgesteld.

De leden van deze fractie vragen waarom is gekozen voor een half jaar compensatie. De genoemde leden vragen of een half jaar een redelijke termijn is voor mensen om zich voor te bereiden op een dergelijke inkomensachteruitgang en of mensen deze inkomensachteruitgang zelf kunnen compenseren.

Daarnaast vernemen deze leden graag van het kabinet nader inzicht in wat de gevolgen van dit besluit zijn voor verschillende inkomensgroepen; kan het kabinet inzicht geven in welke inkomensgroepen dit raakt? En wat is de netto inkomensachteruitgang ten opzichte van de netto inkomen? Oftewel hoe hoog is het percentage inkomensachteruitgang door deze wijziging voor verschillende inkomensgroepen? Is in beeld gebracht of dit leidt tot grote financiële problemen?

Tot slot vragen de genoemde leden hoe en wanneer de betreffende WAO-uitkeringsgerechtigden geïnformeerd worden over de veranderingen.

II Antwoord/Reactie van de Minister

Bij brief van 26 maart 2015 heeft u mij een aantal vragen gesteld met betrekking tot de u bij brief van 9 maart 2015 voorgelegde wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met het invoeren van een periodeloonvergelijking vanwege wijzigingen in de artikelen 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en 3:48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. In deze brief worden deze vragen beantwoord.

De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) het principe ondersteunt dat werken moet lonen, zoals in de Wet WIA. Verder vragen deze leden in hoeverre de voorgestelde wijziging aansluit bij de systematiek van inkomensverrekening zoals die in de WW gaat gelden vanaf 1 juli 2015. Ook de leden van de D66-fractie vragen of de voorgestelde wijziging van het Schattingsbesluit ertoe leidt dat werken (niet) loont. Verder vragen deze leden wat het effect op de uitkering zal zijn, als degenen voor wie de voorgestelde wijziging tot een verlaging van de WAO-uitkering leidt, besluiten om minder uren te gaan werken.

In reactie daarop wordt allereerst opgemerkt dat de voorgestelde wijziging van het Schattingsbesluit niet de uitkeringssystematiek van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) (hoofdstuk 3) verandert. Er wordt dus geen aansluiting gezocht met de inkomensverrekening in de WW. De klassensystematiek blijft in de WAO, WAZ en oWajong gehandhaafd. Hierna zal enkel op de WAO worden ingegaan, maar hetzelfde geldt voor de beide andere genoemde wetten.

Doordat de inkomstenverrekening in de WAO een trapsgewijs verloop kent, kan het in specifieke gevallen voorkomen (namelijk als men net over een klassenrand heen gaat), dat meer werken niet lonend is. Daarbij geldt overigens dat meer werken en hogere verdiensten binnen de restverdiencapaciteit altijd lonend zijn. De uitkeringssystematiek in de WAO bestaat, als bekend, uit verschillende arbeidsongeschiktheidsklassen. Bij elke klasse hoort een bepaald uitkeringspercentage. Dit percentage is hoger naarmate iemand in een «hogere» klasse is ingedeeld. Zo bedraagt het uitkeringspercentage 28% bij een mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 35% tot 45% en 35% bij een mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 45% tot 55%. Deze systematiek brengt mee dat, anders dan bij de loongerelateerde WGA-uitkering en de WW-uitkering vanaf 1 juli 2015 (bij die uitkeringen wordt, althans na twee maanden, van iedere euro die wordt verdiend, 70 cent verrekend met de uitkering), de WAO-uitkering niet zonder meer wordt verlaagd als iemand meer gaat verdienen.

Zolang iemand bij verdiensten uit arbeid in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, stijgt het totale inkomen. Iemand kan echter ook zoveel meer gaan verdienen dat hij in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse valt. In dat geval daalt zijn WAO-uitkering. Of zijn totale inkomen daalt of stijgt is afhankelijk van de specifieke situatie. In het algemeen geldt dat het maximale totale inkomen hoger is naarmate iemand in een lagere klasse is ingedeeld. Zo bedraagt het maximale totale inkomen in de klasse 45–55 90% van het maatmaninkomen (35% WAO-uitkering plus 55% loon) en het maximale totale inkomen in de klasse 35–45 93% van het maatmaninkomen (28% WAO-uitkering plus 65% loon), althans bij de loondervingsuitkering. Ook bij de vervolguitkering geldt dat het maximale totale inkomen hoger is naarmate iemand in een lagere klasse is ingedeeld. In die zin loont het voor een WAO-gerechtigde om meer te gaan verdienen. In een concreet geval kan het, als gezegd, financieel ongunstig zijn om meer te gaan verdienen. In dergelijke situaties kan de WAO-gerechtigde met zijn werkgever afspreken dat van die loonsverhoging (deels) wordt afgezien, maar deze op een later moment wordt ingehaald, bijvoorbeeld bij een verdere urenuitbreiding of een periodieke loonsverhoging.

De wijziging van het Schattingsbesluit verandert niets aan deze systematiek van inkomstenverrekening. Het kan echter wel voorkomen dat iemand door de overstap van uurloon- naar periodeloonvergelijking in een lagere (fictieve) arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld. Nadat de WAO-uitkering is verlaagd, kan minder uren werken (met lager loon van dien) ertoe leiden dat de betrokkene in dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse blijft. In dat geval daalt zijn totale inkomen. Minder uren werken is dan financieel ongunstig. Het kan echter ook zo zijn dat iemand door minder te gaan werken in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse valt. Of dat tot verlaging of verhoging van zijn totale inkomen leidt is, als gezegd, afhankelijk van de specifieke situatie. Het is dus niet zo dat minder uren gaan werken per definitie ertoe leidt dat het totale inkomen stijgt.

De leden van de SP-fractie stellen dat een klein deel van de WAO-gerechtigden een lagere WAO-uitkering zal ontvangen. De genoemde leden vragen of bekend is om welke mensen het gaat en hoe groot deze groep exact is. Ook de leden van de CDA-fractie stellen deze vraag.

Het UWV heeft vastgesteld dat voor het merendeel van de werkende WAO-gerechtigden geen wijziging optreedt in de WAO-uitkering. Op basis van een steekproef van het UWV, is de inschatting dat circa 1 procent met een inkomen op basis van sv-loon – enkele honderden gevallen – een arbeidsongeschiktheidsklasse lager uitkomt door de toepassing van periodeloonvergelijking. Op basis van de steekproef kan geen exact beeld worden gevormd van de kenmerken van de betreffende uitkeringsgerechtigden.

De leden van de SP-fractie en de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven welke gevolgen deze maatregel heeft voor de koopkracht van de groep mensen die door deze maatregel wordt getroffen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de netto inkomenseffecten voor verschillende inkomensgroepen en of dit leidt tot grote financiële problemen.

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) schat in dat voor werkende WAO-gerechtigden die een arbeidsongeschiktheidsklasse zakken de uitkering op jaarbasis gemiddeld € 2.400 bruto lager uitkomt. Het effect op de bruto uitkering varieert hierbij tussen de verschillende ao-klassen. De uitkering komt gemiddeld bijvoorbeeld € 1.800 bruto lager uit bij terugval van 25–35% naar 15–25% en € 3.650 bruto indien arbeidsongeschiktheid onder de 15% uitkomt, met een nuluitkering tot gevolg.

Het netto inkomenseffect van de wijziging is afhankelijk van de persoonlijke situatie van de gerechtigde, o.a. loon voor arbeidsongeschiktheid, AO-percentage, huidig inkomen uit arbeid. Hierover is voor de groep die het betreft geen nadere informatie bekend. Uitgaande van de gemiddelde bruto daling van de WAO-uitkering van € 2.400 euro per jaar zal het netto inkomenseffect gemiddeld uitkomen op tussen de € 1.200 en € 1.500 per jaar.

Het is niet de verwachting dat de wijziging leidt tot grote financiële problemen. De WAO biedt een verzekering tegen inkomensderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Indien het inkomen onder het sociaal minimum valt kan onder voorwaarden een beroep op de Toeslagenwet of de bijstand worden gedaan. Een daling van de fictieve ao-klasse kan alleen optreden indien de uitkeringsgerechtigde feitelijk meer verdient dan zijn of haar theoretische restverdiencapaciteit. De verrekening van inkomsten in de WAO is bovendien geen statisch gegeven. Ook nu al kan de uitkeringshoogte wijzigen in verband met inkomsten uit arbeid.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of het kabinet de inkomensachteruitgang wenselijk acht en welke overwegingen het kabinet heeft om deze groep mensen niet te compenseren voor de inkomensachteruitgang. Tevens vragen deze leden of het kabinet bereid is om de WAO uitkering van deze groep niet te verlagen.

Het doel van deze aanpassing van het Schattingsbesluit is te komen tot deregulering en een besparing op de uitvoeringskosten van 8 miljoen per jaar. Bij dereguleringsvoorstellen blijkt het vaak niet mogelijk om deze zonder inkomenseffecten door te voeren. Het kabinet acht de inkomenseffecten van de aanpassing acceptabel. Deze effecten betreffen een relatief kleine groep, waarvoor in adequaat overgangsrecht is voorzien. Verder geldt dat de aanpassing leidt tot een correctere toepassing van de inkomstenverrekening in de WAO, WAZ en Wajong. Door periodeloonvergelijking wordt immers gekeken naar de mate van inkomstenderving als gevolg van het arbeidsongeschikt raken, los van het aantal uren dat men werkt.

Het duurzaam compenseren van de groep WAO-gerechtigden zou leiden tot hoge uitvoeringskosten. Het is voor de uitvoering zeer lastig om sec het inkomenseffect van deze aanpassing van het Schattingsbesluit te achterhalen. Hiervoor is het namelijk noodzakelijk dat het UWV twee berekeningen maakt. Een berekening op basis van een uurloonvergelijking en een berekening op grond van de periodeloonvergelijking. In het kader van het overgangsrecht wordt deze exercitie eenmalig gedaan, maar het is te duur om deze exercitie tot in lengte van dagen te handhaven. Het leidt immers tot een dubbele uitvoering. De dubbele berekening is nodig omdat de achteruitgang van het AO-percentage ook veroorzaakt kan worden door meer uren te gaan werken of door een hoger uurloon of een combinatie van beiden. Hiervan moet worden geabstraheerd. In het geval de periodeloonvergelijking leidt tot een lager AO-percentage dan de uurloonvergelijking zou voor het AO-percentage uitgegaan moeten worden van het resultaat van de uurloonvergelijking. Vanwege de hoge uitvoeringskosten kiest het kabinet er niet voor de betreffende WAO-gerechtigden duurzaam te compenseren. Om deze WAO-gerechtigden toch tegemoet te komen heeft het kabinet adequaat overgangsrecht getroffen, wat inhoudt dat voor gerechtigden die een inkomensachteruitgang ervaren door deze aanpassing van het Schattingsbesluit de oude verrekeningsregels nog een half jaar worden toegepast. De wijziging van het Schattingsbesluit en de mogelijke consequenties voor de uitkering zal per brief voor 1 juli naar een bredere groep gerechtigden worden gecommuniceerd.

De leden van de fractie van het CDA willen graag weten hoeveel mensen met een beperking inmiddels door de gemeente voor indicatie zijn voorgedragen bij het UWV om in het doelgroepenregister te worden opgenomen. Ook vragen deze leden naar het aantal mensen dat voor de beoordeling in aanmerking komt.

Het doelgroepregister bevat een zo compleet mogelijk overzicht van de doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten die binnenkort in werking treedt. Mensen met een Wajong-status, of een Wsw-indicatie, of in een Wiw/ID-baan, die tot de doelgroep behoren zijn al bij het UWV bekend en zijn daarom al opgenomen in het doelgroepregister.

In de loop van 2015 en de jaren erna zal het register geleidelijk verder worden gevuld met mensen die onder de Participatiewet vallen en een indicatie banenafspraak hebben. In de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten is bepaald dat het UWV op verzoek van gemeenten beoordeelt of mensen uit de doelgroep van de Participatiewet niet het wettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen. Als het UWV constateert dat een persoon geen WML kan verdienen, zal het UWV de gegevens van deze persoon opnemen in het doelgroepregister. Zo werken het UWV en gemeenten samen aan een zo volledig mogelijk doelgroepregister.

De Participatiewet is 1 januari 2015 ingegaan. Hierdoor is de uitvoeringspraktijk nog pril. Tot dusver hebben gemeenten nog niet veel mensen voor een beoordeling naar het UWV gestuurd. De kleine aantallen zijn aanleiding voor de partijen in de Werkkamer, sociale partners, gemeenten, het UWV en het Ministerie van SZW, om samen te bezien waaraan dat ligt en mogelijke belemmeringen weg te nemen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet de mening deelt dat het Schattingsbesluit voor mensen met een arbeidsbeperking nog strenger is dan de WIA.

Het kabinet gaat er vanuit dat de CDA-fractie doelt op de al bestaande onderdelen van het Schattingsbesluit met betrekking tot de Wajong (artikel 1a). Voor wat betreft deze onderdelen is het juist dat deze criteria anders zijn dan voor de WIA. Artikel 1a is een uitwerking van het begrip «geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie», zoals met de Invoeringswet Participatiewet is vastgelegd in de Wajong. Dit heeft te maken met het feit dat de Wajong vanaf 1 januari 2015 alleen nog toegankelijk is voor jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben (duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie). Dit is een ander criterium dan in de WIA.

De leden van de D66-fractie vragen waarom de Minister de negatieve inkomenseffecten niet gemeld heeft in de toelichting op deze wijziging van de Verzamelwet.

De wijziging in de Verzamelwet SZW 2015 had slechts betrekking op het mogelijk maken voor het UWV om bij de inkomstenverrekening in de WAO, WAZ en Wajong voor de inkomsten uit te mogen gaan van de gegevens zoals opgenomen in de polisadministratie. Deze overgang heeft geen inkomensgevolgen. De overgang van een uurloonvergelijking naar een periodeloonvergelijking heeft echter wel een inkomenseffect. Dit is in de toelichting van deze amvb ook aangegeven.

De leden van de D66-fractie willen weten of er ook uitkeringsgerechtigden zijn voor wie de aanpassing van het Schattingsbesluit leidt tot een hogere uitkering. En indien dit het geval is, vragen deze leden op welke uitkeringsgerechtigden dit van toepassing is.

Er zijn geen uitkeringsgerechtigden die als gevolg van deze aanpassing van het Schattingsbesluit er op vooruit zullen gaan.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom is gekozen voor een half jaar compensatie. De genoemde leden vragen of een half jaar een redelijke termijn is voor mensen om zich voor te bereiden op een dergelijke inkomensachteruitgang en of mensen deze inkomensachteruitgang zelf kunnen compenseren.

Vanwege de inkomensachteruitgang die gepaard kan gaan met deze aanpassing van het Schattingsbesluit heeft het kabinet besloten de uitkeringsgerechtigden die het betreft te compenseren in de vorm van een half jaar uitgestelde inwerkingtreding. Deze is zodanig vorm gegeven dat als de overgang van uurloonvergelijking naar periodeloonvergelijking als gevolg zou hebben dat een uitkeringsgerechtigde ten minste één arbeidsongeschiktheidsklasse zou dalen, deze overgang voor hem een half jaar wordt uitgesteld. Het kabinet acht een periode van een half jaar voldoende. Het kabinet baseert zich daarbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 juni 2004 LJN: AP4680. In deze uitspraak oordeelde de CRvB dat in de voorwaarden van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) er geen belemmeringen voor de wetgever zijn om ook voor reeds toegekende uitkeringen tot beperking van uit de wet voortvloeiende uitkeringen over te gaan, mits voorzien is in een redelijke overgangsperiode. In de uitspraak van de CRvB waarop wordt gedoeld heeft de CRvB aangegeven in die casus een termijn van een half jaar in overeenstemming te achten met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Uitkeringsgerechtigden die geraakt worden door deze maatregel kunnen de inkomensachteruitgang (deels) zelf compenseren door meer of juist minder te gaan werken, afhankelijk van de persoonlijke situatie. Zoals eerder gesteld kan de uitkeringshoogte ook in de huidige situatie al wijzigen in verband met (wijzigingen in) inkomsten uit arbeid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe en wanneer de betreffende WAO-gerechtigden geïnformeerd worden over de veranderingen.

Wanneer de wijziging van het Schattingsbesluit wordt gepubliceerd zal een persbericht uitgaan. Ook zal het UWV op haar website op dat moment hier aandacht aan besteden. Omdat persoonlijke voorlichting in dit stadium niet mogelijk is, zal het UWV een algemene mailing laten uitgaan voor 1 juli aanstaande aan een ruime groep gerechtigden die mogelijk te maken kunnen krijgen met de negatieve inkomenseffecten. Het is niet mogelijk om de mensen die dit raakt vooraf en persoonlijk te bereiken. Of men tot de doelgroep behoort blijkt immers pas wanneer het UWV de inkomstenverrekening doet op basis van de nieuwe regels. In de brief die de gerechtigden ontvangen zal worden uitgelegd in welke situaties men te maken kan krijgen met deze inkomensachteruitgang. Op basis van deze informatie kunnen de aangeschreven gerechtigden voor zichzelf nagaan of in hun situatie er inderdaad een inkomensachteruitgang zal optreden als gevolg van de wijziging van het Schattingsbesluit. Naar aanleiding van de brief kunnen zij ook hierover in contact treden met het UWV voor een nadere en persoonlijke toelichting.

De nieuwe werkwijze wordt geïmplementeerd in de periode 1 juli 2015 t/m 31 december 2015. Alle gerechtigden bij wie door het UWV wordt vastgesteld dat zij vallen onder het overgangsrecht worden hierover telefonisch geïnformeerd. Hen zal worden uitgelegd dat zij nu nog vallen onder het overgangsrecht, waardoor bij hen de inkomstenverrekening tot 1-1-2016 nog plaatsvindt op basis van een uurloonvergelijking. Daarbij wordt tevens verteld dat het uitkeringsrecht vanaf 1-1-2016 op basis van periodeloonvergelijking berekend zal worden en dat dit voor hen een lagere uitkering betekent. Dit wordt tevens uitgelegd in een brief die zij zullen ontvangen.