29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 529 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 24 juni 2014

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 12 mei 2014 inzake het ontwerp van een Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet (Kamerstuk 29 544, nr. 522).

De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2014 aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 23 juni 2014 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, Weeber

Inhoudsopgave

 

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II

Antwoord / Reactie van de Minister

4

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

Zij vragen zich af hoe de werkgevers worden geselecteerd voor de pilots. Kunnen werkgevers die eigenrisicodrager zijn ook deelnemen? Deelt de Minister de mening dat, als er objectieve pilots worden gedaan, een vergelijking tussen de re-integratie van werkgevers die bij het UWV verzekerd zijn en die eigenrisicodrager zijn, het level playing field tussen publiek en privaat goed in beeld zouden kunnen brengen?

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd wat de effecten zouden zijn als eigenrisicodragers geen loonsanctie kunnen krijgen en de no-riskpolis (eerder) wordt ingezet, zodat de loondoorbetalingsplicht wordt overgenomen door het UWV; dit in het licht van onderzoek van Astri van juni 2013 dat heeft aangetoond dat de ziekteverzuimduur van uitzendkrachten bij eigenrisicodragers lager is dan bij publiek verzekerden. De uitkomsten van dit onderzoek zouden in deze pilots kunnen worden getest. Is de Minister bereid ervoor zorg te dragen dat in de pilots evenveel eigenrisicodragers worden geselecteerd als publiek verzekerde werkgevers?

Voorts lezen genoemde leden dat het onderhavige besluit alleen van toepassing is indien de pilot – na een aanvraag daartoe – is aangemerkt als een door «Onze Minister goedgekeurd project». Door wie wordt een dergelijke aanvraag ingediend?

Tot slot lezen de leden van de VVD-fractie dat het geschatte aantal eindedienstverbanders dat zal deelnemen aan de pilots 200 is. Hoe en door wie worden de eindedienstverbanders geselecteerd voor de pilots? En als zij geselecteerd worden, zijn zij dan verplicht deel te nemen aan de pilot of kunnen zij ook weigeren? Indien er geen sprake is van random selectie, hoe wordt dan een selectie-effect voorkomen dat de resultaten van de pilots zou kunnen beïnvloeden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet (ZW), waarin wordt geregeld dat in het kader van pilots van sociale partners bij wijze van experiment mag worden afgeweken van een aantal wettelijke bepalingen, waaronder de ZW. Deze leden hopen dat succesvolle aanpakken uit de pilot landelijk kunnen worden uitgerold en tezamen met de afspraak uit het sociaal akkoord, dat werkgevers een extra inspanning zullen plegen voor mensen met een WIA-uitkering, leiden tot een snellere uitstroom uit de ZW en de WIA.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af in hoeverre de pilot voor het UWV praktisch uitvoerbaar is. Zij merken op dat volgens de sociale partners het UWV de komende twee jaar de gegevens van zulke potentiële werknemers niet kunnen aanleveren. Is het UWV nu wel in staat om de juiste gegevens te leveren en te zorgen voor een correcte overdracht naar werkgever/sector?

Zij vragen zich ook af of de re-integratie van eindedienstverbander vooral zal plaatsvinden in de sector waar hij/zij ziek is uitgestroomd of dat ook wordt geëxperimenteerd met re-integratie in een andere sector. In hoeverre is in de pilots waarin sectoren de re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV overnemen sprake van een voldoende (financiële) prikkel, opdat de sector zijn re-integratietaken serieus neemt?

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie zich af waarop de verwachting is gebaseerd, dat een aan de pilot deelnemende werkgevers met het bijhouden van een re-integratiedossier en het opstellen van een RIV voldoende wordt aangespoord om zijn re-integratietaken serieus te nemen.

Genoemde leden vragen zich af of het geschatte aantal van 200 aan de pilot deelnemende eindedienstverbanders niet aan de lage kant is om succesvolle re-integratie aanpakken te ontwikkelen. Als een eindedienstverbander overgaat van het UWV naar een werkgever/sector wordt een brief gestuurd waarin de overgang wordt toegelicht; kan de desbetreffende persoon ook eventueel een persoonlijke toelichting krijgen? En is het ook mogelijk om te weigeren aan de pilot deel te nemen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben het tijdelijk besluit bestudeerd en hebben hierover de volgende vragen.

Het ontwerp spreekt over tijdelijke regels voor experimenten in het kader van de ziektewet. De datum waarop die tijdelijkheid start is gegeven onder artikel 4 (inwerkingtreding), maar wanneer deze eindigt, is niet aangegeven. Kan de Minister aangeven wat de voorziene einddatum is van dit besluit?

De leden van de SP-fractie stellen vast dat dit tijdelijk besluit beoogt de uitvoering van de uitvoering ZW doeltreffender te maken door de re-integratieverantwoordelijkheid en de daarbij behorende instrumenten over te dragen van het UWV naar de werkgever. Kan de Minister toelichten of dit besluit mede voortkomt uit onvrede over de doeltreffendheid van de uitvoering van de ZW door het UWV? Op basis van welke cijfers of gegevens blijkt dit? Acht de Minister het UWV niet zelf in staat om de ZW op een meer doeltreffende wijze uit te voeren? Welke redenen liggen dan ten grondslag aan het overhevelen van onder andere de re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV naar de werkgever?

De leden van de SP-fractie merken op dat naast deze overdracht van UWV naar werkgever ook de procesgang wordt gewijzigd. Kan de Minister toelichten welk effecten daarvan worden verwacht en waarom een andere procesgang dan die waartoe het UWV verplicht is in dit geval tot betere resultaten kan leiden?

De leden van de SP-fractie vragen tot slot op welke wijze gegarandeerd kan worden dat de persoonsgegevens die de werkgever van het UWV verkrijgt afdoende beschermd worden door de werkgever? Is de Minister daartoe voornemens aanvullende of specifieke eisen te stellen aan de wijze waarop deze worden bewaard en beheerd? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie lezen dat er met het Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet ruimte wordt gecreëerd voor twee pilots. Deze leden juichen het toe dat voorafgaand aan de eventuele invoering van nieuw beleid pilots worden uitgevoerd om te onderzoeken of het beleid het beoogde effect heeft. Zij hebben een vraag over de pilots met betrekking tot de uitvoering van de re-integratietaak.

De leden van de D66-fractie merken op dat werkgevers steeds meer verantwoordelijkheid krijgen voor de risico’s met betrekking tot arbeidsongeschiktheid. Hoewel dat een remmend effect heeft op de instroom in publieke voorzieningen, zien deze leden in een toenemende verantwoordelijkheid voor werkgevers ook het risico dat de animo van werkgevers om mensen aan te nemen, afneemt. Wordt dit element meegewogen in de evaluatie van de pilots, en zo ja, hoe?

II Antwoord / Reactie van de Minister

Inleiding

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen vanuit verschillende fracties over het ontwerp van het Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Tijdelijk besluit experimenten Ziektewet (ZW). Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de PvdA-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van het Tijdelijk besluit experimenten ZW, waarin wordt geregeld dat in het kader van pilots van sociale partners bij wijze van experiment mag worden afgeweken van een aantal wettelijke bepalingen, waaronder de ZW. Deze leden hopen dat succesvolle aanpakken uit de pilot landelijk kunnen worden uitgerold en tezamen met de afspraak uit het sociaal akkoord, dat werkgevers een extra inspanning zullen plegen voor mensen met een WIA-uitkering, leiden tot een snellere uitstroom uit de ZW en de WIA.

De leden van de SP-fractie hebben het Tijdelijk besluit bestudeerd en hebben hierover een aantal vragen. De leden van de D66-fractie merken op dat zij lezen dat er met het Tijdelijk besluit experimenten ZW ruimte wordt gecreëerd voor twee pilots. Deze leden juichen het toe dat voorafgaand aan de eventuele invoering van nieuw beleid pilots worden uitgevoerd om te onderzoeken of het beleid het beoogde effect heeft. Deze leden hebben nog wel een vraag.

Hierna ga ik in op deze vragen van de verschillende fracties. Om die vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden is een aantal vragen samengevoegd, waarbij op een aantal plaatsen is afgeweken van de volgorde van de vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de werkgevers worden geselecteerd voor de pilots. Zij vragen of werkgevers die eigenrisicodrager zijn ook kunnen deelnemen. Tevens vragen zij of de Minister de mening deelt dat, als er objectieve pilots worden gedaan, een vergelijking tussen de re-integratie van werkgevers die bij het UWV verzekerd zijn en die eigenrisicodrager zijn, het level playing field tussen publiek en privaat goed in beeld zouden kunnen brengen.

In het sociaal akkoord (van 11 april 2013) is onder meer afgesproken dat sociale partners in pilots gericht op re-integratie innovatieve werkwijzen ontwikkelen, zodat minder mensen een beroep doen op de ZW en de Wet WIA. Daarop hebben sociale partners samen met de Stichting van de Arbeid voorstellen voor pilots gedaan. Sectororganisaties van werkgevers uit de land- en tuinbouw, detailhandel en transport hebben hier zelf het initiatief toe genomen en voorstellen ontwikkeld.

Van selectie of selectiecriteria van overheidswege is hierbij geen sprake geweest; het staat ook andere werkgevers/sectoren vrij om voorstellen voor pilots te ontwikkelen. Op grond van het onderhavige ontwerpbesluit gelden evenmin selectiecriteria. Wel wordt geregeld dat werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor de ZW niet onder het onderhavige besluit vallen. De reden hiervoor is de volgende. De kern van het onderhavige besluit is dat afgeweken wordt van de wettelijke taakverdeling van publieke werkgevers, doordat geregeld wordt dat niet het UWV maar een sectororganisatie namens werkgevers de arborol en re-integratietaak verricht voor werknemers die ziek uit dienst zijn gegaan. Voor een werkgever die eigenrisicodrager voor de ZW is, geldt deze taakverdeling al. Een ZW-eigenrisicodrager heeft immers (op grond van de ZW) al de wettelijke taak om het ziekengeld te betalen, de arborol te vervullen en de verantwoordelijkheid te dragen voor de re-integratie van vangnetters. Hierdoor heeft de ZW-eigenrisicodrager zelf de regie en een impuls om het ziekteverzuim te reduceren en de WIA-instroom terug te dringen. Van experimenteren met het verschuiven van taken – de essentie van de pilots – zou voor ZW-eigenrisicodragers dan ook geen sprake zijn. Om die reden valt de ZW-eigenrisicodrager niet onder de werkingssfeer van het besluit. Overigens wordt in het kader van de evaluatie van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters gekeken naar de effecten van de wet op re-integratie activiteiten door publiek verzekerde werkgevers en eigenrisicodragers ZW.

De leden van de VVD-fractie merken op dat zij benieuwd zijn wat de effecten zouden zijn als eigenrisicodragers geen loonsanctie kunnen krijgen en de no-riskpolis (eerder) wordt ingezet, zodat de loondoorbetalingsplicht wordt overgenomen door het UWV; dit in het licht van onderzoek van Astri van juni 2013 dat heeft aangetoond dat de ziekteverzuimduur van uitzendkrachten bij eigenrisicodragers lager is dan bij publiek verzekerden. De uitkomsten van dit onderzoek zouden in deze pilots kunnen worden getest. De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister bereid is ervoor zorg te dragen dat in de pilots evenveel eigenrisicodragers worden geselecteerd als publiek verzekerde werkgevers.

In het vorenstaande antwoord is onderbouwd waarom de ZW-eigenrisicodragers niet onder het onderhavige Besluit vallen. Wat de effecten zijn indien ZW-eigenrisicodragers de no-riskpolis eerder zouden kunnen inzetten en geen – met de loonsanctie vergelijkbare – sanctie zouden kunnen krijgen zal dan ook niet gemeten kunnen worden in het kader van de onderhavige pilots.

De leden van de VVD-fractie lezen dat het onderhavige besluit alleen van toepassing is indien de pilot – na een aanvraag daartoe – is aangemerkt als een door «Onze Minister goedgekeurd project». Deze leden vragen door wie een dergelijke aanvraag wordt ingediend.

Het onderhavige besluit dient in samenhang gezien te worden met de Regeling cofinanciering sectorplannen. Het onderhavige besluit biedt namelijk slechts het juridische kader om de pilots van sociale partners (juridisch) mogelijk te maken en is alleen van toepassing indien de pilot – na een aanvraag daartoe – is aangemerkt als een door «Onze Minister goedgekeurd project». Met een door «Onze Minister goedgekeurd project» wordt geduid op de Regeling cofinanciering sectorplannen. Om voor cofinanciering op grond van deze regeling in aanmerking te komen moet een aanvraag ingediend worden bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de Regeling cofinanciering sectorplannen is geregeld dat deze aanvraag gedaan wordt door een hoofdaanvrager. Daaronder wordt verstaan: de rechtspersoon die namens een samenwerkingsverband een sectorplan indient en de subsidie aanvraagt op grond van die regeling. De Stichting van de Arbeid is de hoofdaanvrager ten aanzien van de cofinanciering van de onderhavige ZW-pilots.

De leden van de VVD-fractie hebben gelezen dat het geschatte aantal eindedienstverbanders dat zal deelnemen aan de pilots 200 is. Zij vragen hoe en door wie de eindedienstverbanders worden geselecteerd voor de pilots. Voorts vragen zij of als zij geselecteerd worden, zij dan verplicht zijn deel te nemen aan de pilot of dat zij ook kunnen weigeren. Indien er geen sprake is van random selectie, hoe wordt dan een selectie-effect voorkomen dat de resultaten van de pilots zou kunnen beïnvloeden, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen of het mogelijk is om te weigeren aan de pilot deel te nemen. De leden van de PvdA-fractie vragen zich in dit verband af of het geschatte aantal van 200 aan de pilot deelnemende eindedienstverbanders niet aan de lage kant is om succesvolle re-integratie aanpakken te ontwikkelen.

Zoals gezegd, maakt het onderhavige ontwerpbesluit de pilots van sociale partners juridisch mogelijk. Bij het feitelijk gestalte geven aan deze pilots heeft de overheid geen rol. Werkwijze, aanpak en feitelijke uitvoering, worden bepaald door sociale partners zelf. Daartoe zijn afspraken gemaakt met de betrokken sectoren en het UWV. Onder meer hebben sectoren met het UWV afgesproken dat er 210 eindedienstverbanders aan de pilots zullen meedoen. De keuze van de eindedienstverbanders, die overgaan van het UWV naar de desbetreffende organisaties, gebeurt als volgt. Elke werknemer uit een van de betrokken sectoren die ziek is gemeld bij UWV en die ziek is bij einde dienstverband, zal vanaf 1 september 2014 (de beoogde datum van inwerkingtreding van het besluit) – op grond van de gemaakte werkafspraken – meedraaien in de pilot. Daartoe zal het UWV hen overdragen aan de betrokken sectororganisatie. Zodra het afgesproken aantal van 210 is gehaald, stopt het UWV met het doorgeven van deze meldingen aan de betrokken sectoren.

Het aantal van 210 eindedienstverbanders berust dus op afspraken met sociale partners. Of dit aantal voldoende is om een succesvolle re-integratieaanpak te ontwikkelen, zal blijken uit de monitor die door een extern onderzoeksbureau verricht zal worden. In die monitor zullen de re-integratieresultaten van de eindedienstverbanders in de pilots vergeleken worden met de eindedienstverbanders die gere-integreerd worden door het UWV.

Alle eindedienstverbanders die tot de doelgroep van de pilot behoren, worden door UWV overgedragen aan de betreffende sectoren. Hierdoor kunnen deze sectoren beproeven of de middelen die zij tot hun beschikking hebben, effectief kunnen worden ingezet om vangnetters te re-integreren. De sectoren hebben andere mogelijkheden dan het UWV. Zo heeft een sectororganisatie bijvoorbeeld een goed netwerk van werkgevers binnen haar branche, waardoor er mogelijkheden zijn voor een vangnetter om (geleidelijk) weer aan de slag te gaan.

Hierdoor wordt de re-integratie bevorderd. Indien een eindedienstverbander weigert om mee te doen aan de pilot, dan is dat weliswaar niet in het belang van diens re-integratie, maar zal er – omdat er sprake is van een pilotsituatie – geen sanctie aan de vangnetter opleggen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de pilot voor het UWV praktisch uitvoerbaar is. Deze leden merken op dat volgens de sociale partners het UWV de komende twee jaar de gegevens van zulke potentiële werknemers niet kan aanleveren. Is het UWV nu wel in staat om de juiste gegevens te leveren en te zorgen voor een correcte overdracht naar werkgever/sector, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

Het UWV heeft in zijn uitvoeringstoets aangegeven dat de pilots uitvoerbaar zijn per 1 september 2014. Vanaf die datum kan het UWV de met de betreffende sectoren gemaakte werkafspraken nakomen en de benodigde gegevens aan de sectoren overdragen. Het gaat hier om gegevens die verband houden met registratiedoeleinden, zoals naam, adres, geboortedatum en burgerservicenummer (BSN). Ik ga er dan ook van uit dat het UWV in staat is om de ZW-pilots goed uit te voeren en daaraan zijn volledige medewerking te geven.

De leden van de PvdA-fractie vragen ook of de re-integratie van eindedienstverbanders vooral zal plaatsvinden in de sector waar hij/zij ziek is uitgestroomd of dat ook wordt geëxperimenteerd met re-integratie in een andere sector.

Het ontwerpbesluit biedt de ruimte om te onderzoeken of de uitvoering van de re-integratietaak door werkgevers en sectoren een effectieve wijze is van toeleiding naar werk, bij de oude dan wel een andere werkgever, binnen dan wel buiten de eigen sector. Het is aan werkgevers/sectoren zelf om hier in de praktijk invulling aan te geven.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts in hoeverre in de pilots waarin sectoren de re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV overnemen sprake is van een voldoende (financiële) prikkel, opdat de sector zijn re-integratietaken serieus neemt. Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie zich af waarop de verwachting is gebaseerd, dat aan de pilot deelnemende werkgevers met het bijhouden van een re-integratiedossier en het opstellen van een re-integratieverslag (RIV) voldoende wordt aangespoord om zijn re-integratietaken serieus te nemen.

Werkgevers /sectoren hebben zelf het initiatief genomen tot het ontwikkelen van de pilots. Zij hebben er dan ook alle belang bij om de pilots tot een succes te maken. Daarbij past het niet dat werkgevers hun inhoudelijke en administratieve taken met betrekking tot de re-integratie verwaarlozen. Anders dan in de reguliere werkgever- werknemerrelatie, waarin de werkgever het loon betaalt aan zijn zieke werknemer en verantwoordelijk is voor diens re-integratie, betaalt de werkgever in de pilotsituatie niet het loon, maar betaalt het UWV ziekengeld aan de vangnetter. Er wordt in de pilotsituatie dan ook geen sanctie aan de werkgever opgelegd (in de vorm van een loon- of verhaalsanctie), indien de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Hierdoor ontbreekt in de pilotsituatie deze financiële prikkel voor een werkgever, die een werkgever in de eerder genoemde reguliere werkgever- werknemerrelatie wel heeft. De prikkel door de ZW-premiedifferentiatie blijft tijdens de pilot wel bestaan: meer aanspraak op een ZW-uitkering betekent een hogere premie in verband met de ziekengeldlasten. Gelet op het voorgaande verwacht ik dat de werkgever/sectororganisatie zijn re-integratietaken serieus zal nemen, inclusief de bijbehorende administratieve taken, om een re-integratiedossier bij te houden en een re-integratieverslag (RIV) op te stellen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat als een eindedienstverbander overgaat van het UWV naar een werkgever/sector een brief wordt gestuurd waarin de overgang wordt toegelicht. De leden van de PvdA-fractie vragen of de desbetreffende persoon ook eventueel een persoonlijke toelichting kan krijgen.

In de brief aan de desbetreffende eindedienstverbander, waarin het UWV de overgang naar de sector toelicht, wordt meegedeeld dat hij door de betrokken sectororganisatie een contactpersoon krijgt toegewezen. Deze contactpersoon zal de eindedienstverbander desgewenst een persoonlijke toelichting kunnen geven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie merken op dat het ontwerpbesluit spreekt over tijdelijke regels voor experimenten in het kader van de Ziektewet. Zij merken op dat de datum waarop die tijdelijkheid start is gegeven onder artikel 4 (inwerkingtreding), maar wanneer deze eindigt, is niet aangegeven. De leden van de SP-fractie vragen of de Minister kan aangeven wat de voorziene einddatum is van dit besluit.

Terecht merken de leden van de SP-fractie op dat wel is voorzien in een startdatum, maar (nog) niet in een einddatum. In het ontwerpbesluit is geregeld dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 september 2014. Een einddatum is nog niet vastgesteld, omdat die datum afhankelijk is van hoe snel het aantal van 210 eindedienstverbanders wordt behaald en het verloop van de uitvoering van de ZW-pilots door sociale partners. De periode waarover de vangnetter in de pilots begeleid zal worden door de sector bedraagt vervolgens maximaal twee jaar, namelijk tot het einde van de wachttijd voor de Wet WIA. Daarmee zal de looptijd van de pilots dus in ieder geval korter zijn dan de toegestane periode van vijf jaar, die geldt voor experimenten als de onderhavige, op grond van artikel 82a, derde lid, van de Wet SUWI. Er is niet voor gekozen een andere einddatum op te nemen dan die genoemd in de Wet SUWI. Dit besluit vervalt daarmee in ieder geval vijf jaar na de inwerkingtreding en is daarom naar zijn aard en wegens zijn grondslag op basis van artikel 82a van de Wet SUWI al tijdelijk.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat dit Tijdelijk besluit beoogt de uitvoering van de uitvoering ZW doeltreffender te maken door de re-integratieverantwoordelijkheid en de daarbij behorende instrumenten over te dragen van het UWV naar de werkgever. De leden van de SP-fractie vragen of de Minister kan toelichten of dit besluit mede voortkomt uit onvrede over de doeltreffendheid van de uitvoering van de ZW door het UWV en op basis van welke cijfers of gegevens dit blijkt. Deze leden vragen of de Minister het UWV niet zelf in staat acht om de ZW op een meer doeltreffende wijze uit te voeren en welke redenen dan ten grondslag liggen aan het overhevelen van onder andere de re-integratieverantwoordelijkheid van het UWV naar de werkgever.

In het sociaal akkoord heeft het kabinet aangegeven de arbeidsverledeneis – waarmee beoogd was om het ziekteverzuim terug te dringen – niet in te voeren in de ZW. Om de hoge instroom van werknemers zonder vast contract in de ZW te verminderen heeft het kabinet met sociale partners afgesproken dat sociale partners ervoor verantwoordelijk blijven dat minder mensen een beroep doen op de Wet WIA en dat sociale partners in pilots gericht op re-integratie hiertoe innovatieve werkwijzen ontwikkelen, die op termijn landelijk uitgerold kunnen worden. De wijze waarop het UWV nu de arborol en de re-integratietaak uitvoert – zoals gesuggereerd door de leden van de SP-fractie – heeft bij deze afspraken geen rol gespeeld. Uit vorenstaande antwoorden is wel al naar voren gekomen dat een werkgever/sectororganisatie andere mogelijkheden en middelen tot zijn beschikking heeft dan het UWV, om een zieke werknemer te re-integreren. In de pilots zal daarom beproefd worden of de aanpak die werkgevers hierbij hanteren ten aanzien van hun vaste krachten eveneens effectief is ten aanzien van vangnetters.

De leden van de SP-fractie merken op dat naast deze overdracht van UWV naar werkgever ook de procesgang wordt gewijzigd. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten welk effecten daarvan worden verwacht en waarom een andere procesgang dan die waartoe het UWV verplicht is in dit geval tot betere resultaten kan leiden.

Ten aanzien van vangnetters zonder werkgever geldt voor het UWV de «Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever». Op grond van die regeling moet het UWV tijdens de ZW-periode op de daartoe geëigende momenten bepaalde processtappen zetten, zoals bijvoorbeeld het opstellen van een plan van aanpak. Inhoudelijk komt deze regeling grotendeels overeen met de «Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar» die voor de reguliere werkgever- werknemerrelaties geldt. Er gelden alleen afwijkende regels voor zover de positie van de vangnetter afwijkt van die van de «gewone» werknemer, omdat de vangnetter geen werkgever (meer) heeft. In de pilots ontstaat nu een situatie die vergelijkbaar is met de reguliere werkgever- werknemerrelatie, omdat (in plaats van het UWV) de werkgever/sectororganisatie de vangnetter begeleidt, re-integreert en de arborol op zich neemt, terwijl de werkgever in de pilot bovendien dezelfde aanpak ten aanzien van de vangnetters hanteert. Daarom is er voor gekozen om in de pilotsituatie de «Regeling procesgang eerst en tweede ziektejaar» (die geldt voor de werkgever- werknemerrelatie) toe te passen, in plaats van de «Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever» zoals die voor het UWV geldt.

In concreto betekent dit onder meer dat de werkgever, ingeval van dreigend langdurig verzuim, een probleemanalyse moet laten opstellen, samen met de werknemer een plan van aanpak moet opstellen (waarin zij aangeven welk re-integratiedoel zij voor ogen hebben), het plan van aanpak regelmatig moet evalueren met de vangnetter,het plan van aanpak moet bijstellen als de situatie daar aanleiding toe geeft en een RIV moet opstellen als het tot een WIA-aanvraag komt.

De leden van de SP-fractie vragen tot slot op welke wijze gegarandeerd kan worden dat de persoonsgegevens die de werkgever van het UWV verkrijgt afdoende beschermd worden door de werkgever. Zij vragen of de Minister daartoe voornemens is aanvullende of specifieke eisen te stellen aan de wijze waarop deze worden bewaard en beheerd. « Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?», zo vragen deze leden.

Omdat de werkgever in de pilots in de plaats treedt van het UWV, heeft de werkgever/sectororganisatie bepaalde persoonsgegevens van het UWV nodig. Het gaat hierbij uitsluitend om gegevens voor registratiedoeleinden, zoals BSN, geboortedatum, naam en adres. Het UWV draagt geen gegevens over die te maken hebben met de inhoudelijke gevalsbehandeling.

In de pilotsituatie mag de werkgever deze persoonsgegevens ook verkrijgen en verwerken, zodat hij in staat wordt gesteld om zijn taken uit te kunnen voeren, met als doel de vangnetter te begeleiden en te re-integreren. Bij de uitvoering van zijn taken moet de werkgever dezelfde wettelijke regels en waarborgen in acht nemen als die gelden voor het UWV. De werkgever zal daarbij de bepalingen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) in het bijzonder over het verwerken van gegevens over de gezondheid in acht moeten nemen. Deze regels gelden overigens in dezelfde mate voor werkgevers als voor bestuursorganen in verband met de re-integratie of begeleiding van werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid; er is geen aanleiding om hierop nog aanvullende eisen te stellen. Overigens is het onderhavige ontwerpbesluit in verband met de bescherming van de betreffende persoonsgegevens ter advisering voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP). In zijn advies stelt het CBP geen aanvullende eisen om de privacybescherming verder te waarborgen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie merken op dat werkgevers steeds meer verantwoordelijkheid krijgen voor de risico’s met betrekking tot arbeidsongeschiktheid. Hoewel dat een remmend effect heeft op de instroom in publieke voorzieningen, zien deze leden in een toenemende verantwoordelijkheid voor werkgevers ook het risico dat de animo van werkgevers om mensen aan te nemen, afneemt. Deze leden vragen of dit element wordt meegewogen in de evaluatie van de pilots, en zo ja, hoe.

Zoals in de vorenstaande antwoorden al naar voren is gekomen, heeft het kabinet met sociale partners afgesproken dat sociale partners ervoor verantwoordelijk blijven dat minder mensen een beroep doen op de Wet WIA en dat sociale partners in pilots gericht op re-integratie hiertoe innovatieve werkwijzen ontwikkelen, die op termijn landelijk uitgerold kunnen worden. Sectororganisaties van werkgevers uit de land- en tuinbouw, detailhandel en transport hebben zelf het initiatief genomen voor deze pilots en hebben hiervoor voorstellen ontwikkeld. Werkgevers hebben er hiermee blijk van gegeven dat zij hun verantwoordelijkheid ook ten aanzien van deze groep willen nemen. Uit de monitor zal blijken welke effecten hun aanpak heeft op het ziekteverzuim. In de monitor wordt ook meegenomen of een eerdere inzet van de no-riskpolis bijdraagt aan het aannemen van een eindedienstverbander.

Naar boven