Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429544 nr. 503

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 503 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 januari 2014

In de Regeling van Werkzaamheden van 23 januari jl. (Handelingen II 2013/14, nr. 45, Regeling van Werkzaamheden)heeft dhr. De Graaf (PVV) mij gevraagd om een brief over de ontwikkeling van de werkloosheid en daarbij aandacht te besteden aan de maatregelen die het kabinet neemt om de werkloosheid tegen te gaan. Met deze brief voldoe ik aan dat verzoek.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft op 23 januari jl. bekend gemaakt dat de werkloosheid in december 2013 is gestegen met 15 duizend personen. De werkloosheid is daarmee opgelopen tot 668 duizend personen. Dit komt overeen met 8,5% van de beroepsbevolking. De forse stijging van de werkloosheid in december volgt op een periode waarin de werkloosheid enkele maanden achtereenvolgens is afgenomen. De laatste drie maanden van 2013 is de werkloosheid met gemiddeld 6 duizend personen per maand gedaald.

Werkloosheid is het verschil tussen het aantal beschikbare banen (werkgelegenheid) en het aantal mensen dat een baan zoekt (arbeidsaanbod). De forse oploop van de werkloosheid in 2013 werd zowel veroorzaakt door een afname van de werkgelegenheid als door een verdere stijging van het arbeidsaanbod. Deze daling van de werkgelegenheid hangt nauw samen met de ontwikkeling van de Nederlandse economie de afgelopen jaren. Als gevolg van achterblijvende bedrijfsinvesteringen en consumptieve bestedingen is de vraag naar arbeid gedaald. De stijging van het arbeidsaanbod is opvallend, omdat mensen doorgaans in een periode van achterblijvende economische groei «ontmoedigd» raken en zich terugtrekken van de arbeidsmarkt. De afgelopen maanden zien we daarin echter wel een kentering. Volgens het CBS en het Centraal Planbureau (CPB) hangt een deel van de daling van de werkloosheid in de tweede helft van 2013 samen met het optreden van dit ontmoedigingseffect1.

Werkloosheid is voor de mensen die het treft zeer ingrijpend. Het hebben van een baan is voor mensen meer dan het hebben van inkomen. Een baan biedt mensen immers een sociaal netwerk, mogelijkheden tot zelfontplooiing en zelfvertrouwen. Hoewel er licht aan de horizon gloort – de economie groeit gematigd en het consumenten- en producentenvertrouwen laten een stijgende trend zien – is het een historisch gegeven dat de arbeidsmarkt met enige vertraging reageert op veranderingen in de conjunctuur. Het kabinet en de sociale partners zetten dan ook alles op alles om dit economische herstel te ondersteunen en Nederland sterker te maken voor de toekomst.

Het uitgangspunt voor het kabinet daarbij is het sociaal akkoord dat het kabinet en de sociale partners in april jl. sloten. Het sociaal akkoord bevat naast hervormingen die de Nederlandse economie en arbeidsmarkt versterken ook concrete maatregelen die op de korte termijn (langdurige) werkloosheid voorkomen en bestrijden. Daarbij is gekozen voor een integrale aanpak, waarbij maatregelen specifiek gericht worden op groepen die het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt: jongeren en ouderen. De sectorplannen bieden sectoren de mogelijkheid om via maatwerk specifieke arbeidsmarktknelpunten aan te pakken en dragen daarmee bij aan behoud van werkgelegenheid.

Jongeren

In december 2013 is de werkloosheid onder jongeren met duizend personen gestegen tot 133 duizend. Het jeugdwerkloosheidspercentage komt daarmee uit op 15,9%. De hoge jeugdwerkloosheid is zorgelijk, omdat bekend is dat jongeren de gevolgen van werkloosheid aan de start van de loopbaan lang met zich mee kunnen dragen. Het kabinet heeft daarom op 5 maart 2013 de «Aanpak Jeugdwerkloosheid» (Kamerstuk 29 544, nr. 438) gepresenteerd waarin maatregelen genomen worden om de werkloosheid onder jongeren te bestrijden én te voorkomen.

De 35 arbeidsmarktregio’s ondernemen op dit moment concrete acties om jongeren te ondersteunen bij het vinden van een baan. De middelen die het kabinet hiervoor heeft uitgetrokken (€ 25 miljoen) worden ondermeer ingezet voor het opzetten van jongerenloketten om jongeren te helpen bij beroeps- en studiekeuzes, voor coachingsactiviteiten en voor startersbeurzen om jongeren leerwerkervaring op te laten doen. Eind vorig jaar zijn vanuit het ESF extra middelen (€ 36 miljoen) beschikbaar gesteld voor de arbeidsmarktregio’s voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Via het School Ex programma stimuleert het kabinet jongeren in het middelbaar beroepsonderwijs om langer door te leren en te kiezen voor een opleiding met meer arbeidsmarktrelevantie.

In het begrotingsakkoord is bovendien afgesproken dat er een premiekorting voor jongeren wordt ingevoerd. Daarmee is het voor werkgevers per 1 januari 2014 financieel aantrekkelijker om uitkeringsgerechtigde jongeren in dienst te nemen. Tevens is het voor werkgevers tijdelijk toegestaan om vacatures speciaal voor jongeren van 18 tot 27 jaar aan te bieden.

De aanpak van de jeugdwerkloosheid vraagt om samenwerking en een hoge plek op de agenda van alle betrokken partijen. Het kabinet heeft daarom een ambassadeur voor de «Aanpak Jeugdwerkloosheid» ingesteld om te komen tot een integrale aanpak van de jeugdwerkloosheid. Haar voornaamste taak is ervoor zorgen dat de regionale en sectorale aanpak elkaar versterken en te zorgen dat er matches ontstaan tussen vacatures, stageplaatsen en leerwerkplekken die werkgevers bieden en jongeren die op zoek zijn naar werk. Goede initiatieven – zoals de Buzinezzclub, waarbij jongeren met een uitkering stappen zetten naar ondernemerschap of Link2Work, waarbij bedrijfsmentoren hun netwerk inzetten om jongeren een stap dichterbij werk te brengen – worden door haar verder uitgerold.

Naast het bestrijden van jeugdwerkloosheid zet het kabinet ook onverminderd in op voorkomen van jeugdwerkloosheid door het versterken van de aansluiting tussen het (beroeps)onderwijs en de arbeidsmarkt. Ook neemt het kabinet actie om het aantal voortijdig schoolverlaters verder terug te dringen. Dit beleid werpt haar vruchten af. In schooljaar 2012/2013 is het aantal voortijdig schoolverlaters met ruim 8 duizend verder gedaald tot 27.950. Met deze daling komt de kabinetsdoelstelling van maximaal 25.000 voortijdig schoolverlaters in 2016 in zicht.

Ouderen

De arbeidsmarktpositie van ouderen is het afgelopen decennium sterk verbeterd. De arbeidsparticipatie stijgt en de gemiddelde uittreedleeftijd van 55-plussers is voor het zevende jaar op rij gestegen, tot 63,9 jaar in 2013. Het beeld is echter minder gunstig wanneer ouderen hun baan verliezen. Van de werklozen van 55 jaar heeft gemiddeld genomen 45% binnen 12 maanden een baan gevonden; bij werklozen van 60 jaar is dit gedaald tot 20%.

In het licht van de vergrijzing is een verdere toename van de arbeidsparticipatie van ouderen wenselijk. Dit vraagt om een normalisering van de arbeidsmarkt voor ouderen. Sociale partners zijn in de Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid overeengekomen dat er rond 2020 geen verschil meer mag bestaan in de arbeidsparticipatie van 55-minners en 55-plussers. Kabinet en sociale partners trekken gezamenlijk op om ouderen, indien nodig, te activeren en te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk.

Het kabinet heeft in aanvulling daarop een aantal specifieke maatregelen getroffen om de arbeidsmarktpositie van ouderen te verbeteren2. Om werkgevers te stimuleren oudere uitkeringsgerechtigden in dienst te nemen zijn er ondermeer mobiliteitsbonussen geïntroduceerd. Daarnaast stelt proefplaatsing, waarbij een werkloze (oudere) gedurende een bepaalde periode bij een werkgever met behoud van uitkering kan gaan werken, werkgevers in staat om zonder kosten een reëel beeld van een potentiële werknemer te krijgen. Bovendien heeft het kabinet in totaal € 67 miljoen extra aan het UWV ter beschikking gesteld om ouderen te ondersteunen bij het vinden van werk. Het UWV gebruikt deze middelen voor het organiseren van netwerkbijeenkomsten en inspiratiedagen en voor het inzetten van scholingsvouchers en plaatsingsfees. Met de inzet van netwerktrainingen en inspiratiedagen kunnen de kansen voor oudere werkzoekenden positief beïnvloed worden. Plaatsingsfees stimuleren uitzendbureaus en private intermediairs meer 55-plussers te plaatsen. De hoogte van deze fee loopt op naarmate de werkzoekende oudere langer geplaatst wordt.

Sectorplannen

De sectorplannen spelen een belangrijke rol in het bestrijden en voorkomen van werkloosheid. Het kabinet heeft in totaal € 600 miljoen uitgetrokken om initiatieven van sociale partners gericht op ondermeer duurzame inzetbaarheid en begeleiding bij van-werk-naar-werk te ondersteunen. In het bijzonder is er aandacht voor de arbeidsmarktpositie van jongeren. Minimaal een derde van de middelen van de sectorplannen wordt ingezet om de jeugdwerkloosheid te bestrijden.

Op de korte termijn helpen de sectorplannen de effecten van de crisis tegen te gaan door vakkrachten te behouden en jongeren een kans te bieden op de arbeidsmarkt. Op de langere termijn dragen zij bij aan een beter werkende arbeidsmarkt, waarin mensen gezond, geschoold en mobiel kunnen blijven werken tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Inmiddels zijn in totaal 35 plannen ingediend om specifieke arbeidsmarktknelpunten in sectoren of regio’s aan te pakken. De sector bouw en infra, die relatief zwaar getroffen is door de huidige crisis, heeft als eerste een sectorplan ingediend. Inmiddels heeft deze sector duidelijkheid gekregen over hun sectorplan. Binnenkort krijgen ook andere sectoren duidelijkheid over hun sectorplannen.

Sociale partners in de bouw en infra zijn nu aan de slag met onder andere het creëren van extra leerwerkplekken voor jongeren, het realiseren van banen voor (langdurig) werklozen en het begeleiden van werknemers naar een andere baan binnen of buiten de sector.

Sectorplan Bouw in hoofdlijnen

Banen/crisisaanpak

  • Het stimuleren van mobiliteit en het voorkomen van werkloosheid van 250 werknemers ouder dan 55 jaar;

  • Het behouden van 2.500 leermeesters ouder dan 55 jaar die bbl-2/bbl-3 leerlingen begeleiden en vakkennis overdragen;

  • Het realiseren van 2.500 leerwerkplekken (bbl-2 en bbl-3) voor jongeren tot 27 jaar door;

  • Het realiseren van 500 banen voor (langdurig) werklozen tot 55 jaar;

  • Het realiseren van 250 banen voor langdurig werkloze jongeren ter vervanging van een vrijwillig vervroegd uitgetreden werknemer;

Van werk naar werk/crisisaanpak en duurzame inzetbaarheid lange termijn

  • Begeleiding van werk (of werkloosheid) naar werk, binnen of buiten de sector, door bemiddeling en scholing van 6.400 werknemers;

(Om)scholing/duurzame inzetbaarheid

  • Het stimuleren van scholing gericht op het behalen van een startkwalificatie voor 750 werknemers;

  • Het stimuleren van erkenning van verworven competenties van 420 werknemers;

  • Het stimuleren van toekomstgerichte scholing in duurzame technologieën en toekomstgerichte competenties voor 14.000 werknemers;

Gezondheid/duurzame inzetbaarheid

  • Preventieve interventie en begeleiding van 19.600 werknemers.

Daarnaast kan een groot aantal sectoren ook profiteren van de afspraken die zijn gemaakt in het energieakkoord. De investeringen in energiebesparing en duurzaamheid die afgesproken zijn in het energieakkoord leiden tot een substantiële toename van de werkgelegenheid. Dit laatste geldt ook voor de afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact en het Onderwijsakkoord. Bovendien is ook de verlenging van het lage BTW-tarief op bouw- en renovatiewerkzaamheden tot eind 2014, zoals afgesproken in het begrotingsakkoord 2014, goed voor de werkgelegenheid.

Tot slot

Ondanks de huidige werkelijkheid van een diepe crisis met een hoge werkloosheid, is er in Nederland zicht op verbetering. Er is een kentering zichtbaar door een stijgend consumenten- en producentenvertrouwen. Ook profiteren we via onze export van de aantrekkende wereldhandel. In 2014 verbetert de koopkracht, mede als gevolg van substantiële lastenverlichting. Naast dat dit financiële verlichting voor de huishoudens biedt, is dat goed voor de binnenlandse bestedingen en daarmee voor onze economie.

In het derde kwartaal van 2013 was er sprake van een bescheiden economische groei. De Nederlandse economie groeide met 0,2% ten opzichte van een kwartaal eerder. En dat is belangrijk, want het beste wapen tegen hoge, oplopende werkloosheid is economisch herstel. Met breed draagvlak in het parlement, onder de sociale partners en onder maatschappelijke organisaties neemt het kabinet de noodzakelijke maatregelen om hierop voort te bouwen. Met de hervormingen op onder meer het terrein van de (langdurige) zorg, de woningmarkt en de arbeidsmarkt en de concrete maatregelen die het kabinet neemt om op korte termijn mensen aan het werk te helpen en te houden biedt het kabinet perspectief voor de toekomst, waardoor economisch herstel de ruimte krijgt.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

CPB (2013), Decemberraming 2013, CPB Policy brief 2013/09; CBS (2014), Werkloosheid toegenomen, PB 14–005

X Noot
2

De maatregelen die het kabinet neemt om de arbeidsmarktpositie van ouderen te verbeteren zijn uiteengezet in de brief «Arbeidsmarkt ouderen» (Kamerstuk 29 544, nr. 497).